Maandelijks archief: juli 2014

Het dilemma van Lampedusa

Waarom migratie nodig is, en racisme nuttig

zigeuners   Neen, ik zou ook niet willen dat ze in mijn tuin neerstrijken. Waarom gaan die mensen toch ook niet gewoon ergens op een camping staan. Om dezelfde redenen dat echte wielerliefhebbers nooit het fietspad gebruiken?

Dat de socialistische burgemeester van Landen de karavaan wou verjagen met een luidruchtige discobar, illustreert alleen maar hoe diep xenofobie in ons zit, en hoe gecrispeerd de politiek-correcte dwangneurose ermee omgaat. Anderzijds intrigeert die zigeunerkaravaan me. Ze boezemt onbehagen in, maar ook nieuwsgierigheid. Voor een libertariër en aangeboren vreemdeling is identificatie haast onvermijdelijk: zijn we niet allemaal ergens zigeuners die met de verkeerde muziek worden onthaald?  Meteen een geschikte invalshoek om hete thema’s rond vreemdelingen en vreemdelingenhaat van hun ruis te ontdoen. Vooroordelen moeten niet gecensureerd worden, maar uitgediept. Dus ja: ze stelen, ontvoeren kinderen en laten een hoop vuilnis achter. Maar de afschrikking van de discobar hielp niet: de zigeunerkinderen dansten erop en kwamen met eigen cd’s af. Wie komt hier het sterkste uit?

 Migratie en soortveredeling

migratieIn heel het debat rond migratie, waarbij rechts (terecht) waarschuwt voor vervreemdingstrauma’s bij de inboorlingen, en links (even terecht) aanmaant tot enige solidariteit met de verworpenen der aarde, komt de politiek nooit toe aan de antropologische essentie. Deze is dubbel: enerzijds het evolutionaire nut van migratie op zich, en anderzijds de biologische evidentie van de xenofobie en zelfs het racisme.

Dat migratie van alle tijden is, is een open deur intrappen. Mensen verplaatsen zich nu eenmaal in de richting van wat ze als een betere plek aanzien. Zowat 60.000 jaar geleden trok de homo sapiens vanuit de Oost-Afrikaanse slenk richting Europa en de rest van de wereld. Allicht gebeurde dat in minstens twee golven, van telkens niet meer dan 10.000 exemplaren.

M168 (zie tekening) geldt als onze oudste stamvader. Hij verhuisde niet zomaar, uit een vakantiegevoel: waarschijnlijk was een fatale klimaatschommeling de oorzaak van de uittocht, de zgn. Afrikaanse ijstijd die ondanks zijn naam werd veroorzaakt door een “global warming” en een toenemende verwoestijning. Toen al. Belangrijk is ook dat die klimaatcatastrofe de intelligentie aanscherpte, bijdroeg tot de ontwikkeling van de taal en het strategisch denken, wat er uiteindelijk toe leidde dat de Afrikaanse homo sapiens de oudere Europese rassen verdrong.

Ontegensprekelijk gaat migratie gepaard met verdringing, waarbij gewoonweg het recht van de sterkste geldt.

Het was dus constant verhuizen geblazen, de idee van de sedentaire landbouwer/stedeling moet sterk gerelativeerd worden. De historische migratie-atlas toont een wirwar van trajecten, waaronder de Germaanse volksverhuizingen in het begin van de middeleeuwen (met verdrijving van de autochtone Kelten als gevolg) en de Europese migratiegolf richting Amerika in de 19de eeuw, als twee markante fenomenen die cultureel en economisch van enorm belang zouden blijken.

Lampedusa_2072421bOntegensprekelijk gaat migratie gepaard met verdringing, waarbij gewoonweg het recht van de sterkste geldt. De evolutionaire bonus van de migranten t.o.v. de autochtonen lijkt een constante, en is bijzonder vervelend voor conservatief-rechts. Het zijn namelijk niet de oude, versleten, honkvaste exemplaren die uitwaaieren, maar de jonge, fitte, sluwe roofdieren die, in onze tijd, ook wat geld voor de overtocht konden bijeenzamelen. De tocht in erbarmelijke omstandigheden zelf zorgt nog eens voor een selectie. Lampedusa is vandaag het Darwiniaanse check-point. Wat er uiteindelijk ter bestemming komt, zal zijn overlevingsinstinct en het daaraan gekoppeld strategisch inzicht verder perfectioneren. De autochtonen hebben dan nog de keuze tussen er zich mee vermengen of verdrongen worden. Als ze de kans krijgen zullen de aangespoelden uiteraard mee profiteren van de bestaande sociale zekerheid, maar dat hoeft niet: discriminatie en uitsluiting zal hen alleen maar sterker maken.

