Maandelijks archief: oktober 2014

Onderwijs is méér dan diploma’s afleveren.

school

Na de ellenlange sliert verongelijkte opinieteksten in onze dagbladen vanwege de culturo’s, was het recent aan de onderwijssector om de bezuinigingsdrift van de Vlaamse regering aan de kaak te stellen. Onvermijdelijk verschoof het debat naar hét monster van Loch Ness in deze materie: de zgn. democratisering van het onderwijs. Dat alle kinderen en jongeren gelijke toegang moeten hebben tot opleiding en vorming, is een open deur intrappen. Toch mogen een paar taboes sneuvelen en een paar zaken scherp gesteld worden. Ik beperk me tot drie overwegingen, de betrokken experts kunnen er rustig over doorbomen.

1. De universiteiten zitten overvol

‘Vlaanderen dreigt in de komende generaties achterop te geraken in het afleveren van hooggeschoolden.’ Dat vertelt althans Dirk Van Damme, hoofd van het departement Onderwijs van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), in De Tijd.

Let op het woord ‘afleveren’: zoals in de industrie productie dé maatstaf is, zo vindt Van Damme ook dat universiteiten zoveel mogelijk gediplomeerden van de band moeten laten rollen, die dan automatisch ook allemaal een goeie job zullen vinden. Dat is uiteraard niet zo. Vraag het maar aan de afgestudeerde filologen, archeologen en, jawel, filosofen.

Veel erger nog is, dat er in de middenklasse nog altijd een enorme prestigedruk bestaat om zoon- of dochterlief naar de univ te sturen, tegen beter weten in. Omdat het nu eenmaal goed staat in de familie, de werkkring en bij de buren. Bepaalde faculteiten bulken van dit soort statusstudenten die er verstandelijk niet echt thuis horen en eigenlijk tot kwaliteitsverlies aanleiding geven, want het gemiddelde intellectueel niveau bij de studenten bepaalt het niveau van de cursus, niets anders. Geen enkele univ kan het maken om 80% te buizen. Vooral de ‘modieuze’ en nu niet direct meest veeleisende richtingen zoals de communicatiewetenschappen lijden aan dat euvel.

In feite zijn de universiteiten dus nog altijd elitescholen, in sociaal opzicht dan. Een academisch diploma blijft het fetisj van de middenklasse, en daar moeten we van af. Het aanzuigeffect betekent immers een verlies aan menselijk kapitaal dat beter ergens anders tot zijn recht kan komen. Het zorgt er met name voor dat andere beroepen,- ik zeg maar wat, pasteibakker, elektricien, automechanicus, verpleger, maar ook orkestmuzikant, balletdanser, of technisch tekenaar, en dit alles uiteraard m/v, tot knelpuntenberoepen worden herleid.

We hebben heel veel praktische intelligentie en handvaardigheid nodig, en daar hoeft niet op neergekeken te worden. We zien allemaal wel graag snel een loodgieter opduiken als de dakgoot lekt, zolang het maar onze zoon niet is. Een maatschappelijke herwaardering van technische beroepen is dringend aan de orde.

2. Een onderwijzer moet minstens zoveel verdienen als een prof.

De OESO-experten hebben ook de mond vol over ‘innovatieve kenniseconomie’, en zien alle heil in universitaire en gelijkgestelde diplomafabrieken. Maar de clou zit hem natuurlijk in het niveau van de leerkracht zelf.

Het welbekende watervalsysteem, waarbij de slimsten prof worden, de normaalbegaafden in het middelbaar en lager onderwijs aan de bak komen, en de ‘rest’ dan maar in het kleuteronderwijs gaat, is pedagogisch compleet fout. Kinderen worden namelijk primair gevormd tussen het tweede en het zesde levensjaar. Daar ligt de sleutel van de intellectuele en emotionele ontwikkeling. Daar moet dus geïnvesteerd worden in pedagogisch toptalent. Kleuterscholen zijn méér dan kinderopvangcentra.

“Middelmatige leerkrachten leveren middelmatige leerlingen af, die, eens zelf als leraar aan de slag, nog lagere kwaliteit afleveren. Die spiraal moeten we doorbreken.”

