Maandelijks archief: juni 2014

Laat vallen wat valt

De mensheid, een tamelijk hilarische voetnoot in de geschiedenis van de planeet aarde

LaurelEen paar jaar geleden kwam prof. Etienne Vermeersch ons met zijn gekende bulderstem vertellen dat deze planeet demografisch op springen staat. Straks zijn we met 9 miljard, en het absoluut armste land ter wereld –Niger- heeft het hoogste vruchtbaarheidscijfer. Op geen enkele manier staat de bevolkingstoename nog in verhouding tot de beschikbare woonruimte, landbouwoppervlakte, grondstoffen, energie. De roofbouw is dusdanig, dat de uitputting van de planeet nabij is, en dan is het gewoon gedaan. Niet alleen met de menselijke soort, maar mogelijk met alle leven op aarde, bijvoorbeeld door een wereldwijde kernramp.

Zo’n uitdoving is geen uniek feit, zo leert enig opzoekwerk: ze behoort tot een natuurlijk geologisch ritme. Sinds het Cambriumtijdperk (circa 500 miljoen jaar geleden, waar vermoedelijk de eerste levende organismen ontstonden) zijn er al vijf totale “extincties” geweest. Momenten dus waar alle leven op aarde verdween en er terug van vooraf aan te beginnen viel.

Gezien het cyclisch karakter van die uitdoving, is de vraag waar wij staan in dit verhaal. Kunnen wij het einde tegenhouden? En hoeft het eigenlijk wel? Wordt collectieve overlevingsdrang op een bepaald moment niet lachwekkend en zelfs psychotisch?

Vertigo

Vinci3Sinds de industriële revolutie in de 18de eeuw, maar eigenlijk al sinds 1500 en de homo universalis van Leonardo Da Vinci, is het geloof in de mens als heerser van de aarde onwrikbaar. Techniek en wetenschap zouden ons verder van de natuur vervreemden, maar dan in de positieve zin, namelijk van de totale maakbaarheid van mens, wereld en samenleving. De vliegende constructen die Da Vinci verzon geven, meer dan welke ontwerpen ook, die droom weer: door in de lucht te blijven en niét te vallen, zou de mens uiteindelijk de zuigkracht van de aarde kunnen negeren en de dood overwinnen.

Na twee wereldoorlogen, Hiroshima en Tsjernobyl is de droom een nachtmerrie geworden, en is het pre-apocalyptische denken haast standaard. Dat gaat gepaard met een soort duizeling, een vertigo die opkomt als men een afgrond in kijkt. Het wetenschappelijk discours is, naar het einde van de 20ste eeuw toe, vrij snel omgeslagen van optimisme naar regelrechte alarmkretologie. Van het rapport van de Club van Rome (1972) over Kyoto tot Al Gore,- overal wordt de alarmklok geslagen en wordt het idee gepropageerd dat alleen een drastische ommekeer de mensheid nog voor de ondergang kan behoeden.

De angst voor de dood heeft zich meester gemaakt van onze planetaire cultuur waardoor, paradoxaal genoeg, de globale levenskwaliteit zienderogen verslechtert. Want dit ecohumanisme zal eindigen in een nieuwe totalitaire wereldorde die de individuele vrijheid geheel ondergeschikt maakt aan een collectief overlevingsprogramma. We moeten minder kindjes kopen, minder vlees eten, minder reizen, minder ademen, minder uitscheiden. Dat zijn uiteraard groepsegoïstische strategieën die voortkomen uit een onvermogen om met de eindigheid te leven, en de mens als een tijdelijk verschijnsel op deze aardkluit te accepteren.

Icarus

IcarusEr zijn nochtans andere manieren om met de ondergang om te gaan. Niets is namelijk blijvend, en maar goed ook. Een mens leeft met wat geluk 80 jaar, het geslacht homo 2 miljoen jaar. Binnen 900 miljoen jaar ontploft de zon (het leven op aarde zal al veel eerder onmogelijk zijn), binnen 100 miljard jaar klapt het heelal ineen. Al deze eindigheden maken ook de menselijke beschaving tot iets betrekkelijk, om niet te zeggen futiel. Van daaruit ontstaat iets dat de mens pas echt groot maakt: het vermogen om met alles te kunnen lachen, ook met zichzelf. Ook en vooral dus met zijn eigen gespartel op de roetsjbaan. Dag in, dag uit.

Niemand heeft het komisch-esthetisch karakter van de val treffender gestalte gegeven dan Pieter Brueghel in zijn “Val van Icarus” (1558): een mythologisch drama dat herleid wordt tot de afmeting van een been dat uit de zee steekt (rode cirkel). Sisyphus, Prometheus en Icarus, alle drie in één beweging belachelijk geworden. Voor de rest ploegt de boer verder en is er quasi-niets gebeurd. Grandioos.

Sindsdien is Icarus ontelbare malen geparodieerd, terwijl hij zelf al een clowneske figuur was. Zo zijn er filmpjes bewaard gebleven van “luchtvaartpioniers” die met een zelfgemaakt vliegtuig een bergwand afspringen en genadeloos crashen. Ze zweefden niet even, het ging gewoon vertikaal naar beneden. Een valversnelling die onzacht eindigt. Boem-knots, applaus, gelach.

