Af en toe klepperen de zonneblinden

Berichten uit de nevenwereld

blauwDe zoektocht naar de verdwenen vermiste vliegtuig van Malaysia Airlines, op 8 maart van dit jaar van de radar verdwenen, levert tot op vandaag niets op. Ook naar een eventuele oorzaak blijft het gissen. Tussen alle hypotheses door is het misschien tijd om ons eens los te maken van de strikt wetenschappelijk-causale pistes. En in plaats van het hopeloos zoeken naar wrakstukken de oren spitsen naar geluiden. Signalen van slachtoffers uit een wereld die de onze niet is, maar waar misschien wel contact mee kan gemaakt worden via de zogenaamde paranormale weg. Mogelijk hebben zij een verhaal, een boodschap, die in de golven te lezen valt, of thuis, in de keuken, de natuur, eigenlijk om het even waar.

Ik begeef me hier op glad terrein, als een open schietschijf voor al wie zich aan gezond rationalisme houdt en een hekel heeft aan verwarde complottheorieën of semi-filosofische mistspuiterij. Toch blijft het citaat uit Shakespeare’s Hamlet genadeloos knagen aan onze zekerheden: “There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy”.

Er is meer, maar wat? En kunnen dingen gebeuren buiten de fysische wetmatigheden om? Beweegt er iets in de rand? Hoe, waar, waarom?

Scientia ignorans

anatomieAl sinds de oudheid worstelen wetenschappers met het vermoeden dat hun systeem nooit zal kloppen, en dat er een reeks verschijnselen zich aan elke causale, wetenschappelijke verklaring blijft onttrekken. Die randfenomenen brachten ze onder in een meteorologie: de lijst van “meteoren”, vallende stenen, naakte verschijnselen. Ook wel genoemd: nevengeruis. O.m. Epicurus, Aristoteles en Lucretius hadden elk hun meteorologie, die ze, merkwaardig genoeg, koppelden aan een manier om met de dood om te gaan. Mijn goede vriend Jean Bollack uit Rijsel heeft er heel zijn academische carrière aan gewijd: het respect dat de antieke materialisten, allen min of meer atheïsten, hadden voor het niet-kenbare en het bovennatuurlijke. Veelbetekenend is anderzijds hoe filosofen als René Descartes, grondlegger van het moderne rationalisme, de meteoren haast panisch exorciseert: alles wat fysisch onverklaarbaar is, is dat maar voorlopig. Langzamerhand werd de wetenschap zelfs een scientia ignorans, een wetenschap die het onverklaarbare negeerde en bestreed, onder meer door iedereen, die zich met die “onverklaarbare verschijnselen” bezig hield of er zin aan probeerde te geven, van bijgeloof en domheid te beschuldigen.

De wetenschap houdt zich sinds 500 jaar enkel bezig met het verdrijven van schimmen en het opensnijden van lijken. Daardoor wordt ze steeds meer bijziend en hardhorig… 

Min of meer schaarde ik me achter die ontkennende wetenschap, begeesterd als ik was door blufagnosten en gepatenteerde papenvreters zoals Richard Dawkins. Het is echter een oud Humo-interview met schrijver Herman Brusselmans, en de dood van mijn hond Wolf, zo’n tien jaar geleden, die me toelieten om de lijn te overschrijden.

Brusselmans, zelf een cynicus en non-believer, vertelt in dat interview hoe op de dag dat zijn moeder stierf, 6 juli 1991 rond half twaalf ’s middags, de zonneschermen van zijn slaapkamer plots begonnen te flapperen. Voor hem stond het vast dat haar uitgetreden geest zo afscheid wou nemen van de luie zoon die zich overslapen had. Dat kan natuurlijk een door schuldgevoel veroorzaakte inbeelding zijn. Maar daags nadat onze Groenendaeler-teef, half opgevreten van de kanker, haar spuitje had gekregen, begonnen er hier ook flessen vanzelf om te vallen. En jawel: dit was Wolf, weet ik heel zeker. Een meteoor van een hond, al weet ik tot op vandaag niet wat ze ermee wou zeggen. Misschien gewoon een groet vanuit… Ja, waaruit?

