Categorie archief: De tekst en het boek

De tristesse van het schoonschrift

Omtrent boekenwijsheid, kalligrafie, cultuurpessimisme en technofobie

bibliotheekNu de herfst weer in het land is, het seizoen dat door een stel misantropen ooit is uitgeroepen tot de tijd van het boek en van het lezen, wil de ironie van het lot dat een grote Vlaamse uitgeverij de boeken sluit en het filiaal De Slegte in Brugge heel zijn voorraad in de container dumpt. Grote consternatie bij de bibliofielen, én uiteraard bij de broodschrijvers die dakloos dreigen te worden. Waarbij in één moeite heel de humane beschaving tot bedreigd erfgoed wordt uitgeroepen.

Nochtans is en blijft mijn slotsom na een diploma filosofie, een doctoraatsthesis en veertig jaar studie: schrijvers brengen ons geen millimeter verder, integendeel. Hun boeken staan in mijn bibliotheek, als zwijgende praalgraven, gewichtig maar stom, glorieus maar impertinent.

Het Franse warhoofd Jacques Derrida onthulde, wellicht ongewild, een tip van de sluier: schrijvers schrijven om zich schrijver te kunnen voelen. Elke tekst is “pretekst”, voorwendsel vanwege de auteur om zijn eigen bestaan een schijn van nuttigheid te geven. Waardoor hij andermans bestaan intellectueel tiranniseert en usurpeert. De scribent als vampier dus, terwijl de lezer, omgekeerd, in de waan is dat hij zich voedt aan de tekst.

 ‘Misère de la philosophie’

KantDe filosofen zijn met vlag en wimpel de ergste uitbuiters van dit misverstand. Niet alleen presenteren ze zich als ‘zingevers’ in een gevaarlijk, chaotisch universum, maar bovendien slagen ze erin om hun zware mentale handicap, die men vandaag als schizofrenie zou omschrijven, te veredelen tot theorie en wereldbeeld. De onmogelijkheid om zich ruimtelijk te oriënteren, zware apraxie, communicatie-armoede, en het zich opsluiten in de eigen wanen vormen de hoofdkenmerken van dit alibisme.

Ik roetsj even met mijn vingers over de ruggen van de boeken. Voor Plato was de wereld rondom hem maar een schijnwereld die men moest negeren: makkelijke smoes voor een sociopaat. Kant deed als Verlichtingsfilosoof elke dag klokslag vier zijn wandeling alsof de wereld stilstond, en mijmerde over het onkenbare Ding an Sich: zonder twijfel de nagel die hij niet in de muur geklopt kreeg. Kant had gewoon twee linkerhanden en een punthoofd. Had hij dat toch gewoon gezegd en er iemand bij geroepen.

Nietzsche zwierf het liefst rond in de baai van Rapallo, ver van alle werelds gewoel en de miserie in de fabriekswijken. Hij verklaarde de oorlog aan de metafysica, maar kon niet eens zijn eigen schoenveters dicht knopen. Zoals zijn Zarathustra kroop hij dan maar een (ingebeelde) berg op, om er rond 1900 af te tuimelen, compleet tureluut.

Voor de psychopaat René Descartes konden dieren dan weer geen pijn lijden omdat ze een soort mysterieus intellectueel orgaan, dat hij ‘cogito’ doopte, zouden missen. De geest was alles, de materie maar een franje. Hoe wereldvreemd kan men zijn: het cogito was de projectie van zijn eigen autistisch manco.

Het schrijven was om zeep, van zodra het om méér ging dan boodschappenlijstjes. Het denken is een ziekte geworden, van zodra er denkers opstonden.

Ik ga er vlug door, want anders wordt dit zelf weer een les filosofie. Hoe verschillend en tegenstrijdig deze denkers ook waren, ze hadden één talent gemeen: het vermogen om hun paranoia te sublimeren tot wijsheid.

Salomé Ze waren de hoofdfiguur in hun eigen geestelijk theater, en beschouwden zich als soevereine entelechieën, hoog zwevend boven de werktuiglijke realiteit. Niets deden ze met hun handen, behalve schrijven en masturberen, al de rest werd door hun huishoudster gedaan. Deze contactfobie was ook belangrijk om hun geestelijk functioneren te beveiligen en de waan niet te laten besmetten door wat zij zagen als de fysieke en werktuiglijke schemerwereld. Karl Marx benoemde het, naar aanleiding van zijn polemiek met Proudhon, in 1847 “Misère de la philosophie”: de ziekelijke neiging van de menselijke geest om zich te verheffen boven en tegen de materie, waardoor hij compleet verdwaalt in zijn eigen hersenschimmen. Wijsbegeerte, als begeerte om van de wijs te geraken: het is een volksgezegde, maar het is nog waar ook.

Plato was zonder twijfel de stamvader van dit metafysisch complex. In 1981 publiceerde neuropsychiater Karel Ringoet de opmerkelijke, maar nu weer vergeten essaybundel “Was Plato schizofreen?”. De titel alleen al was een provocatie. Zijn pleidooi voor de antipsychiatrie is eigenlijk vooral een benadering van de schriftuur, als spoor van een psychose. De filosoof leeft vanuit een breuk tussen geest en materie, subject en object, die eigenlijk nooit hersteld maar steeds weer “afgeschreven” moet worden, verklaard, ontvouwd, gerationaliseerd. Met het publiek als betalende aandeelhouder van deze afdroomfabriek.

Het schrijven was om zeep, van zodra het om méér ging dan boodschappenlijstjes. Het denken is een ziekte geworden, van zodra er denkers opstonden. Hun schrijven maakte de ziekte discreet, verborgen, verwetenschappelijkt, bibliofiel, maar uiteindelijk ook weer manifest, als breinkraker en bezorger van zware hoofdpijnen. In die zin kan men die boeken enkel lezen als documenten, zoals men schilderijen van psychotici gaat bekijken. Sporen van een trauma, die ons kunnen boeien zonder dat we ze zelf gaan mislezen tot verhaal, roman, of, godbetert, veralgemeenbaar wereldbeeld.

De laatste navolgers van Plato moeten dit durven onder ogen zien, en er de stoute conclusies uit trekken: de echte therapie kan niet via het schrijven gebeuren, maar net via het tegendeel, via het ont-schrijven. Zoals het lezen zich moet omkeren tot ont-lezen. Hoe kan dat concreet in zijn werk gaan? En wat wordt filosofie zonder denkers, eens ze erin slaagt om zich van die manuele tic, het schrijfcomplex genoemd, te ontdoen?

Moderniteit , technoforie, metamorfose

schrijfmachineHet antwoord ligt in de ons omringende instrumentele wereld zelf, het ding-an-sich dat Kant verbijsterde maar zich nu helemaal ontvouwt en ons omarmt.  Op de drempel van de 20ste eeuw komen we in een nieuw verhaal terecht, waardoor die klassieke subject/object-scheiding verdampt. Het is niet eens een historische omwenteling maar een antropologische shift die zich technologisch doorzet.

Terwijl de wetenschap zich volop bezint over de vraag of we een nieuw geologisch tijdperk, het antropoceen genaamd, zouden kunnen toevoegen aan de bestaande grondlagen, is het menstijdperk nu al zo goed als afgelopen. Mentaal heeft de menselijke soort opgehouden te bestaan, ergens rond het begin van de 20ste eeuw. In de plaats is er een posthumane, planetaire cultuur gekomen waarin de technologische vernieuwing, en uiteraard de vermarkting daar rond, heel ons doen en laten bepaalt en heel ons bewustzijn voedt. Twee wereldoorlogen hebben het proces versneld en het klassieke mensbeeld versplinterd.

De industriële revolutie heeft een posthumaan wezen gecreëerd, waar Plato en Kant geen flauw vermoeden van konden hebben. Waarom hen dan nog lezen?

robotHet is absurd om de moderniteit ook maar te vergelijken met enige ander historisch tijdvak. De metamorfose naar de over-mens of na-mens is niet éénmalig, maar systemisch, geautomatiseerd, waardoor elke poging om een “tijdvak” af te zonderen of een definitie van onze soort te geven, bij voorbaat zinloos is. Alles verandert constant en tegelijk. De uitvinding van de elektriciteit, de auto, de wasautomaat, de vibrator, en uiteindelijk het internet creëert een dier dat zijn werktuigen niet alleen bedient, maar er zich ook door laat meevoeren, letterlijk. De machine, door het menselijk brein uitgevonden, neemt bezit van ons lichaam, inclusief het brein, en bepaalt het bewustzijn, onze wil, onze doelmatigheid, het libido. Want we willen ook vervoerd worden, de overgave is totaal. Wie de ellenlange rijen voor de Apple-winkels ziet, de dag dat er een nieuwe versie van de Smartphone uitkomt, weet wat ik bedoel. Probeer het ook geen religie te noemen: elk transcendent beginsel is vreemd aan deze technoforie.

Het industriële (en nu post-industriële) materialisme, dat soms met catastrofale nevenverschijnselen à la Tsjernobyl en Fukushima gepaard gaat, verandert onze existentiële horizon grondig. Ze plaats de techniek als zingevend middelpunt van ons bestaan. We rijden niet met de auto, de auto rijdt met ons, we zijn de auto (‘Wir leben Auto’, slagzin van Opel). Veel meer nog geldt dit voor de pc en het internet, later de smartphone en de tablet.

Deze omwenteling verwijst alle filosofen naar de container. De industriële revolutie heeft een posthumaan wezen gecreëerd, waar Plato en Kant geen flauw vermoeden van konden hebben. Waarom hen dan nog lezen? Ze zijn compleet impertinent geworden, als predigitale fossielen. De mentale veranderingsprocessen zijn immers de enige constante in de internetcultuur. De ‘waarheid’ is mee opgenomen in deze spiraal van de permanente metamorfose, ze verandert elke milliseconde. Het begrip traditie heeft vandaag geen enkele betekenis meer. De overdracht gebeurt simultaan en horizontaal, in real time. U leest, u weet, u wist, u vergeet. Daarom is ook de rol van het onderwijs uitgespeeld en worden we allemaal min of meer cyber-autodidacten. We worden meegezogen in een spiraal van de mentale transformatie die niet door boeken maar door de digitaliteit wordt aangedreven. Best mogelijk dat deze technoforische cultuur ooit eindigt in een echte totale uitroeiing, of, ook een typisch SF-motief, een totale hegemonie van de machine op een gerobotiseerde planeet.

 Kalligrafie als rouwneurose 

handschriftIk omschrijf het nu cru en maximalistisch, om te verklaren waarom de weerstand zo groot is tegen dat techno-universum. Er zijn meer schrijvers dan ooit, er worden tonnen boeken per dag gedrukt, net omdat de metafyziekte zich niet zomaar gewonnen geeft. De technische overmens is een nachtmerrie voor de intellectueel, die wegvlucht in de bibliotheek. De dood van de homo sapiens is voor sommigen onder ons onverwerkbaar, dus wordt zijn gebalsemd lijk gecultiveerd in een logorree van leugens en legendes. De literatuur liegt en ontkent, maar met panache. De schriftuur is hyperbolisch geworden, ze wil iets bewijzen waarvan ze weet dat het niet waar is, maar waarmee ze niet kan leven.  Psychoanalytici spreken hier over “objectverlies”, een vorm van rouwneurose die op ontkenning gebaseerd is.

Maar vergis u niet: ook in de 21ste eeuw is de beheerste, deskundig verpakte waanzin een intellectuele macht op zich. De schizo-patiënten gedragen zich als elite en cultureel establishment, en het werkt nog ook. Het boek is hun ultiem object waarin alle ontkenning en rouwmelancholie vervat zit. Het boek treurt, liegt en verkoopt zichzelf als geneesmiddel, terwijl het naar de dood ruikt.

