Categorie archief: De wereld als pretpark en spektakel

Vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden

CharbEren kunnen we de Charlie-Hebdo-cartoonisten pas door ons scherp te houden en zelf aan de politiek-correcte dictatuur te weerstaan.

Toen filmmaker Theo Van Gogh in 2004 door een moslimfanaticus werd vermoord, stond heel de weldenkende samenleving op stelten. Even snel spoelde de verontwaardiging weer weg met de waan van de dag. Bij mij is dat feit blijven nazinderen en heeft het mijn kijk op democratie en vrijemeningsuiting grondig dooreen geschud. Is vrijheid wel vrijblijvend, iets dat we onbeperkt en kwistig kunnen consumeren zoals de Mei ’68-golf dat voorhield, of is ze met risico’s verbonden en hangt er een prijskaartje aan? En.. is het misschien juist dat wat die vrijheid waardevol maakt en inhoud geeft?

Wolinski en de kont van zijn echtgenote

De executie van vier Charlie Hebdo-cartoonisten, redactieleden en nog acht andere mensen die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren, stelt deze discussie opnieuw op scherp. Ongetwijfeld waren Cabu, Charb en Wolinski iconen van gedurfde journalistiek en compromisloos parler-vrai. Maar net daardoor waren ze ook provocateurs en tastten ze bewust en gewild de grenzen af van het politiek-correcte. Hun Mohammed-spotprenten waren niet zomaar ludieke bedenksels: het ging om zware risico-operaties in een politiek en sociocultureel klimaat waar zwijgen en wolligheid steeds meer de norm waren, en het katholieke pudeur van weleer vervangen was door de nog meer benepen dwang om vooral niet op zere (moslim)tenen te trappen. Het was dus vloeken in een maatschappij die door chantage werd en wordt gedomineerd, ondanks alle praatjes over democratie en vrijemeningsuiting.

Alleen in de kleutertuin is de vrijheid gratis en mogen de kinderen met kak op de muren schilderen. Daarbuiten moet ze afgedwongen, heroverd worden, steeds weer, door slechte karakters die er op een of andere manier genoegen in vinden (anders blijf je dat niet doen) om te vloeken in de kerk en de overtreding van het fatsoen tot norm stellen, hopend dat hun signaal niet verloren gaat in het genoeglijk ruis van het ‘publiek debat’ en de futiele meningendemocratie. Dus moet er met scherp geschoten worden en wordt men zelf ook een schietschijf.

Het is uiteraard veelbetekenend dat die strijd van de enkeling tegen de pensée unique focust op de islam, als totalitaire censuur-ideologie die zich in onze multiculturele zeepbel heeft genesteld. Cynisch zou men kunnen stellen dat Charlie Charlie niet zou geweest zijn zonder het moslimfanatisme, en dat hun pen misschien wel tekenen van roest zou vertoond hebben. Door tegenkracht worden pennen scherp en komt ook echte, compromisloze kwaliteit boven drijven.

Er loopt zo een lijn vanuit de Duivelsverzen (1988) van Salman Rushdie (vogelvrij verklaard  door de moslimwereld), Van Goghs film Submission (een titel die Michel Houellebecq nogal vlotjes overneemt in zijn nieuwste roman Soumission) van 2004, de eerste Mohammed-spotprenten van 2005 in de Deense krant Jyllands-Posten, tot aan de serie cartoons die de Charlie Hebdo-tekenaars uit hun mouw schudden.

Intellectuele gave, talent, maatschappelijk engagement en individueel temperament gaan hier hand in hand. Want bij elk van deze gevallen gaat het om mensen die existentieel op het punt van een soort doodsverachting gekomen waren: het opzoeken van de gevarenzone en het zoeken van de confrontatie, ook als persoonlijke opwinding en kick van het koorddansen zonder valnet. Dat wat de filosoof Friedrich Nietzsche ‘gefährlich leben’ noemde, en wat bij Martin Heidegger het ‘Sein zum Tode’ werd.

In die zin moeten ze als helden beschouwd worden, in de klassieke betekenis van het woord: individuen die het volle leven willen beamen, voor het maximum gaan (Sartre: ‘Soyons raisonnables, demandons l’impossible’), en op die manier hun dood tegemoet lopen.

Dat vereist een dosis straffe humor die nodig is om als cartoonist te functioneren, maar die zich ook in het gewon leven doorzet. Georges Wolinsky, een van de vermoorde Charlie-tekenaars, bedankte voor het Légion d’honneur dat de overheid hem wou toekennen (wat is immers de waarde van een door het bestel gelauwerde spotprenttekenaar?), maar anticipeerde ook op zijn dood met de grap die er uiteindelijk geen was: Ik heb tegen mijn vrouw gezegd dat ze de as in het toilet moet gooien. Zodat ik voor altijd haar billen kan zien.’

Wolinsky kreeg dus wat hij verdiende en verwierf het grootste ereteken: eeuwig uitzicht op de kont van zijn echtgenote. Het paradijsperspectief van de agnost.

Het is een beeld van de intellectueel zoals we dat vandaag haast niet meer kennen: een zelfmoordcommando, een ontdekkingsreiziger in het gevaarlijke, met mijnen bezaaide rijk van de vrijheid waar elk gebaar, elk woord het laatste kan zijn. En waarvan de humor niet alleen de retorische techniek uitmaakt, maar ook de conditie waarmee men zich vrolijk en gracieus doorheen dat mijnenveld beweegt. Humor als techniek én levenskunst. Tot de kalasjnikovs de grap tot zijn pointe voeren.

Ondertussen bij de media

En dan is er natuurlijk het gejammer en de borstklopperij van de journalistieke kaste. We zijn allemaal Charlie Hebdo’, toeteren Yves Desmet (De Morgen) en Karel Verhoeven (De Standaard) eendrachtig.

Elke pennenlikker, elke inktkoelie wil zich nu even snel identificeren met de gevierde en betreurde helden uit Parijs. Maar het komt op mij over als de Witte Brigade die bij ons enorm aanzwol toen de Duitsers verslagen waren. Het zijn hoger vernoemde en andere Vlaamse reguliere media, en niet te vergeten uiteraard de VRT, die zich altijd in het lauwe politiek-correcte sop hebben bewogen waar Wolinski en gezellen zich zo tegen afzetten.

Nooit werden de dingen benoemd, nooit werd het hard gespeeld, nooit voelde je ook maar in de geringste mate het intellectuele avonturierschap zoals hierboven beschreven. Zorgvuldig bewaakten en bewaken zij de politiek-correcte mainstream waarin wel het moslimterrorisme wordt veroordeeld, maar waar men nooit tot een duiding overgaat van de ideologische impact an sich. Nooit worden man en paard genoemd of wordt er een analyse ten gronde gemaakt van deze kloof tussen Europees Verlichtingsdenken en sluipend totalitarisme dat in naam van de multicultuur om zich heen grijpt. Zeer snel vervalt men weer in het slachtofferverhaal van de kansarme allochtoon die naar het geweer grijpt omdat hij niets om handen heeft.

Heel het Belgisch/Vlaamse mediawereldje mag overigens op beide oren slapen: weinig waarschijnlijk dat Yves Desmet, Bart Brinckman, Bart Sturtewagen of, godbetert, Peter Vandermeersch bezoek zouden krijgen een gewapende moslimbrigade. Brave seuten zijn het, die telkens warm en koud blazen als het over heikele punten als de islam en de democratie gaat. De Vlaamse pers sterft niet door de kogel, ze gaat dood aan saaiheid en wolligheid.

In dat opzicht klinken de hommages en de grote verklaringen ongelooflijk vals. Voor zover ik kon nagaan durfde niet één Vlaamse krant het aan om een van die straffe Mohammed-cartoons, die de inzet vormden van heel de massacre in Parijs, op haar voorpagina af te drukken. De Standaard toont zich weer van haar verzoenende kant: de krant drukt op haar voorpagina van eergisteren een tekening af waarin een moslim en een Charlie-cartoonist elkaar een tongkus geven. Dat was de reactie van het magazine zelf na de mislukte aanslag in 2011. Door deze parodie op de meligheid nu te afficheren als een soort aanbieden van de andere wang, tonen de Standaard-editorialisten dat ze de Charlie-humor eigenlijk niet snappen, maar proberen ze ook heel de maatschappelijke tegenstelling en het idee van een te-heroveren-vrijheid, te depolariseren tot een belachelijk gezelligheidstafereel, dat ik niet aarzel als een geval van dhimmitude te betitelen, onderwerpingsgedrag. Make love, not war, ook na Parijs 7/1. Schrik en door de marketinglogica geïnspireerd zekerheidsdenken spreekt uit die halfslachtigheid.

Niet dat dit een monopolie is van de Vlaams/Belgische pers. Associated Press, het grootste persbureau ter wereld, verwijdert alle Charlie Hebdo-covers waarop de profeet Mohammed is afgebeeld. Andere media, zoals New York Daily News en The Daily Telegraph, kiezen voor het blurren van de afbeeldingen. Lafheid troef.

Fundamenteler nog moet men zich vragen stellen bij de gesloten manier hoe die redacties met vrijemeningsuiting omgaan, en hoe de sluipende (zelf)censuur hun status van zogenaamde waakhond van de democratie helemaal heeft uitgehold. Ik haalde enkele weken geleden al aan hoe De Standaard systematisch opiniestukken weigert die niet passen in het politiek-correcte straatje. Er bestaat ondertussen al een kransje van uitverkoren refusés, waartoe ondergetekende zich mag rekenen, dat misschien teveel de Charlie-attitude genegen is en te weinig de Vlaams/Belgische compromisgedachte. Meer en meer versmalt de democratie tot een consensusdemocratie die in feite een omfloerste dictatuur is, omhangen met meningen die niemand verontrusten.

Zo worden deze media medeplichtig aan het smoren van wat ze vandaag met veel poeha beweren te verdedigen. Denk vooral niet dat de dood van de vier cartoonisten deze politiek-correcte waan zal doorbreken. Integendeel, nu al lees ik commentaren in diezelfde kranten dat men zich vooral moet hoeden om te ‘polariseren’, dat ‘achterstelling en uitsluiting de oorzaak zijn’ (Karel Verhoeven, De Standaard 8 januari 2014), dus niet de islam-ideologie zelf die niet-moslims als een lagere diersoort beschouwt, en dat we vooral ‘verbondenheid en warmte’ moeten zoeken (Yves Desmet, De Morgen 8 januari 2014).

Oorlog en vrede

Sorry, maar met deze pastoorspraat komen we er niet. ‘L’amour plus fort que la haine’, ga dat maar eens preken in de middens waar de grote islamitische wereldrevolutie wordt voorbereid, in de Islamitische Staat, maar ook in onze door de overheid gefinancierde én door imams uit Saudi-Arabië beheerde moskeeën.

Scherpe pennen gevraagd dus. Waarbij het dan nog de kwestie is, of pennen zullen blijven volstaan wanneer de Kalasjnikovs knallen. Want laten we wel wezen: het begin van de 21ste eeuw zal door historici ooit aangeduid worden als het ontbrandingsmoment van een derde wereldoorlog. Een oorlog zonder loopgraven zoals de eerste die had, en zelfs zonder duidelijke militaire logica of tactiek zoals de tweede die nog bezigde. Daarom bakken de VS er ook niets van in Irak of Afghanistan: militair leven ze nog in de vorige eeuw. De oorlog die we vandaag meemaken is een Totalkrieg zonder onderscheid van krijgspersoneel of burgers. Iedereen kan slachtoffer zijn, het gevaar loert overal. Via de islamreligie als ideologische munitie wordt onze Westerse cultuur met de grootste uitdaging uit haar geschiedenis geconfronteerd. Neutraliteit of ontkenningsattitudes vormen niet langer een optie. Iedereen is gedoemd om kleur te bekennen. Beweren dat er geen probleem is, is partij kiezen voor de agressor en de weerstand proberen te breken.