Plots kijkt men ook wel anders naar gewone dingen. Want als flessen omvallen door de energie van een uitgetreden hondenziel, kunnen ze om dezelfde reden ook blijven staan. Wat is dat toch, al dat geklepper en gepiep? Overigens was het op 6 juli 1991 in Hamme windstil, zo blijkt uit de tabellen. Als men bedenkt dat er zowat elke twee seconden een mens sterft, dan kan het niet anders of deze wereld is vol van gedruis, gepiep, gekletter, omvallende toestanden en lampen die kapotspringen, waarvan de oorzaak buiten de natuurlijke orde der dingen valt.

De wetenschap verklaart zich onbevoegd, of rangschikt het gekletter onder de categorie van UFO’s. Maar daarmee sluit ze ook het contact met de doden af, en wordt het weten een niet-weten en niet-willen-weten. De neopositivistische cultuur van het beschaafde westen heeft het venster tussen de levenden en de doden geblindeerd, heel af en toe klepperen de gesloten luiken nog.  De moderne wetenschap houdt zich voor een flink deel met exorcisme bezig,- het falsifiëren van “bijgeloof”. Zelf gelooft ze in niets behalve in haar eigen superioriteit.  De wetenschap houdt zich sinds 500 jaar enkel bezig met het verdrijven van schimmen en het opensnijden van lijken. Daardoor wordt ze steeds meer bijziend en hardhorig. Nergens komt dit beter tot uiting dan in het bekende schilderij van Rembrandt, “de anatomische les”. Zwarte filisters die zich verzamelen rond een opengesneden lijk, terwijl in diezelfde ruimte misschien de energie, uitgetreden uit dat dode lichaam, veel meer te vertellen heeft.

Samen met Verlichtingsdenker J.J. Rousseau en antropoloog Claude Levi-Strauss kunnen we ons dan afvragen wat er is misgelopen. Wat voor een beschaving legt de doden het zwijgen op? En welke gevolgen heeft dit voor ons normbesef, onze visie op het verleden, onze omgang met de anderen, de dingen, het leven, de natuur?

Natuurreligie en totemisme: de dode als levensgids

totemOnze relatie met de doden is vandaag minimalistisch, zuinig en ontwijkend.  Op 1 november zetten we een bloempot met chrysanten op het graf van een nabestaande, om te beletten dat we er heel het jaar door mee zouden bezig zijn. De rouw is een vervelende kwaal die we moeten uitzieken, want “het leven gaat door”. We doden voortdurend maar de lijken moeten worden opgeruimd. Bij twijfel worden ze opengesneden en dan weer dichtgenaaid. De doden hinderen ons, we formoliseren ze in een statistiek, de spoken van het verleden moeten in quarantaine. En wie toch nog last heeft van “stemmen” moet dringend naar de psychiater.

Ooit beheerste deze relatie tussen levenden en afgestorvenen nochtans het doen en laten van een samenleving. In de animistische natuurreligiën van de niet-gechristianiseerde wereld vormt de communicatie met de voorouders de zenuwknoop van heel de individuele en sociale existentie. Meer nog, ze ligt ten grondslag aan de ontwikkeling van de taal, een complexe code van verbale en non-verbale tekens die essentieel gebaseerd is op het geloof in de “verschijning” van een afgestorvene onder de vorm van een voorwerp, een plant, een levend wezen. De natuur is zwanger van het bovennatuurlijke. Bij hen geen dualiteit tussen “redelijke” natuur en meteoren. De totem, het bezielde beeld, is het rituele centrum en medium van deze overdracht.

In tegenstelling tot de moderne, ééndimensionele taal van de communicatie, is de totemtaal een medium om wijsheid vanuit de “overkant” aan te trekken, die ons kan behoeden voor een catastrofe. 