Redelijke xenofoob

brulkikkerZo bekeken zit het evolutionair perfect in elkaar en is migratie een vitaal onderdeel van rasveredeling. Maar er is ook een antropologische keerzijde. Zonder xenofobie en argwaan tegenover exoten kan een gemeenschap niet overleven. Denken we in de plant- en dierkunde aan de schade die ingevoerde soorten aanrichten aan het lokale ecosysteem. Bekend is het voorbeeld van de Canadese brulkikker (foto) die nu een ware ravage aanricht onder de inheemse kikkersoorten. Men spreekt over een “plaag” en probeert hen uit te roeien, tevergeefs. Biologen verkondigen hier eigenlijk een racistisch discours dat ze omwille van de politieke correctheid nooit zouden mogen toepassen op het menselijk migratiefenomeen.

Maar de biologische logica stopt niet aan de grens tussen mens en dier. De zogenaamde cultuurclash tussen allochtonen en autochtonen gaat over een conflict tussen genetische expansie en genetische conservatie: twee essentiële aspecten van collectieve overleving en soortbehoud. Groepen willen hun genetisch materiaal intact houden (“Ze pakken al onze vrouwen af, mijnheer”), terwijl andere groepen willen infiltreren, of azen op de uitheemse vrouwtjes om net inteelt te vermijden,- de zgn. exogamie. Oorlogen in de nomadische oertijd draaiden vooral daar rond. Het verhaal van de Sabijnse maagdenroof in de ontstaansperiode van Rome is typerend voor deze zoektocht naar exogene eicellen. Bij chimpansees gebeurt het nog steeds, en op bloedige wijze: wijfjesroof waarbij mannetjes van andere groepen worden afgemaakt. Bij de Yanomami-Indianen in Venezuela schijnt het fenomeen vandaag nog voor te komen.

Zonder xenofobie en argwaan tegenover exoten kan een gemeenschap niet overleven. Dit gaat over paarden van Troje en mogelijke fatale infecties…

Is het uitheemse te vertrouwen? Neen, natuurlijk niet. Het verhaal van de Canadese brulkikker is perfect transponeerbaar op menselijke schaal. Het gaat over paarden van Troje, vijandelijke infiltratie en fatale infecties.  Vreemdelingen kunnen dragers zijn van ziektes waarvoor de inboorlingen niet resistent zijn. Het Inca-rijk in het huidige Peru is vermoedelijk op die manier ten onder gegaan, na de Spaanse invasie in de 16de eeuw. Vandaag is het geval bekend van het SARS-virus, meegebracht vanuit Zuid-Oost-Azië. En uiteraard het HIV-virus dat in Afrika is ontstaan. Geen enkele campagne rond de witwassing van Zwarte Piet zal dat redelijk vooroordeel kunnen tegenhouden: de neger is fysiek onze meerdere en heeft een lange penis die onze vrouwen verwart. Tegelijk kan hij ziektes uit het zwarte continent meebrengen die via de geslachtsdaad heel onze stam om zeep helpen.

De vrees voor de vreemde groep en het zo verketterde wij-zij-gevoel (het zgn. vijandbeeld) is dus niet zo onredelijk.  De angst voor genetische degradatie en soortverdringing is de redelijke onderlaag van het racisme waar weldenkend-links zo tegen te keer gaat. In die kringen spreekt men dan over “de verdoken racist in ons”, als iets dat moet uitgebannen worden, terwijl het gewoon tot de menselijke conditie behoort en bepaalde biologische functies vervult.