In Finland, dat internationaal geldt als een model inzake onderwijsbeleid, hebben alle kleuteronderwijzers en lagere-schoolleerkrachten een masterdiploma. Het zijn beroepen met standing die ambitieuze mensen aantrekken. Die zijn ook in staat om zelfstandig te werken en creatief met hun klas om te gaan, zonder het betuttelend vingertje van de inspectie. Dat creëert een opwaartse spiraal: getalenteerde leerkrachten slagen erin om kinderen intellectueel te motiveren, wat een nieuwe generatie van pedagogisch talent oplevert. Bij ons gebeurt het omgekeerde: middelmatige leerkrachten, vooral bezig met hun pensioen, leveren middelmatige leerlingen af, die uiteindelijk ook het hoger onderwijs dwingen om zijn normen naar beneden af te stellen, waardoor nog slechtere leraars voor de klas komen te staan.

Nogmaals: het kleuter- en lager onderwijs vormen de echte kweekvijvers. Deze leerkrachten dienen gekoesterd en vooral ook goed betaald. Tot en met 15 jaar oud volgt iedereen in het Finse systeem dezelfde basiseducatie, waardoor het zgn. ‘watervalsysteem’ zo veel mogelijk vermeden wordt, en ook de technische richtingen uiteindelijk bemand worden met begaafde jongeren..

Zonder die aandacht voor een brede basiseducatie is de term ‘innovatieve kenniseconomie’ een loos begrip, alleen goed om studies en overheidsrapporten op te smukken.

3. Schoktherapie tegen kansarmoede: schoolplicht’ vanaf nul jaar

Baby’s op de schoolbanken? Dat klinkt surrealistisch, en toch. De armoedestatistieken voor Vlaanderen hangen al enige jaren rond de 10%. Eén tiende van onze bevolking komt met moeite of niet rond, betaalt de rekeningen niet, ook niet de schoolfactuur. Het is een misverstand om dit hoofdzakelijk als een ‘allochtonenprobleem’ te zien. Vooral ook de éénoudergezinnen zijn kwetsbaar, of gezinnen waarvan de ouders al lange tijd in de werkloosheid zitten.

Maar het gaat niet alleen over centen. Er is ook zoiets als ‘subjectieve armoede’: mensen van een lager sociaal milieu hebben een evenredig laag zelfbeeld en berusten in hun lot. Ze nemen weinig deel aan het gemeenschapsleven, zijn bv. nooit in de ouderraad van een school te vinden, en schatten hun kansen op sociale promotie laag in. Onderwijs vinden ze zelfs weinig relevant, daarom houden ze hun kinderen thuis tot die echt schoolplichtig worden. En dan nog: spijbelen wordt de regel. In de huiselijke kring krijgen de kinderen weinig intellectuele stimulansen, lopen een taalachterstand op, en houden zich de godganse dag bezig met gamen, TV-kijken, of op straat rondhangen. Komen ze uiteindelijk op de lagere schoolbanken, dan is het kwaad al geschied, en is de afvallingsrace al volop bezig. Die eindigt dan steevast in het technische of beroepsonderwijs, of eventueel helemaal zonder diploma.

De remedie tegen deze generatie-armoede klinkt hard maar is de enige efficiënte: haal deze kinderen van meet af aan weg uit de thuisomgeving en geef ze op school de juiste prikkels mee, die normaal voorbehouden blijven aan jonge kinderen uit de midden- en hogere klasse. Om nog maar eens Finland aan te halen: daar zijn opvang en instap in het kleuteronderwijs, vanaf nul jaar eigenlijk de norm. De achterliggende filosofie is, dat onderwijs en educatie een kernopdracht uitmaken van de overheid, de gemeenschap dus. Onderwijs is meer dan kennisoverdracht, het gaat om de mate waarin een samenleving zich in de komende generaties spiegelt. Kansarmoede moet weggewerkt worden door in een zeer pril stadium een intellectuele en culturele ‘fond’ te leggen waarop zelfbewust, mondig burgerschap kan groeien. Het is meteen de sleutel tot integratie, zeker ook naar allochtonen en anderstaligen toe.

Besluit: het debat rond democratisering van het onderwijs mist bij ons een visie rond integrale kwaliteit en sociale dynamiek. De ééndimensionele stelling dat alles in orde komt als de universiteiten maar zoveel mogelijk gediplomeerden afleveren, gaat voorbij aan tal van uitdagingen inzake pedagogische structuur en fundamentele visie op educatie. Voor alles moet het beroep van leerkracht weer uitstraling krijgen. Dat zal des te makkelijker zijn als kinderen graag naar school gaan. De klassieke kwestie van de kip en het ei, jawel.

De Vlaamse cultuurscène kan best een snuifje Derrida gebruiken.

In Overijse, de mooie gemeente aan de Brusselse Oostrand waar ik woon, hebben zich sinds jaar en dag heel wat Franstaligen gevestigd. In tegenstelling tot de karikatuur uit de oude Vlaamse doos doet een flink aantal van hen wel zijn best om een woordje Nederlands te spreken, bij de bakker, tegen de buren, in het oudercomité van de lagere school.