Het bestaan, als één lange val in slow motion: pas als men dààr het komische van inziet, is men klaar voor het echte leven.

De lucht- en ruimtevaart moet men dan ook veeleer zien als parafrases op het vallen dan op het stijgen. De ontploffing van de LZ129 Hindenburg in 1937 (een reusachtige sigaar, gevuld met super-explosief waterstof!), de explosie van de Challenger in 1986,- het zijn maar een paar momenten in een techno-komedie waarvan men niet weet wat het eigenlijk het echte doeleinde was: in de lucht blijven of neerstorten. De pioniersperiode van de luchtvaart en de bloeitijd van de slapstick overlappen elkaar overigens perfect, ik spreek van de periode tussen 1900 en 1930. Het ziet ernaar uit dat de ene zich in de andere spiegelde, en dat het gooi- en smijtwerk van Buster Keaton en Laurel & Hardy de Icarus-mythe parodieerde, als voorsmaakje van de grote crash.

Pisa

PisaHet vallen, wat we doen sinds we kunnen lopen, is niet alleen een accident-de-parcours maar ook een oefening in het mislukken, het sterven en het uitsterven. Dat klinkt natuurlijk heel raar voor moeders die hun kinderen leren lopen, terwijl ze nochtans heel goed weten dat ook voor kinderen de foute, fatale trajecten veel aantrekkelijker zijn dan de veilige.

Eens de druk wegvalt om zoveel mogelijk menselijke biomassa te conserveren en deze beschaving, die er toch geen meer is, zo lang mogelijk te rekken, zou men eindelijk de schoonheid kunnen inzien van een natuurlijke orde die ook de homo sapiens op zijn plaats zet, en tot een tamelijk onbenullig-komisch intermezzo herleidt. Niet eens een voetnoot in de geschiedenis van de planeet aarde, die overigens veel beter af is zonder de menselijke soort. Er zijn dus redenen genoeg om de lichte paniek van milieubeweging niét te delen: als het mensdom verdwijnt, eventueel met heel de schepping erop en eraan, dan kan het verhaal herbeginnen, hopelijk niet met dezelfde plot. Comoedia finita est, zoals Desiderius Erasmus op zijn sterfbed zei.

Existentieel opent dit de weg naar de esthetische levensbeaming: het is vooral kwestie om traag te vallen, een quasi-zweefvlucht dus. Niet de zwaartekracht negeren, maar ermee te flirten in een dansende para-chute. Icarus, maar dan duizend keer trager. Misschien is dat wel de ultieme zin van kunst: het ver-val verder verfijnen.

Met scherts en gelach moet zo’n trage val gepaard gaan: rond de toren van Pisa, die toch tot neerstorten gedoemd is, heerst niets dan leut. 

In de limiet is elke constructie, elk gebouw een ruïne, vanaf dag één. Weinig architecten kunnen met die ironische gedachte om. Tegen alle principes van stabiliteit in, regeert en schittert de overbekende toren van Pisa als een monument van de vergankelijkheid: een bouwsel dat steeds schever zakt, door de drassigheid van de ondergrond,- een misrekening van de architect dus. De kromheid waarmee men de inclinatie wou corrigeren, en waardoor de toren een soort banaanvorm krijgt, vergroot nog het komisch effect. Alle vertigo is hier verdwenen. Ondanks stabilisatie- en restauratiewerken is en blijft deze toren een landmark door zijn gebrek, en door het duurzaam vooruitzicht van de instorting. Ooit zal dit natuurlijk gebeuren, en het zou een moment kunnen zijn om naar uit te kijken, een feest. Met scherts en kermistoestanden moet zo’n trage val gepaard gaan: rond de toren van Pisa, die toch tot neerstorten gedoemd is, heerst niets dan leut. De collaps wordt hier niet meer als verschrikking ervaren, maar als de bekroning van een trage valbeweging. Het is zelfs niet nodig om torens te doorboren, zoals Bin Laden dacht: ze slopen zichzelf. Zoals elk leven dat ook doet. En net daaruit zijn zin put.

Star trek

star trekDit maar om te zeggen dat ik me terug verzoend heb met de homo sapiens, en zelfs met heel de technisch-wetenschappelijke industrie, net door het onophoudelijk falen. Uiteindelijk blijft de mens een sympathieke knoeier, wiens technologisch vernunft slechts schijnbaar in dienst staat van de vooruitgang. Veel fundamenteler is de onbewuste inbouw van het defect, de misrekening, de bug, waardoor kerncentrales barsten en vliegtuigen van de radar verdwijnen.

Het enige wat men met vertwijfelde doempredikers en overlevingshumanisten à la Vermeersch zou kunnen doen, is hen op een ruimtetuig zetten, in de hoop dat de menselijke beschaving via hun excellente genen een buitenaards verlengstuk krijgt. Maar is een mens buiten de aarde nog een mens? Is ons aardse kompas vervangbaar door een ander? En vooral: wat hebben wij, zelfmoordpiloten, het universum aan te bieden?