JodenHeel de discussie rond identiteit is te herleiden tot die smetvrees, cultureel is het in se een belachelijk debat.  Identitaire volkeren zijn vooral met genenzorg bezig, waarbij uiteraard altijd inteelt dreigt. De Joden zijn vandaag, ironisch genoeg, wellicht het volk dat het meest zijn (superieur geacht) genetisch materiaal afschermt: in de staat Israël behoren de raszuivere Joden tot de hoogste sociale kaste met de meeste privileges. Die exclusiviteit maakt hen juist kwetsbaar voor contra-racisme tot en met de genocide.

Humanisten anderzijds zullen stellen dat de xenofobe rasbescherming vandaag biologisch niet meer terzake doet en dat we met teveel zijn op deze aardkluit om ons nog te kunnen afschermen. Dat klopt: de volgende wereldoorlog zal die demografische explosie zeker corrigeren, waarna er, zoals Einstein al voorspelde naast sommige apocalyptische SF-literatuur, er een nieuwe oertijd zal aanbreken met weerom groepjes nomaden van 100 à 200 exemplaren die zorg dragen voor hun genetische broncode en zich zeer wantrouwig opstellen tegenover concurrerende groepen. De originele tweetakt tussen migratie en xenofobie kan dan herbeginnen, alias het verhaal van M-168.

Singulariteit en soevereiniteit

Rossi1Op die manier ondergraaft de evolutiebiologie al enkele jaren de politiek-correcte waan van de zgn. sociale wetenschappen, de politicologie en de ethiek. Geen migratie zonder xenofobie, en vice versa. Zowel links als rechts hebben evolutionair een punt. U mag zelf uitmaken welke kant u kiest. Migranten tegen allochtonen, de exogamen versus de xenofoben. Evolutionair gezien kunnen we gewoon achterover gaan leunen en afwachten wie wint.

Wie echt niet wil meegaan in dit dilemma van Lampedusa, rest enkel nog een ontsnappingsroute via de totale individualisering: als de menselijke soort niet meer bestaat, heeft ook het racisme geen functie meer, en bestaan we alleen nog uit individuen met elk een specifieke broncode die we beschermen zonder dat de groep daarin tussenkomt.

Die theorie heb ik vroeger al ten berde gebracht rond het begrip “soevereiniteit”. Het gaat dan in politiek opzicht om een statenloze burger, die langzamerhand ook een niet-mens wordt, de verzameling met één element of singulariteit, een uniek exemplaar waarvoor in het Darwinisme geen plaats is. Zowel het Ik als de Andere is dan altijd enkel: collectieve vijandbeelden zijn hier onmogelijk. Het is een mogelijke overwinning op het groepsdenken: de idee dat we nog verder moeten uiteen groeien, om de Andere compleet te kunnen vatten.

Ook migratie is dan niet meer aan de orde, vermits zo’n soortloos individu altijd onderweg zou zijn.  We komen dan in het universum van de vreemdeling, de eeuwige nomade, de reiziger die alleen andere reizigers op zijn pad treft, nooit karavanen of massa’s. En vermits niemand op zijn plaats blijft, is het territoriumprobleem ook minimaal, een kwestie van niet op elkaar gaan zitten. Dat is dan weer een inzicht dat recent nog doorbrak in mijn essay over Aldo Rossi, de vloeibare stad en de nieuwe woon-wagencultuur.

Zo zijn we toch weer bij dat bizarre zigeunerverhaal beland. Hoe kleiner de groep, hoe moeilijker de xenofobie standhoudt. Men kan iemand afwijzen, maar dat is dan bijna een keuze die zich in de strikt-persoonlijke of erotische sfeer afspeelt van apolitieke discriminatie, zoals een man een vrouw afwijst of vice-versa, of net niet, hem of haar uitkiest.

Anti-architect Aldo Rossi gaf die buitenmenselijke vreemdeling de bijnaam Pinocchio. Iemand die komt en gaat. Bemin hem of haat hem. Pas als iedereen vreemdeling is, wordt de genocide geschiedenis.

 

 

 

Mijn laatste 11 juli speech

Vandaag, Vlaamse feestdag, is misschien een goede gelegenheid om nog eens op te frissen waarom ik Vlaams-republikein ben,- een term die ik verkies boven flamingant of Vlaams-nationalist.

