Maandelijks archief: februari 2015

Het verdriet van links Vlaanderen

Hoe de sp.a het bedje spreidde van de N-VA … en waarom het sociaal-flamingantisme in de goede bedoelingen blijft steken

In de marge van de kleurloze voorzittersstrijd binnen de sp.a, waar Daniël Walraeve het in Doorbraak al over had, mag ook even stil gestaan worden bij het onvermogen van deze partij om ook maar enige voeling te hebben met het Vlaams nationalisme, en al evenmin met de 21e-eeuwse Vlaams-republikeinse variant ervan.

De ‘lange mars door de instellingen’

Links én flamingant, het blijft een moeilijk duo. Uiteraard kadert een en ander in de decennialange demonisering van de Vlaamse Beweging, als zogenaamde restfractie van ons collaboratieverleden, en de ambitie van links om de Vlaming politiek-correct te heropvoeden. Zoiets past enkel in een Belgisch kader, onder de vleugels van de Waalse zusterpartij. Maar nu beiden in de oppositie zijn beland, is dat pedagogisch project opgeschort en moet het echte socialisme naar boven komen. Quod non.

In de voortschrijdende sclerose van deze zogenaamde partij van de kleine man/vrouw bekleedt de generatie van de mei 68’ers, die in de Gentse vrijmetselaarsloges de paarse regering onder Guy Verhofstadt bedisselden, een sleutelpositie. Ter herinnering: het woelige jaar 1968 was het toneel van studentenopstanden overal in Europa, tegen de gevestigde macht, de traditie en allerlei heilige huisjes. Inspraak, contestatie, leut, vrije seks, anti-autoritaire slogans vormden de ingrediënten van wat zichzelf als een revolutie zag, maar dat in werkelijkheid niets meer was dan een tamelijk ludieke machtsaflossing.

Vandaar de welbekende term de lange mars door de instellingen’: de revolutie zou niet verder op straat worden uitgevochten, neen, idealistische voormannen zoals Luc Van den Bossche en Paul Goossens zouden de stropdas aantrekken en doorstoten naar de hoogste posities in de samenleving, om van daaruit grote structurele omwentelingen te forceren. We weten waar ze zijn geëindigd: socialist Luc Van den Bossche bouwde vanaf 1989 een ministercarrière uit, genoot van de macht, werd steeds dikker en rookte steeds duurdere sigaren, ging uitbollen als gedelegeerd bestuurder bij Brussels International Airport Company, daarna Optima (riante ontslagvergoeding inbegrepen), en stuurde ten slotte zijn dochter Freya het veld in.

Het geval Paul Goossens is zo mogelijk nog frappanter: als linkse studentenleider schopte hij het in 1973 tot hoofdredacteur van de (toen nog duidelijk katholieke) Standaard, daarna De Morgen, werd een van de pleitbezorgers van het Belgische establishment en de eurocratie, om dan een rustige oude dag te slijten als Belga-correspondent en hoofdredacteur van de Christen-Democratische Omroep (!).

Familiebedrijf

Ik beschrijf kort het carrièrepad van die twee, omdat het de mentaliteit typeert van wat men het salon- of kaviaarsocialisme is gaan noemen: hoog opgeleide, vlotte en welbespraakte maatpakken die in de sociaaldemocratische retoriek het perfecte vehikel zien om carrière te maken. Enig cynisme is nooit ver weg. In hun zog opereerden intellectueel minder beslagen maar demagogisch des te talentrijkere figuren zoals Patrick Janssens en Robert ‘Steve’ Stevaert, die de afstand met het volk konden verkleinen dankzij marktkramerspraatjes en de welbekende gratispolitiek.

Maar naarmate de lijken uit de kast vielen van die sinterklaaspolitiek, en de marketingtrucs op geraakten, bereikte dat socio-populisme zijn houdbaarheidsdatum. Langzamerhand werd de partij haar eigen karikatuur: een grotesk samenraapsel van machtsgeile satrapen die alleen tijdens de verkiezingen hun achterban herkennen, en die op het ultieme moment altijd weer op het Belgisch establishment terugvallen, waarin de etatistische, collectivistische PS de toon zet.

