Lijdt de cultuursector aan verlatingsangst?

Nu zowat elke hond uit de cultuursector zijn beklag heeft gedaan over het terugschroeven van de subsidies (doorheen het woord “beenhouwersmes” drijft zelfs een nostalgie boven naar de zo verguisde Joke Schauvliege met haar kaasschaaf), wordt het tijd om de cultuurfilosofische beschouwingen te scheiden van het banale corporatisme. Want ja, natuurlijk sneuvelen er jobs en is het niet prettig om de programmaboekjes of catalogi zwart-wit te moeten drukken op goedkoop kringlooppapier in plaats van op vierkleurendruk/hoogglans. En zeker, de prijs van een theaterticket zal moeten opgetrokken worden. Om een of andere reden denk ik dat de doelgroep daar niet echt wakker van ligt.

SMAKEr wordt echter, zoals in de tijd van Schauvliege trouwens, ook aan chantage en omfloerste dreigretoriek gedaan. Vlaanderen zou met name, door het terugschroeven van de cultuurtoelagen, verzuren en ten prooi vallen aan de barbarij. Het heet dat kunst een onmisbare sociale functie heeft en mensen verbindt, en dat het opdrogen van de subsidiestroom, of zelfs maar een budgettaire krimp, heel het sociale weefsel zou teniet doen. Is dat wel zo? Slaat de verzuring toe als Ballets C de la B 7% moeten inleveren? Gaan de Vlamingen aan het boeken verbranden slaan als het literatuurcentrum Behoud de Begeerte het met 7% minder moet stellen?

Sta me toe dit soort Cassandravoorspellingen met de nodige korrels zout op te vatten. De werkzekerheid van acteurs is één zaak, de sociale functie van kunst een ander. Temeer omdat hedendaagse kunst helemaal niet “sociaal” is, maar eerder asociaal, hysterisch-choquant en Publiksbeschimpfend.

Vreemder nog is de waarschuwing van Ivo Van Hove, directeur van de Toneelgroep Amsterdam: “Zonder kunst verarmt een samenleving, die met haar rare en irrationele krachten vaak niet goed weet waar naartoe” ((DS, 26/9). Hola, dient kunst dan om rare kwasten van een bezigheidtherapie te voorzien, zodat ze geen erger onheil aanrichten? Dat is een vreemde pathologisering van de sector. In die optiek had men Adolf Hitler beslist moeten toelaten tot de Weense kunstacademie, dat had een wereldoorlog gescheeld. En hebben we ook veel te danken aan het Vlaamse toneelwezen, dat (de volgens een recent boek knotsgekke) Julien Schoenaerts deskundig opving en zijn ding liet doen zodat hij geen huizen plat brandde. Of is kunst toch gewoon een nuttige uitlaatklep voor al wie het voelt kriebelen? Dan zitten we toch wel gevaarlijk dicht bij de linkse hobby’s waar Geert Wilders het er over had.

Subsidieverslaving

Er zit dus nogal wat ruis op de pleidooien pro domo van de cultuurinstellingen . De kern van het probleem, namelijk hun financiële kwetsbaarheid, zit hem in de verambtelijking van de sector. Het feit dat ze zich als een “sector” gedraagt en in zekere zin de kwaal van elke bureaucratie vertoont, namelijk dat ze haar eigen bestaansreden is geworden. 99% van het budget is personeelskost, zo zegt Tom Bonte, directeur van de Beursschouwburg. Daarin zit zijn eigen wedde, die van het artistiek personeel, maar ook heel de technische staf en administratie. Bevlogen artiesten, maar daarnaast ook een hele hoop mensen die gewoon hun job van 9 tot 5 doen en aan hun pensioen denken. Het kunstencentrum is een klein ministerie geworden, met een eigen interne dynamiek, promotiestelsel, boekhoudkundige back-office, verwevenheid met de politieke administraties, en zelfs met een eigen privé-taal die voor iemand buiten de sector abrakadabra is. Probeer anders eens Courant te lezen, het driemaandelijks magazine van het Vlaams Theater Instituut. Als gevormd filosoof krijg ik na vijf minuten hoofdpijn.

Uiteindelijk gebeurt het fatale waar elke kunstenaar van gruwt: het staatsraison kruipt in zijn kleren, als een geur die niet meer af te wassen valt.

