Maandelijks archief: juni 2016

Onverdoofd slachten en ‘godsdienstvrijheid’: is een Sharia for Flanders in de maak?

sharia

Een maand geleden legden Hermes Sanctorum (Groen) en Chris Janssens (Vlaams Belang) het Vlaams Parlement een voorstel van decreet voor, dat een totaalverbod op onverdoofd slachten inhoudt. Dus niet alleen op tijdelijke slachtvloeren, n.a.v. het islamitische Offerfeest bijvoorbeeld, maar ook in de reguliere slachthuizen. Op zich is dat tamelijk revolutionair, gezien de ideologisch totaal verschillende achtergrond van de initiatiefnemers.

Vlaams minister van Dierenwelzijn Ben Weyts (N-VA), die zelf beweert een voorstander te zijn van het verbod, zat er mee verveeld want de politieke meerderheid (CD&V, N-VA, Open Vld)  bevindt zich hier niet op één lijn. Vooral CD&V, die nogal wat moslimpolitici in de rangen sluit, wilde naar goed tsjevengebruik de kool en de geit (in dit geval het schaap) sparen, en drong aan op een afzwakking van het decreet.

De oplossing was zo Belgisch als ze maar zijn kon: het advies van de Raad van State, vragen,- speciaal opgericht om onoplosbare problemen een tijd in de koelkast te houden-, en ondertussen verder bakkeleien in de hoop dat de vis verdrinkt. Je weet maar nooit dat het advies zelf negatief is, en dan hebben alle partijen een alibi om water bij de wijn te doen, of de zaak zelfs gewoon helemaal verticaal te klasseren.

Het advies is er nu, en jawel: de Raad heeft grondwettelijke bezwaren en ziet in dat algemeen verbod op onverdoofd slachten “…een miskenning van de vrijheid van godsdienst”.

Ten gronde is dat een bizarre motivering. Vrijheden kunnen niet naast elkaar staan want dan krijg je paradoxale situaties. Een samenleving met een morele ‘drive’ moet ook vrijheden kunnen ordenen en in een hiërarchie plaatsen. Dat deed de filosoof Kant al, toen hij poneerde dat je niet iemand iets aandoet wat je zelf niet wil aangedaan worden. De vrijheid om iemand van zijn stoel te duwen is bijvoorbeeld ondergeschikt aan de vrijheid om erop te blijven zitten.

De grondslag van dit Kantiaans principe is overigens pure empathie, mededogen, en daar hoort ergens respect voor het leven bij, ook dierlijk leven, hoe hachelijk dat in onze hoogindustriële samenleving ook is. Want ook als het verbod op onverdoofd slachten er komt,- een leuke plek is zo’n slachthuis natuurlijk niet. Varkens zijn slim, en beseffen al als ze in de vrachtwagen gestouwd worden, hoe laat het is. Niemand wil tenslotte weten hoe die pakken worst en kotelet in de koeltoog van de Delhaize zijn terecht gekomen, dat is de typische schizofrenie van de gezellige barbecuemaatschappij.

Doos van Pandora

Maar goed, dat principe van de godsdienstvrijheid: NVA-fractieleider Matthias Diependaele vindt het een ‘wereldvreemd’ argument, en dat is wel heel voorzichtig uitgedrukt.

Dierenrechten staan inderdaad niet in de grondwet. En effectief, godsdienstvrijheid is ingeschreven in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waar die Raad van State zich op beroept. Maar de vrijheid van godsdienst uitbreiden tot alle concrete handelingen die nodig zijn om die godsdienst te beleven, is werkelijk de doos van Pandora openen. Wat als de discriminatie van homo’s (ik zal meer kleurrijke voorbeelden, zoals hen te pletter gooien vanaf het dak, achterwege laten) tot een bepaalde religieuze praktijk behoort? Wat met bijvoorbeeld de zgn. clitorodectomie, een zware verminking van de vrouwelijke genitaliën bij kleine meisjes, voorgeschreven door bepaalde Afrikaanse moslimsecten? Ook toe te staan, in naam van de godsdienstvrijheid?

Godsdienstvrijheid moet een belevingsrecht zijn, geen vrijgeleide tot gelijk welke actie, want dan eindigen we in regelrechte terreur.

Het weze duidelijk: het Europese Verlichtingsdenken mag zich niet verliezen in formalisme, door allerlei rechten zomaar door elkaar te klutsen in naam van de tolerantie en de multiculturaliteit. Godsdienstvrijheid moet een belevingsrecht zijn, geen vrijgeleide tot gelijk welke actie, want dan eindigen we in regelrechte terreur, en is het opblazen van een metrostation ook een religieuze praxis. Die Gedanken sind frei, maar rituelen zijn ondergeschikt aan ethische maatstaven die in onze humanistische traditie zijn verankerd. En dat is nu net het gladde van het begrip halal: het gaat niet over gedachten maar over praktische voorschriften die in het sociale leven van elke dag gelden, en dus in conflict kunnen komen met onze normen en wetten.