Dat geeft een bepaalde opluchting, eindelijk trekt de mist op. Na de bloemen en de kransen, de krokodillentranen en de hulderedes, de papieren heiligverklaringen en het mediagedaas, moeten we hopen dat de dood van Cabu, Charb en Wolinski een schokreactie zal veroorzaken en mensen zal wakker schudden. Vooral met het oog op een mondigwording, een kritisch zelfbewustzijn dat zich niet meer door de overheid of de media laat betuttelen of politiek-correct reguleren. De scherpe kantjes moeten er niet af, ze moeten net aangescherpt worden. Laat liefde zegevieren, inderdaad: liefde voor de vrijheid en liefde voor het leven, zodanig dat de doodsangst de levenslust niet langer bederft.

De vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden, zoals de vrede zelf. En laat ons dat wel een oorlog waard zijn.

Advertenties

Villa Politica, of de leegte van het machtsspel

dwvdirupo Nu het ons voor de Belgische verkiezingen duidelijk is gemaakt dat we enkel nog voor of tegen Bart De Wever kunnen stemmen, in casu “tussen het PS-model en het N-VA-model”, kunnen we spreken van een polarisatie, en dat heet goed te zijn voor de kwaliteit van de democratie. Zelf heb ik altijd in polarisatie geloofd, het zijn de uitersten die het politieke debat zinvol maken. Herakleitos (“De oorlog is de vader van alle dingen”) is altijd mijn filosofische Urheber geweest. Maar de laatste tijd heb ik mijn twijfels. Is dit wel een echt duel, of lijkt het meer op een geënsceneerde worstelpartij? En wie ensceneert er dan eigenlijk? Met welk oogmerk? Cui bono? Wie heeft er baat bij?

Het ultieme pre-electoraal essay, dat alle rode potloden wil onscherp maken en alle stemcumputers viraal infecteert.

1.  Plutocratie: de zoektocht naar de onbewogen beweger

parlementDe vraag wie het debat tussen Di Rupo en De Wever, links en rechts, zou winnen, is veel minder essentieel dan de vraag wie het organiseert en bemeestert. De media? Maar wie zit er achter die media? De concerns? Het wereldkapitalisme? De G8? De Bilderberggroep? Een buitenaards dispatchcentrum in de Himalaya?

Deze vraag naar de plutocratie, de (geheime, discrete) macht achter en voorbij het politieke geharrewar, wordt veel te weinig gesteld.  Het vermoeden van een macht-achter-de-macht.  Wat Nietzsche omschreef als de “Wille zur Macht” gaat eigenlijk daarover: we bezitten geen macht, het is de macht zelf die ons bezit. Dus helpt ook het doden van tirannen niet, er komen er steeds weer andere in de plaats. De revolutie is een maat voor niets. En deze crux interesseert me als metapolitiek filosoof mateloos: wie of wat is voor deze herhaling verantwoordelijk?

In die zin is de doorsnee-analyse, dat Bart en Elio elkaar als tegenstrever uitkiezen, omdat hen dat goed uitkomt elk aan hun kant van de taalgrens, absoluut triviaal én veel te flatterend voor beiden. Ten gronde ben ik ervan overtuigd dat ze ook maar marionetten zijn en dat we moeten zoeken naar het subject achter deze oorlog. Of misschien wel achter elke oorlog. Waarom doen ze dit eigenlijk?   Onlangs woonde ik een hanengevecht bij, en dat was een eye-opener: die hanen hebben niets in de pap te brokken. Bij elk gevecht is er ook iemand die toekijkt en regisseert. Hij is de eigenlijke winnaar.

Doorheen het vermoeden dat alle polariteiten doorstoken kaart zijn, kunnen we nu eindelijk de overgeleverde Herakleitos-boutade helemaal tot het uiterste doordenken: de oorlog is de vader van alle dingen, dus is die vader ook de vader van alle oorlogen. Wie geeft dan nog om het kinderachtige duel tussen de zonen? De vraag naar de ultieme Godfather voert ons onmiddellijk naar de omvangrijke literatuur van de complottheorieën, die door geen ernstig mens au serieux worden genomen, en dat maakt ze des te plausibeler.

Ook Bart en Elio zijn maar kleine marionetten in een theater waarvan de regisseur heel moeilijk te benoemen is.

Compleet luidt dat Herakleitos-fragment overigens:

Oorlog is de vader van allen en koning van allen.
Sommigen laat hij goden zijn, anderen mensen.
Sommigen maakt hij tot slaven, anderen vrij.

Vader dus, met of zonder hoofdletter. Een niet-benoemde Koning. Herakleitos (en daarmee zijn voornaamste leerling, Friedrich Nietzsche) maakt de link tussen politieke kritiek, religieuze kritiek en psychoanalyse. Door die Vaderfiguur op te roepen (géén moederfiguur) maakt hij van de oorlog zelf eigenlijk maar een tragikomedie, een theaterstuk dat door Iemand van buiten het universum geschreven, bedacht, gedirigeerd is. Ergens moet er een absolute kracht zijn die, puur voor het plezier van het drijven zelf, al de rest in beweging zet. Onnoemelijke lichtheid en absolute zwaarte, in één formule vervat.  Deze hypothetische onbewogen beweger, noemen we hem Pluto, ensceneert de tegenstellingen… gewoon om zijn macht te bevestigen. Daarachter is er geen antwoord meer op de vraag “cui bono?”.

Elke grote complottheorie, die haast de kracht moet hebben van een scheppingsverhaal (scheppingsverhalen zijn trouwens de oervorm van de complottheorie), gist naar deze “transcendente” figuur, waarbij men moet bedenken dat talloze aardse godfathers als kleine regisseurs een klein vlooientheatertje mogen beheren. Elke dictator is maar een futiele stand-in voor Pluto, alias de Wille zur Macht, alias de Vader van Herakleitos.

De minachting voor het politieke bedrijf komt uit dat inzicht voort. Voor een echte alleenheerser zou ik nog buigen, maar alle dictators zijn slechts plaatsvervangers, stand-ins voor iets groter, onzichtbaar, ongrijpbaar. Om nog maar te zwijgen van verkozen politici. Macht is niet enkelvoudig, ze is gedelegeerd en uitbesteed, maar een criticus kan niet anders dan tenminste proberen het uiteinde van die ketting te vinden.  Een retrograde zoektocht naar de onbewogen beweger en oorsprong van alle tegenstellingen, waarbij men veroordeeld is om alle etappes en tussenpersonen in kaart te brengen. Ook de meest lachwekkende. Niccolò Machiavelli had minstens een vermoeden van die lange ketting. Hij is er halverwege afgevallen.

2. Democratie, of de macht van Niemand

stembureauDe ultieme machtsanalyse, als zoeken naar God via zijn plaatsvervangers: zeer snel worden zowel Elio di Rupo als Bart de Wever onooglijk klein, tot het formaat van dorpspolitici. Zij bespelen het publiek, en worden bespeeld.

Maar ondertussen is er natuurlijk ook de massa van de machtelozen, het publiek. Wat is de rol van het volk in deze enscenering? Pure toeschouwers? Schijn bedriegt, want in een democratie heeft het volk zelf de macht. Hoe kan dat? Hoe dit te rijmen met de complottheorie rond de onbewogen beweger?

Hiervoor moeten we weer uit een nieuw vaatje tappen, en het Nietzscheaanse gezegde “God is dood” toevoegen aan de Plutokratische algebra. We rekenen verder: als God-de-vader de oorlog ensceneert, én als God dood is, wie ensceneert dan de oorlog? Niemand? Inderdaad, de nagel op de kop: Mr. Nobody, alias de naamloze massamens, het andere uiteinde van de ketting. Diegene die geen enkele macht had, erft nu die macht, zonder ook maar enigszins te weten wat ermee aanvangen. Hij stemt dus, kleurt een bolletje rood, brengt de kemphanen in de arena. Lusteloos, volatiel, onvoorspelbaar, ongeïnteresseerd eigenlijk. En dat maakt die mijnheer Niemand, gek genoeg, tot een absolute schemertiran die de politieke klasse verwart en kwelt.

We vinden die omgekeerde slavernij vandaag terug in de politicus die zijn kiezers achterna loopt. Di Rupo en De Wever doen het beiden. Elk zijn ze veroordeeld om hun aanhang, die ze mathematisch vermeerderd willen zien, te behagen en naar de mond te praten. Bang zijn ze van de kiezer, de machteloze macht die willekeurig, haast blindeling zijn potlood laat vallen op het stembiljet.

Uiteindelijk schenkt ons de democratie de bestuurders die we verdienen, en dat zijn de dorpsburgemeesters, met een mix van sluwheid en domheid.

En zo is meteen het antwoord gegeven waarom we dat uiteinde van de machtsketting niet vinden: de Plutokratische logica heeft zich omgekeerd, en loopt van onder naar boven. De democratie is wel degelijk een feit, het volk regeert, maar het theater is er niet beter, schoner, fraaier op geworden. Integendeel. Een beroepsklasse van middelmatige demagogen heeft zijn intrede gedaan, volkspolitici die weten dat ze niets te zeggen hebben en dat ook niet erg vinden, want het is uiteindelijk een broodwinning als een ander. Het zijn sportlui, worstelaars, en spiegelen zich aan de sport, omdat ook hier de vedette leeft van zijn publiek. De sportvedette is de speelbal van de supportersmeute, zelfs zijn charisma bestaat maar bij genade van het publiek. Zo zijn we weer bij de hanengevechten, maar dan zonder Godfather.

Het volk regeert, wedt, kiest, bewondert, schiet af, zonder dat iets van boven uit, een willende macht, nog voor enig tegengewicht zou kunnen zorgen. Niets hindert nu nog de opstoot van het vulgus. Alleen door rond de pot te draaien, en net niet te zeggen waar het over gaat, verwerft de demagoog enig uitstel van executie. De demagoog, niet begrepen als “volksmenner” (dat is een slechte vertaling), maar als antenne die gedoemd is om de “signalen” van het volk op te pikken, wat dus “draagvlak” oplevert.

Anti-democratische cultuurpessimisten kunnen hier nu voluit gaan, en ze hebben gelijk: als de massa regeert, is het einde nabij. Uiteindelijk schenkt ons de democratie de bestuurders die we verdienen, en dat zijn de dorpsburgemeesters, met een mix van sluwheid en domheid. Plato voelde het aankomen, en dacht dat de filosofische koningen de wereld gingen redden. Een staatsgreep die mooi niet doorging: als het ultieme tegengewicht bovenaan verdampt, kan niemand de verticale top-down-ketting nog redden, ook geen verlichte despoot, zelfs niet met de meest edelmoedige en filantropische bedoelingen. De Atheense democratie was toe al geboren, Socrates had de straat al onveilig gemaakt.

3. Zoek de kip: Lysistrata – Xantippe

femenDe dictatuur deugt niet, de democratie nog minder. De machtsstrijd is leeg en wordt daarom steeds theatraler, een spel dat ons gaandeweg degouteert. Proefballonnen, leugentjes-om-bestwil, achterbaks gekonkel in de coulissen: als God niet dood was, viel hij ter plekke omver.

Des te meer wekt het verbazing, dat men vrouwen actief bij dit kinderachtig hanengevecht probeert te betrekken. Of beter: het past perfect in het plaatje, want echte, onzijdige toeschouwers die zich aan het publieke-politieke machtsspel onttrekken,- daar zit de zwakke plek van heel het circus.