Het instituut primeert dus op de creativiteit. Het leeuwenaandeel van de middelen gaat naar kunstencentra, toneelhuizen, grote organisaties, en maar zelden naar creatievelingen zelf. Al deze instituten hebben mensen in dienst die politiek lobbyen en subsidiedossiers voorbereiden, want de slag om de centen is hard, en wat de ene niet krijgt gaat naar de andere.

Deze verambtelijking werkt als een sluipend gif en leidt tot de subsidieverslaving waar we vandaag tegen aan kijken. Heel typisch lijkt me het traject van Benjamin Verdonck, iemand die ik al geruime tijd volg. Ooit begon hij als straatperformer die met allerlei bizarre maskerades mensen op het verkeerde been zette. Hij flirtte met de grens van het legale en werd af en toe wel eens bekeurd door een overijverige agent. Waarschijnlijk heeft zijn vrouw hem gezegd dat hij toch beter eens een echte job moest zoeken, en dat gebeurde ook: vandaag staat Benjamin Verdonck op de loonlijst van het Antwerpse Toneelhuis. Tot zover de lastige luis in de pels van het systeem.

Establishmentcultuur

hobby'sMisschien zegt u “Ach, zolang de man zijn ding maar kan doen”. Neen, er is een verschil: een kunstenaar die ambtenaar wordt, verinnerlijkt een stuk van de ambtelijke logica en “draait mee” in een systeem waar hij eigenlijk biologisch gezien afstand van zou moeten nemen. De grote kunstencentra zuigen creativiteit op en dwingen haar in een boekhoudkundig stramien, weliswaar ferm gelardeerd met cultuurfilosofische toeters en bellen. Hun materialistische logica is in wezen dezelfde als die van de minister aan wie ze die logica verwijten. Een gesubsidieerd toneelgezelschap speelt theater niet vanuit dezelfde inspiratie als een gezelschap van vrijbuiters, dat is uiteindelijk mijn stelling. De overheid legt voorwaarden op, vormvereisten, rendabiliteitscriteria. Het gezelschap wordt een parastatale cultuurfabriek, gevolgd door een krans van gesubsidieerde tijdschriftjes, volgeschreven door mensen die tot hetzelfde bobomilieu behoren. Uiteindelijk gebeurt het fatale waar elke kunstenaar van gruwt: het staatsraison kruipt in zijn kleren, als een geur die niet meer af te wassen valt. Het feit dat de meesten van hen dat ook wel beseffen, zorgt voor een enorm ressentiment dat net bovenkomt wanneer er met de zogenaamde hakbijl gezwaaid wordt.

De sector lijdt dus aan verlatingsangst. Een gevoel van afhankelijkheid, dat weggerationaliseerd wordt met irrationele uitspraken, zoals die van de sociale functie van kunst, en haar status van behoeder van de democratie. Dat is natuurlijk onzin: mensen haten artistiekerige Kunst met hoofdletter. Ondervraag honderd voorbijgangers op straat wat ze van cultuur denken, en u zult antwoorden krijgen die sterk aan Geert Wilders doen denken. Ze associëren hoogcultuur met het establishment, en hebben niet eens ongelijk. Het hermetisme van het moderne theater lijkt als een monoloog van de macht zelf. Cultuur wordt door de modale burger politiek geduid, en terecht: kunst die leeft van de staat, is staatskunst, het is zo simpel als dat.

Het socio-culturele alibi

Maar ondertussen roert de sector zich en luidt ze de brandklok. De verontwaardiging is aandoenlijk. En zo ontstonden weerom de onvermijdelijke comités tegen de barbarisering van Vlaanderen, ook een periodiek verschijnsel. Het bekendste momenteel noemt zich “Hart boven Hard”, een domeinoverschrijdend burgerinitiatief dat mensen verenigt die zich zorgen maken over het geplande beleid van de Vlaamse en federale regering (…) en dat zich verzet zich tegen een al te economische kijk op onze samenleving en verdedigt gelijkheid, solidariteit en zuurstof voor mensen.”

