Maandelijks archief: januari 2015

De roemloze aftocht van Arne Quinze uit Mons 2015

QuinzeTerwijl tot de tanden bewapende paracommando’s onze vrouwen en haarden behoeden tegen de inval van de Moren, wordt er nu met stille trom een gammele constructie opgeruimd die op kerstavond 2014 al begon te kraken. Niet door een terreuraanslag, zelfs niet door kwajongensstreken, maar gewoon: onder het gewicht van zijn eigen ondraaglijke lichtheid.

Het betreft de installatie genoemd The Passenger van Arne Quinze. Het werk, zoals alles van deze Vlaamse kunstenaar bestaande uit een aantal tegen elkaar gekwakte houten latten, moest het artistiek pronkstuk worden van Mons, culturele hoofdstad van Europa 2015. Zoals bekend het absoluut prestigeproject van burgemeester Elio di Rupo, waar vooral sterarchitecten zoals Libeskind en Calatrava beter van worden. De 37 miljoen euro, oorspronkelijk begroot voor het nieuwe station, zijn er ondertussen al 155 miljoen, en het staat er nog niet.

Aan Quinzes meesterwerk, door de bewoners spottend ‘le micado’ genoemd, hing een prijskaartje van 400.000 Euro. Maar nu moet het dus definitief weg, wegens levensgevaarlijk voor wie er onder loopt. Hopelijk recupereerbaar tot kachelhout.

Plankenmonopolie 

Dat is uiteraard een grappig contrapunt tegenover het actuele anti-terreur-theater: wij maar lamenteren tegen het terrorisme, terwijl een goedmenende, hardwerkende Vlaming hier in Wallonië ‘kunstwerken’ neerpoot waar zelfs een passenger-met-veiligheidshelm niet zonder levensgevaar onder door loopt.

Maar de symboliek zit dieper. Arne Quinze is het type van de marketingkunstenaar die zijn eigen methode gepatenteerd heeft: ooit maakte iemand zo’n lattenconstructie in zijn voortuin, waarna Quinze terstond een proces inspande wegens plagiaat.

Deze kunst draait rond een plankenmonopolie. Niet de inspiratie, niet de creativiteit, zelfs niet het ambacht staan bij hem vooraan, wel het merk en zijn communicatie. Gebakken lucht dus. Van Shangai tot New York staan ze, die meestal in fluorood beschilderde Gamma-latten die schreeuwen om aandacht. Bij ons in Boom sieren ze de site van het DJ-festival Tomorrowland, in wat voorheen een natuurgebied en kalmtezone was. Het kunstwerk werd betaald door de provincie, hoewel Tomorrowland dé parel is van de poenscheppende decibelindustrie en helemaal geen subsidies nodig heeft.

Op de zeedijk van Oostende staan dan weer zijn Rock Strangers, namaakrotsen, ook weer in fluo rood, door bewoners én toeristen beschouwd als visuele vervuiling. Maar het is duur, dus zal het wel kunst zijn. Overal waar het geld is, is Quinze, en, overal waar Quinze is, ruikt het naar dezelfde holy shit.

Dat uitgerekend nu het universum van Arne Quinze letterlijk in elkaar zakt, zie ik echter als een teken van de hemel. Want als er één sociale groep in deze bewogen januari 2015 oorverdovend zweeg, dan was het wel het artistiek establishment. De penseelridders, stokjesartiesten, fabrikanten van kakmachines en andere grootinstallateurs. Hebben zijn niets te zeggen, geen boodschap, geen statement? Of wachten ze tot de storm voorbijgeraasd is, om hun handel in peis en vree voort te zetten? Neen dus, The Passenger is aan zijn irrelevantie bezweken.

Van strontreactor naar kaasmachine 

Persoonlijk denk ik, en laat dit een geluk bij een ongeluk zijn, dat de dagen van de trend- en hypekunst geteld zijn. Fabre (de schrik van de Antwerpse katten), Delvoye (strontproducent, kasteelheer en Vlamingenhater), Tuymans (nu zelf veroordeeld wegens plagiaat), het geregistreerd merk Quinze, ze mogen inpakken. Het verhaal van Arne Quinze en zijn Passenger gaat overigens evenzeer over machtsvertoon, usurpatie en intellectueel cynisme. Het is tijd voor iets anders, dieper, authentieker.

Toevallig las ik iets over de Spaanse kunstenaar Fernando Garcia-Dory. Hij was academisch gevormd, maar had helemaal geen zin om museumkunst te maken, l’art-pour-l’art waarmee dan stevig kon gecasht worden. Neen, hij trok het Spaanse binnenland in en zette een coöperatieve op om groenten te kweken en die lokaal te verkopen. Landbouw, creativiteit, ambacht en economie vloeiden zo organisch in elkaar. We krijgen dan een kunstwerk van een heel andere orde, namelijk een zinnige structuur die ‘werkt’.

Dat kan een coöperatie zijn, een installatie, een wandelpad, een herbebossingsproject, zelfs een politieke beweging. Het ultieme kunstwerk dat Fernando Garcia-Dory nalaat, als object dan, is…. een mobiele kaasmachine. Het staat nu in een museum maar het was daar helemaal niet voor bestemd. Het diende gewoon om kaas te maken, uitleenbaar binnen dat netwerk, en laat dat nu zijn ‘schoonheid’ zijn.

Dit is uiteraard iets helemaal anders dan een hoop dure planken, het past in een groter, uitdijend verhaal. Het is de omgekeerde kakmachine van Delvoye: bij hem gaat er voedsel in dat eruit komt als drek, in de tegencultuur gaat de stront erin en komt er voedsel uit. Let ook op de gelijkenis tussen de drekproducerende Delvoye-installatie en de kerncentrale die haar afval dumpt onder het motto “Après nous le déluge”.