Dat is de reden waar bijvoorbeeld Denemarken, IJsland, Zweden, Zwitserland en Noorwegen het onverdoofd slachten wél helemaal buiten de wet hebben gesteld, halal of niet. Het protest is er overigens miniem, waarom wordt er bij ons dan zo’n heisa over gemaakt?

Soumission

Waarom? Onder meer omdat,- en dat is de adder onder het gras,- niet alleen de ‘moslimgemeenschap’ politieke druk zet, maar vooral ook de Joodse lobby die door hetzelfde verbod zou getroffen worden. En die lobby heeft dan weer sterke tentakels in VLD-middens én recenter ook binnen de N-VA. Daar hoeven geen tekeningetjes bij: de Raad van State heeft alle Vlaamse regeringspartijen op een elegante manier uit de wind gezet, door uitdrukkelijk de dialoog aan te bevelen, waarna de geest uit de fles kan.

En zo haalden ook de Groenen bakzeil.  ‘Het is tijd voor een bemiddelaar die dierenrechten en religieuze vrijheid op een goede manier verzoent, zodat er een kamerbreed voorstel kan komen van alle democratische partijen’, aldus Björn Rzoska en Hermes Sanctorum. ‘Alle democratische partijen’? Sorry VB, geen rechtse kruiden meer in onze linkse soep. Belgisch-Turkse partijvoorzitster én moslima Meyrem Almaci zal haar twee groene dierenvrienden wel tot de orde geroepen hebben. Tot zover de metapolitieke ethiek.

‘In het dossier van het verdoofd slachten is dialoog en overleg cruciaal. Luisteren naar elkaars argumenten, proberen te begrijpen wat belangrijk is, samen zoeken naar oplossingen.’ ‘Dialoog en overleg’, begin er maar eens aan bij een religie met middeleeuwse maatstaven. Binnen afzienbare tijd komt het beledigen van de profeet op de agenda, en kan het principe van de vrijemeningsuiting wat ingeperkt worden om ‘samen naar oplossingen te zoeken’, in het belang van de sociale harmonie.

En zo komt het Houellebecq-doembeeld (‘Soumission’) toch weer naar boven. Na een paar decennia strijd tegen de terreur zullen de geesten rijp zijn om een politieke, zachte, fluwelen overname te aanvaarden van onze vermoeide samenleving door de nieuwe theocratie. Mét actieve medewerking vooral van de theocratie uit het verleden, het Christendom, waar de C van CD&V nog altijd voor staat.

Dat is de echte inzet van het debat rond ritueel slachten: dit is niet zomaar een zaak van dierenwelzijn, maar een conflict –en niet het laatste- tussen de seculiere samenleving en de vordering van een religieuze gemeenschap die nog geen 10% van de Vlaamse bevolking uitmaakt, maar waarvan wel 70% de religieuze wet boven burgerlijke wet stelt. ShariaforBelgium is dan wel als een bedreiging voor de democratische rechtstaat geklasseerd, door de lankmoedigheid van het politiek establishment (dat hier werkelijk de publieke opinie negeert) lijkt een ShariaforFlanders wel spontaan uit onze instellingen zelf op te dampen. Benieuwd wie in de nabije toekomst nog zijn nek zal durven uitsteken: wordt vervolgd?

Advertenties

“Arm, oud en dom”: het profiel van de Brexit-kiezer als anti-politieke randdebiel

neen

Na de talloze Brexit-voorspellingen, waarbij vooral de doemscenario’s elkaar opstapelden, vergelijkbaar met de millennium-catastrofe die ons op 1 januari van het jaar 2000 te wachten stond, is het nu tijd voor een nieuwe stroom koffiedik-sessies van meestal dezelfde analisten, maar dan rond de vraag welk soort (on)mens die leave-stemmer eigenlijk wel is. Want u moet weten dat analisten nu eenmaal tot de beter gesitueerde helft van deze samenleving behoren (journalisten, oud-politici, proffen, al wat eindigt op het achtervoegsel ‘-loog’), ook wel genoemd het establishment, en dat de foute uitslag gewoonweg ligt aan foute kiezers. Een profiel van de Britten die zich uit de EU stemden, tekent zich nu duidelijk af. Ten eerste zijn ze arm en hebben ze uit pure miserie ‘neen’ gestemd, de sukkels. Ten tweede zijn het chagrijnige oudjes die de hippe jongeren een stralende Europese toekomst hebben ontnomen. Maar vooral, ten derde: ze zijn laag-ontwikkeld en dom, ze snappen het niet, en ze hebben zich laten belazeren door rattenvangers als Nigel Farage.

Arm, oud en dom. De ongeschoolde, stinkende plebejer met rotte tanden (François Hollande: ‘les sans-dents’) heeft gesproken en de ondraaglijke walm hangt tot in de TV-studio’s. Ze hebben dan wel gewonnen, maar wat is de overwinning waard van een opgehitste meute bange blanke oude randdebielen?   Gisteren, 24 juni, nam analist Herman Van Rompuy, ex-voorzitter van de Europese Raad (en dus zeker onbevooroordeeld), in VRT-Terzake voortdurend het woordje ‘haat’ in de mond als het ging over de anti-EU-kiezers, terwijl hij zelf zijn haat met moeite kon verbergen tegenover dit domme plebs waaraan werkelijk geen democratie besteed is. Het moge een troost wezen dat hij spoedig zal uitsterven, die godverdomse anti-EU-stemmer. Is het niet van ouderdom, dan van armoede of van mentale insufficiëntie.