Ik schat dat zo’n 95% van wat wij als “Cultuur” (met hoofdletter) aanzien, zich opwerpt als een soort dam tegen het materialisme en de digitale euforie. Cultuur als bezinning, tegengif, eilandpositie, hang naar zuiverheid, zoektocht naar authenticiteit, terugkeer-naar.  Cultuur is in wezen daarom bijna altijd cultuurpessimistisch, hoewel ze dat dikwijls combineert met modernistische stijlfiguren en een modieus-linkse weldenkendheid. In de recente palavers over subsidies en bezuinigingen in de cultuursector was die ambiguïteit volop aanwezig: een latente nostalgie naar culturele Grandezza, maar anderzijds altijd “progressief”, belerend en humanistisch-moraliserend.

De literatuur cultiveert traagheid en rouwt om een verdwenen mens. De vraag is of wij ons door deze melancholie moeten laten besmetten.

De zieken doen zich voor als geneesheren en vormen een kaste die signeert op boekenbeurzen. Vooral juist de hedendaagse literatuur baadt in de nostalgie “à la recherche du temps perdu”. Het is alsof we iets verloren hebben dat we moeten terugvinden via de schriftuur en de lectuur. Een prachtig verkoopargument. Niet alleen het schrijven, maar vooral ook het lezen van boeken zou dan therapeutisch werken tegen de vluchtige, snelle, hypermaterialistische samenleving. Een weerspannigheid tegen het ont-mensen en de mutatie, angst voor de toekomst, depressie omwille van een voorbije wereld waarin de dingen lokaliseerbaar en benoembaar waren.

HertmansEens de lezer deze zwendel doorheeft, kan het ont-lezen beginnen. Lezen als publieke cultus van het schoonschrift: het klinkt aanlokkelijk, maar het is bij nader inzien een overgave aan een besmettelijke neurose. De literatuur cultiveert traagheid en rouwt om een verdwenen mens. De vraag is of wij in deze melancholie moeten meegaan. Lezen is rouwkost consumeren, maar de schrijver weet het te verpakken als humanistisch-filantrope verzetsdaad. Men noemt dit het “Stefan Hertmans-complex”: de culturo als onvermoeibare ridder van de goede smaak, bewaker van kwaliteit, leverancier van zingeving. Een latente technofobie is vrijwel altijd aanwezig. Droefgeestig scherpt de kalligraaf zijn potloden en bestijgt zijn postkoets.  Lees de interviews met schrijvers, en verbaas u over de trots waarmee ze beweren nog met een pen te schrijven, uit een soort protest tegen de banaliteit, de oppervlakkigheid van de consumptiemaatschappij, het techneutendom, en dies meer.

Uiteindelijk blijft de literatuur, net door haar nostalgisch-reactionaire aard, en ondanks het e-book, zweren bij de typografie, de minuskels en het bedrukt papier, als kon heel die massa boeken, al was het maar voor even, het doembeeld van de mutatie bezweren. De kalligrafie of de kunst van het schoonschrift is daarom synoniem van literatuur tout-court. De schrijver is een schoonschrijver of belletrist die zich Platonisch voortbeweegt als een nostalgisch orakel, aangedreven door een ressentiment tegen de domme, fantasieloze, hoekige wereld rondom hem.

De latente haat van de papierlobby tegen het internet is de hoeksteen van dat cultuurpessimisme. Het boek is reflexief, traag, deugdzaam, solide, engelachtig, ook al gaat het over seks en geweld. De cybersfeer daarentegen is slecht, verward, hyperkinetisch, vormeloos, diabolisch, het zit vol hackers, cybercriminelen en querulanten op schimmige fora. Achter het boek zit een schrijver-kalligraaf, achter de cybertekst zit een blogger (dikwijls onder pseudoniem), of minder nog, een twitteraar of facebookaccount,- in het ergste geval een pornograaf.

Ecriture automatique

computertaalIk kan dit pornogram niet afsluiten zonder de groeten te doen vanwege mijn tekstverwerker. Want al wie dacht, dat ik die teksten zelf schreef vanuit een soort immateriële “inspiratie”, moet ik teleurstellen: ik ben maar twee handen op het azertyklavier. Het is de pc die mijn teksten schrijft, en ze ook uitdenkt, als écriture automatique, en daarmee uit. Het ziet eruit als tekst, maar het is hogere machinetaal. Ich bin mein personal computer. Niet die ene, bepaalde computer,- want dat zou weer een bovenmateriële band suggereren met een fetisj-instrument zoals de violist met zijn viool, maar gewoon elke pc, en liefste het laatste model.

Dit zelfschrijvend, en op die manier ont-schrijvend procédé celebreert de nieuwe eenheid van materie en geest, een fusie die steeds weer werd uitgesteld door de filo-paranoici en de belletristen. Het huwelijk van de 17de eeuwse rekenmachine en de 18de eeuwse schrijfmachine bereidde deze fusie voor.  De informatica verlost ons finaal van de dwang om via het schrijven/lezen altijd opnieuw de breuk te moeten vaststellen tussen het Ik en het Andere. Er is geen breuk meer, geen schisma, geen schizo-tekst. Innerlijk en uiterlijk vallen samen, de wereld is één netwerk waarvan elk individu een knooppunt is en daaruit heel zijn bestaansreden put. Eens een tekst op het internet belandt, is hij werkelijk van niemand meer, hij behoort tot het netwerk. Niet te verbazen dat klassieke letterkundigen, maar ook hun uitgevers en de reguliere pers, enorme moeite hebben met het medium.

Zonder pc zou ik niet kunnen denken, en zonder toetsenbord zou mijn taal die van een zesjarige zijn.

Als publicist-blogger kan ik dan ook niet anders dan de lof zingen van de informatica-technologie. En dit zonder de minste ironie. Het internet, Facebook en Microsoft hebben mij gemaakt tot wie ik ben, ik durf daar gerust voor uitkomen. Zonder pc zou ik niet kunnen denken, en zonder toetsenbord zou mijn taal die van een zesjarige zijn. Mijn eigenlijke handschrift is trouwens onleesbaar, het manuele schrijven eindigde vroeger altijd in geklodder. Lezers moeten dit bedenken als ze veronderstellen dat ik min of meer autonoom functioneer als filosoof,- een woord dat quasi onbruikbaar is geworden omdat het herinneringen oproept aan het pre-digitaal tijdperk.

De schone letteren, de kalligrafie, de typografie en de boekdrukkunst zullen het nog wel een tijdje uitzingen. Er is altijd plaats voor wat nostalgie en werkelijkheidsvlucht. De steile opgang van de kookboeken echter, veruit bovenaan de bestsellerslijst, toont de echte vermolming van dit medium aan. Het begon in 1455 met bijbels, en het eindigt met kookboeken. Alles wat daar tussen zit, de roman én het essay, moet als vervreemding en hysterie beschouwd worden. Wanhopig verzet van Don Quichotte-achtige cultuurridders tegen de opkomende homo digitalis. Het internet en de informatica kwamen net op tijd, om ons van het boek te redden zonder opnieuw analfabeet te worden.

En nu ga ik bovenstaande tekst lezen, die mijn vingers (digits) zonet uit de pc haalden. Gezien u tot hier geraakt bent, loont het vast de moeite.

 

 

Advertenties

Schrijvers in de bres voor privacy… of voor zichzelf?

Reybrouck Zopas publiceerden vijfhonderd schrijvers uit de hele wereld een open brief in de kranten waarin ze hun bezorgdheid uiten over onze privacy. Onder de titel “Bevrijd de bespioneerde mens” wordt de alarmklok geluid over de overheid die zijn burgers bespioneert, en over internetbedrijven (Google, Facebook, Microsoft, AOL, Twitter, Linkedin,…) die privé-informatie van gebruikers doorverkopen. Alles wordt op één grote hoop gegooid, het document blinkt niet uit in analytische helderheid.

Deze zin is bijvoorbeeld om bij te wenen: De overheid kan moeiteloos uw mobiele toestellen raadplegen, uw e-mail, uw sociale netwerken en uw opzoekingen op het internet. Ze kan uw politieke sympathieën en activiteiten in de gaten houden. Met de hulp van de internetbedrijven verzamelt en bewaart ze uw gegevens, zodat ze uw consumptie en gedrag kan voorspellen.” Overheidsspionnage en het business model van de sociale media, dat zijn uiteraard twee verschillende zaken. De overheid wil controleren, de sociale media willen winst maken. Google en C° liggen zelfs op hun beurt in de clinch met de overheden, omdat ze hun bestanden het liefst afschermen voor eigen financieel gewin, en geen pottenkijkers dulden.

Maar goed, de schrijvers zijn wereldwijd verontrust over ons te grabbel gegooid privé-leven, en dat siert hen. Of is het toch allemaal niet zo loepzuiver en glashelder? Hoor ik hier en daar een pen krassen of een inktpot omvallen? Even verder die brief tegen het licht houden en terloops het privacy-verhaal wat deconstrueren.

Nostalgisch ressentiment

Het is om te beginnen vreemd dat de schrijvers nergens gewag maken van het vrijwillig opgeven van de privacy: via Facebook en Youtube gooien massa’s mensen hun privéleven te grabbel, met foto’s en filmpjes en al, zonder dat iemand hen daar toe verplichtdecoster. De reden is simpel: mensen zijn hun eigen biograaf geworden en gieten dat ook in een soort “kunst”, die weliswaar die naam niet krijgt, maar toch het klassieke literaire bedrijf op de helling zet.

Was de romanschrijver of dichter ooit een god in het diepst van zijn gedachten, die zich via het boek openbaarde naar een publiek, dan is vandaag iedereen die god. “Het publiek” bestaat niet meer. Dat betekent ook dat de privacy niet meer bestaat: we werpen haar zelf weg als een oude huid.  Dat is eigenlijk prachtig: het internet maakt iedereen tot publiek persoon, tot schrijver/kunstenaar/cineast en verwijst het boek, als fetisj en cultuurindustrieel product, naar de prullenmand.

Zou het kunnen dat de petitionisten zich, in een corporatistische reflex om het eigen beroepsbelang te beschermen, over die radicaal-democratische ontwikkeling zorgen maken? Iedereen schrijver, dat maakt dé schrijver compleet overbodig. Iedereen blogger, dan mogen de columnisten wel opkramen. Om dan nog maar te zwijgen over de ineenstorting van het auteursrecht die zich via het web genadeloos voltrekt.

“Voor een deel is dit een probleem van typografen die maar node het Gutenbergtijdperk achter zich kunnen laten…”

Een korte opzoeking op Facebook leert ons overigens dat de verontruste schrijvers zelf op dat medium actief zijn.  Alle in de pers geciteerde Vlaamse ondertekenaars van de petitie (Luuk Gruwez, Bart Moeyaert, David van Reybroeck, Elvis Peeters, Annelies Verbeke, Walter Van den Broeck, Paul Verhaeghe, Joke van Leeuwen) facebooken er dapper op los en maken er luidkeels reclame voor zichzelf. Zo verzoekt Saskia De Coster haar fans dringend om voor haar te stemmen in een door De Morgen georganiseerde poll.

Zonder het te beseffen begeven ze zich daarmee in de digitale afgrond waar ze juist tegen fulmineren: de belletrie heeft papier nodig, drukinkt, drukkers en uitgevers om te beletten dat iedereen zomaar aan het schrijven slaat. Het simpele feit anderzijds dat een bedrijf als Facebook zijn “gratis” diensten maar kan aanbieden omdat het daardoor verkoopbare privé-informatie kan verzamelen, ontgaat hen blijkbaar ook. Of denken ze echt dat Mark Zuckerberg een filantroop is?

Voor een deel onthult deze petitie dus een literair, “papieren” probleem. Of juister: een probleem van literatoren die maar node het Gutenbergtijdperk achter zich kunnen laten, waar schrijvers nog een stem hadden en zwijgzame lezers. Heel de petitie drijft op tekstfetisjisme en nostalgisch ressentiment van typografen. Het punt is gewoon dat er met Facebook, Youtube en tutti quanti best te leven valt, als men die media intelligent en scrupuleloos tot eigen communicatie-instrumenten omsmeedt. Jawel, Mark Zuckerberg bedot ons, maar wij hem ook. Elke dag weer. Wie hier wint, tja, dat is dan uiteindelijk de vraag wie hier de slimste is.