Wie hier enige verwantschap bespeurt met initiatieven zoals “Niet in onze naam”, de feestelijke campagne van de cultuursector tegen rechts Vlaanderen, met een ladderzatte Arno in de glansrol, zit er niet ver naast. Daarmee wordt het subsidiedebat partijpolitiek gespeeld (de N-VA is uiteraard de grote boeman) en krijgen we de heruitgave van de cultuurstrijd tussen linkse bobo’s en rechtse Wilders-klonen. Jean-Pierre Rondas merkte in De Morgen terecht op dat deze “beweging” vooral een georchestreerde campagne is van de klassieke zuilen en hun satelieten, met name vooral de vakbonden en grote ziekenfondsen

Maar tegelijk duikt in deze geëxalteerde campagnetaal weer de drogreden op, die beweert dat cultuur en welzijn één materie vormen. Daartoe worden welbewust twee sectoren vermengd die in se van elkaar los staan: de eigenlijke kunstenwereld en de zogenaamde socio-culturele sector, waartoe het welzijnswerk, de jeugdhuizen, het verenigingsleven, etc. behoort.

De kunstensector vermomt zich en trekt mee op in deze processie, in de hoop om mee als “weefselreddende” actor te worden herkend. Dat is uiteraard perfide. De argumenten om jeugdwerking, onderwijs, verenigingsleven wél te blijven subsidiëren zijn veel sterker dan deze om kunst te blijven betoelagen. In die zin krijgt Sven Gatz de bevoegdheden jeugd en cultuur naar zich toegeschoven, als gold het één pakket,- terwijl, laat ons eerlijk zijn, de werkingstoelagen voor een lagere school veel meer bijdragen tot dat fameuze sociale weefsel en de volksopvoeding, dan subsidies aan de Brusselse Beursschouwburg, waar vooral de welbekende en altijd dezelfde Dansaert-Vlamingen elkaar rendez-vous geven.

Commedia dell’arte

CommediaTot slot: wat is het alternatief voor de gesubsidieerde “sectoriële” cultuur? Het antwoord is duidelijk: de sector moet zich uit zijn comfortzone loswrikken en cultuur opnieuw ontdekken als een systeem-onafhankelijk en zelfs tamelijk subversief schaduwbedrijf.

In een vlaag van helderziendheid formuleert cultuursocioloog Pascal Gielen in De Standaard het alternatief dat ik al jaren naar voor breng: de sector moet zich “ontsectoriseren”, en radicaal voor autonomie gaan: ‘Misschien moet de culturele sector eens nadenken hoe hij zich los van de overheid en de markt kan reorganiseren. Ik noem dat de exodus uit de samenleving. Je maakt je losser van de politieke en financiële systemen en probeert je autonomer te organiseren. (DS, 26/9/14).

Deze “exodus” (wat een dramatische term!) komt er gewoon op neer dat kunstenaars, maar ook schrijvers en intellectuelen, een nieuwe vorm van amateurisme ontdekken, overlevingsstrategieën waarbij de materiële kostwinning wordt losgekoppeld van de creatieve processen. Neem gewoon een job aan zoals iedereen, en ont-weef in de vrije tijd zoals Penelope. Op die manier wordt kunst ook terug “straatkunst”, Commedia dell’arte of misschien zelfs Arte Povera, zonder franjes en glanspapier, maar met een ijzersterke middelpuntvliedende impuls. De kunst van de existentiële verwondering, het vreemd zijn, het anders zijn, het vrijbuiterschap. Het pop-up-concert en de straatperformance worden de nieuwe modellen, de institutionele architectuur mag verdwijnen.

De grond van de zaak is, dat de overheid cultuur definitief uit handen geeft, en daarmee eigenlijk een belangrijke impuls geeft tot opwaardering van de democratie,

We vinden die parallelle cultuur vandaag ook terug op internet en de blogosfeer, spontane opwellingen van creativiteit die niet allemaal tot geniale producten of inzichten leiden, maar dus, euh…, wel echt tekenen zijn van weefselregeneratie.

Deze catacombencultuur staat zelfs afzijds van de klassieke economische alternatieven zoals sponsoring (vanuit de privé-sector) en crowdfunding (financiering door het publiek zelf), hoewel de laatste toch hand in hand kan gaan met een verzelfstandiging. De grond van de zaak is, hoe-dan-ook, dat de overheid cultuur definitief uit handen geeft, en daarmee eigenlijk een belangrijke impuls geeft tot opwaardering van de democratie, gezien de dwarsliggers niet meer betaald worden door hetgeen waar ze zouden moeten dwars op liggen.

