De tristesse van het schoonschrift

Omtrent boekenwijsheid, kalligrafie, cultuurpessimisme en technofobie

bibliotheekNu de herfst weer in het land is, het seizoen dat door een stel misantropen ooit is uitgeroepen tot de tijd van het boek en van het lezen, wil de ironie van het lot dat een grote Vlaamse uitgeverij de boeken sluit en het filiaal De Slegte in Brugge heel zijn voorraad in de container dumpt. Grote consternatie bij de bibliofielen, én uiteraard bij de broodschrijvers die dakloos dreigen te worden. Waarbij in één moeite heel de humane beschaving tot bedreigd erfgoed wordt uitgeroepen.

Nochtans is en blijft mijn slotsom na een diploma filosofie, een doctoraatsthesis en veertig jaar studie: schrijvers brengen ons geen millimeter verder, integendeel. Hun boeken staan in mijn bibliotheek, als zwijgende praalgraven, gewichtig maar stom, glorieus maar impertinent.

Het Franse warhoofd Jacques Derrida onthulde, wellicht ongewild, een tip van de sluier: schrijvers schrijven om zich schrijver te kunnen voelen. Elke tekst is “pretekst”, voorwendsel vanwege de auteur om zijn eigen bestaan een schijn van nuttigheid te geven. Waardoor hij andermans bestaan intellectueel tiranniseert en usurpeert. De scribent als vampier dus, terwijl de lezer, omgekeerd, in de waan is dat hij zich voedt aan de tekst.

 ‘Misère de la philosophie’

KantDe filosofen zijn met vlag en wimpel de ergste uitbuiters van dit misverstand. Niet alleen presenteren ze zich als ‘zingevers’ in een gevaarlijk, chaotisch universum, maar bovendien slagen ze erin om hun zware mentale handicap, die men vandaag als schizofrenie zou omschrijven, te veredelen tot theorie en wereldbeeld. De onmogelijkheid om zich ruimtelijk te oriënteren, zware apraxie, communicatie-armoede, en het zich opsluiten in de eigen wanen vormen de hoofdkenmerken van dit alibisme.

Ik roetsj even met mijn vingers over de ruggen van de boeken. Voor Plato was de wereld rondom hem maar een schijnwereld die men moest negeren: makkelijke smoes voor een sociopaat. Kant deed als Verlichtingsfilosoof elke dag klokslag vier zijn wandeling alsof de wereld stilstond, en mijmerde over het onkenbare Ding an Sich: zonder twijfel de nagel die hij niet in de muur geklopt kreeg. Kant had gewoon twee linkerhanden en een punthoofd. Had hij dat toch gewoon gezegd en er iemand bij geroepen.

Nietzsche zwierf het liefst rond in de baai van Rapallo, ver van alle werelds gewoel en de miserie in de fabriekswijken. Hij verklaarde de oorlog aan de metafysica, maar kon niet eens zijn eigen schoenveters dicht knopen. Zoals zijn Zarathustra kroop hij dan maar een (ingebeelde) berg op, om er rond 1900 af te tuimelen, compleet tureluut.

Voor de psychopaat René Descartes konden dieren dan weer geen pijn lijden omdat ze een soort mysterieus intellectueel orgaan, dat hij ‘cogito’ doopte, zouden missen. De geest was alles, de materie maar een franje. Hoe wereldvreemd kan men zijn: het cogito was de projectie van zijn eigen autistisch manco.

Het schrijven was om zeep, van zodra het om méér ging dan boodschappenlijstjes. Het denken is een ziekte geworden, van zodra er denkers opstonden.

Ik ga er vlug door, want anders wordt dit zelf weer een les filosofie. Hoe verschillend en tegenstrijdig deze denkers ook waren, ze hadden één talent gemeen: het vermogen om hun paranoia te sublimeren tot wijsheid.

