Categorie archief: Godsdienst, religie, atheïsme

Vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden

CharbEren kunnen we de Charlie-Hebdo-cartoonisten pas door ons scherp te houden en zelf aan de politiek-correcte dictatuur te weerstaan.

Toen filmmaker Theo Van Gogh in 2004 door een moslimfanaticus werd vermoord, stond heel de weldenkende samenleving op stelten. Even snel spoelde de verontwaardiging weer weg met de waan van de dag. Bij mij is dat feit blijven nazinderen en heeft het mijn kijk op democratie en vrijemeningsuiting grondig dooreen geschud. Is vrijheid wel vrijblijvend, iets dat we onbeperkt en kwistig kunnen consumeren zoals de Mei ’68-golf dat voorhield, of is ze met risico’s verbonden en hangt er een prijskaartje aan? En.. is het misschien juist dat wat die vrijheid waardevol maakt en inhoud geeft?

Wolinski en de kont van zijn echtgenote

De executie van vier Charlie Hebdo-cartoonisten, redactieleden en nog acht andere mensen die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren, stelt deze discussie opnieuw op scherp. Ongetwijfeld waren Cabu, Charb en Wolinski iconen van gedurfde journalistiek en compromisloos parler-vrai. Maar net daardoor waren ze ook provocateurs en tastten ze bewust en gewild de grenzen af van het politiek-correcte. Hun Mohammed-spotprenten waren niet zomaar ludieke bedenksels: het ging om zware risico-operaties in een politiek en sociocultureel klimaat waar zwijgen en wolligheid steeds meer de norm waren, en het katholieke pudeur van weleer vervangen was door de nog meer benepen dwang om vooral niet op zere (moslim)tenen te trappen. Het was dus vloeken in een maatschappij die door chantage werd en wordt gedomineerd, ondanks alle praatjes over democratie en vrijemeningsuiting.

Alleen in de kleutertuin is de vrijheid gratis en mogen de kinderen met kak op de muren schilderen. Daarbuiten moet ze afgedwongen, heroverd worden, steeds weer, door slechte karakters die er op een of andere manier genoegen in vinden (anders blijf je dat niet doen) om te vloeken in de kerk en de overtreding van het fatsoen tot norm stellen, hopend dat hun signaal niet verloren gaat in het genoeglijk ruis van het ‘publiek debat’ en de futiele meningendemocratie. Dus moet er met scherp geschoten worden en wordt men zelf ook een schietschijf.

Het is uiteraard veelbetekenend dat die strijd van de enkeling tegen de pensée unique focust op de islam, als totalitaire censuur-ideologie die zich in onze multiculturele zeepbel heeft genesteld. Cynisch zou men kunnen stellen dat Charlie Charlie niet zou geweest zijn zonder het moslimfanatisme, en dat hun pen misschien wel tekenen van roest zou vertoond hebben. Door tegenkracht worden pennen scherp en komt ook echte, compromisloze kwaliteit boven drijven.

Er loopt zo een lijn vanuit de Duivelsverzen (1988) van Salman Rushdie (vogelvrij verklaard  door de moslimwereld), Van Goghs film Submission (een titel die Michel Houellebecq nogal vlotjes overneemt in zijn nieuwste roman Soumission) van 2004, de eerste Mohammed-spotprenten van 2005 in de Deense krant Jyllands-Posten, tot aan de serie cartoons die de Charlie Hebdo-tekenaars uit hun mouw schudden.

Intellectuele gave, talent, maatschappelijk engagement en individueel temperament gaan hier hand in hand. Want bij elk van deze gevallen gaat het om mensen die existentieel op het punt van een soort doodsverachting gekomen waren: het opzoeken van de gevarenzone en het zoeken van de confrontatie, ook als persoonlijke opwinding en kick van het koorddansen zonder valnet. Dat wat de filosoof Friedrich Nietzsche ‘gefährlich leben’ noemde, en wat bij Martin Heidegger het ‘Sein zum Tode’ werd.

In die zin moeten ze als helden beschouwd worden, in de klassieke betekenis van het woord: individuen die het volle leven willen beamen, voor het maximum gaan (Sartre: ‘Soyons raisonnables, demandons l’impossible’), en op die manier hun dood tegemoet lopen.

Dat vereist een dosis straffe humor die nodig is om als cartoonist te functioneren, maar die zich ook in het gewon leven doorzet. Georges Wolinsky, een van de vermoorde Charlie-tekenaars, bedankte voor het Légion d’honneur dat de overheid hem wou toekennen (wat is immers de waarde van een door het bestel gelauwerde spotprenttekenaar?), maar anticipeerde ook op zijn dood met de grap die er uiteindelijk geen was: Ik heb tegen mijn vrouw gezegd dat ze de as in het toilet moet gooien. Zodat ik voor altijd haar billen kan zien.’

Wolinsky kreeg dus wat hij verdiende en verwierf het grootste ereteken: eeuwig uitzicht op de kont van zijn echtgenote. Het paradijsperspectief van de agnost.

Het is een beeld van de intellectueel zoals we dat vandaag haast niet meer kennen: een zelfmoordcommando, een ontdekkingsreiziger in het gevaarlijke, met mijnen bezaaide rijk van de vrijheid waar elk gebaar, elk woord het laatste kan zijn. En waarvan de humor niet alleen de retorische techniek uitmaakt, maar ook de conditie waarmee men zich vrolijk en gracieus doorheen dat mijnenveld beweegt. Humor als techniek én levenskunst. Tot de kalasjnikovs de grap tot zijn pointe voeren.

Ondertussen bij de media

En dan is er natuurlijk het gejammer en de borstklopperij van de journalistieke kaste. We zijn allemaal Charlie Hebdo’, toeteren Yves Desmet (De Morgen) en Karel Verhoeven (De Standaard) eendrachtig.

Elke pennenlikker, elke inktkoelie wil zich nu even snel identificeren met de gevierde en betreurde helden uit Parijs. Maar het komt op mij over als de Witte Brigade die bij ons enorm aanzwol toen de Duitsers verslagen waren. Het zijn hoger vernoemde en andere Vlaamse reguliere media, en niet te vergeten uiteraard de VRT, die zich altijd in het lauwe politiek-correcte sop hebben bewogen waar Wolinski en gezellen zich zo tegen afzetten.