Net daarom gaat om het méér dan functionaliteit en nuttigheid, het gaat ook om generositeit en liefde voor het geheel, zelfs een soort heiliging van de natuur, de mens en het leven, door amateurs en dilettanten, uitvinders en knutselaars. Het gaat niet enkel om de output, het product, het rendement op zich, maar ook over de manier hoe iets tot stand komt. De kunstenaar Joseph Beuys voorzag al in de jaren ’70 van vorige eeuw dat dit moest gebeuren: een implosie van de effectkunst, en een opstuw van zinnige, duurzame organismen waar de wereld mee verder kan, rondom en buiten de apocalyptische hysterie.

Plots begreep ik dat het onnozel elektrisch back-up systeempje dat ik had gemaakt, verbonden aan een paar zonnepanelen, en op wieltjes, ook een kunstwerk is. Plots zie ik waarom een vriendin die in stilte schilderijtjes met bijenwas maakt, als geschenk aan haar omgeving, meer van kunst snapt dan Arne Quinze. En plots begrijp ik ook waarom andere kleinschalige structuren, die ogenschijnlijk futiel zijn, een schoonheid krijgen door hun geloofskracht en verbondenheid met het grote geheel.

In Doel verzet een actiecomité zich, in de schaduw van de kernreactor, al jaren tegen de sloping van het polderdorp voor een havendok dat er helemaal niet nodig is. Het is een biotoop geworden, er wordt bier gebrouwen, er is een socio-cultureel weefsel ontstaan. Onkruid in de woestijn.

Als de Europese cultuur haar tweede of derde adem vindt, dan zal het via het ontluiken van dit soort levensmoleculen zijn. Organische molecule versus steriele stokjescultuur.

Ondertussen valt er, zoals in Mons, wel wat nuttig afbraakwerk te doen. Bezigheidstherapie en ontwenningskuur voor afkickende Syriëstrijders? Wie weet.

Filosofieles, of de bom onder het fundamentalisme

Als bezitter van een diploma filosofie ben ik van één ding zeker: dit papier is volstrekt waardeloos, althans als middel om zich op de arbeidsmarkt te doen gelden. Het ‘beroep’ van filosoof heb ik dan ook nooit uitgeoefend, het was altijd bochtenwerk om ondanks dat getuigschrift toch nog enige bestaanszekerheid te verwerven.
Toch zie ik het nog altijd als de beste beslissing in mijn bestaan om filosofie te gaan studeren: het heeft me vrij gemaakt. Vrij van familiale invloeden, het mainstreamdenken, de kritiekloze middelmatigheid. Met het enfant terrible Leopold Flam als mentor, een seculiere Jood, ex-communist en Buchenwald-overlevende die het met iedereen aan de stok had, kreeg ik eindelijk in de gaten waar het echt om gaat: in een maatschappij van kritische, weerbare individuen, gewapend met voldoende kennis en culturele background, worden alle machts- en repressiestructuren brokkelig. Wie gelooft immers die mensen nog? De skepsis, bron van alle wijsheid, hét ultieme sluitstuk van het antieke Griekse denken, maakt dat alle zekerheden onzeker worden en toetsbaar aan het eigen oordeelsvermogen. Immanuel Kant heeft die skepsis in het moderne denken geïntroduceerd: de twijfel als attitude, de empirie als toetssteen.
Dat kan alleen vanuit sterke, weerbare individuen. Daarom niet altijd tafelspringers die op het eerste plan staan en veel lawaai maken. Integendeel, gisteren had ik bij me thuis zo’n gasten over de vloer: ‘gewone’ mensen met een grote dosis gezond verstand en kritisch vermogen. Vrienden die je moet koesteren.

Kritisch burgerschap

Dus ja, na Parijs 7/1 zou dit dé uitdaging moeten zijn: een pedagogisch project waarin religieuze overtuigingen herleid worden tot wat ze zijn: overtuigingen. Met alle respect, maar vanuit het besef dat mensen kunnen dwalen en ideeën tegensprakelijk zijn. Ik sta dan ook helemaal achter het voorstel van Patrick Loobuyck om filosofie tot verplicht vak te maken in het lager en middelbaar onderwijs. Opvoeding tot kritisch burgerschap is minstens even belangrijk als leren cijferen of spellen. We mogen dit niet overlaten aan pastoors of imams of wat dan ook.
En neen, dit is geen poging om de ‘vrijzinnigheid’ tot unieke doctrine te verheffen. Ik ben absoluut tegen de macht van de loges en tegen de vrijzinnige kerk (die bestaat dus wel degelijk) of de ambities van het Humanistisch Verbond om via het officiële onderwijs haar macht en invloed te vergroten.
Waar het mij om gaat, is het confronteren van kinderen en jongeren met de denkbeelden waarin ze opgroeiden, en het aanmoedigen van kritisch en zelfkritisch bewustzijn. Ik weet het, dat raakt aan de wortels van het religieuze denken, zeker in zijn fundamentalistische vorm van niet-denken. Als de grote meerderheid van de moslimjeugd op school de aanslagen vergoelijkt omdat in hun geloof spotten met de profeet nu eenmaal verboden is, dan moet de les filosofie het moment zijn waarop de Islam een studie-object wordt in plaats van een dogmatisch systeem. Leren twijfelen dus.  Dat is een bom onder het fundamentalisme, ook bij Christelijke dogmatici trouwens, en de weerstand zal groot zijn. De eigenlijke godsdienstles hoort dan eerder thuis in de vrijetijdssfeer, de zondagsschool, de niet-gesubsidieerde religieuze praxis, naar het motto van Frederik II van Pruisen: ‘Jeder soll nach seiner fasson selig werden’.