Volgens bepaalde complottheorieën wordt alleszins de buitenaardse exodus voorbereid, in de grootste discretie, door een elite die zich momenteel verzamelt in geheimzinnige clubs zoals de Bilderberg-groep, de Cercle de Lorraine, de loges, of de Marnixring. Sommigen willen zich na hun dood laten invriezen, om alsnog op de kosmische trein te kunnen springen. Via een interplanetair vehikel zou een ultieme keur van menselijke genen,- een selectie waarvoor hogervermelde professor, in tegenstelling tot u en ik, zeker een kans maakt,- ergens in de kosmos kunnen neerstrijken om de post-terrestrale Ubermensch te laten floreren.

We zijn de risée van het heelal, hooguit figureren wij ooit als stof voor een intergalactische sitcom.

Het latente isolationisme van schrijvers, geleerden, Nobelprijswinnaars, is gericht op die hypothetische ontsnappingsroute, een idee dat er ergens op een kritiek moment een ruimteschip zal klaarstaan om hen op te pikken. Na de bijbelse Ark en de Christelijke apokalyps, twee religieuze procédés om de uitverkorenen te selecteren, bestaat er nu een ook atheïstische heilsverwachting, die des te sterker is, omdat ze tot een ongeschreven code behoort. Wie schrijft die blijft, en krijgt een ticket. Plaats noch tijdstip van vertrek staan vast, maar men moet zich klaar houden, en oefenen in het afscheid, via contemplatie en goed uitkijken naar geschikte startplaatsen voor de ten-hemel-opneming.

Het klinkt hilarisch, en dat is het ook. Vijf minuten common sense volstaan immers om door te hebben dat ook het geheime ontsnappingsproject van de ingewijden nu al tot de betere slapstickhumor mag gerekend worden. Captain Kirk, Doctor Spock en hun Enterprise zullen de Hindenburg en de Challenger achterna vliegen, tenzij ze niet eens van de grond komen.  De kosmos is geen optie, de ruimtevaart zal ons niet redden. Want laat ons eerlijk zijn: om écht de zwaartekracht te overwinnen en van deze aardkluit te springen, zijn we gewoon veel te dom.

Het is anderzijds ondenkbaar dat buitenaardse beschavingen zich met deze tot uitsterven gedoemde planeet zouden moeien. Waarom zouden ze? Best mogelijk dat er ergens een troepje uitverkorenen met hun koffers staat te wachten, maar er zal niets uit de lucht vallen, tenzij het eigen schroot. We zijn de risée van het heelal, hooguit figureren wij ooit als stof voor een intergalactische sitcom.

En ja, ik beken: ook ik heb daar als ambitieuze jongeman in geloofd,- in het idee dat de besten zullen overleven, dat “iets” op ons wacht. Na menig bananenschil heb ik het komische daarvan echter ingezien, en zijn de koffers allang terug uitgepakt. Terug van nooit weg geweest. Ach, we vallen en mislukken heel ons leven lang, dat is toch grandioos. Ik kan nu met een gerust geweten mijn energie verbranden, mijn woorden verspreiden en mijn zaad verspillen, in het besef dat de (d)evolutie haar gang moet gaan en dat vluchten geen optie is. En onsterfelijkheid geen perspectief. En dus de overlevingsstrategie geen dogma. Het doemdenken voorbij. Boem, paukeslag, laat het feest beginnen!

 

Advertenties

Af en toe klepperen de zonneblinden

Berichten uit de nevenwereld

blauwDe zoektocht naar de verdwenen vermiste vliegtuig van Malaysia Airlines, op 8 maart van dit jaar van de radar verdwenen, levert tot op vandaag niets op. Ook naar een eventuele oorzaak blijft het gissen. Tussen alle hypotheses door is het misschien tijd om ons eens los te maken van de strikt wetenschappelijk-causale pistes. En in plaats van het hopeloos zoeken naar wrakstukken de oren spitsen naar geluiden. Signalen van slachtoffers uit een wereld die de onze niet is, maar waar misschien wel contact mee kan gemaakt worden via de zogenaamde paranormale weg. Mogelijk hebben zij een verhaal, een boodschap, die in de golven te lezen valt, of thuis, in de keuken, de natuur, eigenlijk om het even waar.

Ik begeef me hier op glad terrein, als een open schietschijf voor al wie zich aan gezond rationalisme houdt en een hekel heeft aan verwarde complottheorieën of semi-filosofische mistspuiterij. Toch blijft het citaat uit Shakespeare’s Hamlet genadeloos knagen aan onze zekerheden: “There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy”.

Er is meer, maar wat? En kunnen dingen gebeuren buiten de fysische wetmatigheden om? Beweegt er iets in de rand? Hoe, waar, waarom?