Nooit werden de dingen benoemd, nooit werd het hard gespeeld, nooit voelde je ook maar in de geringste mate het intellectuele avonturierschap zoals hierboven beschreven. Zorgvuldig bewaakten en bewaken zij de politiek-correcte mainstream waarin wel het moslimterrorisme wordt veroordeeld, maar waar men nooit tot een duiding overgaat van de ideologische impact an sich. Nooit worden man en paard genoemd of wordt er een analyse ten gronde gemaakt van deze kloof tussen Europees Verlichtingsdenken en sluipend totalitarisme dat in naam van de multicultuur om zich heen grijpt. Zeer snel vervalt men weer in het slachtofferverhaal van de kansarme allochtoon die naar het geweer grijpt omdat hij niets om handen heeft.

Heel het Belgisch/Vlaamse mediawereldje mag overigens op beide oren slapen: weinig waarschijnlijk dat Yves Desmet, Bart Brinckman, Bart Sturtewagen of, godbetert, Peter Vandermeersch bezoek zouden krijgen een gewapende moslimbrigade. Brave seuten zijn het, die telkens warm en koud blazen als het over heikele punten als de islam en de democratie gaat. De Vlaamse pers sterft niet door de kogel, ze gaat dood aan saaiheid en wolligheid.

In dat opzicht klinken de hommages en de grote verklaringen ongelooflijk vals. Voor zover ik kon nagaan durfde niet één Vlaamse krant het aan om een van die straffe Mohammed-cartoons, die de inzet vormden van heel de massacre in Parijs, op haar voorpagina af te drukken. De Standaard toont zich weer van haar verzoenende kant: de krant drukt op haar voorpagina van eergisteren een tekening af waarin een moslim en een Charlie-cartoonist elkaar een tongkus geven. Dat was de reactie van het magazine zelf na de mislukte aanslag in 2011. Door deze parodie op de meligheid nu te afficheren als een soort aanbieden van de andere wang, tonen de Standaard-editorialisten dat ze de Charlie-humor eigenlijk niet snappen, maar proberen ze ook heel de maatschappelijke tegenstelling en het idee van een te-heroveren-vrijheid, te depolariseren tot een belachelijk gezelligheidstafereel, dat ik niet aarzel als een geval van dhimmitude te betitelen, onderwerpingsgedrag. Make love, not war, ook na Parijs 7/1. Schrik en door de marketinglogica geïnspireerd zekerheidsdenken spreekt uit die halfslachtigheid.

Niet dat dit een monopolie is van de Vlaams/Belgische pers. Associated Press, het grootste persbureau ter wereld, verwijdert alle Charlie Hebdo-covers waarop de profeet Mohammed is afgebeeld. Andere media, zoals New York Daily News en The Daily Telegraph, kiezen voor het blurren van de afbeeldingen. Lafheid troef.

Fundamenteler nog moet men zich vragen stellen bij de gesloten manier hoe die redacties met vrijemeningsuiting omgaan, en hoe de sluipende (zelf)censuur hun status van zogenaamde waakhond van de democratie helemaal heeft uitgehold. Ik haalde enkele weken geleden al aan hoe De Standaard systematisch opiniestukken weigert die niet passen in het politiek-correcte straatje. Er bestaat ondertussen al een kransje van uitverkoren refusés, waartoe ondergetekende zich mag rekenen, dat misschien teveel de Charlie-attitude genegen is en te weinig de Vlaams/Belgische compromisgedachte. Meer en meer versmalt de democratie tot een consensusdemocratie die in feite een omfloerste dictatuur is, omhangen met meningen die niemand verontrusten.

Zo worden deze media medeplichtig aan het smoren van wat ze vandaag met veel poeha beweren te verdedigen. Denk vooral niet dat de dood van de vier cartoonisten deze politiek-correcte waan zal doorbreken. Integendeel, nu al lees ik commentaren in diezelfde kranten dat men zich vooral moet hoeden om te ‘polariseren’, dat ‘achterstelling en uitsluiting de oorzaak zijn’ (Karel Verhoeven, De Standaard 8 januari 2014), dus niet de islam-ideologie zelf die niet-moslims als een lagere diersoort beschouwt, en dat we vooral ‘verbondenheid en warmte’ moeten zoeken (Yves Desmet, De Morgen 8 januari 2014).

Oorlog en vrede

Sorry, maar met deze pastoorspraat komen we er niet. ‘L’amour plus fort que la haine’, ga dat maar eens preken in de middens waar de grote islamitische wereldrevolutie wordt voorbereid, in de Islamitische Staat, maar ook in onze door de overheid gefinancierde én door imams uit Saudi-Arabië beheerde moskeeën.

Scherpe pennen gevraagd dus. Waarbij het dan nog de kwestie is, of pennen zullen blijven volstaan wanneer de Kalasjnikovs knallen. Want laten we wel wezen: het begin van de 21ste eeuw zal door historici ooit aangeduid worden als het ontbrandingsmoment van een derde wereldoorlog. Een oorlog zonder loopgraven zoals de eerste die had, en zelfs zonder duidelijke militaire logica of tactiek zoals de tweede die nog bezigde. Daarom bakken de VS er ook niets van in Irak of Afghanistan: militair leven ze nog in de vorige eeuw. De oorlog die we vandaag meemaken is een Totalkrieg zonder onderscheid van krijgspersoneel of burgers. Iedereen kan slachtoffer zijn, het gevaar loert overal. Via de islamreligie als ideologische munitie wordt onze Westerse cultuur met de grootste uitdaging uit haar geschiedenis geconfronteerd. Neutraliteit of ontkenningsattitudes vormen niet langer een optie. Iedereen is gedoemd om kleur te bekennen. Beweren dat er geen probleem is, is partij kiezen voor de agressor en de weerstand proberen te breken.