Cyberoorlog

En dan de zaak van de overheidsspionage, de controle op het GSM-verkeer enz., het Big-Brother-is-watchiBRITAIN-ECUADOR-SWEDEN-DIPLOMACY-JUSTICE-WIKILEAKSng-you-syndroom. In een eerder artikel heb ik me hier al eens bipolair opgesteld: ik wil niet dat de staatsveiligheid in mijn e-mails neust, en ja, ik steun Edward Snowden als klokkenluider. Zeker ’s morgens en in de voormiddag doe ik dat, als mijn rebelse knie jeukt. Maar naarmate de dag vordert zie ik ook de voordelen in van die Big Brother, zijnde de onvermoeibare snuffelhond op zoek naar terroristen die bijvoorbeeld eens een metrostation of een kerncentrale willen laten ontploffen. There is a war going on, no man is safe.

Het feit dat we ons in de feitelijke situatie van een een derde wereldoorlog bevinden, die voor een flink stuk als cyber war op het internet wordt uitgevochten, maakt dat internet waarlijk universeel, en dwingt de waarheid om zich te vertakken, zonder mogelijkheid van een scheidsrechter.

Uiteindelijk is dit fenomeen zelfs heilzaam en absoluut-democratisch. Iedereen moet kiezen, bloggen, zijn mening zeggen, kleur bekennen, zijn privacy prijsgeven. Iedereen activist of spion, of beiden tegelijk. Welke rol spelen hoger vermelde literatoren in dit boeiend kat-en-muis-verhaal? Geen enkele. Ze leven in een absurd-ascetische utopie, alsof er helemaal niets aan de hand is en mensen rustig met een boekje in een hoekje kunnen kruipen. Het zijn kreupele, schor klinkende vredesduiven die het nieuwe spel niet snappen.

“Privacy is van geen enkele waarde meer. De bespioneerde mens moet leren om zijn spionnen te bespioneren. De nieuwe schrijver is een hacker…”

Edward Snowden anderzijds heeft het wél begrepen: informatie is de inzet van deze oorlog. Sterker nog: het internetactivisme is de nieuwe kunstvorm geworden, waar existentieel ook een enorme prijs tegenover staat. Vraag het aan Julian Assange en Bradley Manning. Zij zijn de nieuwe helden, martelaars, iconen, genieën. Ze manifesteren zich als spelers, niet als literaire bankzitters. Inclusief de nodige theatraliteit, zie bv. de nu al historische toespraak van Assange vanaf het balkon van de ambassade van Ecuador (augustus 2012). Wat kan een armzalige belletrist daar tegenover stellen? Nog een petitie in een “kwaliteitskrant”?

Alleen al daarom zal de klassieke literatuur vrij snel verdwijnen: het internet is niet alleen een medium, een forum, maar ook een slagveld waarop de postmoderne cultuur van de 21ste eeuw wisselende posities inneemt: op het ene moment die van Big Brother, op het andere moment die van het activisme.

Ironie

Pennenridders lopen hier verloren rond, hun teksten lijken nergens meer over te gaan. De gekraakte “files” van Assange en Snowden maken, als men dan toch die term wil gebruiken, de nieuwe literatuur uit. De gestolen documenten, de gehackte en gepubliceerde informatie, zijn veel spannender en relevanter dan om het even welke fictie want ze gaan over het echte leven, ons leven, en de machtsstrijd die aan de gang is. De klassieke media weten het, en lopen het fenomeen panisch achterna, tevergeefs, want de omloopsnelheid van het internet is niet te evenaren.

Andermaal: privacy is hier van geen enkele waarde,- het is misschien zelfs een teken van armoede. Alleen naamlozen, analfabeten, asceten hebben privacy. We lezen en observeren elkaar, we delen. De overheid snuffelt in onze mails, wij ook in die van haar. Er zijn krachten en tegenkrachten, alles verloopt in twee richtingen, ook Big Brother is kwetsbaar. De bespioneerde mens moet leren om zijn spionnen te bespioneren. Alles is lekbaar, informatie dient om van eigenaar te veranderen. Servers pikken op, wij usurperen de servers. Google en Facebook verkopen, de staat bespiedt, Snowden rooft terug, wij gebruiken Google en Facebook om ons als publiek én actoren, schrijvers, commentatoren, doorheen dit mijnenveld te bewegen.

Ironie is hier dus dringend nodig. De opstellers van de schrijverspetitie missen de gave van de ironie, waardoor ze de dialectische mogelijkheden van de digitale platformen helemaal miskennen. Hun tomeloze ernst en ethische grootspraak –waardoor ze zelfs de Verenigde Naties en de mensenrechten erbij betrekken-, klinkt als het wantrouwen tegen de stoommachine 200 jaar geleden.

Ze rommelen wat op de “sociale media” om klungelige reclameberichtjes te posten, hun signeersessies aan te kondigen, terwijl de literatuur al lang ergens anders is. Of nergens. De dood van het boek en de glorieloze wegdeemstering van een schrijversklasse, ziedaar de collateral gain van deze informatie-oorlog.

Ode aan het DNA

   Over identiteit, leven en speurbare aanwezigheid

Zopas lanceerde de Antwerpse procureur-generaal Yves Liégeois –de man met het Hitlersnorretje- het iliegeoisdee om van elke pasgeborene een DNA-staal te nemen, dat in een centrale databank zou bewaard blijven om in de toekomst daders van een misdrijf gemakkelijker te kunnen identificeren.

De Big-Brother-jeremiades en mensenrechten-alerts waren niet van de lucht. Vooral de advocatuur steigerde, zo bij monde van strafpleiter Joris Van Cauter (“elke burger is dan een verdachte”). En inderdaad, bij een eerste libertaire reflex roepen wij mee: “Boeh!” tegen het idee om ieders biochemische formule op te slaan. Maar in de filosofie zijn vooral de tweede en de derde reflexen ook interessant. Even beginnen bij het begin.

Het alibi en de kleine lettertjes

DNADesoxyribonucleïnezuur, afgekort als DNA, is een macromolecule die fungeert als drager van erfelijke informatie van een levend wezen. Het onderzoek ernaar is al meer dan een eeuw oud, en leidde tot een sluitend model dat enorm efficiënt is om een individu te identificeren en te traceren: het zit overal in het lichaam, van kop tot teen, over speeksel, sperma en alle sappen, en we laten het overal achter, als een vingerafdruk, maar dan veel duidelijker nog.

Dat betekent eigenlijk ook dat, in geval van een misdrijf, er niet teveel meer moet gediscussieerd of gespeculeerd worden: wie zijn/haar DNA ergens achterliet, was daar ook, punt uit. Het geconstrueerde alibi (“ik was elders”) wordt dus een ongeldige smoes, niemand hoeft nog rond de pot te draaien. Dat betekent echter ook dat de rechtspraak enorm transparant en simpel wordt. Men kan nog over motieven debatteren, het hoe en waarom, maar niet meer over feiten. Hebben we dan nog wel advocaten nodig? Ik bedoel dan speciaal: advocaten die goed met kleine lettertjes overweg kunnen en hun cliënten uit de nor kunnen lullen? Neen, niet echt.

En zo komt de aap uit de mouw van de protesterende strafpleiters: hun job komt gewoon in het gedrang, meer is er niet aan de hand. De beruchte procedureslagen waar elk zinnig mens zich kapot aan ergert, en waardoor het geboefte fluitend buiten wandelt, behoren dan tot het verleden. Het DNA draagt niet alleen uniek erfelijk materiaal, het draagt ook “waarheid” die alle andere retorische trucs overstijgt. Mr. Joris Van Cauter heeft dus redenen om zich zorgen te maken.

Het DNA liegt niet. Dat valt te waarderen in een wereld van de waan, het gefrazel en de alibi’s.

In een breder perspectief brengt het DNA-verhaal ons terug naar een recht dat meer bij het gezond verstand aansluit en minder bij hermetische woordkramerij tussen specialisten. Meer feiten, minder fictie. Meer transparantie, meer no-nonsense-taal, minder omzwachteld sofisme. De onmogelijkheid van verzonnen alibi’s bespaart ons enorm veel nutteloos onderzoekswerk en oeverloze debatten waar alleen de advocaten beter van worden.

En laat die Joris Van Cauter nu zeker toch wel onlangs een pleidooi gehouden hebben voor… minder transparantie in de rechtspraak (DS-opiniestuk van 4/3/13: “Justitie kan wel wat geheimen gebruiken”).

De terreur van het jargon

boekenGeheimen dus, jawel. Over de ballast van de tekst en de dwang van het lezen/ontcijferen heb ik het al dikwijls gehad. Meestal viseer ik dan de schone letteren, het uitgeversdom, de papierindustrie en de algemene verliteraturing van onze cultuur. Dat alles verzinkt nochtans in het niets als men de logorhee van de moderne rechtspraak aanschouwt. Het Belgische Staatsblad braakt jaarlijks zo’n 50000 dichtbedrukte bladzijden met wet- en regelgeving uit. Sinds het Romeinse Recht en de Code Napoléon, en zeker ook met dank aan de Europese Unie, lijkt het verzinnen van wetten en wetjes een doel op zich geworden, en is het recht een voetnotenkwestie, door specialisten/exegeten beheerd. Ze houden er een geheimtaal op na, zeer bewust, want hoe minder mensen het snappen, hoe groter hun macht. Het recht moét dus complex zijn, in de eerste plaats om de status van de insiders, de experten te beschermen. Iets wat ik als een daad van pure terreur beschouw.

Het is niet ingewikkeld, men maakt het ingewikkeld, om eigen kennis -en dus macht- te beschermen.

Zo zou men het Grote Wetboek als een metafoor kunnen zien voor een nog veel bredere kwaal van het hermetisme, het universele schrikbewind van de geheimtalen waarmee experten ons om de oren slaan.

Overal kom je ze tegen: figuren die zich in een abrakadabra hullen en u wandelen sturen met een resem onbegrijpelijke vaktermen, het beruchte jargon. Van de garagist over de boekhouder, de sociaal werker, tot de politicus en de advocaat (uiteraard), maar ook de kunstenaar, de cultuurbureaucraat, de informaticus, de wetenschapper, de academicus.  Het is niet ingewikkeld, men maakt het ingewikkeld, om eigen kennis -en dus macht- te beschermen. Op die manier houden de kenners hun kennis voor zich, wat men vandaag ook moge orakelen over scholing, de brede kennismaatschappij en de participatie eraan. Het gevulgariseerde weten anderzijds dat men in de krant aangeboden krijgt, de kennis-voor-iedereen, is secundair, ééndimensioneel, fragmentarisch, anekdotisch, of soms gewoon plat-onbenullig.

Ondertussen knetteren de letteren voort. De geheimtaal (re)produceert de tekst om niét begrepen te worden en ontzag in te boezemen. De vertikale samenleving die zo ontstaat is vele malen erger dan die van de sociaal-materiële ongelijkheid. De taal is hier een middel tot segregatie geworden, een techniek van het dom houden, een medium om niet mede te delen, dit in de letterlijke zin. Erger nog: de taal schermt ons af van de werkelijkheid, creëert mistgordijnen. De taal zelf wordt leugenachtig.

Een revolte van het gezond verstand dringt zich op, waardoor onvermijdelijk een massa experten werkloos zou worden. Gezond verstand dat vraagt: “zeg gewoon waar het op staat”. Wat is, hoeft niet bewezen te worden, het bewijst zichzelf via de sporen. En dat brengt ons weer tot het DNA-verhaal: het is een unieke code die wij allemaal dragen én uitdragen. We zijn gewoonweg die taal, ze vormt onze biologische essentie, we hebben haar niet aangeleerd of we kunnen haar niet misbruiken om te verhullen.

Sporadische identiteit: hier was…..

bedDat is een interessante link met de existentialistische filosofie (sorry, ook weer jargon) die zich, buiten alle tekst, bekommert om het er-zijn van het individu (Dasein). Wat doen u en ik op deze plek, deze tijd, in dit universum? Waarom staan we elke morgen toch weer op, om als Sisyphus steeds weer dezelfde steen naar boven te rollen? Waarom maken we ons niet eenvoudigweg van kant?