Ik vernoemde Socrates –waarvoor Nietzsche een enorme minachting had-, maar eigenlijk wil ik het over Xantippe hebben, zijn vrouw die thuisbleef, zich niet met politiek bemoeide (was in het Athene van toen overigens niet toegestaan), maar hem desalniettemin probleemloos de baas kon. Hoe apolitieker de vrouw, hoe gevaarlijker ze is. Via de keuken bezit ze de macht om te belonen en te bestraffen, zelfs om te vergiftigen. Het verschil in levensverwachting tussen vrouwen en mannen heeft daar allicht mee te maken: er worden meer mannelijke partners geëlimineerd dan de statistieken laten vermoeden.

Deze zwarte-weduwe-moorden worden echter doorgaans vervangen door seksuele chantage: het is dikwijls veel leutiger om een man in bed de geneugten te ontzeggen, dan hem simpelweg om te brengen. Mannen hebben vrouwen meer nodig om hun lust te bevredigen, dan vice-versa. Terecht spreekt men van het huwelijk als geïnstitutionaliseerde prostitutie, met dien verstande dat ook hier de echtgenote/concubine de touwtjes in handen heeft door voorwaarden te verbinden aan de penetratie door de echtgenoot/cliënt. Anale seks staat aan de top. Vrouwen hebben er niets aan, maar als pasmunt en drukkingsmiddel is het voor hen een zegen. De dag dat vrouwen gemeenzaam beslissen om op die manier een politieke partij te promoten, zijn de dagen van alle andere partijen geteld.

Het beste wat vrouwen kan overkomen, is het verlies van hun stemrecht. Dan geldt weer de wet van bed en keuken, en daar heeft de man geen verhaal. 

Uiteraard moeten we hier verwijzen naar Lysistrata, de komedie van de Griekse kluchtschrijver Aristofanes, waarin vrouwen zich op een onorthodoxe manier mengen in de Atheens-Spartaanse oorlog (Di Rupo – De Wever?) door de kemphanen aan beide zijden met een seksstaking te confronteren. Tussen de lakens dooft elke politieke machtsstrijd uit. Zie DSK en alle andere fallokraten. Onnodig te zeggen dat daarmee elk hanengevecht snel zijn glans verliest: vrouwen hebben geen politiek nodig, maar omgekeerd des te meer. Noem het de buitenspelval van Lysistrata (letterlijk: “zij die de macht ontbindt”) en Xantippe.

Wellicht daarom werd enkele dagen geleden een campagne opgestart om meer vrouwen in de politiek te krijgen, onder het motto “Let’s make it fifty-fifty”. Evenveel vrouwen als mannen in de regering, luidt het devies, en liefst ook in de administratieve topambten en alle parlementen die dit land rijk is. Een aantal politieke boegbeelden zet er zijn schouders onder. Vreemd genoeg een aantal oude ratten uit de tijd dat de dieren nog spraken en politiek een mannenzaak was, zoals Mark Eyskens, Herman de Croo en Willy Claes. En dat is heel logisch: een politieke recuperatie van het vrouwelijk electoraat is essentieel om een seksstaking – of erger- te vermijden.

Het vrouwelijk stemrecht, én deze “Make it fifty-fifty”-actie, hebben vooral tot doel om deze infra-politieke vrouwelijke subversie te bezweren.  Geef ze status, laat ze ook een petje dragen, en de dreiging van de keuken én het bed neemt af. Zo wordt die stem-vrouw-actie het summum van subtiele macho-strategie.

De conclusie is,- en het is niet de eerste keer dat het hierop uitdraait,- dat alleen buitenpolitieke krachten de machtslogica kunnen doorbreken. Vrouwen, blanco-stemmers, misschien zelfs dieren (die net daarom ook ooit wel stemrecht zullen krijgen, eens ze een “doelgroep” vormen). Het aantal blanco-stemmers en thuisblijvers in België (waar de opkomstplicht geldt) ligt nu rond de 15%. Dat is al de omvang van een middelgrote partij. Met de toenemende leegte van het machtsspel en de holheid van de woorden, wordt ook stemmen zelf een zinloze bezigheid.

Het beste wat vrouwen kan overkomen, is het verlies van hun stemrecht (in België ook een stemplicht). Dan geldt weer de wet van bed en keuken, en daar heeft de man geen verhaal. Dan komen heel andere scenario’s weer aan bod, waarin de oorlog en de kiesstrijd stilvallen wegens privé-problemen. Keuken, haard en bed zijn de drie gevarenzones, door de Grieken gezamenlijk als “oikos” betiteld, als tegenpool van de publieke “polis”, alias de Villa Politica.

Zo komen we eindelijk tot de enige echte oorlog die alle andere in de schaduw stelt, de meest extreme maar ook de meest opwindende: de oorlog tussen de seksen, het echte onderwerp van Aristophanes’ klucht. Met een gerust geweten kunnen we voor elk TV-debat de knop omdraaien en die ene Grote Oorlog voortzetten waar we gestopt waren.

 

 

 

 

 

 

Het racisme is een humanisme

sartre_kopMet deze schandalig ogende titel parafraseer ik, zoals de lettervreters onder u al begrepen hebben, het essay van Jean-Paul Sartre uit 1946   “L’existentialisme est un humanisme”. Het is deze tekst van een lezing, gegeven op 29 oktober 1945 in de Club Maintenant te Parijs, die Sartre tot numero uno in het pantheon van de moderne Franse intellectuelen heeft gehesen. Een opgang die in dat land in die periode slechts met deze van Charles de Gaulle kan vergeleken worden.

Toch kreeg de filosoof met de kikkerogen toen al het verwijt dat hij met die lezingtitel de term “humanisme” tot een stoplap en passe-partout degradeert. Daar is iets van. Men zou dan verder kunnen gaan en boekjes publiceren onder de titel “Het vegetarisme is een humanisme” of “Petanque spelen is een humanisme”.

Iedereen en alles humanist? Het lijkt me een onvermijdelijke preconclusie. Onder het motto “Niets menselijks is me vreemd” van de Latijnse komedieschrijver Terentius, kan het woord “humanisme” inderdaad niets anders dan een containerbegrip zijn, dat wij allemaal met veel vreugde zelf invullen. Er zijn, tot spijt van het Humanistisch Verbond, zoveel humanisten en zoveel definities ervan, als er menselijke specimen op deze aardkluit rondlopen.

Het woord dan maar schrappen? Misschien. Tenzij men het net tot grondslag maakt van een nieuwe antropologie die “de mensheid” deconstrueert tot een kluwen van existenties die hun weg zoeken in een wereld die ze niet gemaakt hebben en die hen ook nauwelijks zal missen als ze verdwijnen.

Dat brengt ons meteen tot de kern van Sartres vertoog, rondom de vraag: wie ben ik en wat doe ik hier? En vooral gij, wat doet gij hier?

Existentie en identiteit: de filosoof kleedt zich uit

Sartre_zeeHoofdmotto van het Sartriaanse existentialisme is het overbekende adagium “De existentie gaat vooraf aan de essentie” (L’existence précède l’essence). Inderdaad,  ideologie, religie, filosofie, cultuur en moraal kunnen als “zingevers” wel mooie praatjes verkondigen en de schijn ophouden, maar uiteindelijk worden we naakt geboren en zijn we op weg van nergens naar nergens.  We zijn allen vreemdelingen, aliens, geworpenen. De zoektocht van het individu naar zichzelf en zijn plaats in de wereld is geen beschouwelijke, academische bezigheid maar een permanent soort individueel activisme dat soms meer weg heeft van gespartel: in het begin is er de daad. Pas in het handelen, en de keuzes die daarmee gepaard gaan, creëren we een “aura”, een individualiteit, een tweede huid, een als zinnig herkenbare levenswandel. Het existentialisme is met andere woorden een identiteitsfilosofie avant-la-lettre.

Dat Sartre de mosterd haalde bij (de onder de nazi’s vlijtig doorwerkende) Martin Heidegger, is algemeen bekend. Deze Duitse filosoof stond aan de verkeerde kant en moest zich in barre tijden uit de slag trekken, wat een verpletterende verantwoordelijkheid oplevert: leven is kiezen, en (meestal) verliezen. Heidegger was dus goed geplaatst om een bom te leggen onder drie millenia Westers denken, door elke metafysica af te zweren en het Dasein, het hier-en-nu van de enkeling, als handelend wezen, wereldverbeteraar, schone mens, smeerlap, collaborateur, of gewoon overlever, als enig geldig uitgangspunt te nemen.

De daad dus, en het er-zijn, be-staan (dit is de filosofie van de streepjescodes). Elke vrijheid heeft haar consequenties en wordt cash betaald, geen enkele daad is vrijblijvend, zomaar. Het weze overigens gezegd dat Heidegger veel radicaler was dan Sartre, en in 1949 zelfs opperde dat diens “humanisme” toch terug het abstracte, Cartesiaanse denken invoert en zich in de aloude ideeëngeschiedenis wil inschrijven. L’ être et le néant is inderdaad voor 99,999% van de mensheid compleet onleesbaar, geschreven in een duizelingwekkend filosofisch jargon, iets wat Heidegger zelf zorgvuldig vermeed. Een filosoof moet zich echt uitkleden, en niet stoppen bij het ondergoed.

De Andere en zijn lijfgeuren

Sartre_beauvoir2De vraag is hoe-dan-ook –en daar trekt Sartre de humanistische schuif open-, wat de betekenis is van de Andere in dit traject van het enkelvoudige Ik. Wel, primair is de andere onmisbaar om het eigen Ik te definiëren. We zijn niet alleen met zes miljard existenties die allemaal willen overleven en daartoe strategieën bedenken, er is ook een spiegelspel aan de gang waarin we toenadering zoeken en afstand nemen. We komen er maar achter wie we zijn, door te vergelijken en het verschil te ontdekken.

Dit gaat dus over sympathie en antipathie. Over emoties, affiniteit, afkeer, allergie. Mensen kiezen voor of tegen mensen, op een instinctmatige basis. De rationaliteit, het alibi, komt maar achteraf.

De erotiek is hier het absolute paradigma. Een man die een vrouw kiest en erop verliefd wordt, kiest tegen alle andere vrouwen. Zij maakt op dat moment het absolute verschil. De liefde is de oervorm van discriminatie, positieve én negatieve. Kiezen is winnen en verliezen, insluiten en uitsluiten. Dat geldt voor individuen en voor groepen. Het hoort bij de menselijke existentie,- naar het schijnt heeft het met feromonen, geurstoffen te maken. “Ik kan hem niet ruiken”, het is in onze taal een gezegde voor iemand niet lusten. Het zit echt in de neus. Zo heb ik het enorm voor bakkersvrouwen, Aziaten en herdershonden. Ik mag homo’s en moslims niet, en dat is heel persoonlijk, en het is ook wederzijds. Ik zou hen nooit als poetshulp aannemen. Met negerinnen zou ik dan weer nooit het bed delen. Soms gaat het helemaal niet om categorieën maar om personen die ik niet kan luchten. Of net wel. Moet ik me daarvoor schamen? Of zijn het facetten van mijn eigen geaardheid? Mijn allerindividueelste perversiteit?

Een man die een vrouw kiest en erop verliefd wordt, kiest tegen alle andere vrouwen. Zij maakt op dat moment het absolute verschil. De liefde is de oervorm van discriminatie.

Liefde en haat houden elkaar in evenwicht, en bepalen de menselijke uitwisselingsprocessen. Deze chemie is het onderwerp van Goethe’s roman Die Wahlverwandtschaften (1809), waarin ratio en instinct tot in het uiterste tegenover elkaar komen te staan. Humanisme dus, maar altijd gespleten, gericht, gepolariseerd. Het criterium is volkomen individueel en willekeurig. De liefde en de seksualiteit zijn proto-vormen van racisme. Misschien heeft het existentialisme wel meer te maken met een Filosofie van de Eros, zoals de Vlaamse Sartriaan (en ooit mijn filosofische mentor) Leopold Flam (1912-1995) ze probeerde te formuleren, dan met algemene mensenrechtenkwesties.