Populisme’

Dat misprijzen voor de anti-politiek van de foutstemmers is niet nieuw. Het heet dat ze de democratie misbruiken via een foert-stem die het normale politieke spel van de serieuze politici zoals Daniël Termont verpest. In 2004, daags na de fameuze Zwarte Zondag, bulderde professor Vermeersch doorheen de radio tot het kwart Vlamingen dat op de verkeerde partij had gestemd: “Ge moest beschaamd zijn!”. Legendarische woorden die eigenlijk impliciet pleiten voor een herinvoering van het cijnskiesstelsel: wie politisch unfähig is (de term stamt uit de nazi-retoriek), verdient eigenlijk zijn stembrief niet. Wie modern is, hip, progressief, goed opgeleid krijgt er integendeel drie, en zo naar beneden volgens talent, IQ, maatschappelijke verdienste en euh… inkomen want dat hangt dikwijls samen. Geleide democratie: het is de enige mogelijkheid om het afbraakwerk van de (extreem)rechtse populisten te counteren.

Populisme. Het is een vreselijk woord waaraan een enorm dédain kleeft voor het klootjesvolk. Het tracht zowel de politici te stigmatiseren die zich er zogenaamd aan bezondigen, als de kiezers die er zich zogenaamd aan laten vangen. Maar waarom is dit woord een scheldwoord? Mag het volk niet spreken? Gelooft de elite waarlijk dat er zoiets bestaat als politiek-correct en politiek-fout, en dat het gepeupel (een woord dat verwant is met ‘populisme’) in zeven sloten tegelijk loopt als het niet zorgvuldig begeleid en gestuurd wordt? Dan gelooft die elite ook niet in zoiets als buikgevoel en gezond verstand, en dat is een probleem, nog veel groter dan alle Euro-exits samen: het waanidee dat democratie enkel de genoeglijk spinnende motor mag zijn van de maakbare samenleving met weldenkende burgers die het systeem niet meer in vraag stellen.

En daar komt het nu net op aan: in de volksraadpleging vervalt heel het systeem van filters, buffers, particratie en cordons, en krijgt de burger eindelijk de macht die hem toekomt maar steeds weer ontnomen wordt. Hij is, heel even, geen wieltje meer in het raderwerk, maar kan als nar, vanuit de onderbuik, het reguliere script van het politieke theater doorkruisen.

Grafdelvers

HamletHerhaaldelijk moest ik aan de allergrootste Brit, William Shakespeare, denken gedurende de afwikkeling van het Brexit-epos, omdat hij als autentiek Europees erfgoed eigenlijk heel dat EU-gezemel hemelhoog overstijgt. In Hamlet laat de schrijver, midden het drama, twee grafdelvers (clowns) verschijnen die met luchtige spot, in quasi-zinloze frases, heel het theater, zoals het zich tot dan toe voordoet, letterlijk op een hoopje vegen. Ze begraven de dode Ophelia, maar hebben vooral aandacht voor het weer, en prijzen de grafdelverskunst, “die een huis maakt dat moet meegaan tot de dag van het laatste oordeel”. Terloops delven ze zelfs een schedel op van hun voormalig idool, de nar Yorick (Nigel Farage?), en wuiven hem postuum alle lof toe.

In deze scène lacht Shakespeare met de hoofdacteurs, het theater, het stuk, met zichzelf, en met heel het systeem dat mensen als marionetten laat meedraaien. Voor mij zet de auteur de gravedigger in het verhaal neer als de neen-stemmer, de buitenstaander die vol ironie en sarcasme het verhaal parodieert en zelfs kaapt. De analisten hebben gelijk: de ‘neen’-stem is niet serieus te nemen, het is een grap, als veegde iemand zijn gat af met de stembrief, wat het daardoor juist bijzonder relevant maakt.

Het feit dat het grafdelven misschien wel het tweede oudste beroep ter wereld is, kan er op wijzen dat het zogenaamde populisme minder een zaak van opruiers is, dan wel van menselijk vanitas-gevoel (ijdelheid der ijdelheden) en zwarte humor die zich tegen de macht keert. De exit-stem is de ultieme tegenstem, een heilzame schok, het uiterste van wat een democratie vermag. Laten we deze clown koesteren, zeker nu die democratie door haar echte antipode wordt bedreigd, in de vorm van een religie die dood en terreur zaait.

 

Frans en ‘een mondje Nederlands’

Sinds 2014 bezet een partij die zich Vlaams-nationalistisch noemt de belangrijkste sleutelposten van het Belgische staatsbestel. Sommige flaminganten beschouwen dit als het eindpunt en de triomf van de Vlaamse Beweging, een fenomeen dat zo oud is als de Belgische staat zelf, zich afzet tegen de minorisering van de Vlaamse meerderheid en ijvert voor een ‘gelijkwaardige’ behandeling van de Nederlandse taal.