Salomé Ze waren de hoofdfiguur in hun eigen geestelijk theater, en beschouwden zich als soevereine entelechieën, hoog zwevend boven de werktuiglijke realiteit. Niets deden ze met hun handen, behalve schrijven en masturberen, al de rest werd door hun huishoudster gedaan. Deze contactfobie was ook belangrijk om hun geestelijk functioneren te beveiligen en de waan niet te laten besmetten door wat zij zagen als de fysieke en werktuiglijke schemerwereld. Karl Marx benoemde het, naar aanleiding van zijn polemiek met Proudhon, in 1847 “Misère de la philosophie”: de ziekelijke neiging van de menselijke geest om zich te verheffen boven en tegen de materie, waardoor hij compleet verdwaalt in zijn eigen hersenschimmen. Wijsbegeerte, als begeerte om van de wijs te geraken: het is een volksgezegde, maar het is nog waar ook.

Plato was zonder twijfel de stamvader van dit metafysisch complex. In 1981 publiceerde neuropsychiater Karel Ringoet de opmerkelijke, maar nu weer vergeten essaybundel “Was Plato schizofreen?”. De titel alleen al was een provocatie. Zijn pleidooi voor de antipsychiatrie is eigenlijk vooral een benadering van de schriftuur, als spoor van een psychose. De filosoof leeft vanuit een breuk tussen geest en materie, subject en object, die eigenlijk nooit hersteld maar steeds weer “afgeschreven” moet worden, verklaard, ontvouwd, gerationaliseerd. Met het publiek als betalende aandeelhouder van deze afdroomfabriek.

Het schrijven was om zeep, van zodra het om méér ging dan boodschappenlijstjes. Het denken is een ziekte geworden, van zodra er denkers opstonden. Hun schrijven maakte de ziekte discreet, verborgen, verwetenschappelijkt, bibliofiel, maar uiteindelijk ook weer manifest, als breinkraker en bezorger van zware hoofdpijnen. In die zin kan men die boeken enkel lezen als documenten, zoals men schilderijen van psychotici gaat bekijken. Sporen van een trauma, die ons kunnen boeien zonder dat we ze zelf gaan mislezen tot verhaal, roman, of, godbetert, veralgemeenbaar wereldbeeld.

De laatste navolgers van Plato moeten dit durven onder ogen zien, en er de stoute conclusies uit trekken: de echte therapie kan niet via het schrijven gebeuren, maar net via het tegendeel, via het ont-schrijven. Zoals het lezen zich moet omkeren tot ont-lezen. Hoe kan dat concreet in zijn werk gaan? En wat wordt filosofie zonder denkers, eens ze erin slaagt om zich van die manuele tic, het schrijfcomplex genoemd, te ontdoen?

Moderniteit , technoforie, metamorfose

schrijfmachineHet antwoord ligt in de ons omringende instrumentele wereld zelf, het ding-an-sich dat Kant verbijsterde maar zich nu helemaal ontvouwt en ons omarmt.  Op de drempel van de 20ste eeuw komen we in een nieuw verhaal terecht, waardoor die klassieke subject/object-scheiding verdampt. Het is niet eens een historische omwenteling maar een antropologische shift die zich technologisch doorzet.

Terwijl de wetenschap zich volop bezint over de vraag of we een nieuw geologisch tijdperk, het antropoceen genaamd, zouden kunnen toevoegen aan de bestaande grondlagen, is het menstijdperk nu al zo goed als afgelopen. Mentaal heeft de menselijke soort opgehouden te bestaan, ergens rond het begin van de 20ste eeuw. In de plaats is er een posthumane, planetaire cultuur gekomen waarin de technologische vernieuwing, en uiteraard de vermarkting daar rond, heel ons doen en laten bepaalt en heel ons bewustzijn voedt. Twee wereldoorlogen hebben het proces versneld en het klassieke mensbeeld versplinterd.

