De profundis: hoe het schone zich laaft aan het verschrikkelijke

 

Tuam1Zopas werden in de beerput van een katholiek opvanghuis te Tuam (West-Ierland) 800 skeletten gevonden: kinderen van ongehuwde moeders, verwaarloosd en mishandeld, en tenslotte gewoonweg door de nonnen tussen de stront gedumpt. Van 1925 tot 1961 moet dit massagraf ontstaan zijn. Als bastaards hadden ze geen enkel recht op een graf, of op de hemel, maar ook niet op een leven in het hiernumaals. Als paria’s werd ze behandeld.

Dat we dit te danken hebben aan de achterlijke katholieke moraal die het mentaal even achterlijke Ierland nog steeds domineert, is een waarheid als een koe. Waar de kerk de plak zwaait, stinkt het onder de wierook. Doch wacht eens, Ierland is toch ook het stamland van Jonathan Swift, Oscar Wilde, William Butler Yeats , Samuel Beckett, James Joyce, en andere literaire grootheden/vrijdenkers? Niets mee te maken, een ander soort Ierland? Of net wel,- het spiegelbeeld van de gruwel?   Even in die beerput tasten.

Het heerlijke lijden

tuam2Lang heb ik me inderdaad afgevraagd wat de Ierse literatuur zo groot maakt. Dat gevoel voor het absolute, de glorie van de waanzin, het gedicht als epifanie (J. Joyce), het sublieme dat oprijst uit het triviale. Zit het in de volksaard? Welke genen deelt de gemiddelde Ierse zuipschuit met hoger vermelde genieën?

Wie in goed en kwaad gelooft, hoeft al niet meer verder te lezen. Het vermoeden groeit namelijk dat vooral het dichterlijk-literaire schoonheidsideaal ontstaat op een beerputdeksel. De lijdende kunstenaar, martelaar en genie, heeft het lijden van de wereld nodig als “fond” en depressivum. Hij sublimeert dat lijden vervolgens, en het eindproduct heet kunst, die heet gelukkig te maken. Anders gezegd: kunst vreet zich als een kanker doorheen de werkelijkheid en maakt ellende verteerbaar, ja, zelfs noodzakelijk om zoiets als schoonheid te produceren. Of nog scherper gesteld: de beerput van het kindertehuis in Tuam en het reservoir waaruit de dichter put, vormen communicerende vaten. De kunstenaar beheert de overloop van A naar B en voegt naar believen smaakstoffen en parfums toe. Dat is de enige verklaring voor de verheerlijking van de smart die Oscar Wilde in zijn “De Profundis” etaleert:

Sorrow is the most sensitive of all created things. There is nothing that stirs in the whole world of thought or motion to which Sorrow does not vibrate in terrible if exquisite pulsation. […] It is a wound that bleeds when any hand but that of Love touches it and even then must bleed again, though not for pain.

“Sorrow is the most sensitive of all created things”. De mens moet bloeden, sterven, verrotten in de kak. Maar nu komt het: de smart van de dichter is maar een metafoor, een geposeerd lijdensverhaal. Het echte lijden speelt zich elders af, en vormt de materiële basis van het artistieke “lijden” dat ik dus tussen aanhalingstekens plaats, en dat nota bene meteen heel de mensheid oproept tot viering van het Grote Leed, vooreerst door die dichtbundel toch maar te kopen en mee te grienen. Zo sluipt het sentiment als neveneffect en feedback binnen in deze groteske cultus van de melancholie.

We mogen niet in de valstrik van het postume medelijden stappen. Want het koppelt zich op een bizarre manier aan zelfmedelijden. Voor we het weten hebben we het lijden nodig om mentaal te functioneren, en dan zijn we klaar voor het Grote Dichterschap.

“De profundis”: het is de titel van een lange brief die Oscar Wilde in de gevangenis schreef, veroordeeld wegens sodomie. In de gelijknamige bijbelse psalm waarin men God uit de diepte aanroept, wordt het lijden zinnig, noodzakelijk, en uiteindelijk een thema, een stijlfiguur, een pose, een literair handelsmerk. De lelijkheid en het obscene vormen dus niet de antithese van het culturele raffinement, maar de troebele bron ervan, waaraan estheten zich permanent weten te laven. Het ongeluk smaakt naar meer.