Dat geeft een bepaalde opluchting, eindelijk trekt de mist op. Na de bloemen en de kransen, de krokodillentranen en de hulderedes, de papieren heiligverklaringen en het mediagedaas, moeten we hopen dat de dood van Cabu, Charb en Wolinski een schokreactie zal veroorzaken en mensen zal wakker schudden. Vooral met het oog op een mondigwording, een kritisch zelfbewustzijn dat zich niet meer door de overheid of de media laat betuttelen of politiek-correct reguleren. De scherpe kantjes moeten er niet af, ze moeten net aangescherpt worden. Laat liefde zegevieren, inderdaad: liefde voor de vrijheid en liefde voor het leven, zodanig dat de doodsangst de levenslust niet langer bederft.

De vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden, zoals de vrede zelf. En laat ons dat wel een oorlog waard zijn.

Advertenties

Hoe de waarheid wordt uit een leugen

Ja, we stammen van de apen af. En ja, de aap is iets dommer, onhandiger, minder geëvolueerd. En wij dus iets meer. Zo ongenadig Siegmund Freud als pseudo-wetenschapper vandaag wordt afgebrand, zozeer wordt Charles Darwin, bedenker van de evolutietheorie, door de nieuwe lichting wetenschapsfilosofen verheerlijkt. Dat is opmerkelijk, want Darwin was, om in hun terminologie te blijven, een minstens even groot fantast en mythomaan als Freud. Er zijn nog meer gelijkenissen tussen beiden.

Van zoo naar zoölogie

aap

Tommy, London Zoo, ca. 1835

In 1871 verschijnt Darwin’s werk “On the Decent of Man, and Selection in Relation tot Sex”.     Niet alleen de theorie is fascinerend, maar ook de mythevorming is interessant,- mythes die Darwin deels zelf verzon en in stand hield.

Inderdaad, parallel met zijn actuele heiligverklaring komt ook steeds weer de legendarische onderzoeksreis (1831-1836) met het schip de Beagle op de proppen,- een reis waarin Darwin Zuid-Amerika, Australië, het zuiden van Afrika en diverse eilandengroepen in de Grote en Indische Oceaan bezocht. Dààr zouden de ideeën van de evolutietheorie vorm hebben gekregen rondom het provocatieve idee dat “de mens van de aap afstamt”. Daar, tussen de Galapagosschildpadden en de Falklandwolven, zijn de embryo’s van de latere theorieën ontstaan, daar kreeg de wetenschapper zijn geniale flits, voldoende om de rest van zijn levenswerk te voeden.

Jammer genoeg is dat een exotische fabulatie, geïnspireerd op de 16de– en 17de eeuwse ontdekkingsreizen. De waarheid is prozaïscher. Meer dan waarschijnlijk kreeg Charles Darwin de “flits” gewoon in de  door hem druk bezochte Londense Zoological Gardens. Al in 1835 was daar de eerste chimpansee aangekomen, Tommy genaamd. Hij kreeg dadelijk een streepjestrui en zeemanspet opgezet, en werd in een humanoide setting geplaatst, inclusief meubilair en allerlei huishoudelijke toestanden. Best mogelijk dat de oppassers die chimpansee ook min of meer als “menselijk” beschouwden. Met de zebra’s of de pythons beoefenden ze dat soort travestieën in elk geval niet. Tommy werd als huisdier behandeld: een dier dat men per definitie niet opeet of uitbuit, maar dat integendeel cohabiteert met de menselijke “meester”, die er soms zelfs een slaaf van wordt.

Darwin haalde dus de mosterd bij de oppassers van het Londense apenkot…. men dien verstande dat de empathische relatie met het huisdier er voor hem te veel aan was. Dus moest Tommy ingeframed worden in een theorie,- een afstammingstheorie nog wel, van het meer “beschaafde” uit het meer primitieve. Van zoo naar zoölogie dus. Of hoe de waarheid wordt uit een leugen.

Darwin haalde zijn ideeën gewoon bij de oppassers van de Londense Zoo, en fantaseerde zich vervolgens een wetenschappelijke ontdekkingsreis.

Dat doorkruist niet alleen de klassieke Darwin-urban legends, het plaatst ook de evolutieleer in een ander perspectief. Het lijkt erop dat Darwin die geklede aap ook terug wou uitkleden en in een hiërarchisch model plaatsen, waardoor hij een prototype, een primitievere voorvorm werd van de homo sapiens. Dat klopt uiteraard chronologisch, als paleontologie. Maar Darwin, die diepgelovig was, en een aanhanger van de Intelligent Design-doctrine, wou ook wetenschap en geloof verzoenen, vanuit de premis dat de mens de kroon is op de schepping.

Vercammen

Alexandra Vercammen en haar hangbuikzwijn

Darwin heeft Tommy dus uitgekleed en de aap terug verdierlijkt. De aap belandde, als specimen én species, terug op de ladder, ergens onder de homo sapiens. Terwijl de relatie tussen mens en huisdier deze verticale stelling negeert, bevestigt het boek “On the descent of Man…” hem terug. Een verdekte theologische ingreep, me dunkt.

Nog breder genomen, lijkt dit op een usurpatie die men als typisch mannelijk-intellectualistisch-Cartesiaans kan zien. We geven onze kat een rokje en zetten de hond mee aan tafel, maar ergens moet er dan altijd een theoreticus uit de hoek komen die de kat en de hond terug plaatst waar ze thuishoren, namelijk bij de primitievere zoogdieren en onder tafel. Geklede chimpansees horen niet thuis in de taxonomie noch in het evolutiestelsel. Ze verwarren de theoretici en maken het abstracte terug concreet. Meer en meer verschijnt de abstractie zelf als een mannelijk-rationele gewelddaad, om niet te zeggen: een machtsgreep. Ab-stractie, dit woord letterlijk te nemen: ont-trekken. Zoals het hangbuikzwijn, waar Alexandra Vercammen tot 2009 mee samenleefde, ook op gerechtelijk bevel werd afgevoerd.

Drie vrouwen, drie huisdieren

Mahler

Mahler, Alma en kinderen,

Onthoud alvast dat de abstractor Charles Darwin de huisaap Tommy ont-domesticeerde om in zijn groot plakboek te kunnen opnemen. En dat deze ontvreemding gebaseerd is op een vorm van intellectuele diefstal, toegedekt door een  stoer jongensverhaal, zijnde dat van de Beagle-expeditie. Diefstal, zei u? Ik ben ooit eens begonnen met een inventaris te maken van briljante mannen die op een of andere manier hun schittering ontleenden aan een wellicht nog briljantere vrouw, waarvan het licht uiteraard niet mocht schijnen.