Autosalon

Er bestaat een schrik in de seculiere samenleving dat beïnvloedbare personen in fundamentalistisch vaarwater komen (de zgn. ‘radicalisering’), maar de schrik is nog veel groter bij religieuze groepen dat iemand afvallig wordt en het geloof verliest. Zo’n mensen worden immers nadien de grootste tegenstanders van het religieuze waandenken, zie bv. Etienne Vermeersch.
Op lange termijn is dit idee van de actieve Verlichting in een pedagogische ruimte de enige weg naar een leefbaar pluralisme: religie beschouwen als een fenomeen, niet als een waarheid. Maak er een les godsdienstwetenschap van, en plaats alles in perspectief. Pas daarna is een reële keuze mogelijk.

Dat geldt ook voor ideologieën en alles wat ons als waarheid wordt geserveerd. Zelfs 1+1 is niet altijd gelijk aan 2. De redelijke twijfel, als reflex, niet alleen tegen religieus fundamentalisme, maar ook tegen wetenschappelijke evidenties, de politieke autoriteit, de waarheid van de media, de opdringerigheid van de vrije markt en de consumptiemaatschappij. Het Autosalon is zo dom als de menigte die zich rond de Kaaba in Mekka verdringt. Andere religie, andere rituelen, zelfde kuddegeest.
Leren kijken van op afstand, als enkeling, buitenstaander en vreemdeling. Vooral ook tegenover je eigen denksysteem en normen. En jawel, met humor en ironie als zout en peper. Veel meer dan paracommando’s op elke hoek van de straat vormen opvoeding en onderwijs de sleutel. Terreur maakt geen schijn van kans in een maatschappij zonder oogkleppen.

Benjamin Netanyahu radicaliseert op zijn manier

Het was een hallucinante hoogmis van de hypocrisie, afgelopen zondag in de straten van Parijs. Bijna allemaal, van David Cameron over Viktor Orbán tot de Turkse premier Ahmet Davutoglu, hebben ze boter op hun hoofd als het op persvrijheid aan komt.

De eveneens aanwezige Israëlische premier Benjamin Netanyahu is echter nog een klasse apart. Al van op het vliegveld in Tel Aviv orakelde hij dat het antisemitisme wereldwijd om zich heen sloeg en dat de Europese Joden in Israël thuishoren. Zijn reisbestemming was niet de betoging voor de persvrijheid, maar het neerleggen van een krans en een gepeperde speech aan de Joodse supermarkt waar een gijzeling had plaats gegrepen. Alwaar opnieuw werd opgeroepen tot emigratie naar het Beloofde Land. Feit is dat vele aanwezige Franse Joden met de oproep van de Israëlische premier niet opgezet waren, en tot diens ergernis na afloop van de ceremonie de Marseillaise begonnen te zingen.

François Hollande had de bui voordien al zien hangen, en Netanyahu verzocht om toch maar thuis te blijven. Maar Bibi was niet te houden, en pas dan werd ook maar de Palestijnse president Mahmoud Abbas uitgenodigd, kwestie van de kerk wat in het midden te houden

Het spook van de Jodenhaat

Waarom klinkt die oproep van de Israëlische premier zo geforceerd en grotesk? Om te beginnen strookt ze niet met de diaspora-gedachte zelf, die nog ruim leeft onder de orthodoxe Joden. Volgens die gedachte is Israël niet het rechtmatige beloofde land en kan alleen de Messias de Joden daartoe begeleiden. Anderzijds lijkt de totaal gemilitariseerde staat Israël, waar vrijwel elk sociaal vangnet ontbreekt, in de verste verte niet op het bijbelse land van melk en honing. Het verlichte Europese Judaïsme herkent zich maar weinig in deze Spartaanse, cultuurloze oorlogsstaat. Er bestaat trouwens ook een remigratiestroom van teleurgestelde Joodse inwijkelingen die terugkeren naar Europa.

Ten derde kan men van Europees antisemitisme, zoals we dat in het verleden hebben gekend, nauwelijks of niet spreken, afgezien van enige neo-nazifolklore of het gekwetter van de nar Dieudonné. Wél is er natuurlijk het Islamextremisme, waarvan de aanslag op de supermarkt een voorbeeld was, maar dat is geïmporteerde, niet-autochtone Jodenhaat van fanatieke moslims die ons, Europeanen, nu net stoort en bewegingen inspireert zoals de Pegida in Duitsland.

Waarom Netanyahu dan toch weer dat spook van het antisemitisme oproept? Simpel: omdat hij als extreem-rechts politicus zelf voordeel heeft bij religieus-nationalistisch fanatisme en tot in Parijs een interne polarisatiecampagne voert. De geronselde migranten moeten, eens aangekomen in het Beloofde Land, vooral zijn Likoed-electoraat uitbreiden. Zij zijn ook de eerste kandidaten om de (volgens de internationale gemeenschap illegale) nederzettingen in Gaza, Jeruzalem en op de Westbank verder te bevolken.

Palestina is de pineut

Op die manier voedt Benjamin Netanyahu zelf de radicalisering, in zijn land en daarbuiten, en is elke moslimterreurdaad objectief koren op zijn molen De hoofdbedoeling achter deze angstvergrotende scherpslijperij is het verder verhinderen van het vredesproces dat had moeten uitmonden in een volwaardige Palestijnse staat. Door in Parijs het zionisme te gaan promoten, wordt het grote, Bijbelse Israël geherlegitimeerd en de politieke realiteit van de kaart geveegd.