En neen, Oscar Wilde of James Joyce zijn nooit in Tuam geweest, anders hadden ze ook nooit gedichten geschreven. Maar de geur van de beerput zit wel in hun schrijfsels, en het is, denk ik, die geur die, eens men haar herkent, alle lust in de literatuur doet overgaan.

Schoonheid ontstaat uit het lijden, zo zegt de kunst, maar daarmee maakt ze het lijden ook nuttig en noodzakelijk. Ook het echte, fysieke lijden in de wereld, niet enkel het galprobleem van de dichters. Eén literator heeft er zelfs zijn pseudoniem aan gewijd: Multatuli (Latijn voor: “Ik heb veel geleden”). Vanaf nu kunnen we elke schrijver, dichter, kunstenaar, intellectueel zien als een lijdend subject op weg naar God. Ook de zogenaamde atheïsten onder hen: allen gedragen ze zich als martelaren in dienst van de schoonheid, met vage reminiscenties aan een ongelukkige jeugd die toch niet zo ongelukkig blijkt te zijn.

De rijkdom van de armoede

Auschwitz

Auschwitz, 1944

De alom verspreide gedachte dat kunst een balsem zou zijn, een remedie tegen de lelijkheid van het leven, zit er dus juist iéts naast: veeleer is ze er de nuttige transformatie van, om het lijden te verrechtvaardigen. De Mattheuspassie van J.S. Bach, ik heb ze ooit eens in een kunsttijdschrift geduid als een sado-masochistische euforie, de verheerlijkte slachting van de menselijke zondebok, op weg naar God. Het was meteen mijn laatste artikel voor dat tijdschrift, want met Bach valt niet te sollen. Toch wordt die gedachte bevestigd via de katholiek-religieuze bovenbouw van die Ierse beerputschool: het waren gelovige nonnen die de kinderen lieten creperen, dat is geen onbelangrijk detail. Ook Moeder Theresa hield nog niet zo lang geleden een pleidooi tegen pijnstillers: de mens is gemaakt om te lijden en wordt erdoor gelouterd.  Zonder kruisdood, geen Mattheuspassie, die toch als een van dé meesterwerken van de Westerse toonkunst wordt beschouwd.

Deze Duitse Bach-connectie leidt ons dan weer onvermijdelijk naar Auschwitz, zijnde dé Europese beerput die aan de andere kant ook Beethovens 9de en Richard Wagners Parsifal opleverde, – eveneens een extreem geësthetiseerd lijdensverhaal. Het schone ontstaat vanuit het verschrikkelijke,- dat dus ook moet in stand gehouden en gecultiveerd worden. De materiële basis van die ellende is onontbeerlijk, ze inspireert en voedt het dichterlijk spleen. De Duitse romantiek is groot geworden dankzij de materiële, fysieke miserie in de 19de en 20ste eeuw, niet ondanks. Ze teert en parasiteert erop. Enkel extreme anti-esthetici zoals Otto Dix waren in staat om dat macaber parasitisme van de schone kunsten te doorzien en de lelijkheid als lelijkheid te tonen. Waardoor ze toch weer het lijden instrumentaliseerden en tot een (verhandelbaar) beeld opwerkten.

De echte genieën werkten alleszins met grote destilleerkolven en ontgeurders bovenop de beerput. Alleen in dat perspectief is de verheerlijking van de miserie te verklaren door een dichter als Rainer Maria Rilke, die in zijn Stundenbuch van 1903 de armoede karakteriseert als „ein großer Glanz aus Innen“. Armoede als Innerlijke schittering.   Neen, zeggen de exegeten: Rilke bedoelde natuurlijk de armoede als geestelijke onthechting, ascese, niet de armoede van de aan tbc stervende proleet. Maar in dat metaforisch goochelspel hoeven wij niet mee te lopen. Armoede is fysiek en mentaal lijden, traag afsterven, eindeloos knabbelen op een droog stuk brood, stinken, in vuilbakken scharrelen, en dan de fameuze hongerbuik en de stuipen op het einde.

Hoe de dichter daarmee omgaat, als beeld en zelfbeeld, is zijn zaak.