Oppervlakkig zou men het als een familiale aangelegenheid kunnen zien: ik kom inderdaad uit een”zwart nest”. Mijn grootvader stond in de frontbeweging tijdens W.O. I en kreeg achteraf een paar maanden bak wegens “onvaderlandse activiteiten”. Nota bene als oorlogsinvalide, de sfeer was meteen gezet. Mijn vader vertrok op 17-jarige leeftijd naar het Oostfront en keerde behouden terug, althans fysiek, want het gezin dat hij achteraf stichtte beschouwde hij als een soort derde rijkje in zakformaat. Mijn moeder en zussen kropen bij elkaar, ik stond als enige en oudste zoon vooral in de hoek waar de klappen vielen: een man moest en zou deze langharige boekenwurm en operafanaat worden.

Soit, niet getreurd, aan de univ bloeide ik open. Ik had me als vrijzinnige en atheïst aan de VUB ingeschreven. Kon ik vermoeden dat ze me finaal zouden beletten om een (reeds uitgeschreven) doctoraat te verdedigen, omdat ze er achter waren gekomen dat ik uit een “foute” familie kwam. Vrije Universiteit dus. Vooral de lessen van de existentialistische filosoof Leopold Flam konden begeesteren en legden onverwachts een “fond” voor een politiek inzicht dat mijn verder leven zou bepalen: een liefde voor het Verlichtingsdenken en de republikeinse idealen van de 18de eeuwse denkers.
De vorm van de “Res Publica”, zijnde een vrije maar ook solidaire burgergemeenschap, gebaseerd op een evenwicht tussen rechten en plichten, wordt in hoge mate bepaald door een culturele verbondenheid, die tevens over taal gaat. De vrijdenker en rebel J.J. Rousseau wees erop dat deelname aan de democratie onmogelijk is zonder “dezelfde taal te spreken”. Het is een voorwaarde voor onenigheid. In de Babylonische verwarring is er geen debat, alleen chaos.
Toegepast op de Belgische situatie, betekent dit dat er in dit land geen democratie van de onenigheid mogelijk is, alleen een consensusdemocratie die, paradoxaal genoeg, van het ene misverstand in het andere sukkelt. De monarchie is als het ware de groteske bezegeling van die permanente degradatie die elk politiek debat bij voorbaat verkruimelt tot een koehandel in naam van het fameuze compromis.
Daarenboven is het francofoon taalimperialisme, waardoor de taalgrens al sinds dag 1 van de monarchie naar het Noorden schuift, tot op vandaag (hoor zonet Maingain zeggen dat een nieuwe uitbreiding van Brussel “onvermijdelijk” is ), een sluipend gif dat maar niet wijkt, en vrijwel alle politieke energie naar zich toezuigt. Altijd maar weer, van staatshervorming naar staatshervorming. Van bevoegdheidspakketten naar bevoegdheidspakketten, van grenscorrecties naar grenscorrecties.
Dus neen, België is een 19de eeuwse rem op een 21ste eeuwse dynamiek, waarin jonge, relatief kleine republieken het voortouw nemen, tegen de EU-moloch. Vlaanderen moet, kan daarin zijn plaats zoeken. Niet als xenofoob/ingedommeld bananenrepubliekje, maar als zelfbewuste cultuurnatie met –ook heel belangrijk- een hoge graad van sociale rechtvaardigheid en ontwikkelingsdenken. Estland en Letland zijn, meer zelfs nog dan Catalonië, het model. Het donkerblauwe elk-voor-zich-flamingantisme is mijn ding niet.