De industriële revolutie heeft een posthumaan wezen gecreëerd, waar Plato en Kant geen flauw vermoeden van konden hebben. Waarom hen dan nog lezen?

robotHet is absurd om de moderniteit ook maar te vergelijken met enige ander historisch tijdvak. De metamorfose naar de over-mens of na-mens is niet éénmalig, maar systemisch, geautomatiseerd, waardoor elke poging om een “tijdvak” af te zonderen of een definitie van onze soort te geven, bij voorbaat zinloos is. Alles verandert constant en tegelijk. De uitvinding van de elektriciteit, de auto, de wasautomaat, de vibrator, en uiteindelijk het internet creëert een dier dat zijn werktuigen niet alleen bedient, maar er zich ook door laat meevoeren, letterlijk. De machine, door het menselijk brein uitgevonden, neemt bezit van ons lichaam, inclusief het brein, en bepaalt het bewustzijn, onze wil, onze doelmatigheid, het libido. Want we willen ook vervoerd worden, de overgave is totaal. Wie de ellenlange rijen voor de Apple-winkels ziet, de dag dat er een nieuwe versie van de Smartphone uitkomt, weet wat ik bedoel. Probeer het ook geen religie te noemen: elk transcendent beginsel is vreemd aan deze technoforie.

Het industriële (en nu post-industriële) materialisme, dat soms met catastrofale nevenverschijnselen à la Tsjernobyl en Fukushima gepaard gaat, verandert onze existentiële horizon grondig. Ze plaats de techniek als zingevend middelpunt van ons bestaan. We rijden niet met de auto, de auto rijdt met ons, we zijn de auto (‘Wir leben Auto’, slagzin van Opel). Veel meer nog geldt dit voor de pc en het internet, later de smartphone en de tablet.

Deze omwenteling verwijst alle filosofen naar de container. De industriële revolutie heeft een posthumaan wezen gecreëerd, waar Plato en Kant geen flauw vermoeden van konden hebben. Waarom hen dan nog lezen? Ze zijn compleet impertinent geworden, als predigitale fossielen. De mentale veranderingsprocessen zijn immers de enige constante in de internetcultuur. De ‘waarheid’ is mee opgenomen in deze spiraal van de permanente metamorfose, ze verandert elke milliseconde. Het begrip traditie heeft vandaag geen enkele betekenis meer. De overdracht gebeurt simultaan en horizontaal, in real time. U leest, u weet, u wist, u vergeet. Daarom is ook de rol van het onderwijs uitgespeeld en worden we allemaal min of meer cyber-autodidacten. We worden meegezogen in een spiraal van de mentale transformatie die niet door boeken maar door de digitaliteit wordt aangedreven. Best mogelijk dat deze technoforische cultuur ooit eindigt in een echte totale uitroeiing, of, ook een typisch SF-motief, een totale hegemonie van de machine op een gerobotiseerde planeet.

 Kalligrafie als rouwneurose 

handschriftIk omschrijf het nu cru en maximalistisch, om te verklaren waarom de weerstand zo groot is tegen dat techno-universum. Er zijn meer schrijvers dan ooit, er worden tonnen boeken per dag gedrukt, net omdat de metafyziekte zich niet zomaar gewonnen geeft. De technische overmens is een nachtmerrie voor de intellectueel, die wegvlucht in de bibliotheek. De dood van de homo sapiens is voor sommigen onder ons onverwerkbaar, dus wordt zijn gebalsemd lijk gecultiveerd in een logorree van leugens en legendes. De literatuur liegt en ontkent, maar met panache. De schriftuur is hyperbolisch geworden, ze wil iets bewijzen waarvan ze weet dat het niet waar is, maar waarmee ze niet kan leven.  Psychoanalytici spreken hier over “objectverlies”, een vorm van rouwneurose die op ontkenning gebaseerd is.

Maar vergis u niet: ook in de 21ste eeuw is de beheerste, deskundig verpakte waanzin een intellectuele macht op zich. De schizo-patiënten gedragen zich als elite en cultureel establishment, en het werkt nog ook. Het boek is hun ultiem object waarin alle ontkenning en rouwmelancholie vervat zit. Het boek treurt, liegt en verkoopt zichzelf als geneesmiddel, terwijl het naar de dood ruikt.