We gaan de geschiedenis van die beweging hier niet opnieuw uit de doeken doen: ze wankelt tussen pure burgerrechtenbeweging en separatistisch streven, zelfs heraanhechting met Nederland. Ze heeft er een bochtig parcours op zitten, langsheen IJzertoren en collaboratie. Ze dwong institutionele hervormingen af, een heus Vlaams parlement, maar dan wel binnen de Belgische context. Op een handvol diehards na heerst in Vlaanderen algemeen het gevoel dat we kregen wat we wilden en dat we nu wel andere katten te geselen hebben. België mag blijven, als we in Zichen-Zussen-Bolder maar Vlaams mogen spreken, en in Brussel trekken we ons plan wel. Ook de koning mag blijven, al was het maar voor de boekskens, op voorwaarde dat het niet teveel kost en het hof zich aan het ceremonieel handboek houdt.

‘Langue de barbares’

Gérard Mestrallet (Engie): 'België is een fiscaal paradijs'Edoch, tevredenheid is de moeder van de bijziendheid en de schoonmoeder van de teleurstelling. Het Belgique de Papa leeft wel degelijk,- alleen heeft het zich teruggetrokken in de dieper gelegen regionen van het establishment, onvatbaar voor institutionele palavers. Op de achtergrond en in de coulissen suddert een vaag, discreet maar efficiënt netwerk met een onmiskenbaar francofone, koningsgezinde en Belgisch-patriottistische signatuur. Het is een schaduwuniversum waar zowel linkse syndicalisten als volbloedliberalen thuis zijn, met alles daartussen. Het bevat exclusieve clubs zoals de Cercle de Lorraine, maar evengoed vrijmetselaarsloges en neo-unitaristische denktanks genre B.U.B. Het bindmiddel van deze cenakels: de consensus dat België misschien wel tweetalig is, maar dat het Frans als cultuurtaal voorbestemd blijft om zich ook te handhaven als dé bestuurstaal, en van daaruit eigenlijk de overkoepelende voertaal, met het Nederlands als een soort regionaal dialect.

Wie denkt dat ik spoken zie, verwijs ik naar de speech van Gérard Mestrallet, voorzitter van de Franse energiemaatschappij Engie (die onze kerncentrales beheert), naar aanleiding van de officiële lancering van B-BOP, een nieuwe Belgisch-Franse businessclub in Parijs.

Mestralet heeft het bij die gelegenheid niet alleen over het nut van gas en elektriciteit. Hij bezingt de lof van België als ‘fiscaal paradijs’ waar ‘er met ministers best te praten valt’, hij mag ze zelfs tutoyeren. Een twijfelachtig compliment voor minister van financiën Johan Van Overtveldt (N-VA), en allicht een verklaring waarom minister van energie Marie-Christine Marghem (MR) zo enthousiast de nucleaire kaart trekt.

Over de Belgische taalkwestie doet Gérard Mestralet ook een markante uitspraak: volgens hem is het helemaal niet nodig om alhier Nederlands te spreken, want elke Vlaming wordt geacht voldoende Frans te kennen. Dat scheelt in de discussie, onder vrienden kan je toch niet heel de tijd gaan switchen. En jawel, het Frans is zoveel eleganter, leent zich zo veel beter tot knipoogjes en stilzwijgende verstandhouding. “Met de francofonen onder elkaar werden we het ook snel eens. Als we enkele woorden of zinnetjes in het Nederlands konden zeggen, bij wijze van beleefdheid, was het al lang goed”, aldus Gérard. Een mondje Nederlands dus, meer moet dat niet zijn.

Men moet die uitspraak niet zomaar als een lapsus afdoen. De Engie-voorzitter beschrijft er een feitelijke situatie mee, die helemaal onder en buiten de politiek-institutionele kaders staat waarbinnen de Belgische staat de taalverhoudingen regelt. Er mag dan wel een papieren evenwicht bestaan, in de praktijk werkt tweetaligheid gewoon niet, en is er één taal die als ‘rijker’, communicatief meer geperfectioneerd en uiteindelijk cultureel hoogstaander wordt beschouwd. De taal van de tafelgesprekken, de diners en de onderonsjes achteraf. De taal van Molière uiteraard.

Vanuit francofoon standpunt kan men die attitude zelfs niet kwalijk nemen. Men kan een tweetalig contract opstellen, maar de informele achtergrond, de relaties, connecties, vriendschappen, kortom alles wat door de linguïsten als ‘het pragmatisch segment’ wordt beschouwd, verloopt via één medium, één lingua franca waarin de consensus wordt beslecht. En die standaardtaal wordt dan ook ervaren als leidtaal. Denk vooral niet dat het francofone suprematisme alleen leeft in elitaire kringen. Bij een recente bevraging in de straten van Charleroi bleek hoezeer jongeren er het Nederlands als een ‘langue de barbares’ beschouwen…

Tous ensemble dus, et pour les flamands la même chose. Het Belgische verschil tussen theorie en praktijk neemt soms hilarische vormen aan. Ik ken N-VA-ers die op kabinetten Frans spreken omdat het daar gewoon de voertaal is en er anders niet te communiceren valt. Slecht Frans, soms hoor ik hen bezig aan de telefoon onder mekaar, maar toch: Vlamingen zijn nu eenmaal beleefd. In Overijse moet je nog maar kuchen en de bakkersvrouw spreekt je al in het Frans aan. In sommige kindercrèches moet je er met Nederlands al niet meer afkomen: binnen 10 jaar is het taalprobleem in deze randgemeente opgelost.