Scientia ignorans

anatomieAl sinds de oudheid worstelen wetenschappers met het vermoeden dat hun systeem nooit zal kloppen, en dat er een reeks verschijnselen zich aan elke causale, wetenschappelijke verklaring blijft onttrekken. Die randfenomenen brachten ze onder in een meteorologie: de lijst van “meteoren”, vallende stenen, naakte verschijnselen. Ook wel genoemd: nevengeruis. O.m. Epicurus, Aristoteles en Lucretius hadden elk hun meteorologie, die ze, merkwaardig genoeg, koppelden aan een manier om met de dood om te gaan. Mijn goede vriend Jean Bollack uit Rijsel heeft er heel zijn academische carrière aan gewijd: het respect dat de antieke materialisten, allen min of meer atheïsten, hadden voor het niet-kenbare en het bovennatuurlijke. Veelbetekenend is anderzijds hoe filosofen als René Descartes, grondlegger van het moderne rationalisme, de meteoren haast panisch exorciseert: alles wat fysisch onverklaarbaar is, is dat maar voorlopig. Langzamerhand werd de wetenschap zelfs een scientia ignorans, een wetenschap die het onverklaarbare negeerde en bestreed, onder meer door iedereen, die zich met die “onverklaarbare verschijnselen” bezig hield of er zin aan probeerde te geven, van bijgeloof en domheid te beschuldigen.

De wetenschap houdt zich sinds 500 jaar enkel bezig met het verdrijven van schimmen en het opensnijden van lijken. Daardoor wordt ze steeds meer bijziend en hardhorig… 

Min of meer schaarde ik me achter die ontkennende wetenschap, begeesterd als ik was door blufagnosten en gepatenteerde papenvreters zoals Richard Dawkins. Het is echter een oud Humo-interview met schrijver Herman Brusselmans, en de dood van mijn hond Wolf, zo’n tien jaar geleden, die me toelieten om de lijn te overschrijden.

Brusselmans, zelf een cynicus en non-believer, vertelt in dat interview hoe op de dag dat zijn moeder stierf, 6 juli 1991 rond half twaalf ’s middags, de zonneschermen van zijn slaapkamer plots begonnen te flapperen. Voor hem stond het vast dat haar uitgetreden geest zo afscheid wou nemen van de luie zoon die zich overslapen had. Dat kan natuurlijk een door schuldgevoel veroorzaakte inbeelding zijn. Maar daags nadat onze Groenendaeler-teef, half opgevreten van de kanker, haar spuitje had gekregen, begonnen er hier ook flessen vanzelf om te vallen. En jawel: dit was Wolf, weet ik heel zeker. Een meteoor van een hond, al weet ik tot op vandaag niet wat ze ermee wou zeggen. Misschien gewoon een groet vanuit… Ja, waaruit?

Plots kijkt men ook wel anders naar gewone dingen. Want als flessen omvallen door de energie van een uitgetreden hondenziel, kunnen ze om dezelfde reden ook blijven staan. Wat is dat toch, al dat geklepper en gepiep? Overigens was het op 6 juli 1991 in Hamme windstil, zo blijkt uit de tabellen. Als men bedenkt dat er zowat elke twee seconden een mens sterft, dan kan het niet anders of deze wereld is vol van gedruis, gepiep, gekletter, omvallende toestanden en lampen die kapotspringen, waarvan de oorzaak buiten de natuurlijke orde der dingen valt.

De wetenschap verklaart zich onbevoegd, of rangschikt het gekletter onder de categorie van UFO’s. Maar daarmee sluit ze ook het contact met de doden af, en wordt het weten een niet-weten en niet-willen-weten. De neopositivistische cultuur van het beschaafde westen heeft het venster tussen de levenden en de doden geblindeerd, heel af en toe klepperen de gesloten luiken nog.  De moderne wetenschap houdt zich voor een flink deel met exorcisme bezig,- het falsifiëren van “bijgeloof”. Zelf gelooft ze in niets behalve in haar eigen superioriteit.  De wetenschap houdt zich sinds 500 jaar enkel bezig met het verdrijven van schimmen en het opensnijden van lijken. Daardoor wordt ze steeds meer bijziend en hardhorig. Nergens komt dit beter tot uiting dan in het bekende schilderij van Rembrandt, “de anatomische les”. Zwarte filisters die zich verzamelen rond een opengesneden lijk, terwijl in diezelfde ruimte misschien de energie, uitgetreden uit dat dode lichaam, veel meer te vertellen heeft.

Samen met Verlichtingsdenker J.J. Rousseau en antropoloog Claude Levi-Strauss kunnen we ons dan afvragen wat er is misgelopen. Wat voor een beschaving legt de doden het zwijgen op? En welke gevolgen heeft dit voor ons normbesef, onze visie op het verleden, onze omgang met de anderen, de dingen, het leven, de natuur?

Natuurreligie en totemisme: de dode als levensgids

totemOnze relatie met de doden is vandaag minimalistisch, zuinig en ontwijkend.  Op 1 november zetten we een bloempot met chrysanten op het graf van een nabestaande, om te beletten dat we er heel het jaar door mee zouden bezig zijn. De rouw is een vervelende kwaal die we moeten uitzieken, want “het leven gaat door”. We doden voortdurend maar de lijken moeten worden opgeruimd. Bij twijfel worden ze opengesneden en dan weer dichtgenaaid. De doden hinderen ons, we formoliseren ze in een statistiek, de spoken van het verleden moeten in quarantaine. En wie toch nog last heeft van “stemmen” moet dringend naar de psychiater.