Het is daarbij heel vreemd dat links (met name vooral Groen!) fulmineert tegen het vieren van de teugels. Want strikt genomen zou een strenge bevoogding van de sector een “rechtse” aangelegenheid moeten zijn. In totalitaire regimes is er voor een autonome cultuurbeleving geen plaats. Bij de nazi’s viel ze met propaganda zelfs onder één departement, namelijk dat van de legendarische Joseph Goebbels, de man van de onvergetelijke quote “Als ik het woord cultuur hoor, trek ik al mijn revolver”.

Als cultuur zich uit het systeem (maar niet uit de maatschappij) terugtrekt, betekent dat toch een winst voor de democratie en de kritische massa? En zal deze “exodus” ook niet enorm veel kaf van het koren scheiden, het echte, hardnekkige talent filteren uit de geposeerdheid en het modieus Narcisme waar het publiek zich zo aan ergert?

Maak er eindelijk eens een gedacht van, waarde kunstenaars én wereldverbeteraars. Het beste cultuurministerie is misschien helemaal géén cultuurministerie. Verras ons, durf te denken, durf te leven, durf alleen te gaan, knip eindelijk die navelstreng door. De toeschouwer zal er u misschien om belonen met het mooiste geschenk: zelf kunstenaar worden.

 

 

Advertenties

10 Reacties op “Lijdt de cultuursector aan verlatingsangst?

  1. wim van rooy

    De ervaring heeft ons ondertussen geleerd dat tussen de verambtelijkte kunstenaar en de vrijbuiter in fine niet veel verschil bestaat: beiden zijn ze egotrippers, de enen op een opportunistische, de anderen op een naïef-romantische wijze. Ik ga maar weer eens de klassiekers herlezen.

  2. De nagel op de kop! Ook al ben ik zelf een zogezegd kunstenaar.
    Ik heb er altijd zo over gedacht. (De laatste jaren toch.)

  3. Best een interessante gedachte, zelfs romantisch en idealistisch. Maar helaas, wie denkt dat kunstcreatie het best gedijt in de stille en slecht verwarmde zolderkamer, omdat pas dan de creativiteit maximaal ontspringt, vergeet dat er ook kunstcreaties zijn, vooral beeldende, die wel veel geld opbrengen en kunstenaars toelaten te verhuizen naar een ruim en goed verwarmd atelier. Als het commercieel is, is het goed dus?
    Wie denkt dat de democratie beter gediend is met kunst die zonder subsidie gemaakt is, gaat uit van een concept waarin een overheid geen zaken subsidieert die kritisch zijn over het functionern van diezelfde overheid. In een sterke democratie worden kritische stemmen gesteund, in de kunst, in het sociaal-cultureel werk enz. omdat enkel zo de democratie sterk genoeg blijft.

  4. Etienne Vermeersch

    Interessante tekst; uiteraard vatbaar voor discussie.
    De uitspraak “Wenn ich das Wort Kultur höre, entsichere ich meinen Browning” werd zowel aan Goebbels als aan Goering toegeschreven, maar was in feite gangbaar binnen veel Nazi-milieus. De oorsprong ligt in een toneelstuk Schlageter (1933) van de (Nazi-) auteur Hans Johst.

    Etienne.Vermeersch

    • Raf Geusens

      Correctie op een correctie (muggenziften is mijn ding): Hanns (met dubbele n) Johst