Assimil-Nederlands

Nochtans is er aan Franstalige kant ook veel goede wil om Nederlands te spreken. Mijn buur onder andere, die bij de bakker zijn brood wél in het Nederlands bestelt. Maar als het gesprek over de haag ietwat diepgaander wordt, besef je pas dat een taal meer is dan een woordenschat en wat grammaticaregels. De nuances mankeren, je voelt dat het gesprek vastloopt in clichés, je doet aan vrijwillige taalarmoede om op het niveau van je gesprekspartner te blijven.

En zo worden we, na de arrogante ééntalige francofonie, met een zo mogelijk nog erger euvel geconfronteerd: de welwillende Franstalige die zich in het Nederlands probeert uit te drukken en ons dwingt om mee te spreken, mee te denken in een rudimentair Nederfrans zonder schwung of nuance.

Want geef toe: ondanks alle goede bedoelingen is en blijft het Nederlands van premier Charles Michel een kartonnen Assimil-Nederlands, iets dat woorden uit ons woordenboek bevat en grammaticaal min of meer klopt, maar dat wel door een computer gegenereerd lijkt. Andermaal denk ik dan als goede Vlaming, na vijf minuten tenenkrullen: zeg het maar in het Frans, man. En Charles Michel is dan nog de betere versie van de francofone tweetaligheid.

Dat heeft zo zijn gevolgen voor de kwaliteit van de communicatie,- ik denk dat die handicap schromelijk onderschat wordt. Zodra de premier naar het Nederlands overschakelt, komt de betekenis wel over maar lijkt er een stuk zin weggevallen. Dat laatste aspect is onvermijdelijk verbonden met de culturele diepgang van de taal, het geheel van gevoelswaarden, nuances, wat zich tussen de regels bevindt. Is vertalen op zich al een heksentoer, het feit dat er zoveel verloren gaat bij iemand die ‘zich uit de slag trekt’ kan zwaar wegen op de kwaliteit van het politiek debat. Van de weeromstuit kunnen ook Vlamingen zich nauwelijks nog in hun taal uitdrukken en ontstaat er zowaar een Algemeen Michel-Nederlands op maat van de Brusselse praatbarak. Luister naar de modale Vlaming op de VRT en verbaas u over het gestuntel. Is de Vlaamse taalretardatie een Belgisch fenomeen?

Jaloers word ik dan op de manier hoe Nederlanders hun debat kunnen voeren, op het scherp van de snee, maar ook met alle nuances die de taal van Hermans, Reve en Mulisch biedt. Als de Fransen op Molière en Sartre kunnen terugvallen, hoeven wij geen genoegen te nemen met een soort fastfood-Nederlands dat in het Belgische bestuursmodel standaard wordt. Politiek-maatschappelijke beslissingen zijn te belangrijk om tot stand te komen via een Babels allegaartje waarin goedbedoelde, rudimentaire tweetaligheid de communicatie naar een lagereschoolniveau doet afglijden. Voor sommigen misschien een onderdeel van een globalistisch-kosmopolitische droom, mij lijkt het veeleer een nachtmerrie.

België is linguïstisch een vierdewereldland,- allicht is ook dat een onderhuids aspect van de failed state. Voor mij is dat de voornaamste reden om te splitsen: niet omwille van het centenflamingantisme, en zelfs niet vanuit het idee ‘wat we zelf doen, doen we beter’, maar vanuit het besef dat een diepgewortelde, rijke taal méér is dan een literair gadget. Ze vormt het reservoir van ideeën en is het instrument waarmee wij een samenleving opbouwen, met de nadruk op ‘samen’.

Ofwel verfransen we weer allemaal,- dat is een optie-, ofwel menen we het met onze eigen taal en gaan we voor iets wat men een ‘cultuurnatie’ noemt. Iets ertussen leidt nergens toe. Stop de verkleutering, de vertaaldwang en het Nederfrans als standaard. Als de filosoof Ludwig Wittgenstein schreef ‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’, dan is het duidelijk hoe we onze wereld kunnen ontgrenzen: door onze taal te koesteren en te verfijnen.