Ooit beheerste deze relatie tussen levenden en afgestorvenen nochtans het doen en laten van een samenleving. In de animistische natuurreligiën van de niet-gechristianiseerde wereld vormt de communicatie met de voorouders de zenuwknoop van heel de individuele en sociale existentie. Meer nog, ze ligt ten grondslag aan de ontwikkeling van de taal, een complexe code van verbale en non-verbale tekens die essentieel gebaseerd is op het geloof in de “verschijning” van een afgestorvene onder de vorm van een voorwerp, een plant, een levend wezen. De natuur is zwanger van het bovennatuurlijke. Bij hen geen dualiteit tussen “redelijke” natuur en meteoren. De totem, het bezielde beeld, is het rituele centrum en medium van deze overdracht.

In tegenstelling tot de moderne, ééndimensionele taal van de communicatie, is de totemtaal een medium om wijsheid vanuit de “overkant” aan te trekken, die ons kan behoeden voor een catastrofe. 

De taal is hier slechts in tweede lijn een vehikel om de maatschappelijke en intermenselijke verhoudingen te regelen. Geen gedoe rond media en communicatie. Primair is de totemtaal een medium dat de levenden toelaat om een dialoog aan te gaan met hun voorgangers die zich offerden voor ons bestaan. De notie schuld is hier essentieel. Ook al hebben de nabestaanden hen meestal in strikte, “juridische” zin niet omgebracht, toch heerst er een collectief besef dat de tegenwoordigheid bestaat bij gratie van de verleden tijd, en dat de doden onze existentie hebben mogelijk gemaakt. Vandaag noemen we zoiets met een vermolmd, leeg woord “traditie”.

Deze morele schuld tegenover de voorgangers is niet afbetaalbaar of kwijt te schelden. Hij is kwalitatief en duurzaam. Hij is ook niet destructief of zelfkwellend, integendeel, hij vormt de bodem van een zingevingsproces. Want net daardoor is er een cultuur van de collectieve bezinning mogelijk, een gesacraliseerde democratie zelfs, waarin de solidaire groep het contact met de overledenen onderhoudt om hen verantwoording te geven en te bevragen. Dat is rationeler dan het lijkt. De doden waarschuwen ons voor vergissingen die in het verleden werden gemaakt en die hen fataal werden: slechte therapie, foute overlevingsstrategieën, geweld, machtsmisbruik. Ze zijn een levensgids. Hun tussenkomst is als het ware prospectief en beschermend, op voorwaarde dat we ook bereid zijn om die signalen te lezen. In tegenstelling tot de moderne, ééndimensionele taal van de communicatie, is de totemtaal een medium om wijsheid vanuit de “overkant” aan te trekken, die ons kan behoeden voor een catastrofe.

Orfeus: kunst als evocatie van het bezielde ding

OrfeuKinderen, primitieven en psychopaten lijken de enigen die nog een metafysisch verband zien tussen leven en dood. Alle drie behoren ze eigenlijk tot de marge van het geïnstitutionaliseerde, legitieme cultuuruniversum. Soms exposeert men hun tekeningen, als spasmische symptomen van een defecte of onderontwikkelde bewustzijnsstructuur, tegengesteld en ondergeschikt aan het rationele denken dat ons in de school wordt aangeleerd. Ontwikkelingspsychologen hebben doorgaans geen zin om een kindertekening als een totembeeld of een voorouderlijke verschijning op te vatten. Figuren met een aura tekenen, het praten tegen dingen, het spelen met poppen,- het wordt allemaal als uitingen van “infantiele fantasie” gecatalogeerd.

Hoezeer ik ook gruw van haar museale waan en vermarkting,- toch zou kunst een plek kunnen zijn waar, tegen het wetenschappelijk-anatomisch discours in, ruimte wordt gelaten voor dingen die “spreken”,- waarachter of waaronder men een dodentaal kan vermoeden. Niet de kunstenaar is het centrum van het gebeuren, zelfs niet het kunstwerk, maar wel de mate waarin het gecreëerde object als een meteoor functioneert, een vallend voorwerp, dat zijn energie krijgt van diegenen die ons verlieten. En kunnen terugkomen. Sporadisch.

Cum mortuïs in lingua mortua, “Met de doden in de dodentaal”: het is het bijschrift dat de componist Modest Moessorgski plaatste bij het stuk “De Catacomben”, onderdeel van de cyclus “Schilderijententoonstelling”. Hier dialogeert hij met zijn dode vriend, de schilder Viktor Hartmann, bij wijze van een wandeling langsheen diens schilderijen. Het is een metafysische ervaring die model kan staan voor kunst an sich, zeker vandaag, in de tijd van het alles overheersende oppervlakkige postmodernisme.

Steeds meer heb ik, als schrijver, het gevoel dat  “iets” of “iemand” mijn pen vasthoudt. Iemand die meer weet dan ik, meer begrijpt, vanuit het perspectief van de overkant.

Vreemd genoeg stemt die ervaring niet tot melancholie, maar net het tegendeel, namelijk tot een soort vreugde om een contact met “de andere  zijde”, waardoor een veel breder universum opengaat dan dat van de lijkensnijders. Het is de ultieme boodschap van Epicurus: er is niets om bang van te zijn, want dood en leven zijn één.