Hoe meer terreur hoe liever, elke Hamas-raket die in Israël terecht komt bevestigt de groot-Israëlische claim. Maar tegelijk wordt elke legalistische poging van de Palestijnen om internationale erkenning te bekomen, stelselmatig afgestraft. Recent werd de aanvraag om lid te worden van het Internationaal Strafhof nog beantwoord met het blokkeren van door Israël geïnd belastinggeld. 80 miljoen Euro wordt niet uitgekeerd, Palestijns geld wel te verstaan, nodig voor het normaal functioneren van de overheid, onderwijs, ziekenhuizen, enzomeer. Dat deden ze ook al eens in 2011, toen de Palestijnen tot de UNESCO wilden toetreden. Een jaar later was het weer prijs, toen ze een aanvraag deden om door de Verenigde Naties erkend te worden. Niet braaf, geen geld.

Het dotatiesysteem wijst erop hoe leep Israël het gespeeld heeft in de onderhandelingen die leidden naar de zogenaamde vredesakkoorden van Oslo in 1993, en hoe de Palestijnen zich lieten naaien. De beloofde autonomie was voor veel later, de grendels echter verschenen meteen, onder de vorm van een min of meer permanente blokkade waarbij de gebieden vrijwel werden afgesloten van de buitenwereld (wat de zogenaamde ‘tunneleconomie’ met Egypte opleverde). Voor alle nutsvoorzieningen (water, elektriciteit…) bleven de Palestijnse gebieden aangewezen op toevoer vanuit Israël, inclusief dus ook willekeurige onderbrekingen. Douaneposten gingen onvoorspelbaar open en dicht,- een geslaagde tactiek om alles wat op een reguliere economie leek, te fnuiken.

Twee decennia later beseffen de Palestijnen, en eigenlijk heel de wereld, dat Israël de Oslo-akkoorden nooit gezien heeft als aanloop naar Palestijnse onafhankelijkheid, maar integendeel als constructie voor een permanente controle en overheersing van de territories. Om dat te kunnen blijven verrechtvaardigen, ook naar het groeiende protest van burgerrechtenbewegingen in Israël zelf, moet het spook van het mondiale antisemitisme steeds weer opgeroepen worden, en stellen Netanyahu en C° de globale war on terror formeel gelijk met de strijd om het voortbestaan en expansie van de staat Israël. Regelmatig wordt ook nog eens de herinnering aan de Holocaust bovengehaald, om alle critici de mond te snoeren.

Quid Vlaamse republikeinen?

In een eerder Doorbraak-artikel ‘Wie is bang van de PLO?’ wees Ludo Abicht er al op dat net het rabiate zionisme van Netanyahu en consoorten de Palestijnen heeft losgeweekt uit de invloedssfeer van de PLO (‘Palestijnse BevrijdingsOrganisatie’) die de oprichting van een seculiere democratische staat nastreeft, ten voordele van het extremistische Hamas dat veel dichter bij het moslimterrorisme aanleunt. Desondanks hebben de Palestijnen maar weinig op met fenomenen als de Islamitische Staat, getuige daarvan de satirische TV-programma’s en dito internetfilmpjes over deze barbarenhordes.

Het is in de eerste plaats aan autonomistische bewegingen in Europa, zoals de Vlaamse republikeinen, om de Palestijnse vrijheidsstrijd te steunen en de destructieve manoeuvres van de Israëlische haviken te veroordelen. Een onafhankelijk, vrij en democratisch Palestina is de beste dam tegen de oprukkende IS-terreur, en zal veel wind uit de zeilen nemen van zijn Europese variant en concurrenten, Al Qaeda inbegrepen.

De lauwe houding van een partij als de N-VA, die in november 2014 weigerde een resolutie in het federale parlement te ondertekenen voor een erkenning van de Palestijnse staat, vloeit voort uit tactisch-electorale bekommernis (stemmen halen bij de Antwerpse Joden), maar kenschetst ook een oud zeer in het conservatieve deel van de Vlaamse beweging, namelijk het idee dat Christenen en Joden tot dezelfde cultuurstam zouden behoren, met Israël als een lichtende baken.

Stop met die verwarring, en gun de Palestijnen wat de Vlamingen in België eisen, en andere volkeren in Europa of elders, namelijk autonomie. Het vredesproces moet terug een echt vredesproces worden, ook al heeft Benjamin Netanyahu daar een andere mening over. Onze belangen –en die van de beschaafde wereld- liggen elders.

Vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden

CharbEren kunnen we de Charlie-Hebdo-cartoonisten pas door ons scherp te houden en zelf aan de politiek-correcte dictatuur te weerstaan.

Toen filmmaker Theo Van Gogh in 2004 door een moslimfanaticus werd vermoord, stond heel de weldenkende samenleving op stelten. Even snel spoelde de verontwaardiging weer weg met de waan van de dag. Bij mij is dat feit blijven nazinderen en heeft het mijn kijk op democratie en vrijemeningsuiting grondig dooreen geschud. Is vrijheid wel vrijblijvend, iets dat we onbeperkt en kwistig kunnen consumeren zoals de Mei ’68-golf dat voorhield, of is ze met risico’s verbonden en hangt er een prijskaartje aan? En.. is het misschien juist dat wat die vrijheid waardevol maakt en inhoud geeft?

Wolinski en de kont van zijn echtgenote

De executie van vier Charlie Hebdo-cartoonisten, redactieleden en nog acht andere mensen die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren, stelt deze discussie opnieuw op scherp. Ongetwijfeld waren Cabu, Charb en Wolinski iconen van gedurfde journalistiek en compromisloos parler-vrai. Maar net daardoor waren ze ook provocateurs en tastten ze bewust en gewild de grenzen af van het politiek-correcte. Hun Mohammed-spotprenten waren niet zomaar ludieke bedenksels: het ging om zware risico-operaties in een politiek en sociocultureel klimaat waar zwijgen en wolligheid steeds meer de norm waren, en het katholieke pudeur van weleer vervangen was door de nog meer benepen dwang om vooral niet op zere (moslim)tenen te trappen. Het was dus vloeken in een maatschappij die door chantage werd en wordt gedomineerd, ondanks alle praatjes over democratie en vrijemeningsuiting.