Dat brengt me op mijn doortocht bij het Vlaams Belang, waar ik toch ook iets over wil zeggen. Uit afkeer van het “cordon sanitaire” en het begeleidende “cordon médiatique”, die ik een aanfluiting vond en vind van elke democratisch principe, heb ik een zekere sympathie voor die partij opgevat. Temeer omdat ze me de enige partij leek die iets van een radicaal-republikeins potentiaal in zich had, midden een amalgaam van Belgicistische en of kleinburgerlijk/conservatieve kiesverenigingen.
Als copywriter schreef ik de teksten voor Valkeniers en nadien Annemans (bezoldigd uiteraard, ik betaalde er ook een zware sociale prijs voor), hen ondertussen duchtig inpeperend dat ze zich van dat ranzig discours moesten ontdoen, waarin ene Filip Dewinter de toon zette.
Het VB moest een intellectueel slagvaardige, rebelse anti-establishmentpartij worden, met één oog al gericht op het tijdperk na de Belgische monarchie. De Vlaamse republiek dus. Niet alleen een klassiek rechts-flamingant verhaal, maar iets waar zelfs de aanhangers van de huidige Piratenpartij zich thuis zouden voelen, samen met alles aan de linkerzijde dat nog niet hopeloos verkalkt is. Ze knikten, maar geen van beiden had de ballen om tegen Dewinter in te gaan, met zijn voor de partij als geheel dodelijke tirades over de pocket van Mohammed en de verbruining.
Ondertussen werd de N-VA groot en enterde ze de complete Vlaams beweging die ze dan vervolgens voor dood verklaarde. Het contrast tussen de eloquente, strategisch uitgekookte Bart De Wever en het zielig, ideeënloos gebalk van Dewinter heeft geleid tot de afgang van 25 mei. Maar ook daarna bleven de kaken binnen het VB op elkaar geklemd en durfde niemand, op Bart Laeremans na, publiek de vinger op de wonde leggen. Ook de jongeren niet, die zogezegd orde op zaken gingen stellen. Met Filip Dewinter en zijn accoliet Jan Penris in het federaal parlement zijn we weer verzekerd van nog een rondje van het slechtste toogflamingantisme dat alle andere geluiden uit die partij hopeloos zal overstemmen.
Ze doen maar, het zal zonder Sanctorum zijn.

Ziezo, ik voel me nu totaal bevrijd en onthecht. Basta met de partijpolitiek, ik keer terug naar mijn oude liefde, de filosofie, die ik eigenlijk nooit verlaten heb, wel af en toe een beetje bedrogen. De ontrouwe minnaar heeft dus wat goed te maken. Ik zal blijven schrijven, polemiseren, eerder tegen dan voor iets, want ik besef steeds meer dat het positieve, liefhebbende, duurzame vooral tot de privé-sfeer behoort.
Ik heb nergens spijt van, want alles wat we doen en laten behoort tot een verhaal dat we meestal alleen achterwaarts lezen, zelden vooruit. Ik verklaar me vanaf vandaag politiek dakloos maar niet gemuilkorfd, net integendeel.
Het cultuurbeest in me zegt trouwens dat filosofie, kunst en literatuur het republikeinse thema nu moeten overnemen in Vlaanderen, daar is nog een enorme inhaalbeweging te maken.
Meteen een persoonlijk perspectief voor de komende 20 jaar. “Cultiver son jardin”, zoals Voltaire het noemde. De eigen tuin inrichten en onderhouden, als een plekje tussen plekjes in een grotere gemeenschapstuin die op één en dezelfde bodem gedijt.
De Res Publica zal divers zijn én verbonden, of niet zijn.

Ergens te velde, 11 juli 2014

“De los toros a los Moros”

Hoe architectuur macht (her)consolideert

Calatrava

Santiago Calatrava: New-York, WTC

In een van mijn acht vorige levens was ik cultuurconsultant bij een groot Vlaams architectenbureau. Dat beroep bestaat natuurlijk niet, ik had het gecreëerd zoals alle andere vorige beroepen, om me als filosoof een schijn van maatschappelijke relevatie te geven en daar zowaar een broodwinning aan over te houden.

Deze inside-ervaring was, zoals weer alle andere, een revelatie. Architecten, en meer nog de grote bureau’s en vedetten à la Frank Gehry, Rem Koolhaas en Santiago Calatrava, gedragen zich als kunstenaars met een roeping, terwijl ze eigenlijk vooral de usurpatie van de publieke ruimte door de macht moeten op muziek zetten.  Ze zijn de hogepriesters van deze tijd. De politiek, wanhopig op zoek naar “draagvlak”, loopt hen achterna en betaalt fortuinen aan gemeenschapsgeld om haar tanende macht alsnog te consolideren.