Het contact met overgegane geesten die op een of andere manier terugkomen: hoe soft en wierokerig het ook klinkt, hoezeer dit ook lijkt op spiritistische kitsj,-: als de band niet hersteld kan worden, als we doof blijven voor de klepperende zonneblinden en de klakkende gloeilampen, als we de dingen ééndimensioneel blijven zien als dingen, en mensen als levende lijken, geraken we nooit uit de impasse van een cultuur die niet met de dood om kan en daardoor ook van het leven niks snapt.

ORPHEE ET EURYDICEToevallig (?) wordt in de Brusselse Munt momenteel de 18de eeuwe opera “Orphée et Euridice”  van Christoph Willibald Gluck opgevoerd, in een enscenering van Romeo Castellucci. Het is een verhaal dat eigenlijk alle andere verhalen in de schaduw stelt: een man die zijn gestorven geliefde uit de onderwereld wil halen. Hij kunstenaar, zij schim. Beiden zijn ze afgesneden van elkaar, maar ook van het grotere geheel waarin levenden en doden wél kunnen communiceren. Het levensproject van Orfeus bestaat er dan in, die corridor te herstellen, vrij te maken.

Als kunst één zin heeft, dan wel deze: de barrières doorbreken die ons scheiden van een parallel universum, waarin diegenen contact pogen te maken die voor ons gingen. De kunst van het aanvaarden, openstellen, “doen bewegen”, bezielen. Alle kunst is “kinetische kunst”: flessen opstellen die kunnen omgegooid worden door iets anders dan een natuurverschijnsel. Bij elke noot die een pianist speelt, klinkt, quasi-onhoorbaar, een “valse” noot die afkomstig is van een medespeler die de hand vasthoudt en die lichamelijk niet meer onder ons is. Het kan de componist zijn, maar eigenlijk om het even wie.

Steeds meer heb ik, als schrijver, uiteindelijk het gevoel dat “iemand” mijn pen vasthoudt. Iemand die meer weet dan ik, meer begrijpt, vanuit het perspectief van de overkant. Originaliteit of creativiteit, het lijken voorbijgestreefde begrippen die verbonden zijn met prestigedruk en streven naar status. De richtinggevende energie die mijn handen doet glijden over het pc-klavier is maar ten dele de mijne, de rest komt van elders, namelijk van een mentaal krachtveld dat zich rondom mij bevindt. Hetzelfde veld, vermoed ik, dat de blaffeturen van Brusselmans deed wapperen, maar waar hij als schrijver niets mee deed.

Dat vergt een extreme zintuiglijkheid en sensibiliteit, een gevoeligheid die ook al sociaal onaanvaardbaar is, en waarvoor opnieuw ruimte moet vrijgemaakt worden. Allemaal niet evident in een materialistische prestatiemaatschappij, waar bliksemsnel de flessen worden opgeraapt en lampen worden vervangen.

Terwijl het defect, de “valse noot”, het nevengeruis, het vallende object (meteoor), de quasi-chaos, nu net hét teken is dat het geëvoceerde er ook is en antwoordt, waarschuwt, zorgt, leert. Eurydike is haar naam. Sabrina haar bijnaam.

 

De profundis: hoe het schone zich laaft aan het verschrikkelijke

 

Tuam1Zopas werden in de beerput van een katholiek opvanghuis te Tuam (West-Ierland) 800 skeletten gevonden: kinderen van ongehuwde moeders, verwaarloosd en mishandeld, en tenslotte gewoonweg door de nonnen tussen de stront gedumpt. Van 1925 tot 1961 moet dit massagraf ontstaan zijn. Als bastaards hadden ze geen enkel recht op een graf, of op de hemel, maar ook niet op een leven in het hiernumaals. Als paria’s werd ze behandeld.

Dat we dit te danken hebben aan de achterlijke katholieke moraal die het mentaal even achterlijke Ierland nog steeds domineert, is een waarheid als een koe. Waar de kerk de plak zwaait, stinkt het onder de wierook. Doch wacht eens, Ierland is toch ook het stamland van Jonathan Swift, Oscar Wilde, William Butler Yeats , Samuel Beckett, James Joyce, en andere literaire grootheden/vrijdenkers? Niets mee te maken, een ander soort Ierland? Of net wel,- het spiegelbeeld van de gruwel?   Even in die beerput tasten.

Het heerlijke lijden

tuam2Lang heb ik me inderdaad afgevraagd wat de Ierse literatuur zo groot maakt. Dat gevoel voor het absolute, de glorie van de waanzin, het gedicht als epifanie (J. Joyce), het sublieme dat oprijst uit het triviale. Zit het in de volksaard? Welke genen deelt de gemiddelde Ierse zuipschuit met hoger vermelde genieën?