“Anti-racisme”: de (niet meer zo) nieuwe pensée unique

meld We zijn goed een halve eeuw verder. Waar Heidegger voor waarschuwde, is uitgekomen: het humanisme is, alleszins in West-Europa, ontaard tot een ideologie van de totale nivellering. Sartre is na 1968 door politiek-links helemaal opgesabbeld tot een brij van politiek-correcte gemeenpraat die verschillen herleidt tot “diversiteit” en heel de maatschappij ziet als een gedepolariseerde smeltkroes van meningen, ideologieën, culturen, religiën.

“Discriminatie” is het woord waarmee elk gevoel van fundamenteel onderscheid wordt ontzenuwd, “racisme” wordt het nieuwe vloekwoord. In België is het “Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding” als overheidsinstantie permanent in de weer om burgers erop te betrappen die andere burgers, nu ja, als “anders” beschouwen. Inclusief meldpunten en kliklijnen. Inclusief afgewezen sollicitanten die de antiracismewet inroepen.

Het is bang afwachten tot een vrouw met een schorre viswijvenstem klacht indient bij het Centrum omdat ze de rol van Salome in de opera niet kreeg.

Uiteindelijk is zelfs zondigen-in-woorden-of-gedachten, het uiten van sympathie of antipathie, het subjectieve moment van de meningsuiting, verdacht en aan politiek-correct censuurschap onderworpen. De gesel van de tolerantie onderdrukt elk voor-oordeel over de Andere. Het existentialisme is daarmee dood, als antidoctrine van de vrije, zelfbewuste, zoekende enkeling. En het zijn vooral de zogenaamde progressieven die deze vrijheid ten grave dragen, om haar te vervangen door een anti-discriminatoire pensée unique die zowel de liefde als de haat, voor- of afkeur voor mensen, groepen, categorieën criminaliseert.

Het nieuwe, postmoderne kosmopolitisme wordt de vlag van dit ontaarde humanisme. Alle grenzen worden gesloopd, alle tegenstellingen weggevlakt. Het vreemde fenomeen doet zich dan voor dat links, in naam van de gelijkheid en de emancipatie, vrolijk meehuppelt met het neoliberale globalisme van de wereldmarkt, waarin multinationals de wet dicteren. De Europese Unie, met haar “vrij verkeer van personen, goederen en diensten”, wordt al evenzeer op handen gedragen door de linkerzijde. Terwijl het hier toch gaat om een homogenisering van de markt, in dienst van het grootkapitaal. Zo ontmoeten het wereldkapitalisme, het linkse internationalisme, en het door de overheid opgelegde gelijkheidsdenken, elkaar in een griezelig project van de ont-individualisering. Sartre, of wat er van rest, draait zich om in zijn graf.

Finkielkraut, of de banaan op het voetbalveld

banaanAls belangrijkste klokkenluider omtrent die kaalslag op identiteit geldt vandaag de Franse filosoof-columnist Alain Finkielkraut (°1949). Hij beschouwt het anti-racisme als dé ideologie van de 21ste eeuw, die de Andere en hét Andere reduceert tot een object in de veelkleurige etalage van de diversiteit. Net daardoor worden alle onverenigbaarheden bij voorbaat geannuleerd als immoreel, en krijgt “identiteit” iets satanisch. Men moet zichzelf leren haten en het eigene ontwaarderen als iets onrechtmatig toegeëigend, gestolen (“oikofobie”). Vanaf dan is de vervreemding totaal, het Ik een puur statistisch gegeven, en het Wij een apolair massagegeven, eventueel in nuttige doelgroepen opgesplitst.

Eigenlijk is Finkielkraut een Sartriaan van het zuiverste pompwater, en herbront hij het existentialisme vanuit de oertegenstelling tussen het Ik en de Andere. Het algehele discriminatieverbod dat de overheden vandaag in West-Europa willen opleggen, is doorgeschoten tot een verbod op antipathie, dat eigenlijk ook een verbod inhoudt op het tegengestelde, de sympathie, de liefde dus.  De overheid, de staat, het systeem, werkt vandaag als een identiteitsberovend mechanisme, hetgeen de kritische massa aanzienlijk doet zakken, wat voor een systeem altijd goed uitkomt. De macht fragmenteert én homogeniseert. De keuzevrijheid wordt daarom van dag tot dag onbenulliger: we kunnen kiezen uit 100 zenders op de kabel, die echter allemaal hetzelfde doen, uit 30 yoghourtmerken die allemaal hetzelfde smaken en overigens allemaal door één concern worden gefabriceerd, en uit een dozijn politieke partijen die allemaal ongeveer hetzelfde zeggen. Straks zult u de kleur van uw belastingsformulier kunnen kiezen, maar niet waarvoor u belastingen betaalt.

In zo’n feitelijke eenheidsmaatschappij is het benadrukken van verschillen een Satriaans gebaar, en is het zogenaamde racisme een verzetsdaad. Vandaar de titel van mijn stukje: het racisme is een humanisme. Een noodzakelijke antithese tegen een systeem dat de antithese heeft afgeschaft en dat als inhumaan moet bestempeld worden.

Het algehele discriminatieverbod is doorgeschoten tot een verbod op antipathie, dat eigenlijk ook een verbod inhoudt op het tegengestelde, de sympathie, de liefde dus.

Ik denk aan de supporter die een banaan gooit naar een gekleurde speler van de tegenpartij. Mag niet van de voetbalbond. Terwijl het niet eens om “racisme” in de letterlijke zin gaat (gebaseerd op raskenmerken dus), want hij gooit die banaan niet naar een neger van de eigen ploeg. Het gaat dus om een rudimentaire vorm van collectieve identiteitsbeleving, waar o.m. voetbal en sport vandaag hoofdzakelijk om draait.

Hier en daar wordt er dus nog gevloekt, met een banaan gegooid, en wordt de Andere nog echt benoemd, als anders, als vreemd en onbekend gekwalificeerd. De vreemdeling dus, die we sowieso voor elkaar zijn. Weinigen durven het woord nog gebruiken. Er is de “racistische” komiek Dieudonné M’bala M’bala. Er zijn Le Pen, Wilders, bij ons het Vlaams Belang,- blaffende honden die polariseren, het multiculfeestje bederven en het identitaire denken stuitend, soms ranzig, propageren. Allen zijn ze antiglobalistisch, nationalistisch dus, en tegen de EU. Allen staan ze in de marge van het politiek-maatschappelijk fatsoen en zijn ze ei-zo-na illegaal. Wat zou de politiek saai zijn zonder hen.

Web-democratie, subculturen en nieuwe identiteitsconstructies

FBToch is het twijfelachtig of die bananengooiers het nog lang zullen uitzingen. De sociale sancties zijn te sterk, de druk te groot. De angst voor de eenzaamheid en het isolement weegt. Voor een existentialistisch réveil zie ik veeleer mogelijkheden in de nieuwe “sociale” media, de mogelijkheid van autonome (zij het virtuele) gemeenschappen te creëren die zich wél afzetten tegen de Andere. Groepen die door positieve en negatieve discriminatie, insluiting en uitsluiting, op een of andere manier het verschil cultiveren en een identiteit construeren. We zijn allemaal elkaars racist, zowel in vriendschap als in vijandschap. Laat de vreemdeling vreemdeling zijn, de Andere die niét tot mijn levenssfeer behoort. En er ligt zelfs een geluk in het uitgesloten worden, omdat dit de meest extreme confrontatie is met de eigen identiteit, wat dan weer aanleiding kan geven tot nieuwe subculturen van refusés.

Zowel de Neurenberger rassenwetten onder de nazi’s als de hedendaagse anti-racismewetten zijn erop gericht om de mens zijn eigen reukorgaan te ontnemen. 

Dus ja aan de homo’s en de hetero’s, de lesbiennes en de travestieten, de SM-clubs, hun geheime protocollen, hun inwijdingsrituelen, hun exclusieven. Via het web kunnen deze verboden gemeenschappen overleven en territoria creëren. De vreemdeling als uitzondering, exoot en nomade gedijt in dezelfde cybersfeer. Een racist voor iedereen, het lid van de éénmansvereniging met onnoemelijk strenge toelatingsvoorwaarden. Zo maximaal moet democratie kunnen gaan: naar singletons en republieken die maar één of een paar bewoners tellen.

Hoe minder het politiek systeem zich met die nieuwe identiteitsconstructies bezig houdt, hoe beter. Zowel de Neurenberger rassenwetten onder de nazi’s als de hedendaagse antiracismewetten zijn erop gericht om de mens zijn eigen reukorgaan te ontnemen.  Het subjectief en pluriform “racisme”, begrepen als existentieel discriminatiedenken, het onderscheiden en durven benoemen van de Andere, is duizenden malen minder erg dan het veralgemeende en uniforme anti-racisme, begrepen als weg naar de identiteitloze massacultuur. Het is een gedachte die door filosoof-jurist Matthias Storme al in 2005 werd geopperd, en wel in zijn Molinarilezing bij de ontvangst van de “Prijs voor de vrijheid”: discrimineren is een recht, een mensenrecht dat men niet aan de overheid moet uitbesteden.

grafEn dan is er, ten laatsten male, nog weerom de liefde. Het koppel sluit de wereld uit en heeft genoeg aan zichzelf. Bekijk de humanistische tortelduiven Jean-Paul en Simone, voor eeuwig verenigd. Daar, in deze copulatie, en nergens anders is het sexistentialisme ontstaan. Alleen oog voor elkaar hebben ze, enfin, zij toch voor hem.  Niets gunnen ze de rest, geen liefkozing, geen troetelwoord, nog geen banaan. Echte racisten zijn het.

 

 

Samen-leven als perfecte (zelf)moord

Criminologen en liefhebbers van misdaadromans kunnen dagenlang doorbomen over de manier hoe een perfecte moord zou kunnen gepleegd worden. De regels die altijd terugkomen zijn: geen naspeurbaar motief en ook geen duidelijke oorzaak.  In de limiet zou er van moord zelfs helemaal geen sprake zijn en houdt men het bij een “natuurlijk overlijden”.

Hier wordt het ook voor een filosoof interessant. Hoeveel “natuurlijke overlijdens” in ons midden zouden wel helemaal niét natuurlijk zijn? Het blijft giswerk en speculatie uiteraard. Er wordt overal en overvloedig gestorven, maar het aanwijzen van een dader en een motief blijft een zeer marginale uitzondering. Toch zou men, met een beetje paranoia, de zaken kunnen omkeren en het natuurlijk overlijden als een uitzondering beschouwen op een veel bredere, meer impliciete regel dat we allemaal elkaar om zeep helpen.  Een inleiding tot de crimisofie.

Stress en sociale homicide

etrangleur  “Gij zijt de nagel van mijn doodskist”, zei mijn grootmoeder altijd, toen ik weer eens de verkeerde krant uit de winkel had meegebracht. Per ongeluk, maar toch. En gelijk had ze: wellicht heb ik haar leven met maanden verkort door telkens weer die cholerieke stress uit te lokken, die gepaard gaat met een verhoging van de cortisolspiegels in het bloed, wat op langere termijn leidt tot een afbraak van het immuunsysteem.  Rekening houdend met het feit dat in ons dichtbevolkt universum iedereen iedereen regelmatig op de zenuwen werkt, zou men dus kunnen spreken van een langzame, onzichtbare slachtpartij. We doden elkaar, uit verveling, uit ergernis, of gewoon… per ongeluk. Niet met mes of pistool, maar via het traagwerkend gif, geproduceerd door de sociale interactie zelf.

In een intensere mate kan het dan gaan om pesten of stalking, die het slachtoffer tot zelfmoord aanzetten, zie de recente facebookmoorden. Maar dat hoeft eigenlijk helemaal niet. Moreel veel geruststellender is het om alles binnen de normale perken te houden en de modale druk op de omgeving aan te houden,- waarbij u uiteraard moet bedenken dat uzelf ook het mikpunt bent van die stille agressie.