Sommigen zullen zeggen: omdat we kinderen hebben. Inderdaad, maar waar komen de kindjes vandaan? Waarom maken we ze? Het antwoord zit in het DNA: een spoor nalaten, dat is wat we allemaal willen, het is de kwintessens van ons verlangen. Het DNA zelf gebiedt het ons, jaagt ons ’s avonds het bed in en ’s morgens er weer uit: leef, beweeg, reis, op de manier van op te lossen, stukjes te verliezen, beetje bij beetje te sterven, en zo te overleven, onsterfelijk te worden. Dit DNA-spoor neemt de vorm aan van een traject, letterlijk een “levensloop”, gemarkeerd door aanwezigheden en interacties. Een komen-en-gaan dat “iets” achterlaat, hoe klein en onopvallend ook. Dat is ons allerindividueelste kunstwerk. Alles wat zich verder nog “cultuur” noemt, is maar een schaduw van dat proces, van Beethovens 5de tot de blog van Jan-met-de-pet.

Men zou elk leven zo kunnen reconstrueren tot traject: op elke plek waar we gestaan, gezeten, gevochten, geslapen, gevreeën, gegeten, gekust, gespuugd hebben, of jawel, eventueel ook gemoord,… ligt onze materiële afdruk, onze biologische handtekening waarmee we de ruimte signeren. Geen gezever, geen geblaat, het is wat het is.

Leven is sporen nalaten, die samen een traject vormen. Het is de identiteit van een open, oplossend lichaam.

De DNA-biologie is in dat opzicht misschien wel de belangrijkste ontdekking van de laatste 500 jaar. Het is a.h.w. de concrete bevestiging dat onze aanwezigheid hier en nu nooit zinloos, onopgemerkt is. Het is de grondslag van onze echte identiteit. Een sporadische, “verliezende”, oplossende identiteit, niet die van een gesloten lichaam. Het belang van de seksualiteit, en het feit dat we eigenlijk niet zonder kunnen, ligt daarin: het kunnen/willen/moeten doorgeven van DNA tot iets dat een nieuw lichaam wordt. De drang om dat te doen is onuitwisbaar, alle vruchtbaarheidsmythes gaan erover: niet zozeer het doorgeven van erfelijkheid, maar het pure materiële spoor van onszelf vereeuwigen. Schrijvers en kunstenaars proberen dat telkens weer te sublimeren, door de seksualiteit –of zeker de voortplanting- te verzaken in ruil voor iets “groter”, “edeler”, een geheimtaal die imponeert en angst aanjaagt, maar tevergeefs: het gaat primair om het achterlaten van een handvol desoxyribonucleïnezuur op een strategische plek.

Dat de criminologie zich bedient van deze waarheid, is zoals de fabricatie van kernbommen zich bedient van de relativiteitstheorie: naast de kwestie. Met de ontdekking van het DNA is de wetenschap teruggekeerd naar de biologische essentie, de logica van het leven zelf, na een eeuwenlange dooltocht in de waan van de geleerdheid, de geheimtalen en de Cartesiaanse abstractie.

Mijn DNA mag dus overal gevonden worden, en als ik schuldig ben, ben ik schuldig. Ik verheug me op die eindelijke, simpele waarheid, die ons van elke leugendwang ontlast. Taal die materie wordt. Dingen, gebeurtenissen, daden die onloochenbaar naar zichzelf verwijzen en geen franje van retoriek meer dulden. Als speurbare aanwezigheid, zo mag iedereen leven, sterven, de geschiedenis ingaan.

Rhinoceros, of de magie van de tijdgeest

fabreIk heb er me er altijd over verbaasd dat een nietsnut als Jan Fabre zo’n artistiek icoon werd. Ik volg hem al sinds begin de jaren ’80, de start van zijn carrière, en dacht dat de mix van lukraak gooi-en-smijtwerk, goedgemikte bluf, aanstellerig doordrammen, en het overgieten van de bekomen pièce montées met een pseudo-intellectuele saus, ooit wel zou ontmaskerd worden.

Maar sindsdien heb ik het instemmend geknik rond zijn persoon alleen maar zien toenemen. De kritische geluiden verstomden, zeker toen hij het koninklijk paleis mocht decoreren en zijn onvermijdelijke kevers ook naar het buitenland ging exporteren. Vanuit de gul subsidiërende overheid én de media kwamen enkel nog positieve signalen rond deze nieuwe Rubens. De oplichter nam iedereen bij de neus, op zo’n manier dat het ronduit belachelijk werd om er nog iets tegen in te brengen, op gevaar af van zelf als zeurpiet of oplichter weggezet te worden. En zo dom ben ik nu ook weer niet, dus zeg ik: ja, ik heb me vergist en bied mijn excuses aan, niet in het minst aan de betrokkene zelf. Samen met u zeg ik nu: Ja, Jan Fabre is een groot Vlaams, euh, pardon, Belgisch kunstenaar.

Waarom beroemdheden terecht beroemd zijn

De laatste zin moet u vooral niet ironisch opvatten: het is simpele overlevingslogica, vertrekrhinokend van een optelsom.  Vaste waarden ontstaan via eenstemmigheid. Eenstemmigheid ontstaat via het doorslaan van een meerderheid, die zich per definitie de waarheid toeëigent. Het is gewoon de apotheose van de democratie, waarvan de immanente rechtvaardigheid berust op het gelijk van de meerderheid.

Overigens gaat dit stukje helemaal niet over Fabre, maar over de manier hoe cultuur functioneert, als een machine van de zelfbevestiging. Meer in het algemeen lijken opinies, smaken en gebruiken onderhevig aan een sneeuwballogica, waardoor er zich een canonisering voltrekt,- een profane variant van de Christelijke heiligverklaring. De canon is het geheel van namen, begrippen, figuren, merken,- kortweg: iconen-, van Michelangelo over Apple, Piet Huysentruyt tot Geena Lisa, die als wezenlijk, essentieel worden beschouwd voor ons universum.

Die canon min of meer accepteren is cruciaal om socio-cultureel te kunnen functioneren. Zeg maar: om op een receptie niet met uw mond vol tanden te staan. Imitatiegedrag, en de angst om als ouderwets en belachelijk of zelfs dement beschouwd te worden, zijn dus bepalende factoren in het canoniseringsproces. Dat discreet conformisme, de behoefte aan participatie, omspant heel onze sociale horizon van consument, kiezer, kijker/lezer, zowel professioneel als in de vrijetijdssfeer.  Er is dan nog wel discussie mogelijk, zelfs een hevig dispuut tussen voor- en tegenstanders van kunstenaar X of schrijver Y, maar niemand zal het wagen om het fenomeen nog weg te zetten als impertinent en onbenullig.

Iconen zijn onontwijkbaar. Het zijn de heiligen, helden en fetisjen van de moderniteit. Hun kwaliteit is repetitief, tautologisch en ondisputabel: ze hebben kwaliteit omdat ze kwaliteit hebben. Op die manier ook definieert “talent” zichzelf: als een emanatie van kwaliteit. Beroemde mensen zijn terecht beroemd, anders waren ze niet beroemd.

Cultuur op zich werkt dus tautologisch,- het is als een stroom die zich steeds dieper door een bedding graaft en daar niet meer van afwijkt. Richard Dawkins spreekt zelfs over memen, cultuurgenen die zich pandemisch verspreiden via de tekst- en beeldcultuur, en waardoor een civilisatie onmerkbaar homogeniseert, ondanks haar zogezegd pluralisme. Vandaag is daar zelfs een erfgoed-kwestie aan gekoppeld, de manie om te conserveren en iconen te bevriezen in een planetaire cataloog.

De dwang die uitgaat van de tijdsgeest is vele malen sterker dan die van om het even welke censuur. Wie niet participeert, leeft niet, en dat geldt zowel voor de “hoge” Cultuur als voor de popcultuur.

Het modieuze en het trendmatige zijn dus minder onschuldig en vrijblijvend dan ze eruit zien. De dwang die uitgaat van de tijdsgeest is vele malen sterker dan die van om het even welke censuur. Wie niet participeert, leeft niet, en dat geldt zowel voor de “hoge” Cultuur als voor de popcultuur. U kunt een iPhone wel een onnozel gadget vinden, maar als iedereen hem gebruikt bent u gewoon niet met uw tijd mee, wat loopt u hier dan nog te doen. U kunt De Standaard een middelmatige en van politieke correctheid vergeven prulgazet vinden, maar de oplagecijfers van die krant pieken verder, dus ligt het misschien wel aan uzelf. U kunt wel besluiten om van Facebook weg te blijven, maar dan kunt u net zo goed naar de planeet Mars vertrekken.

De vrijheid van smaak, opinie en consumptie is dus een betrekkelijk iets. Eerst verschuiven de gewoontes en het smaakgevoel (het stadium van het nieuwe en de hype), vervolgens de waardenschaal (als de critici en de kenners er zich mee bemoeien), en tenslotte de waarheid zelf. Of noemen we het gewoonweg de magie van de meerderheid: op een zeker ogenblik slaat de mening van de meerderheid door tot een globale uitdrukking van de tijdsgeest.

Wie hier aan Jean Baudrillard denkt, en diens theorie van het simulacre, zit er niet ver naast: de waarheid is gewoon een veralgemeende dwaling. Natuurlijk zijn Jan Fabre, Piet Huysentruyt en Dimitri Verhulst maar gehypte fantasmes. Uiteraard is een iPhone een prul. Vanzelfsprekend is Facebook één grote luchtspiegeling. Maar de consensus rond het tegendeel maakt ze echt en relevant. De waan wordt echt, en het echte wordt gedegradeerd tot waan. Alles is perceptie, en de communicatiewetenschap dient vooral om de violen gelijk te stemmen.

In zijn toneelstuk “Rhinoceros” (1959) trekt Eugène Ionesco dan ook de ultieme consequentie: als iedereen loeit als een neushoorn, is er helemaal geen probleem. Als we gezamenlijk een dimensie zouden inleveren en iedereen voortaan op een plat vlak zou leven, evenmin. De waarheid is, wat via de meerderheid uitgroeit tot pensée unique. Punt gedaan.

De knoeiers, de fantasten en de morosofen

Eén ding is zeker: kwaliteit an sich bestaat niet, het is een kwestie van op het juiste moment op de juiOste plaats te zijn. Er bestaan dus ook individuen die systematisch op het verkeerde moment op de foute plaats zijn. Ze leven niet in de waarheid, ze dwalen. Tenzij ze onder de radar blijven, lokken ze hoongelach uit en zelfs gewelddadige reacties. Niemand weet waar ze vandaan komen, waar ze naar toe willen, of wat ze bijdragen tot de beschaving, en waarom ze überhaupt nog in leven zijn.

Ik heb hem al eens geschetst in het essay “Boem, paukeslag!”, de mens als talentloze, belachelijke klungelaar, met de slapstick als ultiem zelfportret en de scheve toren van Pisa als pispaal. Vandaag wil ik graag deze onderwereld van geboren klunzen herbenomen tot nultuur, een belachelijk woord dat zelf niet de minste kans maakt op canonisatie.

Er is dus cultuur en nultuur, de canon en de anoniemen, de heiligen en de afvalligen, de helden en de anti-helden, de geschiedenis en de vergetelheid, het product en de rest. Er is Jan Fabre en er is X. De geschiedenis verbergt een massa onbekende en nooit geboekstaafde mislukkingen, stroompjes die op een of andere manier geen bedding konden maken of er zich ook niet in konden voegen.

Eigenlijk behoren die niconen tot een tegengeschiedenis, een mistorie of ongeschiedenis. Het gaat om compleet mislukte of verdwaalde fantasten, bewandelaars van doodlopende wegen en ontginners van lege goudmijnen. Schrijvers van het onbeschreven blad en componisten van onvoltooide of zelfs nooit begonnen opera’s. Ze doen en zeggen steeds de foute dingen op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Omdat er doorgaans geen spoor van is, vallen ze ook niet meer op te zoeken. Alleen als crimineel of psychopaat kunnen ze eventueel de geschiedenis nog halen. Voor de rest huizen ze vandaag vooral in de donkere krochten van het internet, quasi-onvindbaar, of kortstondig opgloeiend in klunzige blogs.