De afdaling in het graf

Szebrenica

Szebrenica, 2006

Nu betrap ik mezelf erop dat het verhaal van dat Ierse weeshuis en zijn beerput smart bij me opwekt. Ik moest er zowaar van wenen. Allicht omdat het om kinderen gaat, ontrukt aan hun jonge moeder, liefdeloos bejegend en gedumpt in een stinkend massagraf.

Maar ook die smart, dat postuum mede-lijden, is een literaire kwestie, een affect dat door woorden, een krantenbericht, de commotie daar rond, wordt opgewekt. Het zijn nochtans niet de woorden die ons moeten wekken, maar de dingen zelf. Waarvoor we steeds te laat komen.

Het moment van de opgraving is het echte moment van de waarheid: soms jaren later wordt de put geopend en worden bot voor bot alle skeletten gereconstrueerd. Dat is meer dan een archivering of een museale bezigheid: de afdaling in het graf, emotieloos maar piëteitsvol en minutieus, het afstoffen, verzamelen en nummeren,- het zijn momenten van ontnuchtering en bezinning die veel stiller én intenser zijn dan wat erop volgt, de morele verontwaardiging, de retoriek van de politici.

Het is door Wilde en Rilke voor te lezen, ginder aan die geopende beerput, fysiek en concreet, dat we beseffen hoe belachelijk impertinent hun getormenteerde verdichtsels wel zijn. 

We mogen niet in de valstrik van het postume medelijden stappen. Want het koppelt zich op een bizarre manier aan zelfmedelijden. Voor we het weten hebben we het lijden nodig om mentaal te functioneren, en dan zijn we klaar voor het Dichterschap.   Excuses, herdenkingstoespraken, memorialen en andere cosmetische operaties zijn zinloos en “literair”, in de slechtste betekenis van het woord. Het is juist de stank van de lijken en de weeïge geur van de met knoken die elke verbale of picturale geste, en elk sentiment er rond, bij voorbaat ontmaskert als therapeutisch theater.

De opgraving kan dus niets anders met zich meebrengen dan een totaal iconoclasme, het weigeren van elke beeld-spraak. De afdeling in het graf is de antithese van elke verlossingsgedachte, hemelvaart of apotheose. Geen woorden zijn nog adequaat. Het is door Wilde en Rilke voor te lezen, ginder aan die geopende beerput, fysiek en concreet, dat we beseffen hoe belachelijk impertinent hun getormenteerde verdichtsels wel zijn.

De opgraving wist het lijden van de slachtoffers niet uit, maar vernietigt wel de zalvende retoriek van het medelijden. De naakte, klinische, on-poëtische lijkschouwing is het moment waarop het universum van de schoonheid, de schijn, de woorden en de alibi’s botst op de realiteit van de zinloze smart, de pijn zonder troost, de honger zonder God. Daarom moeten we blijven graven, omwoelen, resten verzamelen, eerder dan te zingen, te huilen of te bidden.

Noch bloemen noch kransen. Vertrouw geen vioolspelers in de buurt van lijken: hun snaren zijn van darmen gemaakt.  Ontzeg de redenaars de toegang tot het knekelveld, want hun woorden willen helen wat niet te helen valt. Stuur de dichters wandelen, die de nabestaanden willen troosten: onder de wierook ruiken ze naar de dood. Sla de beelden in de prak die de slachtoffers willen gedenken: ze zijn gemaakt van beendermeel.

Het feit dat Rembrandt eieren klutste om er gele kleurstof mee te maken, in plaats van een pannenkoek voor zijn hongerende kinderen, maakt op een bizarre manier hun dood redelijk, noodzakelijk, schoon. Rembrandt heeft gewonnen, zijn kunst is eeuwig. Ook daar dringt een opgraving zich op, waarna de meesterwerken kunnen ondergestopt worden, als klein gevaarlijk afval. In profundis.

De dag dat het lijden uit deze wereld verdwijnt, is het allicht ook gedaan met de kunst, de poëzie, de retorica, het muzische gebaar, de schoonheid. Ik zal er geen moment om rouwen.