De artistieke hybris van iets dat in wezen maar een ambacht is, loopt perfect parallel met de noodzaak van de macht om zich ruimtelijk te legitimeren en te consolideren. Twee criteria zijn daarbij essentieel: het architecturaal kunstwerk moet opvallen én duurzaam, quasi-eeuwig zijn. Het zijn twee criteria voor monumentaliteit. Eens het er staat, zal het er altijd staan. Dingen die vergaan en verdwijnen zijn vrouwelijk, organisch, horizontaal en cyclisch. Ik ken geen enkele vrouwelijke architecte met enige naam of faam. Het komt er op aan het levend weefsel te kristalliseren tot een mannelijke, vertikale, lineaire en  onvergankelijke megaliet. De stad ruikt altijd naar de dood, ze is altijd nekropolis.

Architecten zijn de hogepriesters van deze tijd. De politiek, wanhopig op zoek naar “draagvlak”, loopt hen achterna en betaalt fortuinen aan gemeenschapsgeld om haar tanende macht alsnog te consolideren.

Daaruit volgt ook een derde vereiste: publieke architectuur moét geld kosten.  De eeuwigheid is nooit in aanbieding. De vedette-architecten vragen extravagante erelonen en verdubbelen minstens het initieel voorziene budget. Steden zijn er al quasi bankroet aan gegaan.

Het opvallend, haast uitdagend karakter van grote moderne architectuur is eveneens een kenmerk van discrete, versluierde macht: terwijl gebouwen van dictatoriale regimes saai en grijs ogen, pakt de democratie uit met flamboyante “landmarks” en oogverblindende constructies. De architectuur neemt zo de despotische retoriek van de macht over, en tiranniseert de ruimte met bouwsels die mensen eigenlijk niet kunnen “lezen”, maar waar ze zich ook geen vragen horen over te stellen.

La Monumental, of de arena herlezen tot moskee

arenaDe stad is dus de plek waarin de macht de burger gijzelt, in en doorheen de publieke architectuur. Elk gebouw, elke rotonde, elke brug, elk plein, vormt een dam tegen verandering en mentale mobiliteit.  Uiteindelijk is de stad, als bouwwerk, de objectieve vijand van de bewoner, en wordt het politieke forum de confrontatie, niet tussen politieke fracties onderling, maar tussen bovenbouw en onderlaag, macht/architectuur/netwerk enerzijds en civiele massa anderzijds. De eindeloos aanslepende discussie in Antwerpen over het BAM-tracé en het Lange-Wapper-Viaduct is in wezen een verhaal van bewonersverzet tegen een architecturaal overstatement waarmee de bouwheer, de stad en het Vlaams Gewest, zijn macht duurzaam wil verankeren en op een hoger symbolisch niveau brengen, zelfs over de machts- en coalitiewissels heen. Maar de Antwerpenaar lust het Calatrava-achtige viaduct niet en verkiest de onzichtbare ondergrondse pijpen waar politiek geen eer mee te halen valt.

Vandaag woedt in de Antwerpse zusterstad Barcelona een discussie over wat er met de oude stierenvechtersarena La Monumental (let op de naam) moet gebeuren. Dit bakstenen gebouw uit 1924 was een van de cultplekken waarin de Madrileense cultuur, verbonden met de stierengevechten, zich in Catalonië had ingeplant. Vandaag echter, met het groeiende Catalaans onafhankelijkheidsbewustzijn en het ressentiment tegen Madrid en zijn centralisme, zijn stierengevechten not done, en wordt de arena gelezen als de representatie van een bezettingsmacht.

Op zich is dat een democratisch topmoment: officiële, apologetische architectuur die gecontesteerd wordt en waarvan de symboliek zelfs de volkswoede oproept. Op dat moment wordt het monument of cultplek gedeconstrueerd tot een document of leesbaar, bekritiseerbaar object,- begrippen die de Franse filosoof Michel Foucault introduceerde.

De herbestemming van matador-arena tot moskee is uiteindelijk een middel om de stad, sowieso cultureel al sterk geformaliseerd, definitief aan de burger te onttrekken.

Logischerwijze zou het gecontesteerde monument dan moeten gedynamitteerd worden, maar dat gebeurt in Barcelona niet. Het gebouw staat er en men aarzelt, juist om redenen van duurzaamheid, om het af te breken. Er werd naar een herbestemming gezocht, en die vond men in het project van een grote stadsmoskee, nota bene te financieren met Quatarees geld.