  5. Edwin Paques

    Ik vertolk al eens Franse en Nederlandse chansons en kleinkunst live aan de piano. Ik noem wat ik doe al eens schertsend ‘HORECAmermuziek’. Je verdient er meestal het zout op je patatten nauwelijks mee en na quasi ieder concertje komen tientallen mensen zich verontschuldigen ‘dat er toch zo weinig geluisterd wordt’… terwijl ik haast niemand ooit dwing om te luisteren (dat hoeft meestal zelfs niet eens de bedoeling te zijn). De technologie heeft mensen steeds meer van elkaar geïsoleerd. Ze zouden bijna met ‘oortjes’ in een restaurant komen zitten om naar ‘HUN’ muziek te luisteren, geheel geïsoleerd van de andere tafelgasten. ‘Kunst’ is zo niet langer een groepsgebeuren. Wie iets ‘mooi’ vindt moet dat maar kopen en bekijken of beluisteren. En zoals er in de politiek haast geen ‘burgers’ meer zijn – alleen nog consumenten – zo is er ook geen ‘publiek’ meer… alleen nog individuele aanwezigen die elk voor zich een artiest consumeren en daarvoor toevallig samen zitten. Er is een angst voor de ‘groepsgeest’ ontstaan in onze dagen, vermoed ik en meen ik op te merken als ik voor het publiek sta. ‘Gezelligheid’ of ‘sfeer’, dingen die met ‘groepsgeest’ te maken hebben… het is soms of mensen daar een beetje bang voor geworden zijn. De kunst is het dat toch te doorbreken… en dat lukt moeizaam. Steeds moeizamer. Of subsidies hierin een rol spelen? Sociaal weefsel? Ik denk niet dat Canvas-tv of de Munt/opera zonder subsidies mogelijk zijn en in die zin ben ik toch wat kopschuw voor dit artikel… al merk ik een grote aversie bij het publiek voor gesubsidieerde kunstenaars.
    Maar wat ik zeggen wou: ik ben ooit op zoek gegaan naar bekende ‘Duitse’ chansons van de voorbij 70 jaar die in mijn programma een beetje ‘mee’ konden met de Franse chansons (Brel, Aznavour, etc. …)… maar die bleken quasi onvindbaar, enkele uitzonderingen niet te na gesproken. Ik sprak er zelfs de bibliothecaris van de stad Aken voor aan en die zei me daarover: “Nu ziet u wat Goebbels heeft aangericht: hij heeft een gat geslagen in onze Duitse cultuur… een gat dat decennialang niet gedicht raakte”. Ook een cultuurbeleid kan dus crimineel zijn als je het in de handen van criminelen laat. Ik voel veel voor de ergernissen in dit artikel maar heb toch enig voorbehoud bij zoveel ‘hakbijl’-gedoe. Er zit een niet te onderschatten zeer groot gevaar in, durf ik te vermoeden… hoezeer ik ook maar een horecamer-muzikantje ben. Laten we toch wat gedoseerder blijven denken, alstublieft.

  6. Robrecht Vanderbeeken

    Grappig toch, vrijbuiter sanctorum gaat nu braaf mee in de compleet onzinnige complottheorie van Rondas. Vermeersch loopt er achter aan met een applausje… het Vlaamsnationalistisch clubje dekt elkaar de rug, alle intelligentie moet nu wijken voor de strategie.
    Bon, om iets aan dit scheef betoog toe te voegen: waarom krijgt de kunstenaar hier het verwijt zich tegen de centen van de markt aan de schurken als sanctorum zijn eigen ‘onafhankelijkheid’ laat betalen als broodschrijver voor Vlaams Belang? Over oprechtheid en onafhankelijkheid gesproken, ja hoor. Carry on.