Het is deze levende karikatuur die voor de Nieuw-Vlaamse Alliantie een centraal strategisch element werd, een pispaal waartegen ze zich eindeloos kon afzetten, en waardoor het woord ‘socialist’ in Vlaanderen bijna een scheldwoord werd. De Vlaamse grondstroom’ was een feit. Kon het Vlaams Blok/Belang nog via het cordon sanitaire van de macht gehouden worden, de N-VA speelde het leper en met meer intellectuele finesse. Ze profileerde zich als fatsoenspartij die het land wilde verlossen van de decadente rode bobo’s. Dat is ook gelukt. Met de verkiezing tot partijvoorzitter in 2011 van Bruno Tobback, zoon van zijn vader, advocaat, alpinist en bezitter van een zeiljacht, was de band tussen de postmoderne roosjes en de oude ’68-generatie zelfs fysiek-biologisch vastgelegd. Een flater van formaat: een socialistische partij die zich profileert als een archaïsch familiebedrijf.

Nu kon de pret bij de N-VA  niet meer op, en kwam ze werkelijk met alles weg. Bart Maddens heeft die analyse al een dozijn keer gemaakt. Met een rechtsliberale receptuur die beweerde sociaal te zijn, en met een Belgisch herstelprogramma dat probleemloos aan de flamingante basis werd verkocht, vrat ze electoraal zowat alles op wat in haar buurt kwam. Met de triomf van 2014 als voorlopig hoogtepunt.

Een Vlaamse Podemos?

De ‘oproep tot progressieve frontvorming’ vanwege Daniël Termont (sp.a) is alleen al daarom totaal ongeloofwaardig en zelfs lachwekkend. De echo vanwege neostalinist Peter Mertens (PVDA+) kan al evenmin ernstig genomen worden. Samen met Groen houdt deze linkerzijde zich angstvallig dicht bij de Belgische constructie en de oude zekerheden.

En zo komt het dat, zelfs in deze tijden van crisis, met een officiëel Vlaams armoedecijfer van 12%, links nauwelijks van de grond raakt. Ik vermoed dat een pak werklozen of mensen van de sociale onderkant heeft gestemd voor de ‘volkspartij’ die nu, tegen het regeringsakkoord in, toch probeert om de werklozensteun in de tijd te beperken. Deze politieke paradox mag op het conto geschreven worden van de verkalkte sp.a en de karikatuur die ze zelf neerzet, maar hoe staat het ondertussen met de sociaal-flamingante beweging die links niét aan de Belgitude koppelt?

Het is zonder meer de achillespees van heel het N-VA-verhaal: de dag dat er een radicaal-Vlaamse en tegelijk ongecomplexeerd linkse Podemos uit de klei schiet, heeft zij een probleem. Een partij die het onafhankelijkheidstreven en een identitair verhaal durft te koppelen aan verregaande hervormingen op gebied van belastingen, solidariteit, energie, bankensector, de houding tegenover Europa, enzovoort.

Maar die beweging komt niet van de grond. Voor een deel heeft dat beslist te maken met de N-VA-controle over het middenveld. Anderzijds tieren navelstaarderij en ideologische inteelt welig binnen die sociaal-flamingante scène: ze zijn vooral met zichzelf bezig. Marginale groupuscules zoals Meervoud (Brusselse ludieke maandbladredactie), Vrijbuiters (anarchistische naturisten, in de Kempen gesignaleerd, soms in Doel), de Vlaams-Socialistische Beweging (nog wereldvreemder, streeft naar een ‘socialistische Vlaamse staat’, hopelijk niet naar Noord-Koreaans model), de Sociaal-Flamingantische Landdag (de naam alleen al) boeren allen op hun vierkante meter, goed bedoeld, meestal in een zeer gezellige sfeer, maar zonder oog voor een overkoepelende politieke actie.