De macht leest haar monumenten dus anders: als de symbolische inhoud van een bouwwerk dreigt teloor te gaan, wordt er gezocht naar een andere inhoud zonder dat het bouwwerk “ontheiligd” wordt. Een fatale dynamiek: de politiek-culturele terreur van de stierenvechtersarena wordt vervangen door een terreur van een nog grotere orde, namelijk die van een moslimtempel, en dat in een land dat er eeuwen over heeft gedaan om de Arabieren terug te dringen. Moskeeën zijn niet meer voor ontheiliging vatbaar, de Koran voorziet er zelfs geen procedure voor. Het stadsbestuur van Barcelona beseft in haar multiculturele weldenkendheid niet wat voor een hypotheek op de toekomst dat betekent: een voor “heidenen” verboden plek die nooit meer kan teruggevorderd worden.  In feite bevestigt de architectuur daarmee haar hegemonie en haar oerfunctie van gecondenseerde macht, de macht die de levende polis in bedwang houdt.

LuccaDe opwaardering (upcycling) van arena naar moskee is het omgekeerde van wat politiek-democratisch had moeten gebeuren ter vervanging van de sloping: men had het gebouw moeten ontwaarden (downcycling) tot gewoon sportcomplex, winkelcentrum, supermarkt, of eventueel zelfs een woonblok. Dat laatste, de private toeëigening, is trouwens kenmerkend voor de manier hoe amfitheatersteden zoals Arles, Nîmes en Lucca (foto) ontstaan zijn: letterlijk door een privatisering van het oude Romeinse amfitheater tot wooncellen rondom het centrale speelplein.

De transformatie echter van arena tot moskee echter herconsolideert macht, investeert opnieuw in symboliek en dogmatiek, van een hoger, religieus-monotheïstisch niveau. In het geval van de arena van Barcelona is de herbestemming tot moskee uiteindelijk een middel om de stad, sowieso al sterk geformaliseerd, definitief aan de burger te onttrekken. De islamitische kathedraal wordt een no-go-zone voor autochtonen. Toeristen kunnen er zich nog aan de buitenkant aan vergapen, maar voor de bewoners is dit een onteigende, te mijden plek. Het Moorse verleden van Spanje en het multicultureel cosmopolitisme worden daarbij, vreemd genoeg, als argument gebruikt. De status van internationale cultuurstad, door de massale input van moderne architectuur bevorderd, dwingt tot dit soort evacuatie en maakt de stad uiteindelijk zelfs onleefbaar. De hersacralisatie en monumentalisering van deze metropolen is op die manier het sluitstuk van een nieuw, postmodern bevoogdingsproces waarin macht moeiteloos een matadorcultuur uitwisselt tegen een sharia-regime.  “De toros zijn weg, de Moros komen”, grinnikt de Barcelonees cynisch. In het Vlaams: “Van de regen in de drop”.

Aldo Rossi en de vloeibare tegen-stad

Rossi1

Aldo Rossi: “Het kabinet van Pinocchio” (1989)

Zo wordt de burger een gevangene in eigen stad, een bewoner met een enkelband, die wel enig soelaas vindt in koopcentra of pretparken, vluchtheuvels en Foucault-achtige heterotopieën, maar voor de rest geprangd zit tussen publieke functies die architecturaal gesigneerd zijn als machtselementen. Ik denk aan stations, bibliotheken, cultuurcentra, (uiteraard) stadhuizen,- en dus nu de moskeeën.

In zo’n urbane kolonie kan men zich alleen binnenhuis verstoppen en de buitenwereld vergeten, tenzij men voor een andere optie kiest: het half-klandestien opbouwen van de tegen-stad die een mobiele, drijvende of rijdende stad is. Het nieuwe nomadisme dus, binnen en buiten het stedelijk netwerk, maar altijd onderweg en tamelijk autonoom. Anders gezegd: zet wielen onder uw huis en migreer constant. De privé-architectuur zal het dissident gebaar moeten stellen.

