De Vlaamse cultuurscène kan best een snuifje Derrida gebruiken.

In Overijse, de mooie gemeente aan de Brusselse Oostrand waar ik woon, hebben zich sinds jaar en dag heel wat Franstaligen gevestigd. In tegenstelling tot de karikatuur uit de oude Vlaamse doos doet een flink aantal van hen wel zijn best om een woordje Nederlands te spreken, bij de bakker, tegen de buren, in het oudercomité van de lagere school.

Ja, er is goede wil, en neen, het zijn niet allemaal FDF-diehards. Maar dat ‘woordje’ bereikt natuurlijk wel snel zijn limieten. Gaat het gesprek over iets meer gesofisticeerd dan de uren van naschoolse opvang of het weer, dan schakel ik zelf meestal over naar het Frans omdat een woordenschat van 300 woorden, dikwijls dan nog met de nodige grammaticale onnauwkeurigheden, nu eenmaal niet volstaat. Ik betrap mezelf erop dat de conversatie met de anderstalige, die in het Nederlands zijn/haar ‘plan kan trekken’, dan meestal afglijdt tot op een niveau van de strikte, letterlijke verstaanbaarheid, zonder ‘tweede of derde laag’, zonder zin voor nuance of dubbelzinnigheid, waarop dan weer humor en ironie zijn gebaseerd.

Anders gezegd: mijn Franstalige buurman en ik spreken een soort Neder-Swahili, nuttig maar volstrekt omgecompliceerd. Net daardoor besef ik hoe essentieel taal eigenlijk wel is in de gemeenschapsvorming. Niet enkel als pure, primaire communicatievorm, maar vooral ook als dieptereservoir van betekenissen die zich in de loop van de tijd een weg hebben gegraven in de rivier, ‘cultuur’ genoemd.

O jazeker, in onze streek doet men euforisch over gemengde opvoeding, kinderen van een Franstalige vader en een Nederlandstalige moeder die thuis beide talen spreken. Maar telkens als het gesprek met die jonge tweetaligen wat dieper gaat en meer nuance vereist, wordt het stotteren en zoeken naar het juiste woord, en krijg je de klassieke mengelmoes of tussentaal. Ik geloof dus best wel in een intense, unieke band met de moedertaal die je met de paplepel meekrijgt, die een individu kneedt maar ook door dat individu herkneed wordt. Veeltaligheid is een plus, maar één taal steekt er kwalitatief bovenuit. Namelijk diegene waarin we denken, lachen, wenen, dromen, gedichten schrijven.

De taalfanaticus Jacques Derrida

Dat klinkt behoorlijk conservatief en on-modern. Het kruim van ons Vlaamse literaire wereldje lacht met dat ‘provincialisme’ en gaat zoals Dimitri Verhulst in Wallonië wonen, om zich kosmopolitisch te distantiëren van dit taal/lichaam/bodem-verhaal.

Edoch. Gisteren, 9 oktober, was het net tien jaar geleden dat de Franse filosoof Jacques Derrida overleed. Hij geldt als de peetvader van het ‘deconstructivisme’, dat elke tekst ziet als een oneindige chemie van betekenissen en bijbetekenissen, die naadloos overvloeien in allerlei (al dan niet verborgen) agenda’s van de schrijver/boodschapper … en van de lezer/ontvanger.

Naar aanleiding van die sterfdag herlas ik nog eens het interview uit oktober 2004 met Derrida dat eerst in Le Monde en dan vertaald in De Groene Amsterdammer verscheen.

De bejaarde filosoof spreekt er over leven en dood, schrijven en overleven. Maar wat een passie voor de Franse taal spettert er uit zijn vertoog! Ik citeer even:

‘Sporen achterlaten in de geschiedenis van de Franse taal, dat is wat mij interesseert. Ik leef van die passie, misschien niet zozeer voor Frankrijk, maar dan toch voor iets wat de Franse taal sinds eeuwen heeft belichaamd. Ik hou van die taal als van mijn leven, soms nog meer dan de een of andere Fransman van oorsprong ervan zou houden.’

De in Algerije geboren ‘vreemdeling’ Jacques Derrida was als filosoof en poëet verliefd op de Franse taal, die hij pedagogisch wou herscheppen als de bodem van een complexe, subtiele cultuurbeleving waaraan alle lezers deelachtig konden worden. Zonder haar zwaartekracht dwarrelen mensen als los stof over de planeet. Dankzij haar gravitatie voelen we vaste grond en schieten we wortel, ook in de aarde waarop we niet geboren zijn.

De taalfanaticus Derrida maakt korte metten met de polyglotte illusie (‘ik heb maar één taal, en tezelfdertijd behoort ze mij niet toe’) en pleit in hetzelfde interview voor een andersglobalistisch Europa waarin soevereiniteit een plaats krijgt, in relatie tot de culturele praxis.