Toch deed ene Matthijs van Boxsel, een zelfverklaarde knoeier, in zijn monumentale “Encyclopedie van de domheid” een poging om de nultuur in kaart te brengen. Zelf spreekt hij van morosofie of ‘waanwijsheid”, zijnde de wetenschap en de cultuur van de enkeling die nooit doorbreekt, een absolute minderheid, een singulariteit. Hij snapt niet dat hij er gewoon niet moet zijn en doet maar op zijn eentje verder.

De geschiedenis verbergt een massa onbekende en nooit geboekstaafde mislukkingen, stroompjes die op een of andere manier geen bedding konden maken of er zich ook niet in konden voegen.

Van Boxsel lijst er een aantal op: hardnekkige autodidacten, knotsgekke uitvinders van waardeloze of niet-functionerende tuigen, fanatieke aanhangers van foute kosmologieën, eenzame bedenkers van compleet ongeloofwaardige complottheoriën. In dit laatste onderscheidt zich bijvoorbeeld Peter Vereecke, ex-burgemeester van Evergem, die in de witte strepen, achtergelaten door straalvliegtuigen, een strategie van de Amerikanen ziet om ons te vergiftigen. De man staat alleen met zijn theorie, klampt iedereen aan, overtuigt niemand, wordt permanent uitgelachen, en komt vroeg of laat in een inrichting terecht. Een model van morosofie.

Zuiverder en extremer nog vind ik een fenomeen als de negatonist Siegfried Verbeke, een politieke eenzaat met een strafblad van hier tot ginder achter. Zijn enige misdaad: de onverdedigbare stelling verdedigen dat er in de tweede wereldoorlog geen Joden werden vervolgd en dat de concentratiekampen tot het rijk der fabelen behoren.  Ook hem kan men als een morosoof beschouwen, een fanatieke dwaler die belachelijk en aanstootgevend tegelijk is. Zijn autistisch niveau van absurditeit is net hoog genoeg om elke rehabilitatie te beletten. Waardoor zijn eenzaamheid nog intenser en zijn overtuiging nog sterker wordt. Een omgekeerde sneeuwbal.

Vluchtroutes en perverse strategieën

Toch zijn de schotten tussen cultuur en nultuur niet waterdicht. Kladschilders als Vincent Van Gogh of een manisch letterzetter als Paul Van Ostaijen behoorden van nawittgensteinture zeker tot de onderwereld van de nultuur. Maar de kunst- en uitgeversmarkt heeft nu eenmaal “vernieuwers” nodig om te blijven draaien, organiseert een talentenjacht en canoniseert op afroep. Anderzijds waren ook Friedrich Nietzsche en Ludwig Wittgenstein beslist morosofen, eigenwijze waanwijzen, geschifte fantasten die maar bleven ploeteren in hun hersenspinsels. Maar teveel gekken op één plek zou een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren, dus is het beter om er af en toe eentje op te tillen tot genie. Zo gezegd, zo gedaan.

En hier schuilt natuurlijk ook de ironie van het woord “domheid”: ergens zijn de knoeiers veel begaafder dan de getalenteerden, ze leven alleen in het verkeerde universum. En vermits wij, mensen, ons universum zelf creëren, bepalen we ook zelf de maatstaven van de domheid en de omtrekken van de waarheid. Quod erat demonstrandum.

Het besef dat wij  uiteindelijk toch tot een “vrije” consensus worden gedwongen,  maakt elke vorm van radicaliteit, elke uiting van wansmaak en perversiteit, tot een vluchtroute.

Het absurde, domme, belachelijke en het aanstootgevende vormen het restproduct van de reguliere cultuur, maar evengoed kunnen ze beschouwd worden als tekens van verzet tegen het simulacre en de hypnotische dwang van de tijdsgeest. Unzeitgemass, zoals Nietzsche het noemde, buiten de tijdsgeest staan, maar dan niet om postuum toch nog een plekje in het pantheon te krijgen. Het besef dat wij uiteindelijk toch tot een “vrije” consensus worden gedwongen, een pensée unique, handig verkleed als register van de goede smaak en de weldenkendheid, maakt elke vorm van radicaliteit, elke uiting van perversiteit, wansmaak en als dwaling beschouwd hersenspinsel, tot een vluchtroute.

Zo bekeken is het vooral kwestie om de canon niét te volgen, maar ook om zelf niét gecanoniseerd te worden.  Of zoals pornograaf Bart van Leeuwen het zegt: “Talent is iets dat je zo snel mogelijk moet afleren”. Perversiteit en afwijking vergen vandaag een consequente strategie van de omgekeerde vermarkting: het foute volhouden, maar op zo’n koers dat men nooit door de markt, de media of de mainstream wordt ingehaald. Uit de handen blijven van het gerecht én van de psychiaters én van de journalisten. Op het juiste moment onzichtbaar worden, of net de over-exposure. Zichzelf ont-iconiseren, zijn eigen beeldenstormer zijn.

Humor, ironie en sarcasme zijn daarin onmisbare hulpstukken.

De valstrik van het “tweede boek”

Zopas verscheen de tweede roman van Paolo Giordano, ‘Het menselijk lichaam’ (‘Il corpGiordanoo umano’).

Zijn eersteling,  ‘de eenzaamheid van de priemgetallen’ (‘La solitudine dei numeri primi’, 2008), werd een absolute bestseller en aansluitend zelfs verfilmd. Ironisch dat een boek over de menselijke eenzaamheid en het on-(mede)deelbare zo’n hype werd. Ik heb dat boek dan ook als een dagboek gelezen, iets intiem, waar ik eigenlijk geen zaken mee had, en als een voyeur in neusde.

Ik geloof ook vast dat Giordano dat tweede boek veel minder schreef vanuit een innerlijke drijfveer, dan wel op aandringen van zijn uitgever, om nog eens de kassa te laten rinkelen.

Het probleem van de literatuur -dat ze wezenlijk niets meer te zeggen heeft-manifesteert zich dus vooral in het tweede boek, het derde boek, en de herhalingsdwang. Meer schrijvers moesten minder boeken schrijven, liefst één of zelfs geen.  Er schuilt in elk van ons een boek, maar de vraag is of het wel zo nodig moet geschreven worden, en of dat schrijven zelf geen verschraling uitmaakt van iets veel oorspronkelijker, intiemer, onzegbaarder.

Schrijven is uit-schrijven.

Bladzijde uit het manuscript van "Der Mann ohne Eigenschaften" (Robert Musil)

Bladzijde uit het manuscript van “Der Mann ohne Eigenschaften” (Robert Musil)

Weerom rijst hier de vraag naar de zin, en vooral de onzin, van de literaire industrie, of veralgemenen we maar meteen tot de cultuurindustrie, het vedettisme, de hypecultuur omtrent dingen die men “moet” weten om sociaal te functioneren.

Een roman zoals Robert Musil’s “Der Mann ohne Eigenschaften”, algemeen beschouwd als een van de grote literaire meesterwerken van de 20ste eeuw, is eigenlijk per ongeluk in de galerij der meesterwerken gesukkeld, dankzij ijverige uitgevers, recensenten, drukkers, groot- en kleinhandelaren. Kortom: al wie zijn brood verdient met bedrukt papier.

Een belletrist, zoals wij er in Vlaanderen en Nederland een paar dozijn kennen, genre Lanoye, Brusselmans, Verhulst, Mortier,… levert minstens elke twee jaar een roman af,- niet alleen uit contractuele verplichting, maar vooral ook om “in de markt” te blijven en niet vergeten te worden.

Hoezeer zijn dan de boeken te koesteren die maar niet voltooid geraken! Hoe trager de tekst zich ontwikkelt, hoe meer hoorn er is gegroeid aan de buitenkant, hoe meer hij het onzegbare probeert te zeggen,- een einddoel dat nooit gehaald wordt. Musil werkte 20 jaar aan zijn Opus Magnum, namelijk van 1921 tot 1941. Hij had geen haast om zich bij het kransje van bekende schrijvers te voegen, maar misschien was er zelfs een afkeer van de openbaarheid, en een bezorgdheid dat teveel licht de tekst zou kunnen corrumperen: lezers die een “zin” zoeken in het verhaal, critici die het kapot analyseren, uitgevers die het in de etalage leggen, of in stapels op de toonbank, of, erger nog, op de boekenbeurs-met-signerende-auteur.

Alleen het (onleesbare) manuscript is authentiek. Het boek, als consumptiegoed, is er maar een vale afspiegeling van.

Is het daarom dat minder conforme schrijvers soms hun manuscript vernietigen, en schilders hun doeken? Of is het daarom dat sommige boeken gewoon niet geschreven worden? Lopen wij allemaal rond met een boek in het hoofd, dat we niet schrijven, – uit angst dat het door een onbevoegde zou geopend worden? De angst voor de verwonding, de aanranding? Is het ongeschreven boek niet de beste voorzorg tegen de destructiviteit van het lezen?

En zo kom ik tot een vrij bizarre, maar toch compleet logische, nieuwe, post-Musiliaanse definitie van een tekst,- als roman, boek, gedicht, plastisch kunstwerk, muziekstuk, of wat dan ook …-: hij dient helemaal niet om gelezen te worden. Veeleer is het een monoloog, de afdruk van een reeks fysische en mentale processen, waarin de auteur zich van elke externe samenhang distantiëert. De ideale tekst is gesloten en past nergens in, in geen enkele bibliotheek of collectie. Alleen het (onleesbare) manuscript is authentiek. Het boek, als consumptiegoed, is er maar een vale afspiegeling van.

Het enige verhaal dat de roman écht vertelt, is daarom dat van een breuk met de buitenwereld, een verbroken samenhang tussen het Ik en de wereld. De schrijver schrijft zichzelf uit, via een reeks priemgetallen. Het beeld van de priemgetallen past perfect: ze behoren tot de verzameling van getallen die nergens bij horen.  De cryptische tekst wordt een dagboek, een logboek van de ontsnapping uit het universum van de collecties, het museum, de bibliotheek. Hij biedt zich uiteindelijk ook niet meer aan als tekst: hij verschijnt, soms, toevallig, als een schim, om dan terug te verdwijnen.

Lezen is ont-lezen.

Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein/”Tractatus Logico-philosophicus”

Het is Musil’s tijdgenoot James Joyce die zijn teksten als ‘epiphanies’  (verschijningen) betitelde,- monologen van het bewustzijn, of, minder respectvol: secreten van de geest (“…a sudden spiritual manifestation), mentale fingerprints dus. Of nog minder respectvol: dronkemansgelal. Of een wind, of een boertje.

Terwijl goedmenende literatuurwetenschappers het boek nog steeds als een geordende collectie van woorden, zinnen, hoofdstukken zien, die zelf ook weer in een collectie thuishoort (de bibliotheek), is het authentieke boek net het omgekeerde: het hoort nergens bij, het is de zelfbeschrijving van een hersenknoop. Een epifanie. Elke mede-deling is dan overbodig en absurd. Het heeft geen zin om zich verstaanbaar proberen te maken,- dat leidt tot inquisitorische toestanden (“Wat bedoelt u eigenlijk?”) of misplaatste excuses, die het interview en de de TV-talkshow kenmerken, doch die het misverstand alleen maar vergroten.

Het gesloten boek vormt zo de ultieme remedie tegen het misverstand. De modale, welopgevoede lezer/collectioneur probeert nog steeds te be-grijpen, te verzamelen (legere, colligere, college, collectie) wat niet meer te verzamelen valt. De lezer moet dringend uit die waan verlost worden: er is geen sleutel of geen decodeermachine. Het zijn de lectoren, de uitgevers en de critici die een verhaal proberen te “lezen” omdat ze daar nu eenmaal pedagogisch door geconditioneerd zijn en omdat het een industrie uitmaakt. Ze zoeken en collectioneren zinnen, alinea’s en hoofdstukken, willen verbanden leggen, eigenschappen ontwaren en “kwaliteit” bespeuren, waar er eigenlijk alleen maar de voetafdruk is van een wandelend brein. In die zin is lezen ont-lezen: vaststellen dat het spoor naar de binnenkant van de tekst dood loopt.