De tent, of beter nog, de woon-wagen, wordt het nieuwe woonmodel van de 21ste en de 22ste eeuw. Eén enkele vedette-architect zag die stadsvlucht-binnen-de-stad aankomen, namelijk de  Milanese architect Aldo Rossi (1931-1997). Ik heb met zijn bureau samengewerkt, hetgeen resulteerde in het boek “Passione Urbana, de droom van Aldo Rossi ontrafeld”.

Rossi hoort in het rijtje thuis van Gehry, Calatrava en Koolhaas, met dat verschil dat hij in zijn vrije tijd aan anti-architectuur deed: hij tekende woonwagens en droomde van een mobiele stad, die als een volkstheater fungeerde waarin niet de macht maar wel de vlottende burger de toon zet. Deze Pinocchio-figuur hoort tot een post-civiele samenleving waarin de stad niet meer dirigeert, centraliseert, kanaliseert, maar een loutere vrijhaven wordt voor semi-nomaden. Ongezien hoe een ster-architect zijn eigen status deconstrueert.

De private architectuur zal het dissident gebaar moeten stellen. De tent, of beter nog, de woon-wagen, wordt het nieuwe woonmodel van de 21ste en de 22ste eeuw.

Er wordt zelden bij stilgestaan dat wij, ondanks 10000 jaar sedentaire cultuur, meestal onderweg zijn. De woning is een slaapwoning, overdag zijn we meestal elders. Maar ook tijdens vakanties trekken we erop uit en ontstaan groteske migraties, reusachtige files op weg naar overbevolkte stranden: het massatoerisme imiteert de grote volksverhuizingen uit de vroege middeleeuwen. Mobiliteit is niet rationeel, het is instinctief. Alle pogingen om haar te plannen mislukken. De vraag blijft trouwens waarom we, eens we een dak boven het hoofd hebben, daar ook zo snel mogelijk van onderuit willen. Zelfs mensen die een huis hebben gebouwd, proberen datzelfde jaar nog op vakantie te gaan. Waarom? Gewoon om de buren te imponeren? Een overblijfsel van prehistorische Wanderlust? Zij we allemaal nog ergens zigeuners die men in permanente asielcentra poogt onder te brengen? Misschien ligt een nieuwe bron van bescheidenheid voor de architectuur wel in het inzicht dat ze het leven niet meer sedentair kan vatten of insluiten, en dat ze hooguit schuilplaatsen (shelters, abris) of aanlegsteigers kan aanleveren.

Rossi2

Aldo Rossi: “Stad op stelten” (1981)

Uiteindelijk is de stedelijke camping de plek waar heel het architecturaal machtscomplex onzeker en broos wordt. De burger-nomade wisselt van verblijfplaats, van levenswijze, van netwerk, mogelijk zelfs van identiteit. Communiceren, zich documenteren en alle administratieve afwikkelingen doet hij via de cyberruimte, niet via de fysieke landmarks.

De manier anderzijds hoe de Vlaamse regering de zgn. woonbonus in stand tracht te houden (subsidies bij aankoop van een huis), en daarmee zelfs de vastgoedprijzen de hoogte injaagt, illustreert hoe sterk het systeem gericht is op verankering. De mobiliteit van de huurder, die ook gepaard gaat met een sociale en zelfs culturele mobiliteit, moet gefnuikt worden ten voordele van een sedentair kadaster, dat in de limiet eindigt in de suburbane verkaveling of de fermette, levenslang af te betalen door volgzame werknemers die ook op professioneel vlak niet durven migreren.

Aldo Rossi wijst een heel andere weg: terwijl hij overdag monumenten tekent, breekt hij ze ’s nachts af en vervangt ze door de gedroomde, vloeibare theaterstad op wielen. Misschien is de kermis een goede metafoor: ze verplaatst zich niet van stad tot stad, ze is zelf een reizende stad. De klassieke architectuur, als spiegeling van de macht, wordt daarmee betekenisloos en leeg. De stad wordt eindelijk zoals het leven zelf: elke dag af te breken en herop te bouwen. Telkens nieuw, telkens anders.

Johan Sanctorum: “Passione Urbana: de droom van Aldo Rossi ontrafeld” (Roularta, 2006)

In het Engels vertaald: “Passione Urbana, unravelling Aldo Rossi’s dream”