 

Luc Van den Bossche, of het vleesgeworden kaviaarsocialisme

Over Mei ’68, Teletubbies, en waarom links bij ons zo ongeloofwaardig is.

vdbIn brede kringen leeft het idee dat de ‘Vlaamse grondstroom’ van socialisme niets moet weten. Dat is een misverstand, ten eerste omdat die grondstroom an sich een mystificatie is, vooral opgezet in de voorbije NVA-verkiezingscampagnes. Als er één Vlaamse grondstroom ooit bestaan heeft, dan is het de katholieke, die vandaag schuchter overleeft in de gelijknamige zuil en verder verdampt. Na het verdwijnen van de zuilen in de laatste decaden van vorige eeuw hebben de traditionele politieke formaties, met de hete adem van het Belgo-sceptische Vlaams-nationalisme in de rug, zich moeten heruit vinden, met wisselend succes. Het liberalisme overleeft dankzij een sterke ondernemerscultuur, de CD&V blijft de rol van centrumpartij claimen. Hoe agressief de NVA beide vandaag ook kannibaliseert, ze blijven overeind als ideologische kernen die weliswaar electoraal bewegen. Het Vlaams Belang tenslotte blijft als protestpartij kiezers aantrekken en weerom afstoten, naargelang de dagprijs van de politieke markt en de zuurtegraad van de publieke opinie.

De lange mars door de instellingen

Maar met links is er ten gronde een probleem. Sinds de ontzuiling hebben de Vlaamse socialisten, vandaag SP.anders, nooit meer echt voeling gehad met de politieke realiteit en de publieke opinie in onze contreien. Net daardoor bleef het pure machtsdenken domineren en zweerde men bij de bovenbouw,- het institutionele kader en de geledingen van het systeem dus, in de veronderstelling dat wat eronder zat wel zou volgen.

Typerend voor dat top-down-denken was de ‘rode VRT’ die tot in deze eeuw overeind bleef: een poging van linkse journalisten om de openbare omroep te monopoliseren tot een soort Pravda die de waarheid naar haar hand zette en één bepaalde partij ook duidelijk favoriseerde. In hun zog woekerde de culturele sector uit tot een betweterige mandarijnenklasse waarin de Lanoyes en de Hemmerechtsen Vlaanderen wel even zouden leren hoe ze moesten denken.

Berucht gebleven zijn anekdotes zoals deze van Freya Van den Bossche (de familienaam komt nog terug in dit verhaal) die tijdens een Terzake-interview van 2006 compleet de mist in ging, en het na een paar telefoontjes tussen de VRT en het SP.a- hoofdkwartier gedaan kreeg dat het interview werd overgedaan.

Deze flagrante bovenbouw-manipulatie stamt op haar beurt uit het mei-’68-verhaal, en het besluit van de progressistische krachten om na de mislukte revolte een ‘Lange Mars door de Instellingen’ aan te vatten. De term Lange Mars is zoals bekend van Mao Tse Tung, wiens communistisch partizanenleger in 1934 werd omsingeld en een heroïsche uitbraak forceerde via een duizenden kilometer lange tocht in de Chinese jungle.

De lange mars van de Europese linkerzijde was echter comfortabeler: de mei ’68-generatie bestond per slot van rekening uit verwende jochies die niet van plan waren om zich het levenspeil van de gewone sterveling eigen te maken. Het heette vanaf dan dat men zou proberen zoveel mogelijk strategische sleutelposities te bezetten in de maatschappij, waardoor men van bovenuit fundamentele veranderingen zou forceren. In het Duitsland van de toenmalige charismatische studentenleider Rudi Dutschke (‘Roter Rudi’ voor de vrienden) heette dat: Seit schlau, bleibt beim Überbau!“   

Zo gezegd, zo gedaan. De ondertussen gediplomeerde revolutionairen trokken een maatpak aan en werden topambtenaren, bestuurders, intendanten, cabinetards, ministers. Parallel met de bureaucratie werd er ook duchtig geklommen in het media-establishment, denk aan onze eigen studentenleider (ooit nog seminarist) Paul Goossens. Maar naarmate de macht binnen handbereik kwam en de sleutelposten bezet werden, voltrok zich de welbekende verandering in de geesten: macht is een verslavend ding, de revolutionairen werden echtgenoot en huisvader, en die villa moest afbetaald worden.

En zo scleroseerde de mars tot een status-quo waarin mensen die de macht hadden, die vooral wilden behouden, waardoor ze ook het zo lang vervloekte systeem zelf in stand hielden. Die schizofrenie van politiek-links speelt tot op vandaag, in de eerste plaats dus bij de socialisten waar de ex-68ers hun vehikel hadden gevonden. Het spagaat tussen ideologie en sociale status werd zo groot dat de ideologie zelf helemaal verdampte en in een weergaloos cynisme transformeerde, waardoor het publiek draagvlak helemaal wegsmolt. Johan Vande Lanotte alias de Keizer van Oostende, Tobback jr. poserend op zijn zeilboot, Ingrid Lieten die minister werd zonder op een kieslijst te hebben gestaan en nu een fin-de-carrière slijt als directeur van LifeTechValley,… het zijn maar een paar iconen van het welbekende kaviaarsocialisme waarvan de doorsnee-Vlaming met zijn kleine teen aanvoelt dat het puur om macht gaat en niet om principes, laat staan het algemeen welzijn.

Gentse frituuroorlog

Dàt en niets anders is de reden van het falen van links in Vlaanderen: de socialisten zijn gewoonweg niet wat ze heten,- het zijn fantoomsocialisten die alles wat links van de CD&V staat, compleet ongeloofwaardig maken, Groen inbegrepen. Nergens geven deze verwaande mandarijnen de indruk, voeling te hebben met de Vlaming die vreest voor zijn veiligheid, geborgenheid zoekt en zijn thuisplek ziet verloren gaan. De Franse socialisten zijn overigens in hetzelfde bedje ziek, en zweren bij het door Europa ondersteunde establishment, tegen de eigen bevolking, regerend vanuit de ivoren toren.