De taal is hier slechts in tweede lijn een vehikel om de maatschappelijke en intermenselijke verhoudingen te regelen. Geen gedoe rond media en communicatie. Primair is de totemtaal een medium dat de levenden toelaat om een dialoog aan te gaan met hun voorgangers die zich offerden voor ons bestaan. De notie schuld is hier essentieel. Ook al hebben de nabestaanden hen meestal in strikte, “juridische” zin niet omgebracht, toch heerst er een collectief besef dat de tegenwoordigheid bestaat bij gratie van de verleden tijd, en dat de doden onze existentie hebben mogelijk gemaakt. Vandaag noemen we zoiets met een vermolmd, leeg woord “traditie”.

Deze morele schuld tegenover de voorgangers is niet afbetaalbaar of kwijt te schelden. Hij is kwalitatief en duurzaam. Hij is ook niet destructief of zelfkwellend, integendeel, hij vormt de bodem van een zingevingsproces. Want net daardoor is er een cultuur van de collectieve bezinning mogelijk, een gesacraliseerde democratie zelfs, waarin de solidaire groep het contact met de overledenen onderhoudt om hen verantwoording te geven en te bevragen. Dat is rationeler dan het lijkt. De doden waarschuwen ons voor vergissingen die in het verleden werden gemaakt en die hen fataal werden: slechte therapie, foute overlevingsstrategieën, geweld, machtsmisbruik. Ze zijn een levensgids. Hun tussenkomst is als het ware prospectief en beschermend, op voorwaarde dat we ook bereid zijn om die signalen te lezen. In tegenstelling tot de moderne, ééndimensionele taal van de communicatie, is de totemtaal een medium om wijsheid vanuit de “overkant” aan te trekken, die ons kan behoeden voor een catastrofe.

Orfeus: kunst als evocatie van het bezielde ding

OrfeuKinderen, primitieven en psychopaten lijken de enigen die nog een metafysisch verband zien tussen leven en dood. Alle drie behoren ze eigenlijk tot de marge van het geïnstitutionaliseerde, legitieme cultuuruniversum. Soms exposeert men hun tekeningen, als spasmische symptomen van een defecte of onderontwikkelde bewustzijnsstructuur, tegengesteld en ondergeschikt aan het rationele denken dat ons in de school wordt aangeleerd. Ontwikkelingspsychologen hebben doorgaans geen zin om een kindertekening als een totembeeld of een voorouderlijke verschijning op te vatten. Figuren met een aura tekenen, het praten tegen dingen, het spelen met poppen,- het wordt allemaal als uitingen van “infantiele fantasie” gecatalogeerd.

Hoezeer ik ook gruw van haar museale waan en vermarkting,- toch zou kunst een plek kunnen zijn waar, tegen het wetenschappelijk-anatomisch discours in, ruimte wordt gelaten voor dingen die “spreken”,- waarachter of waaronder men een dodentaal kan vermoeden. Niet de kunstenaar is het centrum van het gebeuren, zelfs niet het kunstwerk, maar wel de mate waarin het gecreëerde object als een meteoor functioneert, een vallend voorwerp, dat zijn energie krijgt van diegenen die ons verlieten. En kunnen terugkomen. Sporadisch.

Cum mortuïs in lingua mortua, “Met de doden in de dodentaal”: het is het bijschrift dat de componist Modest Moessorgski plaatste bij het stuk “De Catacomben”, onderdeel van de cyclus “Schilderijententoonstelling”. Hier dialogeert hij met zijn dode vriend, de schilder Viktor Hartmann, bij wijze van een wandeling langsheen diens schilderijen. Het is een metafysische ervaring die model kan staan voor kunst an sich, zeker vandaag, in de tijd van het alles overheersende oppervlakkige postmodernisme.

Steeds meer heb ik, als schrijver, het gevoel dat  “iets” of “iemand” mijn pen vasthoudt. Iemand die meer weet dan ik, meer begrijpt, vanuit het perspectief van de overkant.

Vreemd genoeg stemt die ervaring niet tot melancholie, maar net het tegendeel, namelijk tot een soort vreugde om een contact met “de andere  zijde”, waardoor een veel breder universum opengaat dan dat van de lijkensnijders. Het is de ultieme boodschap van Epicurus: er is niets om bang van te zijn, want dood en leven zijn één.