Ik denk bv. aan Martha Bernays. Weinig kans dat de naam u iets zegt. Uit recent ontdekte briefwisseling kan men afleiden dat zij de principes van de psychoanalyse ontdekte, en dat Freud er achteraf wereldberoemd mee werd. Was zij zijn muze, of kunnen we hier gewoon van plagiaat spreken? (Zie ook het boek van Françoise Xenakis: “Zut, on a encore oublié Madame Freud”).   Freud zweeg er in elk geval in alle talen over, tenzij over… “zijn Muze”.

Ik loop even verder tot bij de illustere onbekende Mileva Maric. Ze was een briljant natuurkundige, gehuwd met een zekere Albert Einstein. Men vermoedt recent dat het basisidee van de relativiteitstheorie van haar afkomstig is, wellicht in bed toevertrouwd, en dat Einstein er op voortborduurde, via de erotogene formule E=mc2 , waarbij de massa (m) het vrouwelijk element is en de lichtsnelheid (c) het mannelijke. Een alchemistisch-hermafrodiete formule dus, die als het ware in haar lijf zat. Doch hola, geen energie zonder massa? Geen (mannelijke) wetenschap zonder vrouwelijke intuïtie?  Hij dumpte haar op tijd en hertrouwde. Niemand heeft verder nog iets van Mileva Maric gehoord…

Mileva had de relativiteitstheorie in haar lijf, maar Albert ging met de pluimen lopen: wie schrijft, die blijft.

Hetzelfde geldt, in een nog veel dramatischer vorm, voor een andere zogenaamde muze die anoniem moest blijven: Alma Mahler-Schindler, echtgenote van de componist Gustav Mahler. Ze was zelf een begaafd componiste, maar Mahler verbood haar te componeren. Het was ondenkbaar dat zij, als vrouw van het genie, ook maar één noot op papier zou zetten. Als kers op de taart bezong hij in de bekende Kindertotenlieder (1905) de dood van hun kinderen, tot afgrijzen van Alma. Ik haal deze drie vrouwen als voorbeeld van een veel omvangrijkere reeks, waarin de man zijn geklede apin terug ontkleedt en met de intellectuele buit gaat lopen.

vrouwen

Martha, Mileva en Alma: in de schaduw van het “genie”

Het mannelijk parasitisme is dus niet alleen sociaal-biologisch-familiair, maar vooral ook intellectueel. Men zou heel de geschiedenis van de wetenschap, én de wetenschap zelf, kunnen herschrijven vanuit die anonieme “muze” waarvan de wijsheid in een vertekende, geabstraheerde vorm werd genotuleerd tot theorie, leer, Boek. Vrouwen leven en beleven, mannen schrijven en beschrijven. Maar het leven is er eerst. Dus richt dat beschrijven zich tegen leven zelf én tegen de vrouwen die het be-leven. De geschreven cultuur is een doodscultuur.

De relativiteitstheorie én de psychoanalyse zijn dus maar “extracten” van een diepere kennis. Maar hoe die reconstrueren? Teruggaan naar het origineel, het lijkt ondenkbaar, want noch Martha, noch Mileva, noch Alma lieten enig geschreven spoor na,- dat werd hen uitdrukkelijk verboden door de Meester. Alleszins is het wel een aansporing om vandaag op zoek te gaan naar die sporen van wijsheid die onopgemerkt, anoniem, soms subversief tegen hét geofficialiseerde Weten ingaat. Deze vrouwelijke tegendraad ontdekken we o.m. in de alternatieve geneeskunde en de homeopathie, zgn. “pseudo-wetenschappen” waar de Darwin-apologeten enorm tegen te keer gaan. De cirkel is rond.

Abstractio en dismembratio: het exploot van de TV-kok

HuysentruytIk eindig opnieuw met de zoölogie, ditmaal in een culinair perspectief. Onlangs besloot TV-kok Piet Huysentruyt om de evolutietheorie gastronomisch te verfijnen, en wel door een levende kreeft een voor een de scharen af te breken, in twee te snijden en daarna op een vuur te roosteren. Vooral de triomfantelijke grijns van deze homo sapiens doet terugdenken aan de stelende intellectueel, nu uitgebalanceerd tot beul. Blijkbaar moeten het mannelijk-culinair intellect zichzelf bewijzen via een sadistisch soort machtsvertoon, bij voorkeur uit te werken op dieren die eigenlijk te jong zijn om te slachten. De gesublimeerde kindermoord, merkwaardig, dat Dutroux-trekje. Of het gastronomisch equivalent van de Kindertotenlieder.

Ik doe ook hier even de revue. Zo kan voor Peter Goossens van het Hof van Cleve het vlees niet jong genoeg zijn. “Melklam uit de Pyreneeën”, en Roulade “van een kalf dat nooit buitengelopen heeft” behoren tot zijn favoriete gerechten,- zo lezen we op het menu. Hoger vernoemde Piet Huysentruyt serveert dan weer met graagte “Piepkuiken op grootmoeders wijze”,- minuscule porties babyvlees waarvan er vermoedelijk een hele klad in de pan belanden om de normale honger te stillen. TV-kok en chemieprofessor Herwig Van Hove zag ik ooit eens met een sardonische grijns levende paling villen en in hete olie gooien.

De sadistische TV-kok: nooit was de karikatuur van de evolutietheorie zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

kreeftMaar nu dus Piet. Hij heeft de vrouwen uit de keuken verjaagd en demonstreert waar het mannelijk abstractievermogen toe in staat is. Met de dismembratio van de kreeft verdonkeremaant Piet H. ook deskundig elk spoor van vrouwelijk-empathische attitude tegenover de natuur en het leven. Nooit was de karikatuur van de evolutietheorie, als apologie voor de homo sapiens, zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

Wat daarna in de media volgde, was een fijne academische discussie over de vraag wat zo’n kreeft nu precies voelt. Uiteraard weten wij het niet, we kunnen het niet vragen. De grote filosoof René Descartes geloofde alvast dat geen enkel dier tot lijden in staat is, wat de liefhebbers van vivisectie een paar honderd jaar lang als een vrijbrief hebben gezien voor de meest walgelijke experimenten.