Ja, er is goede wil, en neen, het zijn niet allemaal FDF-diehards. Maar dat ‘woordje’ bereikt natuurlijk wel snel zijn limieten. Gaat het gesprek over iets meer gesofisticeerd dan de uren van naschoolse opvang of het weer, dan schakel ik zelf meestal over naar het Frans omdat een woordenschat van 300 woorden, dikwijls dan nog met de nodige grammaticale onnauwkeurigheden, nu eenmaal niet volstaat. Ik betrap mezelf erop dat de conversatie met de anderstalige, die in het Nederlands zijn/haar ‘plan kan trekken’, dan meestal afglijdt tot op een niveau van de strikte, letterlijke verstaanbaarheid, zonder ‘tweede of derde laag’, zonder zin voor nuance of dubbelzinnigheid, waarop dan weer humor en ironie zijn gebaseerd.

Anders gezegd: mijn Franstalige buurman en ik spreken een soort Neder-Swahili, nuttig maar volstrekt omgecompliceerd. Net daardoor besef ik hoe essentieel taal eigenlijk wel is in de gemeenschapsvorming. Niet enkel als pure, primaire communicatievorm, maar vooral ook als dieptereservoir van betekenissen die zich in de loop van de tijd een weg hebben gegraven in de rivier, ‘cultuur’ genoemd.

O jazeker, in onze streek doet men euforisch over gemengde opvoeding, kinderen van een Franstalige vader en een Nederlandstalige moeder die thuis beide talen spreken. Maar telkens als het gesprek met die jonge tweetaligen wat dieper gaat en meer nuance vereist, wordt het stotteren en zoeken naar het juiste woord, en krijg je de klassieke mengelmoes of tussentaal. Ik geloof dus best wel in een intense, unieke band met de moedertaal die je met de paplepel meekrijgt, die een individu kneedt maar ook door dat individu herkneed wordt. Veeltaligheid is een plus, maar één taal steekt er kwalitatief bovenuit. Namelijk diegene waarin we denken, lachen, wenen, dromen, gedichten schrijven.

De taalfanaticus Jacques Derrida

Dat klinkt behoorlijk conservatief en on-modern. Het kruim van ons Vlaamse literaire wereldje lacht met dat ‘provincialisme’ en gaat zoals Dimitri Verhulst in Wallonië wonen, om zich kosmopolitisch te distantiëren van dit taal/lichaam/bodem-verhaal.

Edoch. Gisteren, 9 oktober, was het net tien jaar geleden dat de Franse filosoof Jacques Derrida overleed. Hij geldt als de peetvader van het ‘deconstructivisme’, dat elke tekst ziet als een oneindige chemie van betekenissen en bijbetekenissen, die naadloos overvloeien in allerlei (al dan niet verborgen) agenda’s van de schrijver/boodschapper … en van de lezer/ontvanger.

Naar aanleiding van die sterfdag herlas ik nog eens het interview uit oktober 2004 met Derrida dat eerst in Le Monde en dan vertaald in De Groene Amsterdammer verscheen.

De bejaarde filosoof spreekt er over leven en dood, schrijven en overleven. Maar wat een passie voor de Franse taal spettert er uit zijn vertoog! Ik citeer even:

‘Sporen achterlaten in de geschiedenis van de Franse taal, dat is wat mij interesseert. Ik leef van die passie, misschien niet zozeer voor Frankrijk, maar dan toch voor iets wat de Franse taal sinds eeuwen heeft belichaamd. Ik hou van die taal als van mijn leven, soms nog meer dan de een of andere Fransman van oorsprong ervan zou houden.’

De in Algerije geboren ‘vreemdeling’ Jacques Derrida was als filosoof en poëet verliefd op de Franse taal, die hij pedagogisch wou herscheppen als de bodem van een complexe, subtiele cultuurbeleving waaraan alle lezers deelachtig konden worden. Zonder haar zwaartekracht dwarrelen mensen als los stof over de planeet. Dankzij haar gravitatie voelen we vaste grond en schieten we wortel, ook in de aarde waarop we niet geboren zijn.

De taalfanaticus Derrida maakt korte metten met de polyglotte illusie (‘ik heb maar één taal, en tezelfdertijd behoort ze mij niet toe’) en pleit in hetzelfde interview voor een andersglobalistisch Europa waarin soevereiniteit een plaats krijgt, in relatie tot de culturele praxis.