We hoeven dus elkaar helemaal niet op te eten. Er voor elkaar zijn is al erg genoeg, zoals Sartre ons meedeelde: L’enfer, c’est les autres. Wat op zijn beurt dan weer te maken heeft met overpopulatie, te dicht op elkaar leven, te afhankelijk zijn van elkaar, én van een alles regulerende overheid.

Verstrooidheid, onverschilligheid, alle vormen van tactloosheid zijn goed om de stresshormonen bij anderen op te wekken die ook mijn grootmoeder finaal hebben genekt.

Men mag stellen dat, ondanks de vooruitgang van de medische wetenschap en de daarmee verbonden verlenging van de levensverwachting, dit effect minstens voor de helft terug geneutraliseerd wordt door de sociale homicide en de sluipende vormen van zelfvergiftiging in en door de omgang. De charade van het assisenhof toont ons dan enkel de abnormale, compleet uit de hand gelopen gevallen van doding. Voor de rest verloopt alle sociaal geweld heel banaal, discreet, gewoon, doodgewoon.  Er zijn duizend manieren om stress op te roepen. Iemand negeren, of juist overbevragen. De sloddervos uithangen bij een netheidsmaniak. Te hete soep opdienen, iemand lang laten wachten, met een doofstomme een gesprek over Mozart beginnen. Verstrooidheid, onverschilligheid, alle vormen van tactloosheid zijn goed om de stresshormonen bij anderen op te wekken die ook mijn grootmoeder finaal hebben genekt.

Blijft dan natuurlijk nog de vraag naar de intentie: willen we echt de dood van de andere? Neen, allicht niet, of toch wel, en hier komt Freud ons gelukkig te hulp. Want gezien de moraal ons dat soort moordplannen verbiedt, hebben we hen verdrongen in de diepere lagen van ons onderbewustzijn. Niemand wil/mag dus nog een moordenaar zijn, maar iedereen doodt en lokt een “natuurlijk overlijden” uit, het ene na het andere, tot men zelf aan de beurt is.

Daarmee hebben we zowel motief, gelegenheid als middel voor de perfecte moord. En die heet: samen-leven. Meer moet dat niet zijn.

Death Nurse: dialectiek van de zorg

verpleegsterMet de moraal zijn we uiteraard nog niet klaar. Want wat doen we met begrippen als altruïsme, empathie, solidariteit… liefde? Juist, laat ik een extreem geval nemen.

Onlangs is een vriend van me gestorven die er vrij warmpjes inzat. Hij laat een treurende weduwe na, een stuk jonger dan hij. Iedereen is altijd vol lof over haar geweest, hoe ze hem vertroetelde, heerlijk kon koken, niets was te veel. Van dag tot dag zagen we hem ronder en blijer worden. Ook in bed was het heel druk, naar hij me ooit toevertrouwde: elke dag meerdere keren feest. Uiteindelijk is hij aan een infarct gestorven, te wijten aan overgewicht van al dat lekkers en, tja, vermoedelijk toch ook wegens de overmatige seksuele inspanningen waar ze hem toe dreef.

Natuurlijk kan men de weduwe niets verwijten, en alle geruchten over het uitzicht op de erfenis zijn pure laster. Dus houden we het misschien bij vertroetelen en vetmesten als… de perfecte moord. Niets aan de hand. Idem dito voor papa en mama die hun kinderen wekelijks verwennen met een McDonalds-menu: hamburgerrestaurants danken een groot deel van hun omzet aan dit soort ouderliefde. Toch gaat het, zoals iedereen ondertussen weet, om caloriebommen, doordrenkt in suiker en vet, die obesitas en diabetes veroorzaken. Puur vergif dus. Ongemakkelijk moeten we hier weerom Freud als joker bovenhalen: mogelijk speelt er bij die liefdevolle ouders een onderbewuste drang om van de kinderlast af te geraken, ook wel het Glaukos-complex genoemd, naar de Griekse mythe van koning Minos wiens zoontje in een honingvat verdronk.

Het verwennen is dus een tamelijk morbide bezigheid: het is agressie die eruit ziet als empathie. In alle mogelijke sociale activiteiten zou, onder de dekmantel van bezorgdheid en menslievendheid, minstens een component kunnen sluimeren die net in de andere richting wijst. De mantelzorg, vaak gezien als een extreme vorm van naastenliefde, heeft een binnenzak met een eigen, kleine, zwarte agenda. De hoogbejaarde oma en opa in huis nemen bijvoorbeeld: kinderen kunnen hen tot een hel worden en de stress-hormonen de pan laten uitspringen, wat de oudjes uiteraard nooit zullen toegeven. Elke reddende hand uit het moeras is ook een duwende hand. Elke omhelzing is de aanzet tot een wurggreep.

Ook liefde en naastenliefde kunnen knellen, verstikken, doden. Al dan niet met voorbedachte rade.

Zo krijgt die veel geroemde menselijke eigenschap van mede-lijden een dubbele bodem. Waarom voelt iemand met u mee? Wanneer wordt empathie plakkerig en drukkend? Wat kan die injectienaald allemaal bevatten? Het archetype van de verpleegster is samengesteld uit dat van de reddende engel en dat van de doodsbode. Met de regelmaat van een klok lezen we van bejaardenverzorgsters die hun patiënten doden. Soms voor de erfenis, of uit stress, maar soms ook, nu ja, uit menslievendheid. De liefde van het verstikkende kussen. Heel het euthanasiedebat is een afgeleide van deze ambiguïteit, cirkelend rond de vaststelling dat ook het doden uit medelijden de koelbloedigheid van een moordenaar vereist.

De dialectiek van de zorg slaat tenslotte zelfs op het brede fenomeen van de moderne verzorgingsstaat en de sociaaldemocratie. De discussie in de VS rond Obamacare, het nieuwe sociale zekerheidsstelsel dat door de huidige president in de steigers is gezet, gaat over die problematiek van het “verstikkende kussen”: iemand helpen is tegelijk iemand verzwakken, inkapselen, doden.  Heel het complexe apparaat van de zorgsector is tegelijk levensbevorderend én (eu-)thanatisch: de overheid als death nurse. Er is geen goede kant aan barmhartigheid: beoefent men haar, dan doodt men. Beoefent me haar niet, dan doodt men ook. We beseffen dat wel, ergens in ons binnenste, en proberen het idee te verdringen.

Net daarom blijft de verzorgingsstaat in Europa overeind: het is het enige middel om moreel-correct iets aan de groeiende populatie van niet-actieven te doen. We kunnen de ouderen en de zwakkeren niet laten omkomen van de honger, maar hen doodknuffelen, laten verdrinken in de honing, waarom niet. Zeer snel inderdaad takelen bejaarden af, eens ze in een RVT (Rust- en VerzorgingsTehuis) zijn terecht gekomen, ook al krijgen ze de beste zorgen, of juist daardoor. Mishandeling of verwaarlozing zijn uit den boze. Het nietsdoen, de slome saaiheid en de zoete doodsgeur die sowieso altijd in die instellingen hangt, zijn op zich de ideale elementen van een stervensbegeleiding.

Don Juan, of de esthetica van de uitzondering

SMWelke levensles kunnen we nu trekken uit dit verhaal, waar we elkaar allemaal op een of andere manier naar de andere wereld willen helpen, hetzij uit rivaliteit, hetzij uit filantropie? Kortweg: geen. Het geweld is overal, het zit in ons en het komt op ons af. Hoogstens kunnen uitzonderingstoestanden ontstaan, waarin het genot en het plezier tijdelijk de overhand nemen op de machtslogica’s. Er ontstaat dan een esthetische dimensie die in de seksualiteit wordt beleefd, ook en vooral de extreme seks zoals S.M. Alle geweld staat hier in dienst van de lust, waardoor de dood zelf, en zijn strategie van de perfecte moord, even tussen haakjes komt te staan. Ik denk aan mijn overleden vriend en zijn genotsmomenten aan tafel en in bed: ook al beraamde zijn vrouw een snood plannetje, in de aanloop naar en tijdens het orgasme heeft dat weinig belang. Wie zou zo niet willen gaan?

Voor de filosoof Søren Kierkegaard was Don Juan de belichaming van deze esthetische visie. Hij is geen banale verleider maar een gedreven zoeker naar topmomenten, singulariteiten waarin het universeel jeu de massacre even tot stilstand lijkt te komen.  Don Juan vervolgt en wordt vervolgd, alles ademt geweld uit, ook in de opera van Mozart. Maar tegelijk staan al zijn esbattementen, zowel het wapengekletter als die van de verleiding en het honingvat, in dienst van de pure lust, die zich tegenover de moraal stelt.

Uiteindelijk is het creatieve eveneens ingegeven door het lustprincipe, iets dat men doet voor het plezier, zonder sociale implicaties. Een gedicht schrijven of een taart bakken,- het zijn esthetische daden zonder agenda, zonder strategie.

De pure consumptie ervan, als genotsmiddel, evenzeer. Zelfs al is de taart vergiftigd, onze smaakpapillen vertellen het niet, en dat is het enige wat er op zo’n moment toe doet. De SM-seks is hier een sterke metafoor: in die toestand van opwinding ontpopt de death nurse zich, al is het maar heel even, tot echte liefdesgodin. Een uitzonderingsmoment dat zich helemaal buiten de samen-leving stelt.

Dat neemt noch de dood, noch het sterven, noch de homicide weg. Don Juan gaat er zelfs betrekkelijk snel aan ten onder, want ook voor de estheet wordt de sociale druk enorm naarmate zijn schuldregister vol geraakt. Toch is hij, in al zijn immoraliteit, een icoon geworden van het geweld dat zijn vervulling niet zoekt in de dood maar in de lust. En dat is dan ook de enige plek waar het leven zich aan de hel van de anderen onttrekt.

Appels horen thuis in compote

GaugainHet verhaal is ondertussen bekend: een gepensioneerde arbeider uit Turijn had een werk van Paul Gauguin in zijn keuken hangen, als “verloren voorwerp” ooit gekocht voor twee keer niks. Het was al sinds 1970 gestolen uit de collectie van een rijke Engelse verzamelaar. Geschatte waarde van het werk, genaamd “Fruits sur une table ou nature au petit chien”: 35 miljoen Euro. De naam Gauguin zei de man hoegenaamd niets, hij vond het schilderijtje mooi hangen in de keuken. En gelijk heeft hij: appels horen in de keuken thuis.

Meteen een gelegenheid om nog eens aan linksdraaiende cultuurbiologie te doen, en door te bomen over de waanzin van het eeuwige kunstwerk, de verafgoding van het origineel, en de absurditeit om een stuk beschilderd doek te taxeren op 35 miljoen Euro.

Nature morte

FabreCultuurbiologie zei u? Jawel, de gespletenheid tussen leven en kunst, natuur en cultuur blijft me bezighouden. Ongenadig vreet de tijd, het ongedierte, maar ook onze eigen adem, aan de grote meesterwerken, die steeds weer moeten opgelapt worden. De natuur trekt zich van kunst niets aan.

Omgekeerd trekt kunst zich van de natuur niets aan, en, sterker nog, oefent ze een machtsgreep uit op het leven en de biomassa. Wanneer Leonardo da Vinci zijn Mona Lisa schildert, maakt hij van de levende vrouw die zijn model was, een spook. Hij vereeuwigt haar zogezegd -terwijl hij vooral zichzelf vereeuwigt- en ontneemt haar het lichaam.