  7. Patrick Eggermont

    GESUBSIDIEERDE KUNST, DA’S GEEN KUNST!”, kon wel eens het motto worden voor de komende jaren. Dit zal de toekomstkansen voor de kunst 100% (=SANG PUR SANG) in elk geval vergroten.
    Het culturele weefsel dat nu wordt gevoed, creëert m.i. een eerder verstikkende atmosfeer voor dit soort kunst. Men zou kunnen zeggen dat de voorbije decennia vooral het kunstbedrijf ‘an sich’ werden gepromoot. Dit kwam ongetwijfeld de kwantiteit ten goede en hen die hiermee aan hun trekken konden komen en er zelfs carrière konden maken. De tegenpool van dit alles – ‘the breeding centre’ – bedient zich alsnog vooral van het internet, want zegt het spreekwoord niet : “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt” . In de marge hiervan komen bepaalde activiteiten (muzikale optredens bijv.) gewoonweg niet aan bod of krijgen niet de nodige publiciteit wegens – geen ambras! – niet in overeenstemming met de alles overheersende multicultuur. Hier geldt nog het ‘cordon sanitaire’, maar op cultureel vlak!
    Ofschoon onkruid niet vergaat, is het anderzijds voor jong, aankomend talent in ’t métier van den ‘artiste libre’ zeker niet allemaal rozengeur en maneschijn. Waar vind je als decoratief kunstenaar nog een geschikt atelier? Sinds ooit de film “Wer sagt denn, dass Beton nicht brennt, hast du’s mal probiert?” werd uitgebracht, is de leegstand sterk verminderd en weet men ondertussen ook hoe men krakers moet aanpakken. In het verleden bijv. moesten bij de noorderburen door de M.E. (mobiele eenheid) ware veldslagen geleverd worden om de controle over een bepaald stadsdeel te behouden. In Amsterdam werd wel eens een kerk gekraakt of ook bijv. een manège (NOVA ZEMBLA in Noord-Amsterdam). Soms betreft het cultureel erfgoed. Wanneer loont het de moeite om in aanmerking te komen voor herbestemming? De kwestie kan ideologisch bepaald zijn : een havengebouw bijv. dat herinnert aan de noeste havenarbeid van de vele generaties die er op hun beurt wachtten en dat men als opslagplaats voor een toneelgezelschap ‘links’ liet liggen, waarna het met leegstand en verkrotting beschoren werd zodat het moest worden afgebroken. Het bewuste gebouw had nochtans zijn aantrekkingskracht. Bewijs : de vele graffiti-kunstenaars die er de revue passeerden en er vele lege spuitbusjes achterlieten met bijpassende CD-hoesje ‘HUMAN DEMOLITION’ (part3) : “SURVIVE THE MIGHTY MACHINES THAT SURGICALLY BRING DOWN HUMAN LIFE IN JUST A FEW SECONDS”. Natuurlijk elk gebouw, hoe lelijk ook, heeft iets – zij het niet in de opbouw- dan wel in de afbraakfase – waardoor het een toevallige voorbijganger raakt of charmeert. Leegstaande fabriekspanden zijn vandaag echter een zeldzaamheid. Velen werden gesloopt of heringericht tot dure lofts terwijl de vrijgekomen ruimte alras wordt volgestouwd met nieuwe – liefst niet te al te hoge – buildings. Dan kan het kan wel eens gebeuren dat àlle nieuwe straten die ergens ontstaan vernoemd worden naar een of andere illustere feministe. Zeg niet te gauw, ’t is weer een vrouw! Een beetje bizar toch : al die feministes die plotsklaps met hun naam op een straatbordje prijken! De resterende vrije stadsruimte verwordt – de homo ludens indachtig – tabula rasa tot speelpark en het is soms met een vergrootglas zoeken om te achterhalen wat de vroegere bestemming van een plaats geweest is. Je hoeft van straten geen open musea te maken, maar één of andere historische verwijzing of een anekdote in het straatbeeld zou misschien wel nuttig zijn om de toestroom migranten wat meer diets te maken hoe het er hier vroeger aan toeging. Overigens geschiedt dit alles – wel te verstaan – met opperbeste bedoelingen…
    Waar blijft in dit verhaal tenslotte de ‘nourriture pour l’imaginaire’, waar blijven de ‘machines à rêver’ die epochale veranderingen inleiden?

  8. Patrick Eggermont

    Een video om de pseudonecrofiliestemming (Δ) hier zo’n beetje, af te sluiten… De muziek is van het symfonisch deathmetalgenre. ‘Composer’ en gitarist is Christos Antoniou. De band is afkomstig uit Griekenland waar onze 6 F16’s op hun vlucht naar Jordanië voor strijd tegen IS een week geleden nog een tussenlanding maakten.
    “The Pyramid God is watching…”

    (Δ)
    De logica achter de idee van de hier bedreven (virtuele) pseudonecrofilie is de volgende :
    A) dankzij het internet heeft iedereen met iedereen virtueel seks
    (http://sanctorumblog.wordpress.com/2014/09/30/vrije-seks-religie-en-internet-hun-gemeenschappelijke-voor-en-nadelen/)
    B) de dode waarmee we sex hebben is de cultuursector die als dusdanig de hakbijl niet overleeft

  9. Patrick Eggermont

    Wanneer de dood als fantasie optreedt in het sexuele spel spreekt men van pseudonecrofolie. Voor een overzicht van verscheidene vormen van necrofilie :
    http://www.dragonda.com/2012/10-manieren-om-necrofilie-te-bedrijven/