Alleen in de kleutertuin is de vrijheid gratis en mogen de kinderen met kak op de muren schilderen. Daarbuiten moet ze afgedwongen, heroverd worden, steeds weer, door slechte karakters die er op een of andere manier genoegen in vinden (anders blijf je dat niet doen) om te vloeken in de kerk en de overtreding van het fatsoen tot norm stellen, hopend dat hun signaal niet verloren gaat in het genoeglijk ruis van het ‘publiek debat’ en de futiele meningendemocratie. Dus moet er met scherp geschoten worden en wordt men zelf ook een schietschijf.

Het is uiteraard veelbetekenend dat die strijd van de enkeling tegen de pensée unique focust op de islam, als totalitaire censuur-ideologie die zich in onze multiculturele zeepbel heeft genesteld. Cynisch zou men kunnen stellen dat Charlie Charlie niet zou geweest zijn zonder het moslimfanatisme, en dat hun pen misschien wel tekenen van roest zou vertoond hebben. Door tegenkracht worden pennen scherp en komt ook echte, compromisloze kwaliteit boven drijven.

Er loopt zo een lijn vanuit de Duivelsverzen (1988) van Salman Rushdie (vogelvrij verklaard  door de moslimwereld), Van Goghs film Submission (een titel die Michel Houellebecq nogal vlotjes overneemt in zijn nieuwste roman Soumission) van 2004, de eerste Mohammed-spotprenten van 2005 in de Deense krant Jyllands-Posten, tot aan de serie cartoons die de Charlie Hebdo-tekenaars uit hun mouw schudden.

Intellectuele gave, talent, maatschappelijk engagement en individueel temperament gaan hier hand in hand. Want bij elk van deze gevallen gaat het om mensen die existentieel op het punt van een soort doodsverachting gekomen waren: het opzoeken van de gevarenzone en het zoeken van de confrontatie, ook als persoonlijke opwinding en kick van het koorddansen zonder valnet. Dat wat de filosoof Friedrich Nietzsche ‘gefährlich leben’ noemde, en wat bij Martin Heidegger het ‘Sein zum Tode’ werd.

In die zin moeten ze als helden beschouwd worden, in de klassieke betekenis van het woord: individuen die het volle leven willen beamen, voor het maximum gaan (Sartre: ‘Soyons raisonnables, demandons l’impossible’), en op die manier hun dood tegemoet lopen.

Dat vereist een dosis straffe humor die nodig is om als cartoonist te functioneren, maar die zich ook in het gewon leven doorzet. Georges Wolinsky, een van de vermoorde Charlie-tekenaars, bedankte voor het Légion d’honneur dat de overheid hem wou toekennen (wat is immers de waarde van een door het bestel gelauwerde spotprenttekenaar?), maar anticipeerde ook op zijn dood met de grap die er uiteindelijk geen was: Ik heb tegen mijn vrouw gezegd dat ze de as in het toilet moet gooien. Zodat ik voor altijd haar billen kan zien.’

Wolinsky kreeg dus wat hij verdiende en verwierf het grootste ereteken: eeuwig uitzicht op de kont van zijn echtgenote. Het paradijsperspectief van de agnost.

Het is een beeld van de intellectueel zoals we dat vandaag haast niet meer kennen: een zelfmoordcommando, een ontdekkingsreiziger in het gevaarlijke, met mijnen bezaaide rijk van de vrijheid waar elk gebaar, elk woord het laatste kan zijn. En waarvan de humor niet alleen de retorische techniek uitmaakt, maar ook de conditie waarmee men zich vrolijk en gracieus doorheen dat mijnenveld beweegt. Humor als techniek én levenskunst. Tot de kalasjnikovs de grap tot zijn pointe voeren.

Ondertussen bij de media

En dan is er natuurlijk het gejammer en de borstklopperij van de journalistieke kaste. We zijn allemaal Charlie Hebdo’, toeteren Yves Desmet (De Morgen) en Karel Verhoeven (De Standaard) eendrachtig.

Elke pennenlikker, elke inktkoelie wil zich nu even snel identificeren met de gevierde en betreurde helden uit Parijs. Maar het komt op mij over als de Witte Brigade die bij ons enorm aanzwol toen de Duitsers verslagen waren. Het zijn hoger vernoemde en andere Vlaamse reguliere media, en niet te vergeten uiteraard de VRT, die zich altijd in het lauwe politiek-correcte sop hebben bewogen waar Wolinski en gezellen zich zo tegen afzetten.

Nooit werden de dingen benoemd, nooit werd het hard gespeeld, nooit voelde je ook maar in de geringste mate het intellectuele avonturierschap zoals hierboven beschreven. Zorgvuldig bewaakten en bewaken zij de politiek-correcte mainstream waarin wel het moslimterrorisme wordt veroordeeld, maar waar men nooit tot een duiding overgaat van de ideologische impact an sich. Nooit worden man en paard genoemd of wordt er een analyse ten gronde gemaakt van deze kloof tussen Europees Verlichtingsdenken en sluipend totalitarisme dat in naam van de multicultuur om zich heen grijpt. Zeer snel vervalt men weer in het slachtofferverhaal van de kansarme allochtoon die naar het geweer grijpt omdat hij niets om handen heeft.