Wie in goed en kwaad gelooft, hoeft al niet meer verder te lezen. Het vermoeden groeit namelijk dat vooral het dichterlijk-literaire schoonheidsideaal ontstaat op een beerputdeksel. De lijdende kunstenaar, martelaar en genie, heeft het lijden van de wereld nodig als “fond” en depressivum. Hij sublimeert dat lijden vervolgens, en het eindproduct heet kunst, die heet gelukkig te maken. Anders gezegd: kunst vreet zich als een kanker doorheen de werkelijkheid en maakt ellende verteerbaar, ja, zelfs noodzakelijk om zoiets als schoonheid te produceren. Of nog scherper gesteld: de beerput van het kindertehuis in Tuam en het reservoir waaruit de dichter put, vormen communicerende vaten. De kunstenaar beheert de overloop van A naar B en voegt naar believen smaakstoffen en parfums toe. Dat is de enige verklaring voor de verheerlijking van de smart die Oscar Wilde in zijn “De Profundis” etaleert:

Sorrow is the most sensitive of all created things. There is nothing that stirs in the whole world of thought or motion to which Sorrow does not vibrate in terrible if exquisite pulsation. […] It is a wound that bleeds when any hand but that of Love touches it and even then must bleed again, though not for pain.

“Sorrow is the most sensitive of all created things”. De mens moet bloeden, sterven, verrotten in de kak. Maar nu komt het: de smart van de dichter is maar een metafoor, een geposeerd lijdensverhaal. Het echte lijden speelt zich elders af, en vormt de materiële basis van het artistieke “lijden” dat ik dus tussen aanhalingstekens plaats, en dat nota bene meteen heel de mensheid oproept tot viering van het Grote Leed, vooreerst door die dichtbundel toch maar te kopen en mee te grienen. Zo sluipt het sentiment als neveneffect en feedback binnen in deze groteske cultus van de melancholie.

We mogen niet in de valstrik van het postume medelijden stappen. Want het koppelt zich op een bizarre manier aan zelfmedelijden. Voor we het weten hebben we het lijden nodig om mentaal te functioneren, en dan zijn we klaar voor het Grote Dichterschap.

“De profundis”: het is de titel van een lange brief die Oscar Wilde in de gevangenis schreef, veroordeeld wegens sodomie. In de gelijknamige bijbelse psalm waarin men God uit de diepte aanroept, wordt het lijden zinnig, noodzakelijk, en uiteindelijk een thema, een stijlfiguur, een pose, een literair handelsmerk. De lelijkheid en het obscene vormen dus niet de antithese van het culturele raffinement, maar de troebele bron ervan, waaraan estheten zich permanent weten te laven. Het ongeluk smaakt naar meer.

En neen, Oscar Wilde of James Joyce zijn nooit in Tuam geweest, anders hadden ze ook nooit gedichten geschreven. Maar de geur van de beerput zit wel in hun schrijfsels, en het is, denk ik, die geur die, eens men haar herkent, alle lust in de literatuur doet overgaan.

Schoonheid ontstaat uit het lijden, zo zegt de kunst, maar daarmee maakt ze het lijden ook nuttig en noodzakelijk. Ook het echte, fysieke lijden in de wereld, niet enkel het galprobleem van de dichters. Eén literator heeft er zelfs zijn pseudoniem aan gewijd: Multatuli (Latijn voor: “Ik heb veel geleden”). Vanaf nu kunnen we elke schrijver, dichter, kunstenaar, intellectueel zien als een lijdend subject op weg naar God. Ook de zogenaamde atheïsten onder hen: allen gedragen ze zich als martelaren in dienst van de schoonheid, met vage reminiscenties aan een ongelukkige jeugd die toch niet zo ongelukkig blijkt te zijn.

De rijkdom van de armoede

Auschwitz

Auschwitz, 1944

De alom verspreide gedachte dat kunst een balsem zou zijn, een remedie tegen de lelijkheid van het leven, zit er dus juist iéts naast: veeleer is ze er de nuttige transformatie van, om het lijden te verrechtvaardigen. De Mattheuspassie van J.S. Bach, ik heb ze ooit eens in een kunsttijdschrift geduid als een sado-masochistische euforie, de verheerlijkte slachting van de menselijke zondebok, op weg naar God. Het was meteen mijn laatste artikel voor dat tijdschrift, want met Bach valt niet te sollen. Toch wordt die gedachte bevestigd via de katholiek-religieuze bovenbouw van die Ierse beerputschool: het waren gelovige nonnen die de kinderen lieten creperen, dat is geen onbelangrijk detail. Ook Moeder Theresa hield nog niet zo lang geleden een pleidooi tegen pijnstillers: de mens is gemaakt om te lijden en wordt erdoor gelouterd.  Zonder kruisdood, geen Mattheuspassie, die toch als een van dé meesterwerken van de Westerse toonkunst wordt beschouwd.

Deze Duitse Bach-connectie leidt ons dan weer onvermijdelijk naar Auschwitz, zijnde dé Europese beerput die aan de andere kant ook Beethovens 9de en Richard Wagners Parsifal opleverde, – eveneens een extreem geësthetiseerd lijdensverhaal. Het schone ontstaat vanuit het verschrikkelijke,- dat dus ook moet in stand gehouden en gecultiveerd worden. De materiële basis van die ellende is onontbeerlijk, ze inspireert en voedt het dichterlijk spleen. De Duitse romantiek is groot geworden dankzij de materiële, fysieke miserie in de 19de en 20ste eeuw, niet ondanks. Ze teert en parasiteert erop. Enkel extreme anti-esthetici zoals Otto Dix waren in staat om dat macaber parasitisme van de schone kunsten te doorzien en de lelijkheid als lelijkheid te tonen. Waardoor ze toch weer het lijden instrumentaliseerden en tot een (verhandelbaar) beeld opwerkten.