Het contact met overgegane geesten die op een of andere manier terugkomen: hoe soft en wierokerig het ook klinkt, hoezeer dit ook lijkt op spiritistische kitsj,-: als de band niet hersteld kan worden, als we doof blijven voor de klepperende zonneblinden en de klakkende gloeilampen, als we de dingen ééndimensioneel blijven zien als dingen, en mensen als levende lijken, geraken we nooit uit de impasse van een cultuur die niet met de dood om kan en daardoor ook van het leven niks snapt.

ORPHEE ET EURYDICEToevallig (?) wordt in de Brusselse Munt momenteel de 18de eeuwe opera “Orphée et Euridice”  van Christoph Willibald Gluck opgevoerd, in een enscenering van Romeo Castellucci. Het is een verhaal dat eigenlijk alle andere verhalen in de schaduw stelt: een man die zijn gestorven geliefde uit de onderwereld wil halen. Hij kunstenaar, zij schim. Beiden zijn ze afgesneden van elkaar, maar ook van het grotere geheel waarin levenden en doden wél kunnen communiceren. Het levensproject van Orfeus bestaat er dan in, die corridor te herstellen, vrij te maken.

Als kunst één zin heeft, dan wel deze: de barrières doorbreken die ons scheiden van een parallel universum, waarin diegenen contact pogen te maken die voor ons gingen. De kunst van het aanvaarden, openstellen, “doen bewegen”, bezielen. Alle kunst is “kinetische kunst”: flessen opstellen die kunnen omgegooid worden door iets anders dan een natuurverschijnsel. Bij elke noot die een pianist speelt, klinkt, quasi-onhoorbaar, een “valse” noot die afkomstig is van een medespeler die de hand vasthoudt en die lichamelijk niet meer onder ons is. Het kan de componist zijn, maar eigenlijk om het even wie.

Steeds meer heb ik, als schrijver, uiteindelijk het gevoel dat “iemand” mijn pen vasthoudt. Iemand die meer weet dan ik, meer begrijpt, vanuit het perspectief van de overkant. Originaliteit of creativiteit, het lijken voorbijgestreefde begrippen die verbonden zijn met prestigedruk en streven naar status. De richtinggevende energie die mijn handen doet glijden over het pc-klavier is maar ten dele de mijne, de rest komt van elders, namelijk van een mentaal krachtveld dat zich rondom mij bevindt. Hetzelfde veld, vermoed ik, dat de blaffeturen van Brusselmans deed wapperen, maar waar hij als schrijver niets mee deed.

Dat vergt een extreme zintuiglijkheid en sensibiliteit, een gevoeligheid die ook al sociaal onaanvaardbaar is, en waarvoor opnieuw ruimte moet vrijgemaakt worden. Allemaal niet evident in een materialistische prestatiemaatschappij, waar bliksemsnel de flessen worden opgeraapt en lampen worden vervangen.

Terwijl het defect, de “valse noot”, het nevengeruis, het vallende object (meteoor), de quasi-chaos, nu net hét teken is dat het geëvoceerde er ook is en antwoordt, waarschuwt, zorgt, leert. Eurydike is haar naam. Sabrina haar bijnaam.

 

Advertenties

18 Reacties op “Af en toe klepperen de zonneblinden

  1. Stefaan E.R. Oplinus

    Een beklijvende tekst. Persoonlijk denk ik dat de wetenschap nooit ofte nimmer “alles” zal kunnen doorgronden. De grenzen van tijd en ruimte bijvoorbeeld. Dat inzicht leidt er onvermijdelijk toe dat je als mens moet toegeven dat er iets is, dat er een scheppende kracht is, dat er een andere dimensie is waar wij geen benul van hebben en ook niet kunnen hebben. Nederige wetenschap moét dus wel tot het geloof in een godheid leiden. Zelfs Darwin had dat al door waar hij op het einde van “The origine of species” ongeveer schreef: op die wijze evolueert wat God heeft geschapen”.