Ik schat dat zo’n 95% van wat wij als “Cultuur” (met hoofdletter) aanzien, zich opwerpt als een soort dam tegen het materialisme en de digitale euforie. Cultuur als bezinning, tegengif, eilandpositie, hang naar zuiverheid, zoektocht naar authenticiteit, terugkeer-naar.  Cultuur is in wezen daarom bijna altijd cultuurpessimistisch, hoewel ze dat dikwijls combineert met modernistische stijlfiguren en een modieus-linkse weldenkendheid. In de recente palavers over subsidies en bezuinigingen in de cultuursector was die ambiguïteit volop aanwezig: een latente nostalgie naar culturele Grandezza, maar anderzijds altijd “progressief”, belerend en humanistisch-moraliserend.

De literatuur cultiveert traagheid en rouwt om een verdwenen mens. De vraag is of wij ons door deze melancholie moeten laten besmetten.

De zieken doen zich voor als geneesheren en vormen een kaste die signeert op boekenbeurzen. Vooral juist de hedendaagse literatuur baadt in de nostalgie “à la recherche du temps perdu”. Het is alsof we iets verloren hebben dat we moeten terugvinden via de schriftuur en de lectuur. Een prachtig verkoopargument. Niet alleen het schrijven, maar vooral ook het lezen van boeken zou dan therapeutisch werken tegen de vluchtige, snelle, hypermaterialistische samenleving. Een weerspannigheid tegen het ont-mensen en de mutatie, angst voor de toekomst, depressie omwille van een voorbije wereld waarin de dingen lokaliseerbaar en benoembaar waren.

HertmansEens de lezer deze zwendel doorheeft, kan het ont-lezen beginnen. Lezen als publieke cultus van het schoonschrift: het klinkt aanlokkelijk, maar het is bij nader inzien een overgave aan een besmettelijke neurose. De literatuur cultiveert traagheid en rouwt om een verdwenen mens. De vraag is of wij in deze melancholie moeten meegaan. Lezen is rouwkost consumeren, maar de schrijver weet het te verpakken als humanistisch-filantrope verzetsdaad. Men noemt dit het “Stefan Hertmans-complex”: de culturo als onvermoeibare ridder van de goede smaak, bewaker van kwaliteit, leverancier van zingeving. Een latente technofobie is vrijwel altijd aanwezig. Droefgeestig scherpt de kalligraaf zijn potloden en bestijgt zijn postkoets.  Lees de interviews met schrijvers, en verbaas u over de trots waarmee ze beweren nog met een pen te schrijven, uit een soort protest tegen de banaliteit, de oppervlakkigheid van de consumptiemaatschappij, het techneutendom, en dies meer.

Uiteindelijk blijft de literatuur, net door haar nostalgisch-reactionaire aard, en ondanks het e-book, zweren bij de typografie, de minuskels en het bedrukt papier, als kon heel die massa boeken, al was het maar voor even, het doembeeld van de mutatie bezweren. De kalligrafie of de kunst van het schoonschrift is daarom synoniem van literatuur tout-court. De schrijver is een schoonschrijver of belletrist die zich Platonisch voortbeweegt als een nostalgisch orakel, aangedreven door een ressentiment tegen de domme, fantasieloze, hoekige wereld rondom hem.

De latente haat van de papierlobby tegen het internet is de hoeksteen van dat cultuurpessimisme. Het boek is reflexief, traag, deugdzaam, solide, engelachtig, ook al gaat het over seks en geweld. De cybersfeer daarentegen is slecht, verward, hyperkinetisch, vormeloos, diabolisch, het zit vol hackers, cybercriminelen en querulanten op schimmige fora. Achter het boek zit een schrijver-kalligraaf, achter de cybertekst zit een blogger (dikwijls onder pseudoniem), of minder nog, een twitteraar of facebookaccount,- in het ergste geval een pornograaf.