Vroeger heb ik die bizarre manier van mummifiëren al in verband gebracht met de theorie dat mannen kunst voortbrengen uit rancune omdat ze geen kinderen kunnen baren. Hij vervreemdt en isoleert, balsemt en denaturaliseert zijn voorwerp. Hij haalt de natuur uit haar context en herkadreert haar binnen een zelfbepaald, willekeurig frame dat men als een gevangenis en een graftombe moet zien. Het kader is een tweedimensionele kist. In dit geval een praalgraf voor La Gioconda en haar bevroren lach. Humanistische hybris maar ook bedekte vrouwenhaat spreekt uit deze meesterwerken.

Het stilleven (nature morte) is een graf, de schilder is de man die doodt en conserveert. We kunnen niet anders dan hem heimelijk haten voor dit vergrijp tegen het leven en de natuur.

Uitgerekend dit soort schilderijen is ook het uitverkoren voorwerp van kunstvandalisme (inkervingen, bijtend zuur…) waardoor men de Mona Lisa zelfs achter een glazen scherm heeft geplaatst. Mogelijk is voor vele toeschouwers de contradictie tussen de onaanraakbare mythe, en de onbekende vrouw van vlees en bloed die voor haar model stond, onverdraaglijk.

Het stilleven (nature morte) is een graf, de schilder is de man die doodt en conserveert. We kunnen niet anders dan hem heimelijk haten. Idem dito voor Gauguin, die de eetbare vruchten en het hondje herleidt tot onverteerbare verf op een oneetbaar doek. Een misdaad tegen de natuur. In die zin moet dat verhaal van de barbaar uit Turijn, die de geschilderde appels van Gauguin in zijn keuken ophing, gezien worden als een restitutie, een rechtzetting. Een symbolische deconstructie van de nature morte. Zoals ik al zei: appels horen thuis in de keuken, in de compote en daarna in onze maag.

Terecht steigerde het kunst-onkundige gepeupel toen Jan Fabre bij ons met zijn hespenpilaren uitpakte (Gent, “Over The Edges”, 2000). Met eten mors je niet, zegt de volksmond terecht. Voedselkunst is belachelijk en pervers,- dat geldt zelfs voor de haute cuisine en haar neiging om te picturaliseren, eten op het bord te schilderen. Overigens dienden de met ham beklede zuilen van de Gentse universiteitsaula vrij snel verwijderd, wegens schimmelvorming, ondanks de plastic folie. Of hoe moeder Natuur haar gram haalt.

Zeepbelkunst

Men zou dat motief van het kunstwerk als gestolen-gestolde, bevroren natuur, kunnen afdoen als een theoretische discussie, ware het niet dat er met pronkstukken zoals ‘Fruits sur une table” wel degelijk nog wat anders mis is. Of eigenlijk hetzelfde.

De geschatte marktwaarde van 35 miljoen euro is namelijk een abstract cijfer dat op geen enkele manier nog “’realistisch” kan genoemd worden, t.t.z. in redelijke verhouding met de productiekost (materiaal, arbeid, honorarium van de artiest). De kunstmarkt creëert absurde meerwaardes die beleggers aantrekken, eerder dan liefhebbers. Het kunstwerk wordt, in plaats van esthetisch consumptieproduct, een speculatief fetisj. Eerst vervreemdde Gauguin de appels, daarna vervreemden verzamelaars/beleggers nogmaals het schilderij. Werken die in kluizen worden bewaard, zijn niet alleen artistiek waardeloos (wegens publiek ontoegankelijk), ze zorgen ook voor zeepbeleffecten, het aanzuigen van enorme geldmassa’s die niet meer voor normale investeringen beschikbaar zijn. Grof geld dat aan kunst wordt uitgegeven komt niet in het reguliere economische productiecircuit terecht, maar blijft in de speculatieve “bubbel” hangen, om rustig het einde van de depressie af te wachten. Zo maakt kunst vooral een kleine elite nog rijker.

Het kunstwerk wordt, in plaats van esthetisch consumptieproduct, een speculatief fetisj. Eerst vervreemdde Gauguin de appels, daarna vervreemden verzamelaars/beleggers nogmaals het schilderij.

grafiekIn dit pervers mechanisme verschijnen kapitaalkrachtige investeerders uit China, India, Rusland en natuurlijk de Golfstaten als grote spelers. Ze kannibaliseren het economisch systeem en gebruiken kunst als ultieme belegging op het moment dat andere zeepbellen op springen staan.  Bovenstaande grafiek toont hoe de omzetpieken van het kunstveilinghuis Sotheby’s telkens een crash voorspellen (achtereenvolgens het ontploffen van de internetzeepbel in 1999, de ineenstorting van de huizenmarkt in de VS en het failliet van Lehman Brothers in 2008, en de schuldencrisis van 2011). Dat betekent dat de superrijken de crisisbui zien hangen en massaal aandelen dumpen om kunst aan te kopen. Hetgeen de ineenstorting nog versnelt want daarmee wordt de kapitaalmarkt nog krapper en verhoogt nog het zuurtstoftekort voor de economie. Zo wordt de kunstzeepbel tegelijk symptoom en oorzaak van een systeem dat structureel altijd opnieuw moet crashen, en waarbij alleen de superrijken met voorkennis telkens hun vel redden.

Warmeluchtbakkers

HirstHet kan niet anders, of deze zeepbelkunst in een zeepbeleconomie moet ook zeepbelkunstenaars aantrekken. De Britse kunstcriticus en BBC-journalist Ben Lewis wijdde er een documentaire aan, getiteld “The Great Contemporary Art Bubble”. Hij geeft het voorbeeld van de Britse artiest Damien Hirst, die zich heeft toegelegd op in formol geconserveerde dierenkadavers. Jawel. Hirsch werd “ontdekt” door de steenrijke Britse kunstverzamelaar Charles Saatchi, en produceert uitsluitend in functie van de speculatieve markt, via een artistiek handelsmerk dat zorgvuldig wordt in stand gehouden, mede dankzij gewillige media en critici die allicht een graantje meepikken. Hij is het perfecte voorbeeld van een zeepbelkunstenaar die perfect de beurs in de gaten houdt en zijn prijzen weet op te drijven.

Op 15 september 2008, de dag dat Lehmann Brothers ten onder ging, verkocht Damien Hirst nog snel aan panikerende beleggers voor $ 127 500 000,- aan eigen “werk”. Waarna de crisis toesloeg. Iemand als Hirst moet men beschouwen als een warmeluchtbakker, een gewiekste oplichter die perfect inspeelt op de honger van steenrijke speculanten naar “veilige” beleggingen. In zijn zog opereren onze eigen Vlaamse hypekunstenaars, zoals Fabre, Delvoye, Tuymans en Borremans. Ze beheersen het marktspel compleet en spelen in op conjunctuurschommelingen en de vrees van beleggers voor drastische waardevermindering. Vooral als het economisch bergaf gaat doen ze gouden zaken.

Nutteloos en onterecht maken we ons boos op deze zeepbelkunstenaars: zij zullen stellen dat het traject van het kunstwerk doorheen de wereld deel uit maakt van het artistiek totaalproject. Het kunstwerk is een money-maker of moneytron (J.P. Van Rossem) en verdient als dusdanig ons respect. Of hoe het globalistische totaaldenken alle politieke kritiek wegveegt.

Creatieve industrie

wortelZo krijgen we een bizarre convergentie te zien tussen het kunstwerk als gedenatureerde natuur, en het kunstwerk met een opgepompte marktwaarde. Het is duidelijk dat artiesten net hier een belangrijk statement zouden kunnen maken, tegen het speculatieve kapitalisme.

In dat opzicht kan men de herwaardering bepleiten van zoiets als het kunstambacht, of, meer hedendaags: de creatieve industrie. Daarin wordt de marktwaarde van een kunstwerk enkel bepaald door de reële kost: materiaal, werkuren en –laten we niet krenterig zijn- een creativiteitsbonus. Door de beeldende kunst te integreren in het globale productieproces gaan we het parasitaire karakter tegen van de kunstenaar, maar ook de kannibalistische werking van de kunstmarkt. Een vrij copyright en een doorgedreven techniek van copiëren (“vervalsen”) en reproduceren helpt eveneens als preventie tegen zeepbelkunst en zeepbelkunstenaars. Het kunstwerk wordt vergankelijk als object, waardeloos als handelsgoed, maar oneindig multipliceerbaar. Hoe meer exemplaren van een werk, hoe minder het zich leent tot speculatie. Hoe twijfelachtiger de authenticiteit, hoe concreter (of meer persoonlijk) de waarde van iets wordt.

Daarbuiten wenkt ook de huis-, tuin- en keukenkunst als uiting van post-kapitalistische creativiteit: het nieuwe amateurisme waarin mensen gewoon dingen maken voor hun eigen plezier, en eventueel weggeven of voor een habbekrats verkopen. In deze configuratie koopt iemand dan, precies zoals de Turijnse arbeider, op de markt een schilderijtje voor een appel en een ei om in de keuken te hangen en niet om er zijn vermogen in te consolideren.

Straatkunst en graffiti, per definitie onverhandelbaar, zijn eveneens uitstekende strategieën tegen de vervreemding en de bubbelvorming. Een totale crash van de kunstmarkt kan een heilzame werking hebben op heel het economisch systeem, dat in essentie op ruil en uitwisseling moet gericht zijn, niet op bezit en meerwaarde.

Leve het lelijk fruit en de misvormde groenten dus, niet bestemd voor een stilleven maar gewoon voor compote. De “fruits sur une table ou nature au petit chien” kunnen op die manier misschien toch nog gered worden van Sotheby’s, als men tot het inzicht zou komen dat Gauguin maar een beetje kon schilderen en dat alles op een misverstand berust. Of misschien lustte hij geen appels. Het doek kan dan in Turijn blijven hangen om te vergelen, te krakeleren en uiteindelijk door beestjes opgepeuzeld te worden. Zoals zijn maker zelf. Cultuurbiologie dus, met de nadruk op het laatste.

 

 

 

 

 

Het zwart gat, genaamd “geschiedenis”

BeerDe dood van Regine Beer (1920-2014), een van de laatste Joodse overlevenden van het uitroeiingskamp Auschwitz-Birkenau, betekent meteen ook dat Auschwitz en gelijkaardige verdoemde plekken uit die tijd dra echt tot de geschiedenis zullen behoren. Regine gaf tot op het laatste moment lezingen in scholen, verenigingen, e.d., om de herinnering levendig te houden en de jeugd te waarschuwen voor het fascisme. Maar onherroepelijk verdwijnen de getuigen en gaat ook Auschwitz tot de inventaris van jaartallen, plaatsnamen en feiten behoren. De geschiedenis van de geschiedenisboekjes dus. Dat zal een schok betekenen voor de nabestaanden, zeker voor de Joodse gemeenschap die de Holocaust een absolute en onherleidbare, mythische betekenis geeft, kwalitatief verschillend van alle andere genocides die onze beschaving telt. Waardoor het fenomeen ook onvermijdelijk in de greep kwam van de zionistische propaganda en de expansionistische retoriek van de staat Israël. Zie ook de perikelen rond het Mechelse Holocaustmuseum, onder druk van een bepaalde lobby uiteindelijk toch weer hertekend tot Joods memoriaal, en de kritiek daaromtrent van historicus Gie van den Berghe.

Stuitend maar geheel logisch is de terugslag van revisionistische en negationistische theorieën die de gaskamers naar het rijk der fabelen verwijzen. Robert Faurisson (° 1929) geldt als de stamvader van dat negationisme, dat overigens in de meeste Europese landen strafbaar is. De Holocaustontkenning, die op geen enkele empirische argumentatie steunt, is m.a.w. het pervers neveneffect van de Holocaustindustrie (een term van de Amerikaans-Joodse politicoloog Norman Finkelstein) die het fenomeen historisch isoleert en politiek instrumentaliseert. Beiden sluiten elkaar uit en houden elkaar in stand. Met dat verschil dat laatstgenoemde het recht van de overwinnaar uitoefent om sowieso geschiedenis te mogen schrijven. Hét groot verhaal dus, dat tot lering strekt.