Heel het Belgisch/Vlaamse mediawereldje mag overigens op beide oren slapen: weinig waarschijnlijk dat Yves Desmet, Bart Brinckman, Bart Sturtewagen of, godbetert, Peter Vandermeersch bezoek zouden krijgen een gewapende moslimbrigade. Brave seuten zijn het, die telkens warm en koud blazen als het over heikele punten als de islam en de democratie gaat. De Vlaamse pers sterft niet door de kogel, ze gaat dood aan saaiheid en wolligheid.

In dat opzicht klinken de hommages en de grote verklaringen ongelooflijk vals. Voor zover ik kon nagaan durfde niet één Vlaamse krant het aan om een van die straffe Mohammed-cartoons, die de inzet vormden van heel de massacre in Parijs, op haar voorpagina af te drukken. De Standaard toont zich weer van haar verzoenende kant: de krant drukt op haar voorpagina van eergisteren een tekening af waarin een moslim en een Charlie-cartoonist elkaar een tongkus geven. Dat was de reactie van het magazine zelf na de mislukte aanslag in 2011. Door deze parodie op de meligheid nu te afficheren als een soort aanbieden van de andere wang, tonen de Standaard-editorialisten dat ze de Charlie-humor eigenlijk niet snappen, maar proberen ze ook heel de maatschappelijke tegenstelling en het idee van een te-heroveren-vrijheid, te depolariseren tot een belachelijk gezelligheidstafereel, dat ik niet aarzel als een geval van dhimmitude te betitelen, onderwerpingsgedrag. Make love, not war, ook na Parijs 7/1. Schrik en door de marketinglogica geïnspireerd zekerheidsdenken spreekt uit die halfslachtigheid.

Niet dat dit een monopolie is van de Vlaams/Belgische pers. Associated Press, het grootste persbureau ter wereld, verwijdert alle Charlie Hebdo-covers waarop de profeet Mohammed is afgebeeld. Andere media, zoals New York Daily News en The Daily Telegraph, kiezen voor het blurren van de afbeeldingen. Lafheid troef.

Fundamenteler nog moet men zich vragen stellen bij de gesloten manier hoe die redacties met vrijemeningsuiting omgaan, en hoe de sluipende (zelf)censuur hun status van zogenaamde waakhond van de democratie helemaal heeft uitgehold. Ik haalde enkele weken geleden al aan hoe De Standaard systematisch opiniestukken weigert die niet passen in het politiek-correcte straatje. Er bestaat ondertussen al een kransje van uitverkoren refusés, waartoe ondergetekende zich mag rekenen, dat misschien teveel de Charlie-attitude genegen is en te weinig de Vlaams/Belgische compromisgedachte. Meer en meer versmalt de democratie tot een consensusdemocratie die in feite een omfloerste dictatuur is, omhangen met meningen die niemand verontrusten.

Zo worden deze media medeplichtig aan het smoren van wat ze vandaag met veel poeha beweren te verdedigen. Denk vooral niet dat de dood van de vier cartoonisten deze politiek-correcte waan zal doorbreken. Integendeel, nu al lees ik commentaren in diezelfde kranten dat men zich vooral moet hoeden om te ‘polariseren’, dat ‘achterstelling en uitsluiting de oorzaak zijn’ (Karel Verhoeven, De Standaard 8 januari 2014), dus niet de islam-ideologie zelf die niet-moslims als een lagere diersoort beschouwt, en dat we vooral ‘verbondenheid en warmte’ moeten zoeken (Yves Desmet, De Morgen 8 januari 2014).

Oorlog en vrede

Sorry, maar met deze pastoorspraat komen we er niet. ‘L’amour plus fort que la haine’, ga dat maar eens preken in de middens waar de grote islamitische wereldrevolutie wordt voorbereid, in de Islamitische Staat, maar ook in onze door de overheid gefinancierde én door imams uit Saudi-Arabië beheerde moskeeën.

Scherpe pennen gevraagd dus. Waarbij het dan nog de kwestie is, of pennen zullen blijven volstaan wanneer de Kalasjnikovs knallen. Want laten we wel wezen: het begin van de 21ste eeuw zal door historici ooit aangeduid worden als het ontbrandingsmoment van een derde wereldoorlog. Een oorlog zonder loopgraven zoals de eerste die had, en zelfs zonder duidelijke militaire logica of tactiek zoals de tweede die nog bezigde. Daarom bakken de VS er ook niets van in Irak of Afghanistan: militair leven ze nog in de vorige eeuw. De oorlog die we vandaag meemaken is een Totalkrieg zonder onderscheid van krijgspersoneel of burgers. Iedereen kan slachtoffer zijn, het gevaar loert overal. Via de islamreligie als ideologische munitie wordt onze Westerse cultuur met de grootste uitdaging uit haar geschiedenis geconfronteerd. Neutraliteit of ontkenningsattitudes vormen niet langer een optie. Iedereen is gedoemd om kleur te bekennen. Beweren dat er geen probleem is, is partij kiezen voor de agressor en de weerstand proberen te breken.

Dat geeft een bepaalde opluchting, eindelijk trekt de mist op. Na de bloemen en de kransen, de krokodillentranen en de hulderedes, de papieren heiligverklaringen en het mediagedaas, moeten we hopen dat de dood van Cabu, Charb en Wolinski een schokreactie zal veroorzaken en mensen zal wakker schudden. Vooral met het oog op een mondigwording, een kritisch zelfbewustzijn dat zich niet meer door de overheid of de media laat betuttelen of politiek-correct reguleren. De scherpe kantjes moeten er niet af, ze moeten net aangescherpt worden. Laat liefde zegevieren, inderdaad: liefde voor de vrijheid en liefde voor het leven, zodanig dat de doodsangst de levenslust niet langer bederft.

De vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden, zoals de vrede zelf. En laat ons dat wel een oorlog waard zijn.

Spreekt God doorheen het KVHV?

Zopas pleitte de Antwerpse bisschop Johan Bonny voor een kerkelijke erkenning van holebirelaties. ‘We moeten binnen de kerk zoeken naar een formele erkenning van de relationaliteit die ook bij veel holebikoppels aanwezig is. Zoals er ook in de samenleving een diversiteit aan legale kaders bestaat voor partners, moet er in de kerk een diversiteit aan erkenningsvormen komen’, aldus Bonny, die in Rome bekend staat als een progressieve prelaat en naar verluidt goed kan opschieten met de eveneens hervormingsgezinde paus Franciscus.

Voor niet-gelovigen is dit een wat abstract ver-van-ons-bed onderwerp, een louter binnenkerkelijke aangelegenheid. Hoeveel homo’s en lesbiennes zouden vandaag eigenlijk wakker liggen van de vraag of ze volgens de katholieke leer seks mogen hebben?

Zelfs binnen die geloofsgemeenschap was er opmerkelijk weinig commotie rond de uitspraak van Bonny,- het leek bijna een consensusverklaring. Maar dat was zonder het Katholiek Vlaams HoogstudentenVerbond gerekend. Volgens deze studentenvereniging overschreed de bisschop daarmee een grens. Ze presenteren hun bezwaar als een syllogisme.

Bij wijze van premis stellen ze dat ‘elke mens geroepen is door God om lid te worden van de Katholieke Kerk’. Dat is een straffe uitspraak die vele christelijke theologen zelfs niet meer in de mond durven nemen. Alsof God per definitie naar wierook ruikt en met wijwater kwispelt. Maar de toon is gezet.

Vervolgens luidt het dat diezelfde God (in wiens naam zonder problemen verder wordt gesproken) seksualiteit uitsluitend ziet als middel tot voortplanting, en wel binnen het hetero-huwelijk. Geringd mannetje erop, vrouwtje moet maar de ogen dichtdoen en aan Vlaanderen denken, op hoop van kinderzegen.

Bij wijze van orgelpunt gaan de gelegenheidstheologen tenslotte voluit door elke seksuele handeling buiten dat huwelijk als ‘zondig’ te betitelen. Ook daarin overtreffen ze de gemiddelde fatsoensnorm anno 2014, en klinkt een en ander als een imam-uitspraak. Niet zonder ondertoon van hypocrisie echter. Ik zou ze de kost niet willen geven, al die katholieke hoogstudenten die na een hitsige cantusnacht wakker worden naast een hoogstudentin, zonder de zegen van de Heilige Kerk.

Vader en zoon

De KVHV-uitval tegen bisschop Bonny gaat dus wellicht niet over Gods visie op de menselijke seksualiteit, maar moet als een politieke uitspraak gelezen worden, waarbij men niet naast de figuur van de Antwerpse praeses kan kijken, in casu Wouter Jambon, zoon van.

Het is uiteraard niet de bedoeling om het traject van vaders en zonen op één hoopje te gooien. Maar hier zitten we toch wel in een specifieke context van een politiek familiebedrijf en het klaarstomen van een erfgenaam die gegarandeerd carrière zal maken binnen de Nieuw-Vlaamse Alliantie. Praeses Wouter verkondigt standpunten die perfect sporen met die van vader Jan, zie zijn recent pleidooi voor de verhoging van het universitaire inschrijvingsgeld en het nut van ‘een zekere elitevorming’.

De verwevenheid van het KVHV met de N-VA is een historisch gegeven (zowat heel de huidige partijtop, van Theo Francken, over Steven Vandeput, Jan Jambon, Bart De Wever, tot Liesbeth Homans, was lid), maar wordt dus ook weerspiegeld in het huidige bestuur. De vervanger van Wouter Jambon, Michaël Hoffman, is N-VA bestuurslid van Brasschaat waar vader Jambon ook nog burgemeester is. Teveel om toeval te zijn: het KVHV is de kweekvijver van de nieuwe partij-elite. In feite is deze studentenorganisatie een essentiële leverancier voor de volgende generatie van N-VA- gezinde politici, kaderleden, topfuncties in de overheid, tot en met de onderwijs- en cultuursector. Daarmee stelt de partij haar macht op de verschillende bestuursniveaus maar ook in het maatschappelijke middenveld op langere termijn veilig.

Jan JambonJan Jambon, N-VA-coryfee en ondertussen Belgisch minister van binnenlandse zaken, staat bekend als dé bezieler van het economisch-rechtse verhaal dat zijn partij nu op Vlaams en federaal niveau doorduwt. Via dit proces evolueerde de republikeinse partij tot een neoliberale hardliner die de Open-VLD ei-zo-na van de kaart speelt, en die tegelijk steeds meer inzet op het behoud van de Belgische constructie, uiteraard gesaneerd op maat van het bedrijfsleven en de gekende VOKA-recepten.

Dat leidt tot spanningen aan de basis maar voorlopig niet tot schisma’s: een strenge partijdiscipline, de belofte op een latere staatshervorming, en het mandateren van een paar excuusflaminganten zoals Peter de Roover, houdt de rangen gesloten.

Terug naar de grondstroom

Blijft dan de vraag waarom het KVHV katholieker dan de paus wilde zijn en zo nodig een progressieve bisschop moest afbranden. Het antwoord is simpel: een partij die 33% haalt blijft niet overeind met een verhaal van besparingen alleen.