Onderlinge synergie en publieksverbreding zijn onbekende begrippen in deze middens. Initiatieven om de zaak open te trekken en aan frontvorming te werken, het middenveld te veroveren, worden schoorvoetend en met argwaan besnuffeld: het equivalent van de Vlaamse keuterboer,- uitgerekend in de hoek die ideologisch het meeste potentieel heeft om de rechts-liberale hegemonie binnen het Vlaams nationalisme te doorbreken.

Vergeten we ook de Gravensteengroep niet, ooit een ambitieuze poging om het flamingantisme met een vorm van progressief denken te verzoenen, maar geleidelijk aan verwaterd, en nu doodbloedend in een soft-Vlaams-belgicistisch sterfhuis.

In de marge dollen dan nog figuren zoals Nelly Maes, ooit op haar eentje de linker-Volksunievleugel, daarna opgedoken in Spirit – samen met Rossem een van de meest hilarische politieke charades die het naoorlogse Vlaanderen heeft gekend. Over Bert Anciaux zullen we helemaal zedig zwijgen.

Uplace en daarbuiten

Het zou nochtans een mooi project zijn: een radicaal-Vlaams en tegelijk groen-sociaal verhaal, waaruit dan een nieuwe politieke basisbeweging kan groeien. Zonet zijn de plannen voor het megakoopcentrum Uplace door de Vlaamse regering goedgekeurd. Een ideaal aangrijppunt om mensen te mobiliseren tegen de verdere betonnering van Vlaanderen en de teloorgang van de locale economie, dit onder het goedkeurend oog van de partij die zogenaamd de Vlaamse grondstroom vertegenwoordigt. Veeleer een vettige modderstroom lijkt het.

De jonge politicoloog Jonathan Holslag (VUB) heeft daar zopas in een De Morgen-column boeiende dingen over geschreven. Duidelijk iemand van links, bevestigt hij zijn sympathie voor een Vlaams-nationalisme dat gaat voor levenskwaliteit, weefselversterking, duurzaamheid, en, jawel, identitair bewustzijn en collectief zelfvertrouwen. De nieuwe republikeinse waarden dus.

‘Uplace is een strijddossier, een kleine economische Guldensporenslag aan het viaduct van Vilvoorde. Dat we de slag verloren hebben, doet mij vrezen dat we verder dan ooit staan van een zelfbewust Vlaanderen. Het is een zwaktebod, met de steun van een partij die de ambitie van positief nationalisme heeft laten schieten voor schijnnationalisme.’  Zo klinkt het.

Een streng en eerlijk verdict. Maar ook een spoorslag voor een sociaal-groene lente in de Vlaamse Beweging, onder het Franse motto: ‘Plus est en vous’.

Advertenties

Vossen en kraaien in de stad

‘Veerkracht’ is het sleutelbegrip waarmee we 2015 –en misschien wel deze eeuw- zullen moeten doorstaan.

Zopas kreeg de Zweedse ecoloog Carl Folke een eredoctoraat aan de KU Leuven. Niets bijzonders, zult u zeggen. Toch wel. Folke is zowat de grondlegger van het begrip veerkracht dat opgang maakt in de biologie en ecologie, maar eigenlijk in haast alle wetenschappelijke domeinen. Veerkracht gaat over de mate waarin organismen in staat zijn om in te spelen op een veranderlijke (en zelfs onvoorspelbare) omgeving, zonder zich daaraan uit te leveren. Nemen we het milieu, het uitverkoren werkterrein van Carl Folke.

In eerste instantie werden de alarmsignalen over de vervuiling en de klimaatopwarming beantwoord met een verhaal rond duurzaamheid. Dat was een vrij statische en conservatieve attitude, die erop neerkwam dat we vooral willen behouden wat er is. Dat betekent: minder consumeren, de schaarste goed beheren, de thermostaat lager zetten, het PMD correct sorteren.