Losgeslagen chimpansees

Auschwitz2

Auschwitz, 1945

De vraag is echter of die historische reconstructie iets anders kan zijn dan een karikatuur van zichzelf, omdat het verhaal jammer genoeg van meet af aan twee kanten heeft. Opnieuw moet ik Gie van den Berghe citeren, die stelt dat de waarheid van de slachtoffers ook altijd een andere, parallelle waarheid van de daders (en dus de beulen) impliceert. Wie waren ze, wat dreef hen, hoe kwamen ze daartoe? Waren de slachtoffers dan op het verkeerde moment op de verkeerde plaats?

Dat is een vraag die Regine Beer zich niet kon en ook niet hoefde te stellen, maar die wel lonkt vanuit dat zwart gat “geschiedenis” genaamd. Enig Schopenhaueriaans pessimisme is hier gewettigd. Het menselijk sadisme lijkt een habitus te zijn die overal zijn weg zoekt: we zijn gewoon wreedaardig, zoals onze naaste biologische verwanten, de chimpansees. Sterker nog: intelligentie en empathisch vermogen lijken de voorwaarde tot wreedheid, zijnde het gewild en bewust doen lijden van de andere. Wreedheid is gewoon negatieve empathie, die op een zeker moment zelfs met lustgevoelens bij de dader gepaard gaat.

De verwisselbaarheid van slachtoffer en beul maakt zelfs een hel als Auschwitz tot een historisch dubieus gegeven.

Ik verwijs naar het fameuze Milgram-experiment uit 1961 (niet toevallig het moment waarop Adolf Eichmann in Israël terecht stond) aan de universiteit van Yale. Daarin werden proefpersonen gevraagd om ondervraagden die een fout antwoord gaven, te bestraffen met electroshocks. Dat deden ze ook probleemloos, tot 450 Volt en onder luid geschreeuw van de slachtoffers. De “daders” waren geen nazi’s maar brave studenten die gewoon deden wat van hen verwacht werd. En die allicht toch ook enig plezier hadden in de hen toegekende macht over de andere.

De verwisselbaarheid van slachtoffer en beul maakt zelfs een hel als Auschwitz tot een historisch dubieus gegeven. We zijn allen losgeslagen chimpansees. Hoezeer de moraal zich ook inspant om goed en kwaad ondubbelzinnig te identificeren: ja, wij, weldenkende lieden, hadden in de juiste omstandigheden ook wel die kampbewaker kunnen zijn. Een gedachte die ik vroeger reeds als morele strikvraag stelde, toegepast op de Belgische volksvijand nr. 1: “Wat had u gedaan moest u Marc Dutroux zijn geweest?” Het enige logische antwoord is uiteraard: “Net hetzelfde, anders was ik Dutroux niet!”

ruanda

Ruanda, 1994

Wat de Joodse filosofe Hannah Arendt (1906-1975), net in verband met de Holocaust, de “banaliteit van het kwaad” heeft genoemd, namelijk het feit dat al die nazi’s gewoon deden wat van hen verwacht werd, ook de kampcommandant, is nog een understatement. De werkelijkheid is nog confronterender: er is helemaal geen goed of kwaad, er zijn alleen situaties en reflexen, belangen en drijfveren die tot dramatische collusies leiden. Net de fascistische methodes die de staat Israël er vandaag op nahoudt, naar eigen zeggen nodig voor het voortbestaan, bewijzen hoe snel de “good guy” een “bad guy” kan worden, ook weer gebonden uiteraard aan een ideologische lezing van de feiten.

De schuldvraag is dan uiteraard evenzeer gebonden aan partijdigheid. Een proces is een therapeutisch ritueel voor de samenleving, een duiveluitdrijving, maar geen waarheidsonderzoek. Op het Neurenbergproces in 1945-1946 bleek een groot deel van de beklaagden zich helemaal niet te realiseren dat ze een misdaad hadden begaan, laat staan één tegen de menselijkheid.  Ook Adolf Eichmann pleitte tijdens zijn proces onschuldig. Ik denk zelfs niet dat het puur om een tactisch manoeuvre ging om aan de doodstraf te ontsnappen: ze voelden zich echt als de proefpersonen in bovenstaand wetenschappelijk experiment, namelijk ingebed in een scenario, een ernstig spel met regels die moesten gevolgd worden.

Een situationistische lezing van de geschiedenis laat van die geschiedenis geen spaander heel. We kunnen net zo goed een roman lezen. Later verklaarde de nazi-jager Simon Wiesenthal dat Eichmann in een andere context net zo goed roodharigen had kunnen laten ombrengen, of alle mensen waarvan de familienaam met een K begon. Als ik die gedachtegang verder zet, had hij ook een gedreven missionaris in Afrika kunnen zijn, een sloppenwijkwerker in Brazilië, of een vrijheidsstrijder, misschien zelfs een Nobelprijswinnaar. Een weergaloze Jodenmop die eigenlijk heel het principe van de historische kritiek genadeloos om zeep helpt.

Een verhaal, verteld door een gek

Waterloo

Slag bij Waterloo, reenactment.

Welke lessen vallen er dan uit de geschiedenis te trekken? Kortweg: geen. Toch geen nuttige lessen om de toekomst te bepalen. Dat we ontaarde mensapen zijn wisten we al, verder bewijsmateriaal is niet nodig. Wie het niet zelf heeft meegemaakt, kan dus niet anders dan afstand nemen van de geschiedenis. De zogenaamde onverschilligheid/onwetendheid van de niet-betrokken generatie komt allicht voort uit dat ontnuchterend besef. De verplichte schoolbezoeken aan de Mechelse Dossin-kazerne, nu dus Holocaustmuseum, kunnen niet verhinderen dat een discrete ironie zich meester maakt van jonge bezoekers. Een ironie die de geschiedenis eerder bekijkt als “a tale, told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing”, zoals Shakespeare in Macbeth het leven kenschetst, dan als een consistent verhaal waar iets mee aan te vangen valt.

Voor historisch geconditioneerde humanisten is dat een ontzettende vaststelling. Er groeit vandaag een jeugd op voor wie Hitler een nobele onbekende is, en die W.O.I en W.O.II amper uit elkaar kan houden. Met de 100-jarige herdenking van het begin van de eerste wereldoorlog zijn de schooluitstappen niet te tellen, en komt er een heuse toeristische loopgravenhype op gang. Allen daarheen, er wordt gelachen en gespeeld, en waar er ingetogenheid heerst is ze opgelegd. Amateurgroepen komen in reenactments de Slag bij Passendale naspelen (in 1917 goed voor 500.000 échte doden) en vallen vrolijk voor dood neer, zonder dat iemand dit smakeloos of respectloos vindt. 1914-1918 is definitief geschiedenis. Vermaak en scherts duwen het drama weg. Voor wanneer een Auschwitz-komedie?

Terecht wijst de jeugd die onmogelijke opdracht af, om vanuit het verleden een maakbare toekomst te destilleren.

Deze onvermijdelijke transitie van individueel trauma naar collectief geheugen en zo naar het geschiedenisboek, tot aan de reenactment als parodie, maakt het vergeten mogelijk. Iets wat nu net al die Holocaustmusea ter wereld willen vermijden, maar toch: men kan niet leven en ageren vanuit een emotioneel en moreel bezwaarde overvolle geheugenschijf die het heden overschaduwt. We kunnen niet anders dan vergeten, bagatelliseren, dat wat in se onherroepelijk is en ons ook niets wijzer maakt. Daardoor is bv. ook de slachtpartij die Karel de Grote liet uitvoeren onder de Saksen in 782 vandaag maar een onbelangrijke voetnoot, terwijl er toen ook getormenteerde Regine Beers-en rondliepen die het probeerden na te vertellen. Het Dagboek van Anne Frank is een ontroerend document, maar welke lessen vallen er verder uit te trekken?

"Allo, allo", Britse parodie op het verzetsdrama

Ondertussen zijn Sabra/Shatila (1982), Ruanda (1994) en Srebrenica (1995) al gepasseerd. Niet altijd qua schaal en methodes vergelijkbaar met Auschwitz, maar dat is het net: de Holocaust gaat verder, ondanks de geschiedenis, hij heeft altijd een andere naam en eigenlijk is alles altijd anders, behalve de dood en het lijden. Terecht wijst de jeugd die onmogelijke opdracht af, om vanuit het verleden een maakbare toekomst te destilleren. Het is absurd om jongeren te confronteren met een vijfduizend jaar oude lijst van misdaden tegen de menselijkheid, inclusief een soort morele verantwoordelijkheid daarvoor, én tegelijk met de onveranderbaarheid van de menselijke natuur, zie nogmaals bovenstaand experiment. Het vergeten is dan geen vergetelheid, maar een actieve verwerping van een gemythologiseerde historiografie die men ons oplegt en die ons dwingt om zin te halen uit het verleden, als handboek en richtsnoer. Het feit dat we niets bijleren en amper wat onthouden deprimeert en lucht op tegelijk.

Misschien zit er helemaal geen logica in Auschwitz, geen transcendente waarheid, geen ultieme les, behalve dan de biologische waarheid van de mensaap en de verzamelde trajecten van elke deelnemer, slachtoffer of dader, gecollapst tot één absurde realiteit. Daar kan dan een film- en boekenindustrie van leven (een Holocaustindustrie op zich), het kan boeiende fictie, horror of moraliteiten opleveren, of historische reconstructies ten velde, of grappige persiflages, doch perspectief levert het niet op. Ik weet dat dit schandalig klinkt, maar het is nodig om de geschiedenis te demythologiseren, ten einde het heden te ontlasten.

Wat overblijft, is de daad op het moment zelf, en het momentane bewustzijn, in het enkelvoud: waarom doe ik dit? Wie of wat drijft me ertoe, hier en nu? Het teruggeworpen worden in het heden is de enige uitweg. Zonder de geschiedenis als alibi. Misschien is dat wel een ontsnappingsroute uit die tale, told by an idiot. Het lijkt me alleszins de enige mogelijke redding van het begrip “vrijheid”.

De 9 peperbollen, of de magie van het placebo

Nero3Het is onomstotelijk bewezen: naar Lourdes trekken doet hopeloze gevallen genezen. Waarom? Gewoon omdat de zieken en zuchtigen erin geloven, dat weet men zelfs ginder ter plekke, anders zou de handel in gewijd water er niet zo floreren. Het allergrootste argument pro religie is, dat zelfbedrog ook werkt. Daarmee is niet het bestaan van God bewezen –integendeel zelfs-, maar wel dat geloof een kracht op zich is, in staat om fysiologische processen diepgaand te beïnvloeden.

In de wereld van de farmaca zit men al langer met de handen in het haar over deze kwestie: van sommige geneesmiddelen weet men echt niet meer of ze chemisch werken, dan wel psychologisch, door autosuggestie van de patiënt, een fenomeen dat we kennen als het placebo-effect.

Fraude en fantasie

Dat schept opportuniteiten voor die sector (geen dure research meer nodig, gewoon een pilletje met de juiste kleur en een goed verhaal in de markt zetten), maar opent tegelijk een doos van Pandora. Want als neppillen werken, kan iedereen ze maken, en moet het woord “kwakzalverij” uit het woordenboek gebannen worden.

nero5Niemand weet dat beter dan madame Nero, die in het album “De negen peperbollen” (1956) heel het verhaal door pill    en pakt, haar aangesmeerd door zo’n zogenaamde kwakzalver, opdat haar man huiswaarts zou keren. Nero zit namelijk in Kenia, heeft daar de wonderbare plant met de negen peperbollen bemachtigd, waardoor hij allerlei onwaarschijnlijke exploten uithaalt. Zoals: een paar duizend kilometer naar huis lopen en letterlijk met de deur in huis vallen, aan het einde van het verhaal. Subtiele knipoog van tekenaar Marc Sleen: mevrouw Nero ziet haar wens in vervulling gaan met een placebo, maar ook die negen peperbollen waren waarschijnlijk nep om Nero in zijn kracht te doen geloven, en zo is heel het verhaal een wondermiddel voor de goedgelovige lezer die zichzelf trakteert op een rondje stripplezier. Over de wonderbare kracht van kunst en literatuur, straks meer.