Er is dus reden om te twijfelen aan de evolutietheorie. Niet feitelijk-paleontologisch, zelfs niet moreel of laat staan religieus, maar vooral vanuit de antroposofie,- vreemd, ik heb dat woord nooit eerder gebruikt. Zowel de evolutietheorie, de psychoanalyse als de relativiteitstheorie  lijken maar fantasmen, apocriefe aftreksels van iets veel wezenlijker, waar de mannelijke geest nauwelijks aan kan. Van Darwin tot Huysentruyt, en over alle andere genieën, hangt een zweem van machtsvertoon, opportunisme en leugen-om-bestwil. Blijven zoeken dus naar de verzwegen bron waaruit ze hebben geput.

De cybernetica, een vrolijke wetenschap

WienerDit jaar is het een halve eeuw geleden dat Norbert Wiener (1894-1964) stierf, de vader van de moderne cybernetica. Het ziet er niet naar uit dat dit tot grote festiviteiten aanleiding zal leiden, hoewel deze raamwetenschap, die eigenlijk alle disciplines voedt,  als de apotheose van de natuurkunde moet beschouwd worden.

Norbert Wiener was zijn academische loopbaan gestart als zoöloog, schakelde over op filosofie en eindigde als wiskundige. Interessante wendingen, in het licht van ons verhaal. De titel van zijn sleutelwerk uit 1948, “Cybernetics or Control and Communication in the Animal and the Machine” zegt het al helemaal: er is geen wezenlijk verschil tussen een menselijk lichaam (met temperatuurregeling) en een WC-spoelsysteem (met bewegende vlotter die op een zeker niveau de watertoevoer afsluit). Beiden doen aan processturing en staan in interactie met de omgeving. Er is een input, een verwerking van dat signaal, en een output of terugkoppeling. Met Norbert Wiener wordt eindelijk de (metafysische) scheiding opgeheven tussen levende en dode materie.

De subjectiviteit als kanker

Via dit radicale denkbeeld kan men ook de mens zien als een van sensoren voorziene automaat die signdebatalen verwerkt en feedback geeft aan zijn omgeving. De dood (entropie) treedt op als die kringloop stokt. Communicatie moet zo min mogelijk metaforisch verlopen: de kortste weg is altijd de beste, hoe concreter hoe beter. De cybernetica is dan ook door-en-door prozaisch en weigert elk flou artistique tussen zender en ontvanger.

Vandaag zou men Wiener een autist of een Asperger-patiënt genoemd hebben. Gelukkig bestonden die ziektes toen nog niet en ging hij gewoon door het leven als een eigenzinnige theoreticus die zijn denkbeelden briljant én verbeten uitdroeg. De cybernetica is desondanks nooit populair geworden, en is zelfs vandaag nog altijd een vies begrip, mede dankzij apocalyptische robotfilms.

Toch is de boodschap van de cybernetica ecologisch en zelfs holistisch: heel de kosmos wordt opgevat als een systeem van systemen die in interactie zijn en een evenwicht uitmaken. Het geautomatiseerd karakter van dit proces druist in tegen elke religieuze levensbeschouwing, maar ook tegen de humanistische ethiek, allerhande levensfilosofieën en de zelfaanbidding van de zgn. “creatieve mens”. Er valt namelijk niets te creëren, alles draait op dynamische schablonen, routines en algoritmen die pragmatisch hun nu of onnut bewijzen. Er is geen god, geen almacht, geen leider, geen onbewogen beweger. In die zin is het woord “cybernetica” (stuurmanskunst) zelf een misleidende metafoor, want er is helemaal geen stuurman, de systemen sturen zichzelf.

Uiteraard zijn hier raakpunten met de evolutietheorie, die eveneens uitgaat van “automatische” veranderingsprocessen en aanpassingstrategieën. We zijn rechtop gaan lopen om beter te kunnen zien en we hebben snijtanden omdat we vleeseters zijn. Daar hoeft geen externe bestuurder aan te pas te komen: wat zich niet aanpast sterft af. Het individu speelt de kaart van de soort, en de soort creëert het individu.

De taal corrumpeert de communicatie, creëert het misverstand en blokkeert de feedback.  Het is volstrekt zinloos om onze intelligentie op die manier verder te ontwikkelen…

Maar op een zeker moment geraakt die logica verstoord, net daar waar de mens verschijnt en de herseninhoud gestaag toeneemt. U wil namelijk helemaal geen voertuig van de menselijke soort zijn, geen schakel van een ecosysteem, geen stukje van de evolutie, en zelfs niet van de geschiedenis. U wil gewoon… zichzelf zijn,- en dat is niet persé goed voor u zelf, laat staan voor het menselijk ras. Heel onze moderne samenleving is in dat bedje van het ontaarde subject ziek.  Alles is gericht op persoonlijke ontwikkeling, profilering en zelfverwezenlijking. Het schisma tussen individu en gemeenschap is onoplosbaar en neemt toe, naarmate onze herseninhoud groter wordt. Een fatale dynamiek.

In een bepaald stadium manifesteert die subjectiviteit zich echt als een kanker, een zich uitzaaiende bron van vervuiling en zelfdestructie. U drinkt, u rookt, u twittert, u schrijft gedichten, u valt schietend binnen in een kinderdagverblijf, u pleegt zelfmoord. U luistert naar symfonieën maar u maakt ook kernbommen.  Het Darwinisme geraakt niet uit deze paradox van het intelligente, egoistische dier dat zijn eigen voortbestaan doorlopend hypothekeert. Individueel én collectief.

Daarmee is de evolutieleer zelf passé. En het is de taal, de vergevorderde, symbolische en metaforische mensentaal, die het morbide karakter van ons intellect aantoont. De taal corrumpeert de communicatie, creëert het misverstand en blokkeert de feedback.  Het is volstrekt zinloos om onze intelligentie op die manier verder te ontwikkelen en het subject “literair” te omzwachtelen via allerlei hermetische codes.  Vaagheid en ruis hullen zich in een steeds grotere, dichtere wolk,- een pathologische nevel van privé-signalen die nergens meer uitkomen. Iedereen lult maar wat voor zich uit, in naam van de vrijemeningsuiting, de democratie en de artistieke vrijheid. De entropie is onontkoombaar.