De echte genieën werkten alleszins met grote destilleerkolven en ontgeurders bovenop de beerput. Alleen in dat perspectief is de verheerlijking van de miserie te verklaren door een dichter als Rainer Maria Rilke, die in zijn Stundenbuch van 1903 de armoede karakteriseert als „ein großer Glanz aus Innen“. Armoede als Innerlijke schittering.   Neen, zeggen de exegeten: Rilke bedoelde natuurlijk de armoede als geestelijke onthechting, ascese, niet de armoede van de aan tbc stervende proleet. Maar in dat metaforisch goochelspel hoeven wij niet mee te lopen. Armoede is fysiek en mentaal lijden, traag afsterven, eindeloos knabbelen op een droog stuk brood, stinken, in vuilbakken scharrelen, en dan de fameuze hongerbuik en de stuipen op het einde.

Hoe de dichter daarmee omgaat, als beeld en zelfbeeld, is zijn zaak.

De afdaling in het graf

Szebrenica

Szebrenica, 2006

Nu betrap ik mezelf erop dat het verhaal van dat Ierse weeshuis en zijn beerput smart bij me opwekt. Ik moest er zowaar van wenen. Allicht omdat het om kinderen gaat, ontrukt aan hun jonge moeder, liefdeloos bejegend en gedumpt in een stinkend massagraf.

Maar ook die smart, dat postuum mede-lijden, is een literaire kwestie, een affect dat door woorden, een krantenbericht, de commotie daar rond, wordt opgewekt. Het zijn nochtans niet de woorden die ons moeten wekken, maar de dingen zelf. Waarvoor we steeds te laat komen.

Het moment van de opgraving is het echte moment van de waarheid: soms jaren later wordt de put geopend en worden bot voor bot alle skeletten gereconstrueerd. Dat is meer dan een archivering of een museale bezigheid: de afdaling in het graf, emotieloos maar piëteitsvol en minutieus, het afstoffen, verzamelen en nummeren,- het zijn momenten van ontnuchtering en bezinning die veel stiller én intenser zijn dan wat erop volgt, de morele verontwaardiging, de retoriek van de politici.

Het is door Wilde en Rilke voor te lezen, ginder aan die geopende beerput, fysiek en concreet, dat we beseffen hoe belachelijk impertinent hun getormenteerde verdichtsels wel zijn. 

We mogen niet in de valstrik van het postume medelijden stappen. Want het koppelt zich op een bizarre manier aan zelfmedelijden. Voor we het weten hebben we het lijden nodig om mentaal te functioneren, en dan zijn we klaar voor het Dichterschap.   Excuses, herdenkingstoespraken, memorialen en andere cosmetische operaties zijn zinloos en “literair”, in de slechtste betekenis van het woord. Het is juist de stank van de lijken en de weeïge geur van de met knoken die elke verbale of picturale geste, en elk sentiment er rond, bij voorbaat ontmaskert als therapeutisch theater.

De opgraving kan dus niets anders met zich meebrengen dan een totaal iconoclasme, het weigeren van elke beeld-spraak. De afdeling in het graf is de antithese van elke verlossingsgedachte, hemelvaart of apotheose. Geen woorden zijn nog adequaat. Het is door Wilde en Rilke voor te lezen, ginder aan die geopende beerput, fysiek en concreet, dat we beseffen hoe belachelijk impertinent hun getormenteerde verdichtsels wel zijn.

De opgraving wist het lijden van de slachtoffers niet uit, maar vernietigt wel de zalvende retoriek van het medelijden. De naakte, klinische, on-poëtische lijkschouwing is het moment waarop het universum van de schoonheid, de schijn, de woorden en de alibi’s botst op de realiteit van de zinloze smart, de pijn zonder troost, de honger zonder God. Daarom moeten we blijven graven, omwoelen, resten verzamelen, eerder dan te zingen, te huilen of te bidden.

Noch bloemen noch kransen. Vertrouw geen vioolspelers in de buurt van lijken: hun snaren zijn van darmen gemaakt.  Ontzeg de redenaars de toegang tot het knekelveld, want hun woorden willen helen wat niet te helen valt. Stuur de dichters wandelen, die de nabestaanden willen troosten: onder de wierook ruiken ze naar de dood. Sla de beelden in de prak die de slachtoffers willen gedenken: ze zijn gemaakt van beendermeel.

Het feit dat Rembrandt eieren klutste om er gele kleurstof mee te maken, in plaats van een pannenkoek voor zijn hongerende kinderen, maakt op een bizarre manier hun dood redelijk, noodzakelijk, schoon. Rembrandt heeft gewonnen, zijn kunst is eeuwig. Ook daar dringt een opgraving zich op, waarna de meesterwerken kunnen ondergestopt worden, als klein gevaarlijk afval. In profundis.

De dag dat het lijden uit deze wereld verdwijnt, is het allicht ook gedaan met de kunst, de poëzie, de retorica, het muzische gebaar, de schoonheid. Ik zal er geen moment om rouwen.