Advertenties

16 Reacties op “De profundis: hoe het schone zich laaft aan het verschrikkelijke

  1. … in de naam van (god) de vader, de (schone) kunsten en het eeuwige leven. het zij zo …

  2. Stijn Coninx

    Zeer interessante gedachte, die ik zeker kan volgen.
    Vraag : wat is de inspiratie voor schoonheid : de zon, de bloemen, het lichaam, de liefde, het leven ? Ook woede, frustratie, angst of onrecht, haat…?
    🙂
    Stijn

  3. Maar gij leest zelf ook al die dichters en zwijmt bij die operas, Joahen. Op een of andere manier schijnt dat iets te zijn dat we nodig hebben. Elke cultuur kent begrafenisrituelen die zorgen voor troost — begint het daar niet al? Is het niet omdat we in de onophefbare dialectiek van goed en kwaad bestaan dat we kunst nodig hebben? Of denkt gij dat door de kunst af te schaffen het leed gaat verdwijnen — een zuiveringgedachte die ook Plato al had, en we weten waar Plato voor stond als het op het maatschappelijke aankomt.

  4. wim van rooy

    Johan raakt hier aan het narcisme van de kunstenaar die, hoezeer ook op het eerste gezicht geraakt door smart en pijn, toch inteert op gevoelens die hem of haar voor het publiek belangrijk maken. Ik noem dat krokodillentranen, want de openbaarheid van dichters gevoel betrouw ik niet. Hij verkoopt ten slotte gevoelens van een ander alsof het de zijne zijn.

  5. antoon meert

    Ik sta sinds meer dan een halve eeuw op de barrikade voor de herwaardering van de Elsense schilder Louis BARETTA (1866-1928) wiens werk of wat er van overblijft wordt bewaard in het stadhuis van Veurne. Over deze peintre maudit in wiens werk het verschrikkelijke wordt gesublimeerd zei de burgemeester mij eens : “De mensen hebben er schrik van en lopen weg !”. Blijkbaar een reden om dit werk voor de wereld verborgen te houden. In januari 2010 heb ik in samenwerking met TV Brussel over deze zaak een video opgenomen die kan bekeken worden op de webpagina “Louis Baretta schilder”. Duur 12 minuten.

  6. Eric Janssens

    Je kan het probleem blijven draaien of keren: ooit waren er de godsdiensten die beweerden het leed zin te kunnen geven en zo het leven te kunnen rechtvaardigen. Nadien nam de seculiere kunstreligie die goddeloze taak over. De priester werd vervangen door de dichter. Het is goede kunstenaars echter gegeven hun eigen leed, indien het werkelijk is, zo uit te drukken dat anderen het herkennen en zich erin terugvinden. Dat heeft niks met troost, cinema of egocentrisme te maken. Piaf wist wel waarover ze zong wanneer ze over armoede en honger zong. Hamsun schreef erover vanuit zijn eigen ervaring, uit noodzakelijkheid. Dit waren geen poseurs. Het snobisme begint wanneer kunstenaars gevoelens en ervaringen uitdrukken die ze nooit hebben gehad, die ze niet kennen. Spijtig genoeg loopt de wereld van dat soort kunstenaars vol.

  7. Greta Troubleyn

    Waarom vertel je hier leugens vraag ik me af?
    Tuam hoort totaal niet thuis in het geheel, één grote leugen zoals je het weergeeft,

  8. Sabrina Dessein

    Ik vraag me af hoe het was toen, de nonnen die om de zoveel uur bidden, naar de mis gaan, alles om in de gratie bij God te staan. Hoe deden ze het, kinderen verwaarlozen, hulpeloze baby’s die schreiden om wat warmte, aandacht, eten. Waarvoor baden zij? Absolutie? Ik kan alleen maar hopen dat er hier en daar een non tussenzat die deed wat ze kon, maar niet opkon tegen het geheel. Dat toch enkele kinderen het gevoel hadden te mogen bestaan. Daarnaast wil ik echt geloven in Engelen die deze kinderen nabij waren, na hun ellendig korte liefdeloos leven , dat ze een nieuwe plek kregen maar vooral dat ze niet alleen waren. De wereld lijkt geschokt om zoveel lijden, en toch heeft de mensheid er iets van geleerd. Oh, er zal een gedenksteen geplaatst worden, de katholieken sussen hun geweten want ‘toen wisten we het niet’.. of toch? Maar we hebben niet geleerd, want ondertussen worden kinderen van straat geveegd in Brazilië voor het goedkope vermaak van velen. Lijden dat nu plaatsvind. Dat even apatisch onthaald word als het lijden van toen. Het is nu eenmaal makkelijker zo. Het lijden zal de wereld nooit uitgaan want we creëren het zelf, we zijn het lijden geworden. Het startte met de erfzonde en het zal nooit eindigen. Jezus probeerde het volk te ‘verlossen’ maar zolang we onszelf niet verlossen zullen er nog velen aan het kruis sterven. En toch, lijden kan ook moois voortbrengen, dan denk ik niet aan de kunst. Als je na uren ‘lijden’, net op het moment dat je niet meer aankan de laatste kracht vind om een kind op te wereld te zetten. Dan wordt het lijden in no-time, liefde.