Het is tenslotte de filosoof Ludwig Wittgenstein, die andere tijdgenoot van Musil, die de epifanische, onleesbare literatuur een manifest heeft bezorgd: “De grenzen van mijn taal, zijn de grenzen van mijn wereld”. De Tractatus Logico-Philosophicus (1921), het enige werk dat tijdens zijn leven door een uitgever werd gekaapt, begint waar Der Mann ohne Eigenschaften eindigt: in de absolute marge van het kosmische verhaal. Als vluchtplan uit het universum, weg van de samenhang en de connecties.

In die zin is lezen ont-lezen: vaststellen dat het spoor naar de binnenkant van de tekst dood loopt.

Ook de Tractatus is in de schaduw van de eerste wereldoorlog geschreven. Het is een anti-verhaal en een anti-tractaat. Het is een boek zonder eigenschappen van een filosoof zonder eigenschappen. Het probeersel van een volstrekte amateur. Ik lees het graag, omdat het niet de ambitie heeft om verstaanbaar te zijn: het is een louter hersenspinsel. Tot op vandaag weet niemand wie Ludwig eigenlijk was, en wat hij met zijn boek bedoelde, al zijn er ondertussen bibliotheken over vol geschreven, tevergeefs: Ludwig gaf zelf aan dat zijn tekst verdwijnt zodra men hem leest, en werkt als een ladder die wordt opgetrokken. Al bijna 100 jaar proberen professoren filosofie van Wittgenstein een “filosoof” te maken, iemand die in de traditie past, zonder resultaat: hij is en blijft een cancre, een kind dat van taalspelen hield en zich niet bekommerde om de ontcijfering.

In deze poëtica is de nieuwe lezer daarom een ont-lezer, een toevallige vinder van ondecodeerbare inscripties, die hij misschien even betast maar verder intact laat. Alles wat zich als openbaar, mededeelzaam, integreerbaar voordoet, valt dan genadeloos door de mand. Ik ont-lees alleen nog een bepaald soort boeken, waarvan ik vermoed dat ze niet geschreven zijn om begrepen te worden, en die ik dan ook geen geweld wil aandoen met hermeneutische breekijzers.  Ik respecteer ze als een labyrinth van woorden die alleen betekenis hebben binnen het brein van de bedenker.

Het komt er dan ook helemaal niet op aan, een boek te “begrijpen”, want dat is een daad van puur geweld, het forceren van een toegang. Heel uitzonderlijk vindt iemand toch een weg in dat labyrinth. Heel uitzonderlijk. Maar ook dan, zeker in dat geval, is het kwestie om de sleutel zo snel mogelijk weg te gooien. Ook met twee heeft men recht op eenzaamheid. Zoals de priemgetallen dus. De hoogst bereikbare existentiële toestand in dit universum, is het niét behoren tot een verzameling.

(Dit is een hoofdstuk uit het essay “Epifanie”, als lezing gegeven op 5/9/2010 in Filosofiehuis ’t Zoekend Hert/Antwerpen.)

Tussen verbod en genot

De onverwachtse voordelen van Zero-tolerance

agenteZopas liep ik nog eens tegen de lamp met een parkeerovertreding: schijf vergeten te plaatsen. Vergeten, nu ja, ik moet bekennen dat ik er ook geen zin in had. Of als ik nog eerlijker moet zijn: misschien vond ik het zelfs opwindend om die parkeerschijf niet te plaatsen, en het vervolg van het verhaal af te wachten.

Meteen een ideaal aanknopingspunt om eens door te bomen over het doolhof van regels, reglementen en wetten waarin wij leven en sterven,- en over de psychologie van macht en (on)gehoorzaamheid. Duwen we op het gaspedaal om sneller ter bestemming te zijn, of is het de libertijn in ons die wakker wordt? Plassen we wild omdat de nood zo hoog is, of ook wel net omdat het niet mag? Ontduiken we belastingen om rijker (of minder arm) te worden, of uit rebellie tegen het systeem? Of… gewoon voor de fun? Hebben wij regels nodig, om ze te kunnen negeren? En waar komt dat plezier in de ongehoorzaamheid vandaan?

Jantje en de pruimen

Zeer tegen de zin van de postmoderne inquisitie die gaandeweg de universiteiten controleert, en het vooral op Freud, Lacan en de psychoanalyse heeft gemunt, – maar eigenlijk op elke vorm van speculatief denken-, zal ik nog eens een neo-Freudiaanse piste bewandelen over de intense samenhang tussen verbod en genot, gevaar en lust. Het ene roept namelijk het andere op.

S. Dali: “De verzoeking van de Heilige Antonius” (1946)

S. Dali: “De verzoeking van de Heilige Antonius” (1946)

Stel u een universum voor waar alles toegelaten zou zijn, zonder enige controle, straf of consequentie: we zouden vergaan van verveling. Dus worden er grenzen afgetast. Eerst is er de zindelijkheidstraining die maar niet wil lukken. Daarna het stiekem snoepen. Boeren aan tafel, de verkeerde hand geven, foute boekjes lezen. Spookrijden, verboden websites bezoeken. Hoe meer flitspalen, des te sterker proberen we ze te ontwijken. Het zebrapad is veilig, maar de ruimte ernaast veel aantrekkelijker. Het rood licht zegt stop, maar iets in ons zegt: “doorgaan”. De moraal en het fatsoen wijzen de weg naar de overkant. Stoute jongens en nieuwsgierige meisjes worden, net langsheen het pad van de deugdzaamheid, geprikkeld om zijwegen in te slaan en no-go-zones te exploreren.

Ik vermoed dat zo’n 80% van ons bewustzijn zich, dag-in-dag-uit, met die grijze zone bezig houdt: wat zijn de regels, hoe groot is de verleiding om ze ontwijken, wat zijn de voordelen ervan, wat is het betrappingsrisico, hoe ziet de sanctie eruit. De criminologie is de moeder van alle menswetenschappen. De moraal de schoonmoeder.

In onze taal is het inzicht, dat er een pad loopt van het verbod naar het verlangen, gemeengoed geworden dankzij het overbekende vers van Hiëronymus van Alphen, een 19de eeuwse advocaat uit Gouda:

Jantje zag eens pruimen hangen,
O! als eieren zo groot.
 ’t Scheen, dat Jantje ze wou gaan plukken,
 Schoon zijn vader ’t hem verbood.
 Hier is, zei hij, noch mijn vader,
 Noch de tuinman, die het ziet:
 Aan een boom, zo vol geladen,
 Mist men vijf, zes pruimen niet.
 Maar ik wil gehoorzaam wezen,
 En niet plukken; ik loop heen.
 Zou ik om een hand vol pruimen
 Ongehoorzaam wezen? Neen !

Een Tantalus-ervaring die met een nadrukkelijk “Neen!” wordt beteugeld. Maar net daar wordt het vers ongeloofwaardig en schieten we haast in een lach. Het is voor elke goede lezer immers duidelijk dat Hiëronymus met dit gerijmel zelf een scheve schaats rijdt. Want onder de zedenles omtrent het achtste gebod (“Gij zult niet stelen”) wordt een pornografische fantasie geschoven, met de sappige pruim als hoofdpersonage. Hoewel de vrucht verderop in zijn gedicht niét geconsumeerd wordt, voel je zo de begeerte opstijgen vanuit het taboe, met de vader als obstakel. Moet er nog Freudiaans zand zijn?

Meteen is de libidineuze onderstroom van het vergrijp zonneklaar: het verbod wekt de begeerte op, die aanleiding geeft tot het delict. Een begeerte die ook bij van Alphen zelf, als zedenmeester én pornograaf, actief blijken te zijn. De ketting tussen verbod, gevaar, dreigende sanctie, verlangen en verleiding is in alle grote liefdesdrama’s, van Tristan en Isolde tot Romeo en Julia, de sleutel tot de fatal attraction. Het is de twee-eenheid van eros en thanatos: hoe groter het obstakel, des te brandender de passie.

Onder de zedenles omtrent het achtste gebod (“Gij zult niet stelen”) wordt een pornografische fantasie geschoven, met de sappige pruim als hoofdpersonage.

Het is ondenkbaar dat Tristan en Isolde iets zouden begonnen zijn, zonder de sociale belemmeringen die hen uit elkaar dreven. Hun relatie zou saai, conventioneel en kleurloos zijn geweest. De Wagneriaanse platonisering van deze Love Story is evenwel een grote vergissing: de verleiding om de conventies te negeren is wel degelijk seksueel geconditioneerd. De quasi-slechte afloop, de extatische Liefdesdood na de betrapping van het stel, toont ons bovendien een nieuw aspect van de misdaadpsychologie: ook de straf zelf kan een genotsfactor zijn.

Ooit spiekte ik op een examen Latijn met een vertaling op mijn schoot, hspanking3oewel ik die helemaal niet nodig had. Uiteraard werd ik betrapt, een enorme buis was mijn deel. Niemand begreep het waarom van die stommiteit, ik al evenmin. Pas veel later besefte ik waar het toen écht om ging: via het delict creëerde ik een band met de lerares Latijn waarop ik smoor was. De betrapping was het hoogtepunt  van een verbeelde paringsdans, en de straf het naspel,- een kleine liefdesdood die ze exclusief voor mij als prille Cupido in petto had.

Zo blijkt de subversieve strategie van de ongehoorzaamheid zich op drie dimensies van het genot te richten: er zit plezier in de overtreding zelf, er zit genot in de consumptie, en er zit een lustfactor in de straf. Pas als die drie dimensies aanwezig zijn, kan men van de perfecte misdaad spreken. Tijd om onze blik te verruimen, en van Alphen in te ruilen voor het betere literaire werk.

Wetboek en blasfemie: van Mozes tot Sade

tiengebodenZoals in de meeste vitale processen is er ook in dit verhaal van verbod en verleiding een verwisselbaarheid tussen oorzaak en gevolg. Wat was er eerst: de wet of de foute neiging?  De regel of het plezier om hem te overtreden? De verbiedende vader of de lokkende pruim?

We laten die vraag van de kip en het ei verder over aan antropologen, criminologen, rechtsfilosofen en ander academisch personeel. Interessanter is de vaststelling dat deze as tussen verbod en genot een literair vervolg kent, met bizarre uitlopers.

Regels worden namelijk geconsolideerd in een tekst,– het reglement of wetboek, eventueel een Heilig Boek. Het is wellicht dé reden waarom het schrift ooit is ontstaan: uit de noodzaak voor de heersende macht om “objectieve” gedragscodes voor de groep vast te leggen. Maar daarmee haalt men een paard van Troje binnen, want vanaf dan kunnen sinistere individuen of groupuscules ook tegenteksten schrijven, recepten voor de ondeugd, blasfemieën, waar alle registers van het verboden genot worden opengetrokken, tot op het parodische of karikaturale af.

Het is de voedingsbodem van het Satanisme. Waar God beveelt, fluistert de duivel. Waar regels op schrift worden gesteld, duikt een literatuur van de overtreding op. Een literatuur die zelf in overtreding is. De theologische inconvenientie, dat de goede God ook het kwaad en de zonde heeft geschapen, leidt tot de conclusie dat de wet zelf tot wetteloosheid aanzet: door het goede tekstueel af te lijnen, wordt het kwaad zichtbaar als anti-tekst. Wat misschien wel de bedoeling was. Is God zelf een Satanist?

Waar God beveelt, fluistert de duivel. Waar regels op schrift worden gesteld, duikt een literatuur van de overtreding op.

De lust en de begeerte, die we al rond de pruimenboom en zijn dichter ontwaarden, blijken nu ook als een virus verstopt in de heilige teksten zelf.  De tien geboden waarmee Mozes de berg Horeb afdaalde, verlenen letterlijk een context aan de overtreding, en vormen een soort pornografie in spiegelschrift. Dat Mozes een seksmaniak was, wisten we al sinds “Der Mann Moses und die monotheistische Religion”, een sleutelwerk van Siegmund Freud uit 1937. Maar nu blijkt ook dat zijn stenen tafelen een gecodeerde aansporing tot ontucht bevatten: de wet geeft altijd de sleutel tot haar eigen negatie mee. Ze is dus in se corrupt.