Zonder taal, geen democratie

Dit ter attentie van verlicht-links dat helemaal geen graten ziet in een groeiende allochtone, ook intern versnipperde gemeenschap die half of helemaal geen Nederlands spreekt. Het gaat er niet enkel om dat ze aan de loketten niet terecht kunnen (ik zou hier nog enige hoffelijkheid hanteren en meertalige bedienden inschakelen), het gaat er vooral om dat die mensen zich uitsluiten uit het culturele weefsel waarin ook het democratisch debat verankerd zit. Een snelcursus Nederlands is niet voldoende: het gaat om diepte en ondergedompeld willen worden, om te kunnen participeren aan die oneindige stroom tekens, betekenissen, bijbetekenissen, nuances van een complexe taal die via de literatuur wordt geregenereerd. Zonder linguïstische verbondenheid, geen gemeenschap. Zonder soevereiniteit, geen democratie.

Vlaanderen, meer bepaald het Vlaamse literaire wereldje, kan dus best een snuifje Derrida gebruiken. Lanoye, Verdonck, Hemmerechts, en alle andere pseudokosmopolitische scribenten uit het Zuid-Nederlandse taalgebied, zouden zich toch eens moeten spiegelen aan dat typisch Franse chauvinisme dat gebaseerd is op literaire durf en cultureel zelfbewustzijn.

Op het einde moet een taal kunnen ‘landen’, zich ook durven definiëren als ruimte, anders blijft ze gebakken lucht. Schrijvers, filosofen en kunstenaars hebben een plicht van dienstbaarheid aan de taal, maar daarmee ook aan de republiek die haar als ‘voertaal’ adopteert, en waarbinnen die intellectuelen een bijna religieuze status krijgen van hoeders, behoeders, opwerkers, alchemisten.

Het is voorlopig wachten op de eerste schrijver in Vlaanderen die zich die status durft eigen te maken.

Advertenties

3 Reacties op “De Vlaamse cultuurscène kan best een snuifje Derrida gebruiken.

  1. Jef Hendrickx

    Derrida houdt van zijn franse taal, nb als natieve vreemdeling en niet als blut und boden verknochte, omdat het zijn taal is. Omdat die taal de meeste connotaties oproept met het geheel van zijn levenservaringen en verbeeldingen.
    En het is net dat wat ook de schrijvers van uw “linkse literaire wereldje” bindt aan het nederlands (of het vloms, om u nog nauwer terwille te zijn ).Dacht U dat haat tegenover de eigen taal een literair werk kan voortbrengen ?
    Mag ik u herinneren aan ” de oproep tot waakzaamheid ” van zomer 1993, waarin wordt gesteld dat het zogenaamde postmoderne franse differentie-denken niet mag verward worden met etnocentrische differentiedenken van Nieuw Rechts. Deze oproep was ondertekend, naast o.m. U. Eco, door J. Derrida.
    Niet uit uw nek kletsen aub.

  2. Patrick Eggermont

    RUBRIQUE LUBRIQUE

    Net wat je zegt! Een snuifje?
    Een gram zeker? En meer dan ene!
    Zeker nodig om goed te kunnen praten,
    over kunst in de afvalcontainer,
    – voor 80 procent ’s nachts weggegooid –
    of over – schrijverke, schrijverke –
    ‘ne gast’ in L.A., zonder reden
    sloeg die zijn vieze, vuile hond!
    Neen, ’t was geen hond,
    iets verder in de evolutieleer,
    een wulpse griet was ‘t!
    Vullen ze bij de rode omroep
    met hun praatjes nog steeds de gaatjes
    of kleurt die straks helblauw
    – hopelijk niet van de stuipen -?…
    Ich mach’ mijn Ding,
    egal was die ander’n labern…”

    Hier geen woord over afkicken
    of andermans spullen pikken,
    ook in de politiek is ’t nu afkicken!
    Men wordt furieus,
    en alles wordt tumultueus.
    Hertog Alva is in ’t belgenland!
    In dit – een essay kan je ’t niet noemen,
    zeker geen roman – zeg maar,
    een culturele boer, geen woord
    over een glas met zuiver water,
    een lepel en een allumeur
    en een item van bij de apotheek.
    Vijf tassen koffie doen ’t anders ook.
    Vraag ’t maar aan ‘die gast’ uit Röcken.
    ’t Is Niets, Frederik. ’t Is Niets!
    Witz, Witz en nog’s Witz!

    • Wie kletst uit zijn nek ? Wat JS bedoelt is dat taalbeheersing op niveau essentieel is voor gemeenschapsvorming, burgerschap en particatie aan het sociale, culturele en economische leven. Met etnocentrisme heeft die zienswijze niks te maken, omdat de motivatie om taalbeheersing te promoten zoalsJS voorstat totaal verschilt van die van de etnocentristen. Zij hanteren taal als uitsluitingscriterium, terwijl JS de taal terecht ziet als een onmisbare motor tot inclusie. Het toppunt is dat multiculturalisten eigenlijk het etnocentrisme bij migranten institutionaliseren, en daardoor hun integratie en emancipatie afremmen. Hoeveel migranten zijn er overigens in staat de boeken van Verhulst en Hemmerechts te lezen ?