  9. Kristine Verelst

    Dit is niet zozeer een aanklacht tegen de nonnen en hun beerput, dan wel een (striemend, zo kennen we Johan Sanctorum) rekwisitoor tegen de melismen en de lyriek die aan het lijden een soort zin geven. Ik zou nog veel meer schrijvers dan genoemde kunnen citeren, die koketteren met hun “leed”. Laat ik het houden bij de filosoof Schopenhauer die het lijden als universeel beschouwde. Ook Nietzsche zag het lijden als iets boetserend, scheppend, en verviel daardoor in het Christelijk masochisme dat hij zo haatte.
    Het is heel moeilijk om vanuit de vervulling te schrijven en te creëren. Tevredenheid zet nu eenmaal niet aan tot zoeken.
    Dat artiesten echter als vampiers het leed van de wereld opzoeken om er zich op vast te zuigen en het sublimeren, staat vast. Het is de inherente ziekte van de kunst. O.m. de componist Mahler blok erin uit. Het zal inderdaad niet lang meer duren, of een journalist-schrijver, een theatermaker, of, godbetert, een musicalcomponist gaat met dat verhaal van die Ierse wezen aan de slag. Die cultus van het sentiment, die echte revolte verlamt, dat heeft JS genadeloos doorprikt…

  10. Raymond van Mil

    Wat een prachtig essay. Ik heb altijd geweten dat er wat mis is met de manier waarop mensen zich verlekkeren op lijden, offeren, tragiek etc. Ik zou zelfs willen beweren dat dit de zenuw is waarom we als mensheid maar niet het beste willen. Omdat er een stupide geloof bestaat dat alle ellende toch wel ergens voor is, het bijeffect van al die pogingen er wat moois in te zien of er religieuze betekenis aan toe te kennen. Ik ben blij dat je meehelpt deze waanzin te ontmaskeren..!! (Overigens geloof ik er geen zak van dat er geen kunst kan bestaan zonder tragiek, er zijn echt wel uitzonderingen)

  11. Christa Van Acker

    The Laundrey en de gedumpte kinderen, heeft te maken met starre normen van wat kan en niet kan. De moeder-dochters werden verstoten, hun kind werd verstoten, door de ouders, de familie, de maatschappij. De zonde moest bedekt en verwijderd worden. Al wie fanatiek de ongewenstheid van kinderen geboren buiten het huwelijk aanhangt en hoont en veroordeelt en die kinderen wil bannen, is mede dader aan wat daar door die nonnen is kunnen gebeuren. Maar zoiets is natuurlijk niet beperkt tot de strenge katholieke maatschappij van vroeger, maar is nog steeds daar waar men fanatiek bepaalde regels hanteert en vergeet humaan en menslievend te zijn naar ieder menselijk wezen, ongeboren of reeds geboren. En goh, ja, waren nonnen nu eigenlijk ook niet indertijd gefrustreerde wezens. Wat heeft er zich allemaal onder die nonnenkap verborgen. Lesbische, misbruikte of mogelijks ook geweld aangedane vrouwen met in wezen een diepe haat en een vlucht naar een liefde die niet van deze wereld is, omdat de liefde in deze wereld voor hen heeft gefaalt of beangstigend is mis gegaan? Ik heb het altijd zo raar gevonden, die liefde voor een man die al eeuwen en eeuwen dood was. Daar vult je hart en je leven toch niet met tederheid van