Zonder taal, geen democratie

Dit ter attentie van verlicht-links dat helemaal geen graten ziet in een groeiende allochtone, ook intern versnipperde gemeenschap die half of helemaal geen Nederlands spreekt. Het gaat er niet enkel om dat ze aan de loketten niet terecht kunnen (ik zou hier nog enige hoffelijkheid hanteren en meertalige bedienden inschakelen), het gaat er vooral om dat die mensen zich uitsluiten uit het culturele weefsel waarin ook het democratisch debat verankerd zit. Een snelcursus Nederlands is niet voldoende: het gaat om diepte en ondergedompeld willen worden, om te kunnen participeren aan die oneindige stroom tekens, betekenissen, bijbetekenissen, nuances van een complexe taal die via de literatuur wordt geregenereerd. Zonder linguïstische verbondenheid, geen gemeenschap. Zonder soevereiniteit, geen democratie.

Vlaanderen, meer bepaald het Vlaamse literaire wereldje, kan dus best een snuifje Derrida gebruiken. Lanoye, Verdonck, Hemmerechts, en alle andere pseudokosmopolitische scribenten uit het Zuid-Nederlandse taalgebied, zouden zich toch eens moeten spiegelen aan dat typisch Franse chauvinisme dat gebaseerd is op literaire durf en cultureel zelfbewustzijn.

Op het einde moet een taal kunnen ‘landen’, zich ook durven definiëren als ruimte, anders blijft ze gebakken lucht. Schrijvers, filosofen en kunstenaars hebben een plicht van dienstbaarheid aan de taal, maar daarmee ook aan de republiek die haar als ‘voertaal’ adopteert, en waarbinnen die intellectuelen een bijna religieuze status krijgen van hoeders, behoeders, opwerkers, alchemisten.

Het is voorlopig wachten op de eerste schrijver in Vlaanderen die zich die status durft eigen te maken.

Het ‘draagvlak’ van de imams

Waarom de symboliek van het rituele slachten ons nog meer moet verontrusten dan het dierenleed op zich.

slachtUitgerekend vandaag, 4 oktober, op Werelddierendag, vindt het Offerfeest van de moslims plaats, en worden duizenden schapen ritueel geslacht. Dat geschiedt volgens de Dhabiha, de islamitische slachtvoorschriften die zeggen dat het dier moet leegbloeden en niet voorafgaandelijk mag verdoofd worden. De doodsstrijd kan tot een kwartier duren, tot het dier in zijn eigen bloed stikt. En dat niet alleen op het jaarlijkse Offerfeest, elk halal-vlees moet zo geproduceerd worden. ‘Barbaars!’, roepen de dierenrechtenactivisten, maar voor de gelegenheid ook de extreem-rechtse islambestrijders. Zo bevonden Gaia en het Vlaams Belang zich afgelopen zondag bien etonnés in dezelfde betoging, niet helemaal tot grote blijdschap van Michel Vandenbosch en aanhorigen.

Maar waar vindt dat Offerfeest eigenlijk zijn oorsprong? Het ritueel gaat terug op het Bijbelse verhaal waarin God (Allah) de stokoude Abraham (Ibrahim) op de proef stelt en vraagt om zijn zoon te offeren. Abraham gehoorzaamt, maar net voor het offer krijgt hij de mededeling dat het ook een schaap mag zijn. Iedereen blij, behalve de schapen, en vandaar dus dat jaarlijks slachtfeest.

Het is van belang om hier aan ernstige godsdienststudie te doen en de symboliek te analyseren. Antropologisch is het dierenoffer een gesubstitueerd mensenoffer. Op een zeker ogenblik werd het mensenoffer, om de Almacht gunstig te stemmen, sociaal niet meer aanvaard, en nam men zijn toevlucht tot rituele dierenslacht (zie bv. René Girard: “La Violence et le Sacré”) . De Abrahammythe is daar een reflectie van. Door het dier ritueel te doden wordt de gelovige zelf gereinigd en de band met de Schepper hernieuwd. Maar daar zit een fameuze adder onder het religieuze gras. Want in bepaalde omstandigheden (oorlog, groot onheil…) kan het mensenoffer hersteld worden, en wordt het schaap terug zijn origineel, meerbepaald dan een ongelovige mens of kafir, in de Koran overigens gelijk gesteld met een dierlijk wezen. Het zoenoffer valt dan formeel gelijk met een executie, de vormvereisten en attributen blijven dezelfde. Het scherpe mes dus, recht op de keel, het hoofd naar achter.