  2. Wat kan jij toch goed schrijven, Johan!

  3. Nancy Everaerts

    ‘Kinderen, primitieven en psychopaten lijken de enigen die nog een metafysisch verband zien tussen leven en dood.’ Kan het zijn de je mensen in een psychose bedoelt, ipv psychopaten? Kleine nuance lijkt me. Verder boeiend artikel!

  4. Kristine Verelst

    Interessante en bewogen tekst. Er is moed nodig om zoiets vandaag te publiceren, gezien de schampere reacties van de non-believers. Zelfs wetenschapster zijnde, vind ik dit helemaal geen onzin. Wetenschappers die niet verder zien dan hun neus lang is, lijken inderdaad op die karikaturen van Rembrandts schilderij.
    Wel laat dit essay veel nieuwe vragen open: wat gebeurt er precies tijdens de dood? Waarom blijven die “zielen” hier rond hangen? Hebben ze zelf nostalgie naar het leven van ervoor? Wat met de bijna-dood-ervaring (tijdelijk uittreding, hier ergens beschreven)? Wat met de theorie van de reïncarnatie? Komen die geesten dan terug, nemen ze bezit van een nieuw lichaam, en zo ja, via welke kracht, welke verdeler? Of zit ik nu nog teveel in het oude wetenschappelijke paradigma?
    Visie op kunst deel ik: kunstenaars zijn veel te veel met zichzelf en hun carrière bezig, en veel te weinig met wat die natuurreligies wél intuïtief snapten, namelijk de eenheid tussen leven en dood. En de kracht van het bezielde object.
    Ik denk trouwens dat het in ons technologisch universum altijd marginaal zal blijven: mensen met een speciale gevoeligheid, een “zesde zintuig”, die meer zien en horen, maar die zwijgen, uit schrik om voor gek verklaard te worden. Misschien beter zo. Niet alles moet openbaar en algemeen geldend zijn.

  5. Christa Van Acker

    Ik geloof in onherkenbare vibratie’s die je soms opvangt omdat ik dat zelf al ondervonden heb. Maar of de doden nog een teken van leven kunnen geven daar heb ik toch sterk mijn twijfels over. Wij geven na een overlijden misschien betekenis aan dingen waar we voorheen niet op hebben gelet en een uitleg omdat er nog iets op ons hart ligt, zoals bij de dood van mijn moeder en ik bij haar laatste moment niet was omdat ik totaal uitgeput was en de telefoon niet goed op lag, dus steeds bezet gaf. Daarna is mijn dochter aangereden en kreeg ik de melding dat ze een ongeluk had gehad en op de operatietafel lag, net toen ik (de enigste keer) met een vroegere schoolvriendin een kop koffie zat te drinken in het huis waar mijn moeder had gewoond en dat was omgevormd tot cafétaria/restaurant. Ja dan denk je bij zo een dingen wat meer hé. Je gaat dan piekeren en verklaringen geven en zoeken. Maar of die verklaringen die je maakt dan echt zijn en de uitleg die je er zelf aan geeft klopt, dat is een andere zaak.

  6. Gemma Elisabeth Huisman

    Zeer bedankt . Ben slechts ervarings`deskundige`op dit terrein , waar echte durfals in de wetenschap zoals Sheldrake nog steeds over spreken en schrijven. De morfogenetische velden. Waar anderen reppen over non/kokaal Akasha enzv. Zie mijn pagina Poezie en profil, daar heb ik een gedicht geplaatst getiteld – wolf-. Verder: Johan schrijft niet over geesten van buitenaf maar over energie dat via hem als kanaal de stoffelijke werkelijkheid binnen stroomt. Lieve Wastiels ook wel intuitie of buikgevoel whatever genoemd. Het lichaam als de antenne voor de niet zichtbare oorzaak via menselijke materie gerichte ogen.

  7. Alenka de Bont

    Ik stond hier ook altijd sceptisch in, totdat ik onverwachts kennis maakte met onverklaarbare dingen na het overlijden van een vriendin. Het heeft mij geleerd te accepteren dat niet alles wetenschappelijk te verklaren is, iets wat je tegenwoordig bijna niet meer hardop mag zeggen lijkt het wel.