De revolutionair en poSodomrnografische fantast  Marquis de Sade (1740-1814) zou daarvan ten volle de consequentie inzien: pas bij hem wordt het morele schoonschrift helemaal in spiegelbeeld gedecodeerd, en wordt elke wet herkend en herschreven als een expliciete uitnodiging tot de perversiteit. Het verbod op sodomie heeft het tot een haast verplicht nummer in de scientia sexualis gemaakt: ook het gat waar de duivel door loert, is uiteindelijk een goddelijke schepping.  Dura lex, sed lex: terecht heeft het bekendste condoommerk de drie eerste en de twee laatste letters van deze spreuk gebruikt om het gadget van de zonde een naam te geven.

Andere grappige coïncidentie, maar even veelbetekenend: in het jaar dat het pruimengedicht van Van Alphen het levenslicht zag, startte ook de literaire carrière van de Sade, als gevangene in Vincennes,- een carrière die zou culmineren in “Les Cent Vingt Journées de Sodome” (1784), een complete handleiding voor de ontucht, stiekem op een lange rol geschreven en in de celmuur verstopt.

De vervolging en internering van Marquis de Sade gebeurt des te drastischer, omdat hij de geschilderde orgieën bij voorkeur bevolkt met hoogwaardigheidsbekleders, magistraten, prelaten, en tutti quanti. Maar meer dan om een banale kritiek op de macht en zijn perverse excessen, gaat het bij de Sade om een brutale recuperatie van die macht en de bijbehorende onderdrukking, tot een instrument van de lust.

De politieke rebel en pamfletschrijver zoekt de arrestatie en zo de onderwerping aan een meester(es). Elke vorm van subversiviteit, ze weze politiek of crimineel, is gericht op een subdominante lustbeleving die in de straf haar beslag krijgt.

SadeDe hel in de hemel, de hemel in de hel. De gevangenis zelf wordt getransformeerd tot lustoord, de folterkamer tot een S.M.-ruimte. Eventueel vallen ze finaal samen, zoals bij de Sade, in nog een derde ruimte: die van het gekkenhuis. Revolutionair, literair genie, crimineel en seksueel pervert: de Sade was het allemaal. Door de wet te pornificeren, te verbreken, én zo tegen de lamp te lopen, wordt een extatisch kortsluitingspunt met de macht bereikt,- denk aan de lerares Latijn van daareven. En jawel: de meest fanatieke vijand en vervolger van de Sade was niet eens de zedenpolitie of de Franse staat, maar een vrouw, namelijk zijn invloedrijke schoonmoeder, Mme de Montreuil die achter de koninklijke arrestatiebevelen zat. Het idee dat zij hem opjoeg, moet voor de markies een enorme prikkel geweest zijn om dat masochistisch traject tekstueel naar zijn toppunt te voeren.

Het ware interessant om politieke dissidentie ook eens op die manier te analyseren. Denk bv. aan de rebel en internetactivist Julian Assange, opgejaagd als intellectueel crimineel, maar ook –en dat is opmerkelijk- als seksueel delinquent.

Leve de censuur?

AssangeNatuurlijk valt er in het universum van de Sade niet te leven, de doorsnee persoonlijkheid heeft daar gewoonweg de constitutie niet voor. Wie heeft de onheilige viervuldigheid van de rebel, het literair genie, de crimineel en de pervert in zich? Toch stuurt het literaire optreden van de Sade al onze moralistische, politiek-correcte opvattingen over democratie, journalistiek, mensenrechten en free speech en in de war. Hier is het duidelijk de abnorm en de zogenaamde pathologie die het normale/gezonde in vraag stellen.

Het schrijven op zich, als articulatie van het individu tegenover het systeem, lijkt namelijk niet mogelijk zonder vervolging en/of repressie vanwege dat systeem. Als de tekst, als signatuur van het individu, in se een tegentekst is, dan is de absolute tolerantie dodelijk. De crisis van de Westerse, (post)moderne literatuur vindt haar oorzaak net in de afwezigheid van censuur en in de totale permissiviteit. Waartoe nog schrijven, als alles is toegelaten? Hoe nog een tegentekst  produceren, als de Stenen Tafelen zwijgen?

Op zich zijn de principes van de vrijemeningsuiting en de artistiek-literaire vrijheid dan ook volstrekt steriel en zelfdovend: we zien waartoe ze leiden, namelijk in de facebook- en twitterdemocratie, de TV-talkshows en de eindeloze optocht der meningen, gevaarloos en onbenullig. Anderzijds tonen voorbeelden uit de voormalige Sovjet-Unie (Alexander Solzjenitsyn) en het huidige China (Liu Xiaobo) net hoe de censuur de literatuur betekenisvol maakt.

De crisis van de Westerse, (post)moderne literatuur vindt haar oorzaak in de afwezigheid van censuur en in de totale permissiviteit. Waartoe nog schrijven, als alles is toegelaten?

De vogelvrij verklaarde  Assange beoefent de dissidentie met veel sado-masochistisch flair, en organiseert zijn eigen heksenjacht (de echte martelaar is overigens zijn compaan Bradley Manning, die al twee jaar in een Amerikaanse isoleercel zit te creperen). Maar bij de klassieke letterkunde is de geest definitief uit de fles. Wanhopig tasten auteurs als Salman Rushdie de grenzen van de vrijemeningsuiting verder af, voelen geen enkele weerstand, en nemen dan uiteindelijk de profeet van een achterlijke godsdienst als pispaal, om toch maar hun vervolging uit te lokken. Met succes: Rushdie mocht onderduiken. Idem dito voor de Mohammed-cartoonist: aan een gewone politieke spotprent neemt niemand nog aanstoot.

Die povere bevrediging maakt alle andere geestesarbeiders stikjaloers: hun schriftuur is die van Jantje, verdrinkend in een mand vol pruimen,- vader vindt het allemaal OK. De democratie en de tolerantie maken de literatuur kapot. Talenten als L.P. Boon en Hugo Claus, beiden toch schrijvend vanuit een sterke blasfemische aandrift, hadden minstens de helft van hun leven in de gevangenis moeten zitten. Maar dat was hen niet gegund. Eén keer werd een toneelstuk van Claus (“Het leven en de werken van Leopold II”) verboden, en dat was het dan. Hun werk werd op applaus onthaald, ook door het regime, en stierf in het pluche en bladgoud. Daar stonden de belachelijke rebelrushdielen dan, beladen met eerbewijzen: Boontje komt om zijn loontje.

Hun nakomelingen, Brusselmans en Lanoye, en verderop Verhulst, wentelen zich verder in de leegte van een censuurloze, volstrekt tolerante en daardoor nihilistische cultuurindustrie. Hoeveel kak, pis, geil of sperma er ook aan te pas komt: het kan niemand wat schelen. Aan revolutionair proza beginnen ze zelfs niet: het zou archi-belachelijk overkomen, zeker uit hun pen.

De literatuur is dood, de revolutie afgeblazen, de prozaisten zijn masturberende narren geworden. Dan maar terug naar de pruimenboom?

Zero-tolerance en de duale stad

verbodOpmerkelijk: terwijl de intellectuele vrijheid zich botviert in een gebanaliseerde meningcultuur en de massaproductie van soft-pornoromans, en terwijl de straffeloosheid jegens de georganiseerde criminaliteit toeneemt, wordt de straat voor de gewone burger steeds meer een nieuwe repressieve ruimte. Vuilzakken op de verkeerde dag buiten zetten, eten op de tram, met de voeten op een bank zitten, een kartonnen doos verslepen, een broodje nuttigen op de kerktrap: het mag allemaal niet. Elke dag wordt de lijst met “overlast”-maatregelen langer.

Herhaaldelijk ben ik uitgevaren tegen het systeem van de zgn. GAS-boetes (“Gemeentelijke Administratieve Sancties”) en de nieuwe Zero-tolerance, waarbij vooral jonge mensen geviseerd worden, in het kader van een toenemende gerontocratie die ik als een Alzheimer-cultuur karakteriseerde. (Zie: “De opa’s zijn terug van nooit weg geweest”).  Maar na een lectuur van de Sade moet ik mijn mening herzien.  Strenge vaders kweken opstandige zonen. Deftige scholen brengen rebelse leerlingen voort.  In die zin zou ook de wildgroei van geboden en verboden in de publieke ruimte het kritisch bewustzijn en het subversief potentiaal kunnen aanwakkeren bij de gemiddelde weggebruiker. U hebt namelijk altijd de vrijheid om het verkeersbord te negeren, en daar begint de herovering van de autonomie die we helemaal kwijt gespeeld waren.

Binnen de grote maatschappelijke en politieke veranderingen, die zich wereldwijd aan het voltrekken zijn, is er ook de implosie van het klassieke, geschreven recht, samen met de even klassieke rechtstaat. De Grote Wet, de Mozaïsche religieuze moraal die expandeerde tot het Romeinse rechtsysteem met zijn duizelingwekkende voluminositeit, staat op het punt om te verdwijnen. In de plaats komt de georganiseerde, planetaire verkeersruimte met zijn 1001 logo’s, emblemen, pictogrammen die u de weg wijzen. De oeroude wrijving tussen verbod en overtreding is niet langer een tekstaangelegenheid, maar speelt zich vandaag steeds meer af als een kat-en-muis-spel met die verkeerscode.

grafitiDat opent perspectieven. Naarmate we het punt van zero tolerance naderen, opent er zich een spelruimte (iets als een Ganzenspel, met obstakels en fatale plekken), spannend, gespleten, gevorkt, duaal, die ons voortdurend laat kiezen tussen gehoorzaamheid en subversie, deugd en ondeugd. Die keuze is een hormonale kwestie, meer dan een rationeel-strategische. Afgezien van de economische delicten (een brood of een biefstuk stelen, een bank overvallen), komt opnieuw het lustprincipe aan de oppervlakte, en primeert het plezier in de daad zelf, zowel op straat als in de cybersfeer, denk bv. ook aan hacking (vooral van overheidswebsites) en allerlei andere internetfratsen.

Gewin is er zelden bij, de meesten doen het gewoon voor de fun. Het zijn variaties op het fenomeen van de aloude graffiti: tekens die aangebracht worden op de bestaande infrastructuur. Dikwijls worden verbods- en gebodstekens overschilderd met ludieke en/of pornografische schuttingtaal waarin het woord fuck domineert: een woord dat plezier, pijn, walg, verzet en overgave uitdrukt. Sade in de kleinst denkbare notedop.

Het delict draait voorts rond niet-reglementaire toeëigening van plekken en meubilair (met de voeten op de bank, broodje eten op de kerktrap, spelen op verboden grasperk, seks op de parking,…), ondanks de waarschuwingsborden. Soms wordt het preventie- en repressie-instrumentarium gewoonweg vernietigd (zoals camera’s en flitspalen).

Hoe meer overlastreglementen, des te meer men ze kan overtreden: de Zero-tolerance creëert méér
kritische massa, méér subversieve verbeelding, méér autonomie. 

Alle pogingen van het systeem om deze straatsubversiviteit te neutraliseren of te recupereren, mislukken. Speciale borden, bestemd voor graffiti, blijven blank, net omdat ze in die toegelaten context niets betekenen. Het idee om skaters van de straat te houden en hen te leiden naar de daartoe bestemde skatepleinen, bleek eveneens een flop: de overtreding is een essentieel onderdeel van deze subculturele sport. Idem dito voor de pogingen om prostitutie te “legaliseren” en in eros-centra onder te brengen: hoeren én klanten willen er niet van weten.