  12. Ivan Van Lint

    Het bannen van het lijden kan in een reeel bestaande wereld alleen leiden tot brave new world toestanden. natuurlijk is de verheerlijking van het lijden absoluut te verwerpen, moet je er eerder leren mee omgaan, maar ergens is het een gemakkelijkheidsoplossing omdat extreme vreugde en verdriet, lijden en genot gevoelens zijn die emotioneel heel dicht bij elkaar liggen. het feit, dat in het christendom het lijden verheerlijkt wordt is een van de bewijzen dat het fundamenteel dwaalt. wat men god zou kunnen noemen bevindt zich namelijk op het absolute nulpunt, daar waar er noch vreugde noch verdriet, noch lijden noch genot bestaan.

  13. Patrick Eggermont

    De ene beerput is de andere niet ! Ook is het zo dat sanitaire voorzieningen er vroeger ietwat anders uitzagen dan vandaag het geval is. Het betrof meestal een houten bak voorzien van een cirkelvormig gat met deksel erop, recht bovenop de beerput. De deur die toegang gaf tot het sanitair was aan de bovenkant – voor de air-conditioning – voorzien van een gat, bijvoorbeeld in de vorm van een hart. Men kon er zich als ‘gewoon schijtluis’ tijdelijk in de adelstand bevinden, althans als men er zich ‘baron van ’t schijthuis’ waande. In het geval dat men mogelijks de stank niet verdroeg, kon men zich altijd een wasknijper op de neus doen! Enfin, op ’t gemak!!! Men zou kunnen zeggen dat de mensen het dagelijks contact met die beerput ‘naar achter op de koer’ zijn kwijt gespeeld. De kunstenaar grijpt zijn kans om de ach zo dierbare medemens deze verloren gegane werkelijkheid zo zintuiglijk mogelijk onder de neus te wrijven (?).

  14. Wie lijden wil inpassen in enige zingeving, verdiene het met een molensteen om de hals te worden geworpen in den beerput.
    Net zoals de natuur geen moraal kent, indifferent is voor menselijke constructies als goed en kwaad, net zo min heeft lijden van om het even welk levend organisme enige zin of beteken

  15. Herlees de eerste zin van dit artikel: zopas werden in de beerput van een katholiek opvangtehuis te Tuam (West-Ierland) 800 skeletten gevonden (…).
    Bijna te mooi om waar te zijn voor papenvretend Vlaanderen.
    Beste Johan: als ‘filosoof’ zou je toch moeten weten: als iets te mooi is om waar te zijn… ís het meestal ook niet waar.
    Zo ook met dit sensationele verhaal.

    • Proficiat, eindelijk iemand die eens verder gaan zoeken is. Zonet, is dus in werkelijkheid reeds in 1975 kinderen resten gevonden hebben in een put op een terrein dat als kerkhof dienst deed, weliswaar zonder namen. In totaal 20 à 22 overblijfselen in deze put, op het hele terrein 796. Als men dit juiste aantal had vermeld, hadden ze zich nog creatief kunnen redden, kijken of je bij de les bent, want 7+9+6= 22 😉 zowel het totale aantal als het aantal resten in put. Het sterftecijfer normaal als je vergelijkingen maakt met de rest van Ierland, zelfs lager als je naar het aantal sterfgevallen in Limerick kijkt waar het veel hoger ligt. Dublin, geboortestad van Oscar Wilde weinig lager, erg vergelijkbaar.
      Zelfs in België in die periode een hoger percentage kindersterfte, als ik eigen familiegeschiedenis induik.
      Een andere reden waarom het in het plaatje van weergave 3 hoofdgodsdiensten niet past is dat in tegenstelling Auschwitz en Szebrenica waar het om oorlog en bewuste vernietigingen gaat van Joden en islamieten, Tuam nog altijd om het redden van kinderen gaat of alleszins een poging tot…de omstandigheden en achterliggende sociale normen van destijds die overal van toepassing waren als discussie nu verwerpelijk, maar Ierland was geen uitzondering.
      Bedenkelijke journalistiek blijkbaar waar héél wat vraagtekens bij geplaatst kunnen worden. Wat was hun bedoeling? Waarom Nu?