De economisch-rechtse lijn is via Jambon en C° de dominante partijlijn geworden, zie hoger. Voor een echte machtspartij echter is die neoliberale doctrine een te smalle basis. Ze trekt libertairen aan die voor dissidente stoorzender spelen. Ze creëert onrust door de besparingspolitiek en de sociale afbraak. En, in het geval van de N-VA is er dan nog de flamingante achterban die ongeduldig wordt.

‘De verwachting is dat de N-VA zal doorgaan met die morele scherpslijperij en het stigmatiseren van progressieve figuren, om de aandacht van de besparingspolitiek af te leiden.’

Net om die reden is een uitwijk naar ethisch-rechtse vluchtheuvels onvermijdelijk: een discours van waarden en tradities moet de partij herenigen met de zogenaamde ‘Vlaamse grondstroom’, een volstrekt mythisch concept dat door de media klakkeloos wordt overgenomen en dat de N-VA telkens weer a priori legitimeert als brede volkspartij. Het gaat dan niet meer over centen en procenten, maar over veel minder materiële kwesties als verbondenheid, traditie, trouw, respect, met God als ultieme joker.

Het Bonny-incidentje was dus maar een proefballon voor de partij om via een door haar gecontroleerde studentenclub te zien hoever ze hier kon gaan en op hoeveel tegenstand ze stuit. Haast nihil dus, behalve een oprisping van de Antwerpse jongsocialisten die tactisch dan nog net deden wat ze vooral niet moesten doen: verongelijkt linkserig neuzelen en een klacht indienen bij het Gelijkekansencentrum, in plaats van echt in debat te gaan.

Signaal op groen dus. De verwachting is dat de partij van De Wever zal doorgaan met die morele scherpslijperij en het stigmatiseren van progressieve figuren, om de aandacht van de besparingspolitiek af te leiden. Het katholieke fundamentalisme, als spiegelbeeld van het moslimfundamentalisme, zou dan wel eens veel aanhang kunnen krijgen. Fabiola juicht in de hemel en stuurt fijne charismatische wolkjes naar Vlaanderen. Niet dat alle Vlamingen er ineens een knoop in gaan leggen en ‘zondige’ seks gaan mijden, maar het creëert vastigheid in woelige tijden en het schept een traditionalistisch, oer-Vlaams fatsoenskader dat de kudde samenhoudt.

Het via de KVHV-fatwa gepromote klimaat van homofobie, -want dat is het in feite-, staat haaks op elk Verlichtingsdenken en vertoont fundamentalistische trekjes. Ze crëert nuttige vijandbeelden, moeit zich met het privé-leven van mensen en demoniseert marginaliteit: allemaal hoogst bedenkelijke processen die helemaal niet goed zijn voor de democratie.

Het verdriet van Vlaanderen

FotoEerlijk gezegd, als ik die Wouter Jambon goed bekijk, eigenlijk nog een broekje, denk ik niet dat er veel kwade, misschien zelfs überhaupt geen gedachten in huizen. Zijn studentennaam is Murk en volgens zijn KVHV-curriculum houdt hij zich vooral bezig met ‘drinken en anderen leren drinken’. Praeses-ad-interim Michaël Hoffmann is gebuisd in Leuven wegens te diep in het glas gekeken, zo leren we, en verkaste naar Antwerpen waar hij een grote aanwinst bleek: ‘Niet al te groot maar wel een drinker van formaat’, aldus de KVHV-webstek. Een vrij eentonig verhaal van deze jonge elite. Misschien was die goddelijke buiksprekerij toch gewoon een grap, in de vroege uurtjes neergeschreven op een bierviltje.

Maar de timing blijft merkwaardig: vermoedelijk zijn de N-VA-strategen inderdaad op zoek naar een nieuw verhaal, nu de staatshervorming in de koelkast belandde en de nadelen van het neoliberale beleid zich doen gevoelen, ook bij de middenklasse. Een ethisch réveil zou dan uitkomst kunnen bieden: arm maar vroom zullen wij zijn, verenigd in het rijke Roomse leven.

Afgezien van het studentikoze aspect is de KVHV-oprisping toch wat benauwelijk. Want deze verkwezeling voert ons terug naar de akelige jaren ’50 en de vroege sixties van vorige eeuw. Een periode die we kennen vanuit zwart-wit beelden, de boeken van Hugo Claus en de monsterscores van de CVP. Het pre-’68-tijdvak waarin de economische opgang van Vlaanderen niet gepaard ging met een intellectuele bevrijding, maar integendeel onder de stolp werd geplaatst van kleinburgerlijke kneuterigheid en traditionalisme.

Eens deze ethische bocht naar rechts gemaakt, komt dan de finale aap uit de mouw: een heropleving van het autoritaire gedachtegoed en de hang naar een sterke leidersfiguur die de ‘grondstroom’, de polsslag van het Volksempfinden, heel goed aanvoelt. In zo’n scenario kunnen we dan afglijden naar een regime à la Poetin in Rusland en Erdogan in Turkije. Rechtse populisten die, allicht niet toevallig, zich ethisch zeer conservatief opstellen én over een stevig politie-apparaat beschikken om opposanten willekeurig te arresteren. Ze zijn autoritair, mediageniek, beroepen zich op traditie en soms zelfs op religieuze waarheden, zie de manier hoe Erdogan de moslimfundamentalisten opvrijt en Poetin de Orthodoxe Kerk recupereert.

Het is een doemscenario en hopelijk blijft het bij een scenario. Toch is de reactie tegen de conservatieve grondstroom, als mythe en self-fulfilling prophecy, ondermaats. De intellectuele verkneutering van Vlaanderen, waarin een religieuze politie zich zowaar gaat bemoeien met onze bedgewoontes, vraagt om een krachtig, zelfbewust en vooral niet-krampachtig tegengebaar. Liefst vanuit de Vlaamse beweging zelf.