De objectiviteit van het insect

Het bizarre nu is, dat zogezegd “lagere” diersoorten dat probleem helemaal hebben opgelost. Vooratermietenheuvell de insecten, meerbepaald mieren, bijen en wespen, hebben de subjectiviteit geannuleerd en de groepsidentiteit geperfectioneerd tot dé identiteit. Als u een mier ziet lopen, denkt u het met een levend wezen te maken te hebben, terwijl het eigenlijk een fragment is van het echte organisme, zijnde de kolonie. Hun cybernetisch systeem vertoont totaal geen kloof tussen het geheel en de delen. Als een mierenzwerm een rivier oversteekt, vormt ze een levende brug waarbij er wel een paar honderduizend exemplaren verdrinken, zonder dat de kolonie ook maar één moment wordt bedreigd.

Het lijkt een fascistisch denkbeeld om dat op de mens toe te passen: de groep als zwerm, waarin het individu totaal verdwijnt. Toch is de mierenkolonie geen hiërarchische structuur met een leider en een repressiemechanisme, maar een cybernetisch systeem met een immanente orde. Ze is zowat 145 miljoen jaar geleden ontstaan (voordien waren de beestjes wél solitair) en mag eigenlijk als de échte kroon van de evolutie beschouwd worden. Het insect is als het ware een fascinerend model van objectiviteit,- het is ondenkbaar dat een specimen hier zou uitwoekeren tot subject met een eigen agenda.

De bioloog Mark Moffet bestudeerde het intern communicatiesysteem van de mierenkolonie, gebaseerd op de uitwisseling van feromonen ofte geursignalen. Geen enkel flou is hier mogelijk: deze “taal” is volstrekt ruisvrij en te vergelijken met de intercellulaire communicatie binnen een gezond lichaam. Verwar dit fenomeen vooral niet met antropomorfe begrippen zoals “solidariteit” of sociale cohesie in de menselijke samenleving: hier is geen communicatiewetenschap nodig, er moet hier geen individualiteit getemperd worden, geen egoïsme beteugeld, geen democratie gereguleerd, omdat het individu gewoon niets betekent. Daardoor is ook de dood onbestaande, de kolonie sterft nooit.

Het moderne verkeer is een tragikomische illustratie van onze onmogelijkheid om insect te worden: een chaotisch gewriemel van subjecten zonder doelmatigheid.

En raar maar waar: het houdt niet op bij de perfecte architectuur van de termietenheuvel en de volmaakte groepsobjectiviteit. Recente studies hebben uitgewezen dat deze heuvels volgens een welbepaald patroon worden opgetrokken, die een maximale output oplevert voor het ecosysteem van de Afrikaanse savanne: verluchting en bemesting van de bodem, aantrekken van micro-organismen, stimulering en versterking van de voedselketen. Ze zijn niet alleen gericht op de instandhouding van de eigen populatie, ze zijn ook nog eens landschapsarchitecten en integrale tuiniers van het savanne-biotoop. Anders gezegd: de termieten creëren zowel op micro- als op macrovlak de beste van alle mogelijke werelden.

Nu pas blijkt in wat voor eFRANCE-TRAFFIC-HOLIDAYSen inferno wij zijn terecht gekomen: een wriemelende massa die constant overhoop ligt met zichzelf, met een toenemende repressie als enig alternatief. L’enfer, c’est les autres. Het moderne verkeer is een tragikomische illustratie van onze onmogelijkheid om insect te worden: er is wel de massa, de chaos van individuen (kevers), maar er is geen objectieve doelmatigheid die hen uit dat individu-zijn ontheft. Er zijn regels (nu weer over het ritsen), maar ze worden nog het liefst genegeerd. Er zijn wegwijzers, markeringen, flitspalen, agenten, terwijl de oorlog van allen tegen allen toch blijft voortduren. Niet omdat we zo oorlogszuchtig zijn, maar gewoon… omdat de ego-pathologie, het primaat van de individuele existentie, ons parten speelt.

Biobot x drone: de kosmische libelle

Zo bekeken zit onze tijd erop, we kunnen de evolutie niet meer terugdraaien. Om het echter niet simpelweg aan de mieren, wespen, bijen, sprinkhanen en kakkerlakken over te lbiobot2aten,  zouden we met een ultieme, allerlaatste krachtinspanning van de ratio nog onze opvolger kunnen vormgeven, met de natuur als model. Een kunstinsect dus? Zoiets, ja.

Na jarenlang hun tijd verknoeid te hebben met een mistige zoektocht naar het Higgs-boson, zijn ze op de Harvard-universiteit (waar ook ene Norbert Wiener gedoctoreerd had, de cirkel is rond) eindelijk tot het inzicht gekomen dat het menselijk kennisproject zijn afscheidsfeestje mag vieren via de ontwikkeling van een robotpopulatie die compleet als een termietenkolonie werkt. Deze biobots zijn in staat om een kathedraal te bouwen zonder plan of architect. Ze gebruiken wat ze kunnen vinden, lopen elkaar nooit in de weg, en communiceren volgens een simpele binaire code. Het toevoegen of verwijderen van een aantal van deze biobots verandert niets aan de programmatuur, het zal alleen wat sneller of trager gaan.

Als mega-kolonie van vliegende kunst-insecten zullen ze een superidentiteit vormen die wellicht zelfs interplanetaire bruggen kan leggen…

Onderschat deze artificiële insecten niet. Dankzij de ‘intelligentie van de zwerm’ kunnen de biobots hun constructie flexibel aanpassen aan de situatie ter plaatse, ook al is die niet op voorhand gekend. Ze merken ook wanneer het fout begint te gaan, en breken het foute deel dan weer af, en dit zonder centrale planning. Deze verzoening van biologie en cybernetica maakt de plaats vrij voor de eindelijke geboorte van het menselijk insect, niet vanuit de biologische evolutie maar als ultiem, onbaatzuchtig product van het menselijk brein.