De naam SP.a zegt het al: ‘anders’ met een kleine a, maar niemand weet waaruit dat anders-zijn dan bestaat, het is gewoon meer van hetzelfde. Het populisme van immer monkelende teletubbies zoals cafébaas Steve Stevaert en reclameman Patrick Janssens kon wel even de schijn ophouden, met een verkiezingssucces in 2003 als resultaat, maar uiteindelijk vielen ze allen door de mand. Het lot van Stevaert is bekend, Patrick Janssens beëindigde zijn Lange Mars als directeur van voetbalclub KRC Genk.

Opvallend is ook de fin-de-carrière van voormalig socialistisch icoon en minister Luc Van den Bossche, ex-CEO van BIAC (de maatschappij die de luchthaven van Zaventem uitbaat), en sinds begin 2015 voorzitter van de raad van bestuur van de Optima-vastgoedafdeling. Van den Bossche wist al lang dat de nu in faling verklaarde Optima-bank in slechte papieren zat, maar stapte pas vorige week op omwille van de rijkelijke ontslagvergoeding. Hij wordt daarmee hét icoon van het Vlaamse kaviaarsocialisme, gekenmerkt door een niets ontziende honger naar macht, status en materieel gewin. Het gezicht en de lichaamstaal spreken boekdelen. Maar men moet dit historisch terugkoppelen: het nihilisme van dit soort figuren komt voort uit een complete verloochening van idealen, die zijn wortels al heeft in het hedonisme (‘vrijheid-blijheid’) van de mei ’68-generatie en het gekoesterde waanidee dat je de revolutie voorbereidt door je zakken te vullen.

Het netto-resultaat is wel dat Vlaanderen helemaal niet klaar is voor een breed-gedragen progressief verhaal rond herverdeling, solidariteit, duurzaamheid en levenskwaliteit.

In de door socialisten en groenen bestuurde modelstad Gent van burgemeester Daniël Termont gooiden boze frituuruitbaters emmers vol frieten uit op de trappen van het stadhuis. Door een nieuw toewijzingsreglement kan al wie het hoogste biedt, een jaarconcessie krijgen voor een bestaande frituur op straat of plein. Daar zijn drama’s van gekomen, gezinnen die al 25 jaar zo’n frietkot uitbaten en van de ene dag op de andere zonder inkomen vallen, een uitbaatster die haar broodwinning in frietdamp zag verdwijnen en in shock moest opgenomen worden, enz.

Men had voor allerlei redelijke oplossingen kunnen opteren,- een standbelasting op basis van de omzet bijvoorbeeld, of een uitdoofscenario waarbij bestaande uitbaters hun overbodrecht behielden,- maar neen: het linkse Gentse stadsbestuur past de hardste vorm van het kapitalisme toe en hield met geen enkele menselijke factor rekening.

Ook deze kronkel mag men gerust in verband brengen met het DNA van het moderne Vlaamse socialisme. Koele managers zetten de toon, afgewisseld met makkelijke gratisverhalen van volatiele kasgraaiers. Het ideologisch deficit is compleet, achter de façade gaapt een leegte. John Crombez mag de decumul afkondigen, maar de overvette tronie van Luc Van den Bossche blijft nog wel een tijdje in het collectief geheugen. En de Gentse frieten worden duurder, zeker weten.

De rehabilitatie van Maria Magdalena (‘Ik heb de Heer gezien’): tijd voor een erotisch anti-islam-réveil?

MagdalenaEen paar dagen geleden betoogde ik dat de wetenschap, als zoektocht naar het allereerste beginsel, een noodzakelijke fase is in de menselijke geschiedenis om ons van god te ontlasten. Wetenschap als verdunde surrogaat-religie en overgang naar het echte heidense aarde-denken dat de kosmos, de natuur én de mens aanvaardt als veelvormig, wisselend, tegensprakelijk, fluïde, zonder regulerende schepper-toezichter.

Sommigen hebben me er toen op gewezen dat wij altijd verhalen zullen nodig hebben, ook na de ‘dood van god’. Ze hebben wellicht gelijk. Verhalen, niet als Dag Allemaal-soap, maar als mythologische constructies die het weten concreet en evident maken, behapbaar voor een professor filosofie maar ook voor een tuinman.

Het lege graf

In dat opzicht ligt de bal voor een deel terug in het kamp van de religie die hier thuis is, het Christendom. Wat moeten we er vandaag mee? Is deze vermoeide, uitbeleefde godsdienst gedoemd om zich over te leveren aan de islam, zoals theoloog-opperschoolmeester Lieven Boeve het ziet, met zijn ‘dialoogschool’?