Ecriture automatique

computertaalIk kan dit pornogram niet afsluiten zonder de groeten te doen vanwege mijn tekstverwerker. Want al wie dacht, dat ik die teksten zelf schreef vanuit een soort immateriële “inspiratie”, moet ik teleurstellen: ik ben maar twee handen op het azertyklavier. Het is de pc die mijn teksten schrijft, en ze ook uitdenkt, als écriture automatique, en daarmee uit. Het ziet eruit als tekst, maar het is hogere machinetaal. Ich bin mein personal computer. Niet die ene, bepaalde computer,- want dat zou weer een bovenmateriële band suggereren met een fetisj-instrument zoals de violist met zijn viool, maar gewoon elke pc, en liefste het laatste model.

Dit zelfschrijvend, en op die manier ont-schrijvend procédé celebreert de nieuwe eenheid van materie en geest, een fusie die steeds weer werd uitgesteld door de filo-paranoici en de belletristen. Het huwelijk van de 17de eeuwse rekenmachine en de 18de eeuwse schrijfmachine bereidde deze fusie voor.  De informatica verlost ons finaal van de dwang om via het schrijven/lezen altijd opnieuw de breuk te moeten vaststellen tussen het Ik en het Andere. Er is geen breuk meer, geen schisma, geen schizo-tekst. Innerlijk en uiterlijk vallen samen, de wereld is één netwerk waarvan elk individu een knooppunt is en daaruit heel zijn bestaansreden put. Eens een tekst op het internet belandt, is hij werkelijk van niemand meer, hij behoort tot het netwerk. Niet te verbazen dat klassieke letterkundigen, maar ook hun uitgevers en de reguliere pers, enorme moeite hebben met het medium.

Zonder pc zou ik niet kunnen denken, en zonder toetsenbord zou mijn taal die van een zesjarige zijn.

Als publicist-blogger kan ik dan ook niet anders dan de lof zingen van de informatica-technologie. En dit zonder de minste ironie. Het internet, Facebook en Microsoft hebben mij gemaakt tot wie ik ben, ik durf daar gerust voor uitkomen. Zonder pc zou ik niet kunnen denken, en zonder toetsenbord zou mijn taal die van een zesjarige zijn. Mijn eigenlijke handschrift is trouwens onleesbaar, het manuele schrijven eindigde vroeger altijd in geklodder. Lezers moeten dit bedenken als ze veronderstellen dat ik min of meer autonoom functioneer als filosoof,- een woord dat quasi onbruikbaar is geworden omdat het herinneringen oproept aan het pre-digitaal tijdperk.

De schone letteren, de kalligrafie, de typografie en de boekdrukkunst zullen het nog wel een tijdje uitzingen. Er is altijd plaats voor wat nostalgie en werkelijkheidsvlucht. De steile opgang van de kookboeken echter, veruit bovenaan de bestsellerslijst, toont de echte vermolming van dit medium aan. Het begon in 1455 met bijbels, en het eindigt met kookboeken. Alles wat daar tussen zit, de roman én het essay, moet als vervreemding en hysterie beschouwd worden. Wanhopig verzet van Don Quichotte-achtige cultuurridders tegen de opkomende homo digitalis. Het internet en de informatica kwamen net op tijd, om ons van het boek te redden zonder opnieuw analfabeet te worden.

En nu ga ik bovenstaande tekst lezen, die mijn vingers (digits) zonet uit de pc haalden. Gezien u tot hier geraakt bent, loont het vast de moeite.

 

 

Advertenties

9 Reacties op “De tristesse van het schoonschrift

  1. Dé perfecte projectie, Johan 🙂

  2. Toet Ernie Toe

    Wovon man nicht schreiben/lesen kann, darüber muss man singen (Witzenstein) – https://www.youtube.com/watch?v=CGksgZKecKE

  3. Bravo ,Sanctorum.

    Reviaanse ironie is infantiel als men het vergelijkt met wat jij hier

    presteert.

    Blijf vooral schrijven.Ook al pretendeer je dat het zinloos is.

    WK Ceuppens

  4. Karina Uyttersprot

    wilde graag reageren maar de woorden en vingers stokken, want hier valt niets meer aan toe te voegen. Deze tekst is weer van een gebaldheid die onze hele tijd en ruimte en alle bewegen daarin, bevat. Hoed af Sanctorum, zolang we die nog afnemen kunnen, het ruimtepak is net zo min ver af.