Van zodra ook hun voortplantingssysteem op punt staat (aseksueel, door cloning, zoals bij de “modernste” mierensoorten), kan het menselijk ras echt ophouden te bestaan. Ze werkdroneen op zonne-energie en bestaan uit bio-afbreekbare massa. Ik zie ook nog wel vleugels komen aan dat finale kunstinsect. Niet toevallig loopt de biobot-research in Harvard parallel met de ontwikkeling van de drones, kleine onbemande vliegtuigjes of helikopters. Momenteel is het nog ijzertuig, vooral ingezet voor militaire doeleinden, maar het lijdt geen twijfel dat ze snel zullen verburgerlijken en een huwelijk met de biobottechnologie zullen aangaan. Vergeet het gestuntel van Panamarenko en zijn veredeld schroot: hier komen de echte Batopillo’s. Als mega-kolonie van vliegende kunstinsecten, ietwat gelijkend op de reuzenlibellen uit het carboon, zullen ze een superidentiteit vormen die wellicht zelfs interplanetaire bruggen kan leggen, iets waar wij zelfs niet van kunnen dromen.

Daarmee opent de cybernetica –eindelijk- terug een oneindigheidsperspectief: de onsterfelijkheid van de kolonie en de uitgestrektheid van het heelal doen denken aan de filosofisch-dichterlijke luchtkastelen van weleer, maar dan zonder het filosofische, het dichterlijke en de luchtkastelen.

Norbert Wiener formuleert de melancholie van de menselijke intelligentie, maar heft ze meteen ook op in een vrolijke wetenschap, een ode aan het perfecte dier dat na ons komt. De menselijke geest die een kosmische libelle baart,- ruik ik daar zowaar toch een gnostisch verlossingsmotief? De Joodse afkomst van de atheïst Norbert Wiener is er misschien niet vreemd aan…

De 9 peperbollen, of de magie van het placebo

Nero3Het is onomstotelijk bewezen: naar Lourdes trekken doet hopeloze gevallen genezen. Waarom? Gewoon omdat de zieken en zuchtigen erin geloven, dat weet men zelfs ginder ter plekke, anders zou de handel in gewijd water er niet zo floreren. Het allergrootste argument pro religie is, dat zelfbedrog ook werkt. Daarmee is niet het bestaan van God bewezen –integendeel zelfs-, maar wel dat geloof een kracht op zich is, in staat om fysiologische processen diepgaand te beïnvloeden.

In de wereld van de farmaca zit men al langer met de handen in het haar over deze kwestie: van sommige geneesmiddelen weet men echt niet meer of ze chemisch werken, dan wel psychologisch, door autosuggestie van de patiënt, een fenomeen dat we kennen als het placebo-effect.

Fraude en fantasie

Dat schept opportuniteiten voor die sector (geen dure research meer nodig, gewoon een pilletje met de juiste kleur en een goed verhaal in de markt zetten), maar opent tegelijk een doos van Pandora. Want als neppillen werken, kan iedereen ze maken, en moet het woord “kwakzalverij” uit het woordenboek gebannen worden.

nero5Niemand weet dat beter dan madame Nero, die in het album “De negen peperbollen” (1956) heel het verhaal door pill    en pakt, haar aangesmeerd door zo’n zogenaamde kwakzalver, opdat haar man huiswaarts zou keren. Nero zit namelijk in Kenia, heeft daar de wonderbare plant met de negen peperbollen bemachtigd, waardoor hij allerlei onwaarschijnlijke exploten uithaalt. Zoals: een paar duizend kilometer naar huis lopen en letterlijk met de deur in huis vallen, aan het einde van het verhaal. Subtiele knipoog van tekenaar Marc Sleen: mevrouw Nero ziet haar wens in vervulling gaan met een placebo, maar ook die negen peperbollen waren waarschijnlijk nep om Nero in zijn kracht te doen geloven, en zo is heel het verhaal een wondermiddel voor de goedgelovige lezer die zichzelf trakteert op een rondje stripplezier. Over de wonderbare kracht van kunst en literatuur, straks meer.

Is het immoreel om te geloven?  Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Eerst nog iets over geneeskunde en de farma. Binnen de pillensector groeit dus het besef dat ook een klassiek geneesmiddel berust op het placebo-effect. Er zijn al complete operaties gedaan met nep-pijnstillers zonder werkzame stoffen. Gekleurde suikerklontjes als het ware, die iemand quasi-compleet gevoelloos maken omdat hij/zij denkt dat het middel verdovend werkt. Leg dat maar eens uit. Klassieke geneeskunde en homeopathie kunnen zich nu met elkaar verzoenen na eeuwen vijandschap: het ging bij die 9 peperbollen toch allemaal om verbeelding, inbeelding en zelfsuggestie. De magie heruitgevonden.

Dat noopt tot een herziening van de geschiedenis. Nadat wielrenner Lance Armstrong door heel de wereld verketterd werd als dopinggebruiker, en hem zijn zeven tourtitels werden ontnomen, komt nu ene Michele Ferrarri, Italiaans sportarts en dopingexpert, met de revolutionaire theorie af dat de dosissen die Armstrong nam te klein waren om enig fysiologisch effect te hebben. En dat ze als nep- en pepmiddelen moeten beschouwd worden, iets om hem een goed gevoel te geven en fluitend de Mont Ventoux te laten  oprijden. Lance Armstrong geloofde in het placebo en won. Een straf staaltje psychokinese. Gezien zijn wonderbaarlijke genezing van teeltbalkanker, niet eens zo’n gekke theorie. Sportlui zijn overigens buitengewoon bijgelovig. Voetballers die het slipje van hun vrouw of lief in hun broekzak steken, wielrenners die absoluut eerst hun rechterschoen moeten aandoen, een tattoo, een masquotte, men kan het zo gek niet bedenken. Doping of zelfsuggestie?