Is het immoreel om te geloven?  Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Eerst nog iets over geneeskunde en de farma. Binnen de pillensector groeit dus het besef dat ook een klassiek geneesmiddel berust op het placebo-effect. Er zijn al complete operaties gedaan met nep-pijnstillers zonder werkzame stoffen. Gekleurde suikerklontjes als het ware, die iemand quasi-compleet gevoelloos maken omdat hij/zij denkt dat het middel verdovend werkt. Leg dat maar eens uit. Klassieke geneeskunde en homeopathie kunnen zich nu met elkaar verzoenen na eeuwen vijandschap: het ging bij die 9 peperbollen toch allemaal om verbeelding, inbeelding en zelfsuggestie. De magie heruitgevonden.

Dat noopt tot een herziening van de geschiedenis. Nadat wielrenner Lance Armstrong door heel de wereld verketterd werd als dopinggebruiker, en hem zijn zeven tourtitels werden ontnomen, komt nu ene Michele Ferrarri, Italiaans sportarts en dopingexpert, met de revolutionaire theorie af dat de dosissen die Armstrong nam te klein waren om enig fysiologisch effect te hebben. En dat ze als nep- en pepmiddelen moeten beschouwd worden, iets om hem een goed gevoel te geven en fluitend de Mont Ventoux te laten  oprijden. Lance Armstrong geloofde in het placebo en won. Een straf staaltje psychokinese. Gezien zijn wonderbaarlijke genezing van teeltbalkanker, niet eens zo’n gekke theorie. Sportlui zijn overigens buitengewoon bijgelovig. Voetballers die het slipje van hun vrouw of lief in hun broekzak steken, wielrenners die absoluut eerst hun rechterschoen moeten aandoen, een tattoo, een masquotte, men kan het zo gek niet bedenken. Doping of zelfsuggestie?

En geloof het of niet: al in 1956 won stripheld Nero, dankzij een van die negen zogezegd “magische” peperbollen,…een zware bergrit in de Tour de France met 38 minuten voorsprong. Waarmee Marc Sleen het exploot van Armstrong, een halve eeuw later, voorspelt, maar hem ook definitief vrijpleit. Doping? Nepdoping? Is het immoreel om te geloven? Is een fraudeur die in zijn eigen leugens gelooft en ze realiseert, een fraudeur? Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Het simulacrum

armstrongU begrijpt dat dit niet over pillen of sport gaat, maar stilaan een ontologische kwestie wordt. De positivisten zitten hier met een enorm probleem: het causaliteitsprincipe wordt genadeloos aangevreten, en, erger nog,- de schijn bestaat niet. Waarheid en geloof vallen samen, dankzij de psychosomatische wisselwerking tussen lichaam en geest, en de kracht van de autosuggestie. Geef iemand een pil die hem gewichtloos maakt, en het zal werken, als hij er maar hard genoeg in gelooft.

Het is via dat inzicht dat Jean Baudrillard (1929-2007), protestfilosoof uit de jaren ’60 en ’70 van vorige eeuw, zijn afschuw tegenover het simulacrum (de schijnwerkelijkheid die zich tegenover de echte werkelijkheid opdringt, vooral dankzij de massamedia) opgeeft, om uiteindelijk de universaliteit ervan te erkennen. We kunnen ons overgeven aan de schijn, omdat ze geen schijn meer is, ze hercreëert onze werkelijkheid en verandert uiteindelijk de wereld, ze bepaalt de geschiedenis,- in de eerste plaats de kracht van het mentale en de ontgrenzing van ons eigen lichaam. Het is een van die simpele wijsheden waar de jongens en meisjes van SKEPP compleet naast kijken:

Het zijn net de dingen die niét werken, die ons eigen systeem aan het werk zetten. Alles is suggestie.

Dat is perfect van toepassing op Lance Armstrong, maar uiteindelijk wellicht zelfs op elke vorm van “tekst” (discours, verhaal, mythologie) die ons leven vorm geeft. We kopen niet de naakte auto, maar vooral het verhaal rond avontuur, vrouwen, snelheid. Waardoor zelfs de file een virtuele race wordt, mede dankzij de autoradio en andere mobilotica. Het geluk wordt gecreëerd door de belofte erop. “Placebo” betekent uiteindelijk “Ik zal behagen” of “Ik zal gelukkig maken”. En belofte maakt schuld.

Het placebo is met andere woorden overal,- het kan natuurlijk ook omslaan in zijn tegendeel, namelijk het nocebo (ziek worden of sterven door iets te geloven), zoals bij een roker die zoveel doodskoppen op zijn sigarettenpakje heeft gezien dat hij echt kanker krijgt,- de moderne versie van de “vervloeking”. Buiten die twee is er haast niets meer dat ons psychisch en sociaal functioneren als consument, mediagebruiker, kiezer bepaalt. Baudrillard sluit het tijdperk van de metafysica definitief af, maar opent dat van de postmoderne magie en de nieuwe religiositeit, gebaseerd op een dialectiek van de schijn.

Cultuur, geluk, bewustzijn.

Vergeet het atheïsme en de vrijdenkerij, het mensdom is nog nooit zo bijgelovig geweest. Maken de iPasalond en de iPhone ons gelukkig, doet een verblijf op een all-in-resort op Tenerife ons op krachten komen? Jazeker, want de reclame belooft het ons. Men kan hier niet zomaar spreken van bedrog of indoctrinatie, want het “werkt” echt, het gaat om hypnotische rituelen die ons aanspreken en waaraan we ons willen onderwerpen. Tussen het product en de consument staat de tekst (bijvoorbeeld de reclame, de bijsluiter) die de waarheid herschept. De metatekst dus, over het product. Zo zal de bijsluiter van het medisch placebo meegaan in de illusie, en zo de (zelf)genezing uitlokken.

Grappig is dat die logica van de self-fulfilling prophecy ook werkt in de wereld van de Cultuur met een grote C. Vooral juist daar. De nieuwste roman van Dimitri Verhulst, de Oscargenomineerde film ‘The Broken Circle Breakdown’, de Nationale Gedichtendag, Alphavillle,…. ze verhogen mijn gelukscoëfficiënt, ze maken me slim, innerlijk rijk, bewust, omdat het protocol (het geheel van begeleidende teksten, catalogi, programmaboekjes, achterflappen,…) dat wil. Ze zijn cultuurplacebo’s in de ware zin van het woord. Ze creëren waarheid en bewustzijn daar rond, zingeving, zelfverheffing, vanuit een promotionele omlijsting. Het werkt, ik kan het u verzekeren. Ooit stuurde ik voor De Standaard (waar mijn naam sinds jaar en dag zorgvuldig wordt geweerd) een kritisch opiniestukje over Jan Fabre in, onder een vrouwelijk pseudoniem. Niet alleen werd het dadelijk gepubliceerd, ook de VRT-nieuwsredactie ging ijverig op zoek naar de auteur van die opzienbare bijdrage. Waardoor de echte schrijver werd betrapt. Ik, Lance Armstrong?

Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was.

Aan Marc Sleen en zijn peperbollenverhaal moest ik denken, toen iemand me vertelde dat hij naRosas een opvoering van de dansproductie “Eight Lines” (Anne Teresa De Keersmaeker) “als herboren naar buiten kwam”. Ik geloof hem: de krantenrecensies, heel het toeleven naar de voorstelling, de prijs van het ticket, de verplaatsing, de investering in tijd, energie en Euro’s,… schept een zodanig verwachtingspatroon dat men de euforie zelf creëert. De prijs draagt bij tot de autosuggestie. Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was. Kritiek is hoe langer hoe minder een maatstaf. Het veroorzaakt alleen maar wrevel, ongemak, frustratie, ongeluk.

Vooral bij De Keersmaeker heb ik altijd de indruk gehad dat de metatekst over het ding, de naam, de status, het programma, belangrijker is dan het ding zelf. Bedoel ik nu dat de schoonheid van “Eight Lines” op bedrog berust? Neen, net niet,- de vermarkting van het artistiek product maakt gewoon de kwaliteit en zijn pragmatische doeltreffendheid uit. De media spelen een sleutelrol in het fabriceren van de metatekst, en tonen daarmee aan dat een dansvoorstelling in se niet verschillend is van een wasproduct of een GSM of een auto.

Baudrillard eindigt dus met te zeggen: neem en consumeer dit alles, creëer de illusies zelf, wees uw eigen homeopathische therapeut.

Alles zit tussen de twee oren, de rest hangt er maar bij

breinZo wordt dit, zoals alles, weer een aangelegenheid van het menselijk brein. Vergeet de filosofie en alle andere wetenschappen: alleen de hersenfysiologie doet ertoe. Maar de onmogelijkheid van het brein om zijn eigen criticus te zijn, maakt juist dat het zelfbedrog alomtegenwoordig is, en dat we de wereld creëren volgens onze eigen voorstelling. De hallucinatie voorbij. En daartoe is wil, aandrift, begeerte, energie nodig. Veel meer dan zomaar intelligentie. Meerbepaald de wil om endorfine (chemisch verwant aan morfine) aan te maken, de stof geproduceerd door de hypofyse, die verantwoordelijk is voor het geluksgevoel. Natuurlijk wil het geluk zichzelf vereeuwigen, hoe zou u zelf zijn.

Iets wat Arthur Schopenhauer (1788-1860) in zijn hoofdwerk “Die Welt als Wille und Vorstellung” al poneerde, zij het dat Arthur aan de kunst nog een apart plaatsje toebedeelde, als zou die aan het nuttige zelfbedrog ontsnappen. We weten ondertussen beter.

Voor de rationalisten, en al wie nog in de menselijke rede gelooft, is dat een onoverkomelijk probleem:

Blijkbaar houdt de menselijke geest ervan om zichzelf voor de gek te houden. De leugen zit diep in de kern van ons brein, als een zelfstimulerende mentale G-spot.

Alleen daardoor is het mogelijk dat seksuologen aan de universiteit van Texas 237 redenen kunnen verzinnen om seks te hebben, en dat als wetenschap verkopen. Waarna het ook een echte handleiding wordt om van bil te gaan, en ons leven beter, zinniger, bewustvoller maakt.

Langzamerhand wordt heel het verhaal van geloof, weten, kennis, willen, bewustzijn, dat van een slang die in haar eigen staart bijt. Het menselijk brein verschalkt zijn eigen waarheidsobsessie grandioos, net door de leugen te hanteren als iets dat waarheid creëert: “Ik weet dat het een placebo is, dus dat het niet werkt, maar toch gebruik ik het, omdat ik weet dat het werkt als ik erin geloof”. Verdomde breinkraker, nemen, die vergulde pil!

De toekomst is dus aan de gebedsgenezers, de goeroes, de duiveluitdrijvers, de Zarathustra’s, de seksuologen, de voorlichters, de charlatans en fraudeurs, de verkopers van alle mogelijke drankjes, poedertjes en elexirs. Zij zijn de begeleiders van ons zelfhypnotisch vermogen. Ze smeren ons rommel aan, maar net dat geeft ons brein de kans om zichzelf in de maling te nemen en de rommel te opwaarderen tot drug en elexir. Geen enkele diersoort is daartoe in staat. Het heeft geen zin de charlatans te verbannen, want dan houden we niets over, alleen bittere desillusie en wanhoop.

En daar heeft de natuur ons niet voor gemaakt. Althans, dat wil ik graag geloven.