Vandaag is dat begrip achterhaald en maakt de transitie-beweging opgang, een veel dynamischer en progressiever gegeven, waar men niet alleen wil conserveren maar ook innoveren. Transition towns, of transitiesteden- en dorpen, zijn gemeenschappen die het heft in eigen handen hebben genomen inzake de productie-consumptieketen, en streven naar een energieneutrale en afvalloze economie. Schone energie (zon, wind) speelt daarin uiteraard een sleutelrol, naast allerlei recyclageprocessen, waardoor bijvoorbeeld kleren, huishoudtoestellen enz. niet bij het grof vuil terecht komen maar een nieuw leven krijgen. Dat heeft verregaande sociale implicaties: er is meer solidariteit en collectieve verantwoordelijkheidszin, mensen vormen netwerken en netwerkjes, men is meer op elkaar aangewezen.

Sommigen vinden dit model utopisch, en helemaal ongelijk hebben ze niet. De hippie-achtige paradijsmythe is nooit ver weg, en het is misschien een tikkeltje optimistisch om te denken dat iedereen zo braaf in het gareel zal blijven lopen voor de goede zaak. In elk transitiedorp zal je wel die ene sluikstorter of liefhebber van tuinvuurtjes hebben die de boel verpest. Maar vooral: dit model werkt enkel in een landelijke omgeving met voldoende ruimte voor eigen voedselproductie en energiecentrales, en dus met een lage bevolkingsdichtheid. En of we het nu graag hebben of niet: meer dan de helft van de wereldbevolking leeft in steden, een percentage dat gestaag toeneemt.

De les van Delfine

Zo komen we bij het begrip veerkracht (Eng. ‘resilience’). Dit gaat niet alleen over innovatie maar over echte transformatie. De natuur zelf is buitengewoon veerkrachtig, waarbij je duidelijk merkt hoe belangrijk actieve aanpassing en omschakeling zijn, het is de grondslag van de evolutie. Vandaag proberen we bepaalde soorten te beschermen tegen uitroeiing, maar sommigen zijn flexibel genoeg om uit zichzelf te ‘moderniseren’. Zo doet de vos het heel goed, tot diep in de stad, als nomadische alleseter en bezoeker van vuilnisbelten. Idem voor de kraai, de meeuw, zelfs de wolf: allen hebben ze zich aangepast aan de mens en de grootstad, en hebben onder meer probleemloos hun menu veranderd. Die plasticberg in de oceaan is natuurlijk een schande, maar een groot eetfestijn wacht de vis die plastic kan verteren!

In de natuur zijn veerkrachtige ecosystemen gebaseerd op een grote diversiteit: hoe rijker en gevarieerder de voedselketen, hoe minder kans dat één verstoring alles ontwricht.

Monocultuur en éénvormigheid leiden tot kwetsbaarheid. We zijn alleseters geworden uit veerkracht: is het ene er niet, dan eten we het andere wel. En nu komen ook de insecten op ons menu, gewoon omdat er genoeg van zijn, ze veel eiwitten bevatten, en er koks zijn die ze nog lekker kunnen bereiden ook.

Dit is een ingewikkeld verhaal rond realisme en overlevingskunst. We kunnen niet ter plaatse blijven trappelen, maar de grote maakbaarheid is al evenzeer een illusie, want teveel factoren hebben we niet in de hand. Dus is het zaak om op elk moment bij te sturen, van positie te veranderen, of het gewicht van de tegenstand te gebruiken als hefboom. Niet toevallig kom ik op de gevechtskunsten uit: mijn idool Delfine Persoon is een wonder van veerkracht. Als boksster kan ze incasseren maar ook uithalen, nooit bevindt ze zich op dezelfde plaats. De teleurstelling omwille van die gemiste trofee van Sportvrouw van het Jaar duurde slechts één nacht. Daarna mompelde ze dat ze met die Vlaamse kermis niets meer te maken wou hebben, en vertrok naar Amerika.