Het flirten met het onregelmatige en het exploreren van grijze zones wordt steeds meer de kern van de vrijetijdsbeleving, en dit niet alleen bij zgn. marginalen. Zo schept het repressieve systeem de voorwaarden tot zijn eigen negatie, en is de aloude Mozes toch terug van nooit weg geweest. Is de macht, in zijn manifeste, niet-gedogende, strenge vorm, zelf subversief? Maakt het systeem regels om de zondaar toe te laten, met zijn autonomie te experimenteren? Ik blijf het me afvragen. Het is het mysterie van de duale stad.

Laat dus 1000 berispende vingers opstijgen: ze zullen met evenveel opgeheven middenvingers beantwoord worden. Hoe meer overlastreglementen, des te meer men ze kan overtreden: de Zero-tolerance creëert méér kritische massa, méér subversieve verbeelding, méér autonomie.  Terwijl de babyboomgeneratie, na een kortstondige revolte, verdronk in het pruimenbad van de sixties,– met het gekende resultaat,- kan een stevig super-ego in de publieke ruimte, inclusief camera’s (“God ziet U”), vandaag de ego’s laten openbloeien.

politie3De stedelijke ruimte is een bipolaire en conflictueuze ruimte, dat is juist haar sterkte.  We hebben de stad niet nodig om te wonen, integendeel, en ook niet om mensen rondom ons te hebben, want de stad leidt juist tot eenzaamheid en vervreemding.

We hebben de stad wél nodig om de oertegenstelling tussen systeem en individu te ritualiseren. Als een socio-politieke oorlogszone, waarin autoriteit en autonomie, rechts en links, zich tegenover elkaar kunnen opstellen. Deze libertarisch-anarchistische visie op stedelijkheid verenigt de twee uitersten van het politieke spectrum: ja aan meer blauw op straat, meer stadswachters, meer controle, meer regels en matrakken. Maar evenzeer ja aan de overtreding, de ontduiking, de graffiti’s, de bezetting, het wildplassen en het rondhangen. Valt een van beide weg, dan is het ook met de andere afgelopen, zo blijkt o.m. op de Gentse Feesten.

In die zin ben ik geëvolueerd tot politiek compleet hybride, tot wanhoop van mijn critici: voor méér orde, en voor méér wanorde. De politie maakt deel uit van het feest. Want alles wat verboden is, is plezierig. En alles wat plezierig is, wordt ook best verboden. De Zero-tolerance is de hel en de hemel tegelijk.

Het boek en zijn aardbeismaak

Herfsttijd, boekenbeurstijd, de periodieke ovulatie van het edele schrijversgild voltrekt zich onder luid megafoongeschal. Op- en afzwellend geroezemoes, ritselende pagina’s, de geur van verse inkt, heroische debatten, rinkelende kassa’s, kwijlende senior writers op hun signeerstandjes, de stank van natte regenjassen. De plek waar lezen een genot en een kwelling is, een commercieel geïnduceerd orgasme én een bron van melancholie. Net op dat moment bekruipt me telkens weer de lust, als lezer én schrijver, tot een grootse boekenverbranding. Een reductio ad absurdum van heel deze afgeleide papierindustrie, de culturele bombast, de waanidee dat schrijvers ook maar iets zouden doen oplichten onder onze hersenpan. Waar komen die sakkerse letteren vandaan en waar dobberen ze heen? Is er leven buiten het boek, de schriftuur, de tekst?

Een poging tot tussenbalans van een langlopend project, deels al op het web gepubliceerd, onder de werktitel “Pleidooi voor ontlettering”. Met altijd de onderliggende ironie dat ook elke anti-tekst weer een tekst is…

Handel in emotionele goederen

Waar liggen al die boeken?

Op zaterdag 8 september 2012 verbrandde uitgever Harold Polis tijdens een boekvoorstelling een negatieve krantenrecensie over “De handel in emotionele goederen” van ene Maarten Inghels. Wellicht zonder het te beseffen gaf hij daarmee exact een inconveniente waarheid aan inzake de letteren en de literaire industrie: in se is het een papierkwestie. Er is de noodzaak van de uitgever om omzet te draaien, er zijn de belangen van drukkers en boekbinders, de boekhandelfederatie, de beurzen, het boek…en dan pas is er de tekst als, nu ja, vulmiddel. Schrijvers zijn gaatjesvullers. Zeer terecht werden ze in het revolutionaire Rusland van na 1917 bij de typografen gerangschikt.

Zo’n 20.000 titels verschijnen er per jaar in Vlaanderen: dat getal is nodig om de industrie draaiende te houden. Onterecht maken Peter Quaghebeur en Erwin Provoost, kersverse directeurs van WPG Uitgevers België, zich zorgen over deze papierberg (“Waar liggen al die boeken?”): boeken dienen immers gewoon niet om gelezen te worden, ze zijn er omdat ze er zijn, als afgewerkt product, als vulling voor de winkelrekken, en even later van de boekenkast in het salon.

“Schrijvers zijn gaatjesvullers. Zeer terecht werden ze in het revolutionaire Rusland van na 1917 bij de typografen gerangschikt.”

Edoch, telkens weer slaagt de literatuur, vooral bij het vallen van de blaren, er in om de zogenaamde meerwaarde van het papier in de verf te zetten. Wie niet leest zou dan arm van geest en achterlijk zijn, zich afsluiten van de beschaving. Die campagne moet periodiek herhaald worden, omdat mensen anders echt zouden doorhebben dat je met dat papier net zo goed de kachel kunt aansteken. Wat trouwens evenzeer geldt voor kranten en weekbladen. Romans en dichtbundels dragen daarom een parfum van zingeving, zoals men aardbeiensmaak aan yoghurt toevoegt. Ze zijn waardevol, aaibaar, diepzinnig, ze zeggen iets over de wereld, het leven, ons bestaan, en krijgen het karakter van een cultuurfetisj, waarmee je dus ook voodoo kan bedrijven, zoals uitgever Harold Polis onlangs deed. Zo ontstaat een mystiek huwelijk van cultuur en marketing, waarbij auteur én uitgever zich opblazen tot priesters van de goede smaak en bewaarengelen van de beschaving.

“Lijmen”: het boek als cultuurfetisj en massaproduct

Maar ach, vergeefs. De karikatuur die Willem Elsschot ons serveert in de figuur van Laarmans (“Lijmen”, 1924), oplichter, en uitgever van het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen, is bij mijn weten de meest geslaagde poging van een romancier zelf (!) om deze opblaasactie van de literaire massaproductie ten gronde te doorprikken. Laarmans verkoopt gewoon bedrukt papier aan al wie zo stom is om zijn praatjes te geloven: hij is op zijn eentje een complete metafoor voor de bellettrie en haar impertinentie. Het misverstand dat de roman een “drager” zou zijn van een boodschap, en dat heel de perifere industrie daarvan ten dienste staat, wordt hier genadeloos de grond ingeboord. Een uniek iconoclastisch document,- een goed lezer kokhalst halverwege en gooit dit boek bij het oud papier.

Het is een grote verdienste van de moderne marketingleer, dat hij deze Elsschotiaanse bodem van het boek ook ongegeneerd demonstreert, en elke schrijver degradeert tot typograaf. De objectieve concurrentiepositie van alle beroepsintellectuelen, zich richtend tot eenzelfde universum van “meerwaardezoekers”, herleidt hen tot hun ware gedaante van brullende marktkramers die elkaar willen overstemmen.

“Veel van het zogenaamde rebelse en eigenzinnige in kunst en literatuur is tot ordinair haantjesgedrag te herleiden, in naam van de zelfpromotie.”

En of er hard geroepen wordt. Een literair product vergt nu eenmaal dezelfde publicitaire opvolging als andere massaproducten, zoals een wasmiddel of een i-Phone. Ook de tijd en het budget van de cultuurconsument zijn eindig, er moet dus gevochten worden voor marktaandeel. En dat gevecht wordt in hoge mate aanschouwelijk op boekenbeurzen. Wie boek A leest, kiest niét voor boek B. In die optiek zijn alle kunstenaars en letterkundigen elkaars rivalen, ook al willen ze wel eens corporatistisch samenklitten in Pen-clubs e.a. Vandaar ook hun permanente bekommernis om als iconisch figuur en “opiniemaker” te worden behandeld. Hun ethische weldenkendheid, cultuurpedagogische intenties, persoonlijke ijdelheid, én hun commerciële besognes (velen hebben vandaag een eenmansvennootschap) vloeien samen in één communicatietechnische logica van het intellectuele handelsmerk.

Dus wordt de auteur een geregistreerd merk, onder het motto “Lees mij, ik ben beter”. Dat leidt soms tot vermakelijke toestanden. In Nederland zijn de concurrentiële vetes tussen schrijvers gaan behoren tot het literaire theater zelf, denk bv. aan het gehakketak tussen A.F.Th. van der Heijden en Arnon Grunberg. Veel van het zogenaamde rebelse en “eigenzinnige” in kunst en literatuur is tot dit haantjesgedrag te herleiden. Dikwijls is de aanleiding een onderscheiding of een prijs die onderling betwist wordt,- logisch, want de verkoop hangt er in hoge mate van af. Onder alle polemische hoogstandjes voelt men de broodnijd binnen een markt die de heren gedoemd zijn om te delen. En wie helemaal niet blaft of bijt, verdwijnt in het grijs.

Fahrenheit 451

Uiteraard legt dat een enorme druk op hun productiviteit, een (zelf)dwang die het aangeboren Narcisme van de beroepsintellectueel nog aanwakkert, en waardoor we steeds meer een déjà-lu gevoel krijgen. Sufte en hoofdpijn na het lezen. Elk jaar moet de schrijver zijn roman afleveren, als een marktvers product waarvan de lectuur als een sociale plicht wordt voorgesteld. De dwang aan de productiezijde leidt als vanzelf tot een dwang aan de consumptiezijde, en vice-versa,- ook dat is elementaire marktlogica. Wie Congo van David van Reybrouck niet gelezen heeft, of niet minstens doet alsof, is een marginale Johny.

Of kijk wat Mai Spijkers, baas van uitgeverij Prometheus, in De Volkskrant zegt over de “Vijftig tinten”-trilogie van E. L. James, dé literaire hype van 2012 waarvan hij de vertaalrechten binnenhaalde: “Iedereen wil het lezen, omdat iedereen het leest”. Einde citaat. Alleen jammer dat daarvoor bomen moeten sneuvelen,- uiteindelijk is het boek etymologisch een dode en versneden beuk. En door de bomen zien we het bos niet meer.

“Boeken zijn wel degelijk nuttig, als men ze kan herleiden tot hun calorische waarde van brandstof, in tijden van nood.”

In het licht van deze verdwazing zijn boekenverbrandingen dus nog zo dom niet, en alleszins mogen ze niet gelijk gesteld worden met distopische toestanden in fascistische regimes, zoals het verfilmde boek “Fahrenheit 451” (1953) van Ray Bradbury hardnekkig doet. Het kunnen daarentegen statements zijn tegen het literaire consumentisme en de commercieel gefokte leesdwang. Een statement tenslotte tegen een cultuur van het schrift zelf, de talloze bijbels die voorschrijven hoe we moeten leven of hoe we een soufflé moeten maken, duizelingwekkende wetteksten die niemand kent of begrijpt maar die toch ons bestaan beheersen, de academische sterrenwichelarij, de terreur van de voetnoten, de mythe van het intellectueel eigendom en het copyright. Enzoverder. Het boek is een symptoom van een decadente beschaving waarin het woord een haast puur manipulatieve betekenis heeft.

Doch opgelet. Boeken zijn wel degelijk nuttig, als men ze kan herleiden tot hun fysieke realiteit. Ik denk dan uiteraard aan hun calorische waarde van brandstof in tijden van nood. Mijn betreurde vriendin Kaat Tilley gebruikte ze als opvulling van gebarsten muren in haar boerderij. En in menig Vlaamse huiskamer staat een welgevulde bibliotheek met nooit geopende boekvolumes, door Laarmans aangeleverde encyclopedieën, of zelfs luxueus gekafte dummies, gewoon ter decoratie. Een rechtvaardige kiloprijs dringt zich op, ook in de literatuur, en maakt alle recensies overbodig.

Johan Sanctorum

“Fahrenheit 451”: Lees het hele essay over ontlettering