  5. Kristine Verelst

    Van alle Sanctorum-essays over de literatuur en het boek is dit wel het meest radicale. Terecht lopen die Bezige-Bij-auteurs met een rouwband rond op de boekenbeurs. 🙂
    Niets blijft hier nog recht van het idee dat boeken verheffen. Zelfs de nostalgie naar de zuiverheid en het tijdperk van voor de schriftuur wordt ons niet meer gegund, want Sanctorum projecteert zijn bibliofobie (als ik dat zo mag noemen) de toekomst in, naar een papierloos digitaal cyber-universum.
    Natuurlijk is er ironie te over. Ik geloof er niks van dat zijn pc die teksten schrijft, daarvoor zijn ze veel te persoonlijk en stilistisch van een hoog niveau. Ik wil de computer nog wel eens zien die zo’n tekst voortbrengt. Maar heel die omarming van de machine moeten we wellicht zelf als een stijlfiguur zien, in een discours dat radicaal breekt met zichzelf en elke andere lerende of troostende tekst.
    De humor is overal, discreet. Heel geslaagd vind ik de foto met Nietzsche, Paul Rée en Lou Salomé uit 1882, waarin Lou Salome de twee zogezegd met een zweepje voortdrijft. Onwennig poseren ze in deze gimmick, als twee houten klazen, en duidelijk met hun hoofd elders.
    Een beeldenstormend essay om heel de herfst mee door te komen…

  6. wim van rooy

    Vraag: waarom zou je deze filosoof/filosofie geloven? Hij/ze getuigt immers ook van denkwerk, van filosoferen dus. JS bijt in de eigen staart. En wat we van Kant nog kunnen leren? De plichtethiek bijvoorbeeld. Ik noem maar wat.

  7. Als je niet gelezen wenst te worden, dien je ellenlange epistels te schrijven …
    “schrijvers, schrijven om zich schrijver te voelen” slaat in ieder geval nergens op. In veel gevallen zou ik vermoeden…
    1) omdat ze niet gehoord worden,2) als teken van verzet,3) het omzetten van machteloosheid in een creatie die verder kan reiken dan gedachten in hun hoofd 4) persoonlijk inzicht, groei en zelfrealisatie,5) onderwijzend zichzelf en de anderen 6) het leven proberen te verlengen er iets achter blijft na de dood 7) therapeutisch …en hiermee is zeker nog niet alles gezegd over die ene zin …

    Als dit letterlijk zo door Derrida geschreven is zou ik kunnen denken?
    Hij zichzelf in vraag stelde – te reflecteren waarom hij schreef – of het denkproces bij anderen wilde stimuleren waarom ze schrijven en zo krijgt de zin weer een betekenis?

  8. Jef Hendrickx

    In vorige rubriek-aflevering van onze ziener Sanctorum heette het : “De vlaamse cultuurscène kan best een snuifje Derrida gebruiken.”
    Nu leest men : “het warhoofd Derrida”.
    Ik raak helemaal in de war van deze zwierige circus-panache, die zovele verrukte kreetjes ontlokt.

  9. Eric Janssens

    Grappig stuk van Sanctorum. Ik heb het niet tot het einde toe gelezen, maar ik ga ervan uit dat hij, met zijn uitgebreide bibliotheek en zijn resem afgeleverde schrijfsels, zichzelf tot het clubje sociopaten, autisten en schizofrenen rekent waarmee hij in deze tekst ook àfrekent.
    Wat is het alternatief voor intellectuele sublimatie? Moslim worden en ter vervanging van het toetsenbord het geweer leren hanteren? In IS zal weinig worden gestudeerd (hoewel, je weet maar nooit), daar concentreren zich de mannen van de directe actie. Of moeten we onszelf louter reduceren tot schijtende planten, wat nogal wat medebewoners van de intellectuele woestijn die ‘Vlaanderen’ heet blijkbaar niet nalaten?