  8. Jasper van Kooten

    Ik sluit me aan bij jouw ervaringen Johan. Met gezonde tegenzin heb ik moet erkennen dat er in zulke situaties dingen gebeuren die onmogelijk door toeval verklaard kunnen worden. Het makkelijkste is om die dingen te ontkennen en boos te worden op degene die ze wel erkennen.

  9. Jan De Wilde

    Mijn vader overleed halfweg de jaren ’90. Enkele jaren later werd ik wakker uit een droom waarin mn vader (voor het eerst en het laatst) zeer aanwezig was.Diezelfde ochtend ging ik langs het containerpark en zag er een opgezette jonge Jan-van-Gent.Toen ik hem wilde meenemen kwam er een man,die me vertelde dat het zijn vogel was en hij vroeg of ik wist welke vogel het was.Ik vertelde hem dat mn vader ,een zeeman,me ,als kind,over de vogel verteld had toen hij terugkwam uit Ijsland (de Jan-van Gent laat zich van grote hoogte vallen en soms belandt hij zo op het dek ve schip).De man vertelde me dat zn vader hem had meegebracht van Ijsland in 1963.Ik ben geboren in 1963.De vogel staat nog steeds op de kast.Ik geloof al sinds mn zevende niet meer in sinterklaas.Maar het is wel een mooie samenloop van omstandigheden.Onze zintuigen,ervaringen en herinneringen voeden onze conclusies.

  10. Tin Vankerkom

    Een beeld van een tekst, Johan. Hiermee is de 21ste eeuw dus ingezet.

  11. Pingback: Af en toe klepperen de zonneblinden | Acta Sanctorum

  12. Beste Johan. ‘Mozes’ zag ‘God’ op de heilige berg en hij beschreef ‘God’ als onzienlijk. Vergeleken met je inzichten en je zoektocht naar de natuur-godsdienstige beeldencultus, lijkt me Mozes iemand die ruim 3000 jaar geleden al veel vrijzinniger naar de hemelen boven ons keek, dan onze vrijzinnigen het in werkelijkheid kunnen. Mozes had er een zinvolle oplossing voor: hij noemde het ‘God’ (de Volle Leven, JHWH) en hij gebood iedereen geen beelden te maken om die te vereren of aanbidden en om de naam ‘God’ nooit te misbruiken (er dus ‘religie’ mee te zitten maken).
    Ja… het verschil tussen jouw hemelbetrachting en die van de oude Mozes is misschien dat de jouw ‘religieus’ is (beelden zoeken) en die van Mozes a-religieus en dus ‘vrijzinnig’ is (geen beelden om te vereren of aanbidden)?

  13. Pingback: Johan Sanctorum bekent… | Golfbrekers

  14. Raoul de Smet

    Eindelijk is Sanctorum weer tot evenwicht gekomen. Na maanden van verdwaasd gekeuvel over allerlei stommiteiten in de samenleving, is er eindelijk weer een filosoferende mens aan het woord. Als ik het goed begrepen heb is nu ook de kunst in ere hersteld. Ga verder Johan.

  15. De verst waargenomen sterren zijn miljarden lichtjaren van ons verwijderd en volgens de gelovigen resideert daarachter een opperwezen.De zielen zijn na de dood op weg naar hun god.Het zal dus nog miljarden jaren duren zelfs met de snelheid van het licht, voor de eersten aankomen en ons kunnen laten weten wat er meer is tussen hemel en aarde dan onze zintuigen kunnen waarnemen.

    • Stefaan E.R. Oplinus

      Alfons, ik weet niet waar er staat dat “daarachter” een opperwezen resideert. Kan je me op weg helpen?

      • Het moet nog verder zijn dan de verste sterren anders hadden de telescopen het opperwezen al gezien.Tenzij ge niet in een opperwezen gelooft natuurijk

  16. Karina Uyttersprot

    heerlijke tekst, ben er helemaal blij van geworden. Welcome back Johan