FoleyDat plaatst de terechtstellingen door de Islamitische Staat van James Foley en Steven Sotloff (men spreekt over ‘onthoofden’, maar eigenlijk worden ze op de filmpjes als beesten gekeeld) in een nieuw daglicht: eigenlijk zijn het rituele offers waarvan de schapenslacht in onze contreien maar een brave versie zijn.

Wat moeten we daar nu van denken? Het bloeden, het lijden en de collectieve sensatie zijn essentieel in die rituelen. Uiteraard zijn onze Westerse slachthuizen ook geen oorden van gezelligheid, zelfs al wordt er in regel onder verdoving geslacht. Maar het feit dat het bij de moslims nu net om ‘offerrituelen’ gaat, met een symboliek die de dood van een levend wezen verheerlijkt, zit me dwars. En dat, in de juiste opgezweepte atmosfeer, dieren en mensen verwisselbaar zijn. Zie weerom de ISIS-filmpjes, waarvan de virale verspreiding via het web zo essentieel is als de executie zelf. Stel u even voor dat de teruggekeerde ‘Syriëstrijders’ in naam van Allah ook het mensenoffer heruitvinden, hetgeen ongetwijfeld menig schaap het leven zal redden.

Kosjer of halal?

Het siert moslima en Antwerps schepen van Dierenwelzijn Nabilla Ait Daoud (N-VA), wanneer ze haar geloofsgenoten erop wijst dat ‘een dier onverdoofd slachten niet meer van deze tijd is’. Ze raadt zelfs aan om in de plaats financiële giften te toen aan minderbedeelden, dat schijnt ook te kunnen. Moslimvrouwen zijn sowieso verstandiger en vooruitstrevender dan mannen. Jammer genoeg is de mening van een vrouw daar niets waard, en schijnt het bloed en het gekerm van een gekeeld dier absoluut tot de godsdienstige beleving te moeten horen. De vraag is, waar godsdienstvrijheid eindigt en de waarden van onze beschaving beginnen.

Dat brengt ons op een tweede bedenking: het feit dat de Joden zeer gelijkaardige slachtvoorschriften kennen, namelijk de Sjechita. Logisch, want op hetzelfde Abrahamverhaal gegrondvest. Het mag dan ook niet verwonderen dat de Joodse gemeenschap helemaal niet te vinden is voor een verbod op het onverdoofd slachten. Vanuit die hoek zijn zelfs de klassieke verwijten van ‘antisemitisme’ te horen als iemand oppert dat ook kosjer vlees afkomstig is van onverdoofde slacht. Dierenrechtenactivisten zijn de kop van Jut. De Joodse schrijver Arnon Grunberg deed zelfs de suggestie om politica Marianne Thieme, de grootste tegenstander van het onverdoofd slachten in Nederland, als een heks in een kooi op te hangen. Genant. De barbarij komt soms uit een onverwachtse hoek.

Het bracht ook de Nederlandse PVV in een hachelijke positie, want Geert Wilders was uiteraard een voortrekker in de strijd tegen het ritueel slachten, tot zijn Joodse geldschieters uit de Verenigde Staten hem lieten weten, met dat standpunt helemaal niet opgezet te zijn.

De ironie is dus, dat de Joodse lobby achter de schermen een islamitische aanspraak op een betwistbare praxis verdedigt. En zo vinden we, andermaal bien etonnés, moslims en joden eindelijk nog eens in de weer voor dezelfde zaak. En wordt het weerom tijd om zich af te vragen in hoeverre het religieus gekrakeel zich mag verheffen boven de algemene morele standaarden van een samenleving die al lang gekozen heeft voor de seculiere rechtstaat. Het argument van Mohamed Achaibi van de Moslimexecutieve, tijdens een TV-debat met minister van dierenwelzijn Ben Weyts, dat ‘de Liga van Imams in België heeft geoordeeld dat er geen draagvlak is voor dat onverdoofd slachten’, doet helemaal niet ter zake. Zoals ook de mening van de Liga van Rabbijnen ons worst mag wezen. Of de mening van truckers of filatelisten als het gaat over ethische normen. Als er een democratisch draagvlak is in Vlaanderen om pijnloos te slachten, en als dat in een wet kan gegoten worden, dan zal iedereen zich daar moeten naar schikken. Zwitserland, Zweden, Noorwegen, Polen, Denemarken en IJsland gingen ons voor: daar bestaat het verbod al jaren, en daar wonen ook moslims.

Voor de rest zal het ons benieuwen, in hoeverre groen-links in Vlaanderen zijn humanistisch en ecologisch waardenverhaal zal afwegen tegenover het multiculturele dogma.