Wel, paus Franciscus geeft blijk van meer verbeelding. Hij gaf de Vaticaantheologen de opdracht om de figuur van Maria Magdalena af te stoffen en haar status van berouwvolle lichtekooi (door een verre voorganger van Franciscus bedacht) te herleiden naar de originele, maar in de bijbel omfloerste figuur: Maria Magdalena als de maîtresse van Jezus. Ja, ze hebben seks gehad, dagelijks, en neen, de reguliere apostelen waren daar niet mee opgezet, en ja, hun cohabitatie vormde de permanente bron van de oerchristelijke eco-filosofie rond egalitaire verbondenheid van alle levende wezens, zoals de naaklopende Catharen die in de middeleeuwen opnieuw praktiseerden.

Maria Magdalena was volgens de overlevering diegene die het lege graf ontdekte en de verrezen Jezus na zijn dood aanschouwde, nadat ze hem eerst voor een tuinman had gehouden. Waarom een tuinman, waarom groene vingers? Omdat deze de apotheose van de natuur inleidt, het ontluikende leven dat ze uiteindelijk dan zou herkennen als de opgestane Heer. Dit erotisch visioen -want dat is het- zou ze dan even later meedelen aan de apostelen (‘Ik heb de Heer gezien’), waarna de erectie als verrijzenis gecanoniseerd werd in het evangelie, o.m. Johannes 20,1-2.11-18). De zedige, sexeloze Maria-verering zou dan het verdere alternatief vormen voor de gevaarlijke Maria-Magdalena-figuur en de hypothese dat ze Jezus’ concubine zou geweest zijn.

De vrouwelijke treurnis bij de dode Jezus alias de slappe penis? Het lege graf, als projectie van de verlangende, hysterische vagina? De verrijzenis van de dode geliefde, als metafoor voor de erectie? Of, omgekeerd, de erectie als organisch symbool van de menselijke opstanding? Wellicht loopt het allemaal parallel in dit wonder.

Maar denk eens aan: heel het verrijzenisverhaal, dé hoeksteen van de Christelijke mythologie en geconsacreerd in het Paasfeest, zou berusten op een vrouwelijk fantasme omtrent een stijve leuter, gevolg van een shock tijdens het rouwproces. Niet alleen krijgen de voorheen door de Kerk berispte fantasten als Dan Brown (‘The Da Vinci Code’, 2003) gelijk,- het is ook wezenlijk een omslag naar een ander soort Christendom zoals de ketters het in de middeleeuwen beoefenden: een natuurreligie waarin de seksualiteit een centrale rol speelt en de vrouw het middelpunt vormt.

Franciscaanse feminisering

kruisNet nu in het Brusselse gemeenschapsdonderwijs moslimbroekjes komen aandraven met waanzinnige, door theo-criminelen ingefluisterde, vreugdeloze onthoudingsobsessies tegen het leven en tegen de natuur (niet eten, niet drinken, niet zwemmen, geen muziek…), doet zich de nood gevoelen van een tegenmythologie die wél het leven beaamt. Onvermijdelijk vormen de erotiek en het verheerlijkt lichaam de rode draad van dit andere verhaal.

In dat opzicht is het idee van het hackerscollectief Anonymous om door IS-strijders gebezigde Twitter-accounts met porno te ‘besmetten’, meer dan een blauwe-maandag-ingeving. De bedoeling is om erecties op te wekken waardoor de bloedtoevoer naar de twee hersencellen die elke strijder bezit, sterk wordt gereduceerd. Maar tegelijk komt dit tegemoet aan een Maria-Magdalena-strategie die de islam van binnenuit infecteert met naturalistische, ‘aardse’ zinnebeelden die niet stroken met de banvloeken van Mohammed over de natuur en het lichaam.

De rehabilitatie van de zondares tot minnares, geweven rond een alternatieve lezing van het Christelijke verrijzenisverhaal, zou wel eens een smaakmaker kunnen zijn van een intelligent maar ook empathisch anti-Jihad-offensief, dat nu eens niet draait rond het afgezaagde Verlichtingsrefrein, maar wel een vrouwelijk-ketterse mystiek.

We hebben nieuwe (of opgefriste oude) verhalen nodig die appetijt opwekken. De heilige oorlogen, de verkrachtingen, Keulen, de seksslavinnen,- alle zijn het nabeelden van de vrouw-hoer-ideologie die de islam vandaag aanhangt en de Kerk gisteren.

De Franciscaanse feminisering van de Kerk kan wereldwijd een krachtig antwoord vormen op deze barbarij. Daarom wil ik, als ongelovige, dringend vrouwelijke pastoors aan het altaar en porna in de nissen, zoals dat heerlijke schilderij van Titiaan (1515) waarin Maria Magdalena werkelijk naar het kruis van de verrezene tast, klaar om hem te pijpen, hetgeen de preutse evangelisten noopte tot een censuuronderschrift dat nooit authentiek Jezus kan zijn: ‘Noli me tangere’ (‘Raak me niet aan’).

Tevergeefs. De vierkantswortel van -1, zoals de filosoof Lacan het benoemt, is al in uitvoering. En zo wordt dit toch ook weer wetenschap onder het motto: ‘raak me aan’. Het wonder van de verrijzenis dus, telkens weer. Morgen geen stukje want Dag des Heren.