Overgangstijd

U ziet: veerkracht is een heel breed begrip, dat een ecologisch, een economisch, een psycho-sociaal en zelfs een cultureel domein overspant. Kinderen opvoeden tot flexibele weerbaarheid wordt dé uitdaging in een snel veranderende wereld. Het is meteen ook dé remedie tegen het doemdenken en de kuddegeestmentaliteit. Kuddes zijn nooit veerkrachtig. Als ze op de loop zijn, stormen ze allemaal dezelfde richting uit, desnoods de afgrond in. Gemeenschappen zijn veerkrachtig als ze uit veerkrachtige individuen bestaan, die op een zeker moment antwoorden kunnen formuleren waar een homogene groep nooit aan toe komt. De polyvalente duivel-doet-al heeft hier betere kaarten dan de specialist of vakidioot.

Eén ding staat vast: 2015 zal géén schoonheidsprijs krijgen in de geschiedenisboeken. Dit wordt een chaotisch en lelijk jaar. We begonnen met de Charlie-aanslag en de aanslepende terreurdreiging, het ineengestorte kunstwerk van Arne Quinze in Mons, de mails van Kris Peeters om zijn eigen regering stokken in de wielen te steken, de campagne van Bibi-sit Netanyahu als kinderlokker. En we zijn nog maar februari.

Hoe met die rotzooi omgaan? Door haar te zien als opportuniteit en vormgever, onder het welbekende motto van de filosoof Friedrich Nietzsche: ‘Wat ons niet doodt, maakt ons sterker’. 2015 wordt een jaar van plantrekken, schipperen, kop-in-kas en dan terugkomen. Zoals het vuur een bos afbrandt, terwijl het onkruid er de dag nadien al terug staat.

En, zonder u te willen ontmoedigen: ik vrees dat het in heel de 21ste eeuw, die geen van ons wellicht zal overleven, van dattum is. We zullen moeten gewoon worden aan het ongewone, we leven in een scharniertijdperk op elk gebied. Daarin heeft elk individu zijn plaats te zoeken, er verdwijnen en ontstaan nieuwe groepsverbanden, alternatieve levenswijzen, de ene succesrijk, de andere mislukkend. Neen, we zullen de vruchten van de verandering niet plukken, we zijn de brug naar morgen en hebben vooral een overlevingsopdracht in een tijd die ons op de proef stelt en uitdaagt.

Rubensiaans

rubensDat evolutionair inzicht betekent niet dat we schoonheid en geluk moeten opgeven. Want in de tussentijd ontstaan prachtige dingen, net omdat overleven ons brein aanscherpt en emoties intenser maakt. Mijn voorbeeld in dat opzicht is de meester van de Vlaamse barok Pieter Paul Rubens. Dikwijls wordt hij als collaborateur met de Spaanse bezetter gedoodverfd. Dat was hij ook, sterker nog: hij was dé graficus van de contrareformatie in een tijd die door godsdienstoorlogen werd geteisterd.

Toch ontstond in en vanuit dat pragmatisme een kunst die de visie van ons, mannen, op het vrouwelijk archetype grondig zou bijkleuren. Het Rubensiaanse universum van heidense saters, nimfen en onchristelijk-volle boezems is een ode aan de veerkracht van het menselijk bestaan. Een raadsel hoe het werk aan de censuur ontsnapte. Hij was een tussenfiguur van de kering, die uitgroeide tot een energetisch krachtveld dat eeuwen overspant. Een blijvende inspiratiebron.

Veerkracht maakt het individueel en collectief overleven tot kunst. In de godsdienstoorlog die we vandaag meemaken, nog overschaduwd door een dreigende ecologische catastrofe (‘twee voor twaalf’) hebben we vooral mensen nodig die op een balans kunnen staan. Geen doemdenkers en geen profeten, maar evenwichtskunstenaars op een slappe koord. Koks die in staat zijn om sprinkhanen tot een lekkernij te maken. Vrijbuiters die niet alleen bezig zijn met hun eigen behoud, maar ook een groep, een volk en de soort kunnen optillen boven het fatalisme. Vossen en kraaien in de stad. En de schoonheid daarvan.