En geloof het of niet: al in 1956 won stripheld Nero, dankzij een van die negen zogezegd “magische” peperbollen,…een zware bergrit in de Tour de France met 38 minuten voorsprong. Waarmee Marc Sleen het exploot van Armstrong, een halve eeuw later, voorspelt, maar hem ook definitief vrijpleit. Doping? Nepdoping? Is het immoreel om te geloven? Is een fraudeur die in zijn eigen leugens gelooft en ze realiseert, een fraudeur? Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Het simulacrum

armstrongU begrijpt dat dit niet over pillen of sport gaat, maar stilaan een ontologische kwestie wordt. De positivisten zitten hier met een enorm probleem: het causaliteitsprincipe wordt genadeloos aangevreten, en, erger nog,- de schijn bestaat niet. Waarheid en geloof vallen samen, dankzij de psychosomatische wisselwerking tussen lichaam en geest, en de kracht van de autosuggestie. Geef iemand een pil die hem gewichtloos maakt, en het zal werken, als hij er maar hard genoeg in gelooft.

Het is via dat inzicht dat Jean Baudrillard (1929-2007), protestfilosoof uit de jaren ’60 en ’70 van vorige eeuw, zijn afschuw tegenover het simulacrum (de schijnwerkelijkheid die zich tegenover de echte werkelijkheid opdringt, vooral dankzij de massamedia) opgeeft, om uiteindelijk de universaliteit ervan te erkennen. We kunnen ons overgeven aan de schijn, omdat ze geen schijn meer is, ze hercreëert onze werkelijkheid en verandert uiteindelijk de wereld, ze bepaalt de geschiedenis,- in de eerste plaats de kracht van het mentale en de ontgrenzing van ons eigen lichaam. Het is een van die simpele wijsheden waar de jongens en meisjes van SKEPP compleet naast kijken:

Het zijn net de dingen die niét werken, die ons eigen systeem aan het werk zetten. Alles is suggestie.

Dat is perfect van toepassing op Lance Armstrong, maar uiteindelijk wellicht zelfs op elke vorm van “tekst” (discours, verhaal, mythologie) die ons leven vorm geeft. We kopen niet de naakte auto, maar vooral het verhaal rond avontuur, vrouwen, snelheid. Waardoor zelfs de file een virtuele race wordt, mede dankzij de autoradio en andere mobilotica. Het geluk wordt gecreëerd door de belofte erop. “Placebo” betekent uiteindelijk “Ik zal behagen” of “Ik zal gelukkig maken”. En belofte maakt schuld.

Het placebo is met andere woorden overal,- het kan natuurlijk ook omslaan in zijn tegendeel, namelijk het nocebo (ziek worden of sterven door iets te geloven), zoals bij een roker die zoveel doodskoppen op zijn sigarettenpakje heeft gezien dat hij echt kanker krijgt,- de moderne versie van de “vervloeking”. Buiten die twee is er haast niets meer dat ons psychisch en sociaal functioneren als consument, mediagebruiker, kiezer bepaalt. Baudrillard sluit het tijdperk van de metafysica definitief af, maar opent dat van de postmoderne magie en de nieuwe religiositeit, gebaseerd op een dialectiek van de schijn.

Cultuur, geluk, bewustzijn.

Vergeet het atheïsme en de vrijdenkerij, het mensdom is nog nooit zo bijgelovig geweest. Maken de iPasalond en de iPhone ons gelukkig, doet een verblijf op een all-in-resort op Tenerife ons op krachten komen? Jazeker, want de reclame belooft het ons. Men kan hier niet zomaar spreken van bedrog of indoctrinatie, want het “werkt” echt, het gaat om hypnotische rituelen die ons aanspreken en waaraan we ons willen onderwerpen. Tussen het product en de consument staat de tekst (bijvoorbeeld de reclame, de bijsluiter) die de waarheid herschept. De metatekst dus, over het product. Zo zal de bijsluiter van het medisch placebo meegaan in de illusie, en zo de (zelf)genezing uitlokken.

Grappig is dat die logica van de self-fulfilling prophecy ook werkt in de wereld van de Cultuur met een grote C. Vooral juist daar. De nieuwste roman van Dimitri Verhulst, de Oscargenomineerde film ‘The Broken Circle Breakdown’, de Nationale Gedichtendag, Alphavillle,…. ze verhogen mijn gelukscoëfficiënt, ze maken me slim, innerlijk rijk, bewust, omdat het protocol (het geheel van begeleidende teksten, catalogi, programmaboekjes, achterflappen,…) dat wil. Ze zijn cultuurplacebo’s in de ware zin van het woord. Ze creëren waarheid en bewustzijn daar rond, zingeving, zelfverheffing, vanuit een promotionele omlijsting. Het werkt, ik kan het u verzekeren. Ooit stuurde ik voor De Standaard (waar mijn naam sinds jaar en dag zorgvuldig wordt geweerd) een kritisch opiniestukje over Jan Fabre in, onder een vrouwelijk pseudoniem. Niet alleen werd het dadelijk gepubliceerd, ook de VRT-nieuwsredactie ging ijverig op zoek naar de auteur van die opzienbare bijdrage. Waardoor de echte schrijver werd betrapt. Ik, Lance Armstrong?

Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was.

Aan Marc Sleen en zijn peperbollenverhaal moest ik denken, toen iemand me vertelde dat hij naRosas een opvoering van de dansproductie “Eight Lines” (Anne Teresa De Keersmaeker) “als herboren naar buiten kwam”. Ik geloof hem: de krantenrecensies, heel het toeleven naar de voorstelling, de prijs van het ticket, de verplaatsing, de investering in tijd, energie en Euro’s,… schept een zodanig verwachtingspatroon dat men de euforie zelf creëert. De prijs draagt bij tot de autosuggestie. Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was. Kritiek is hoe langer hoe minder een maatstaf. Het veroorzaakt alleen maar wrevel, ongemak, frustratie, ongeluk.

Vooral bij De Keersmaeker heb ik altijd de indruk gehad dat de metatekst over het ding, de naam, de status, het programma, belangrijker is dan het ding zelf. Bedoel ik nu dat de schoonheid van “Eight Lines” op bedrog berust? Neen, net niet,- de vermarkting van het artistiek product maakt gewoon de kwaliteit en zijn pragmatische doeltreffendheid uit. De media spelen een sleutelrol in het fabriceren van de metatekst, en tonen daarmee aan dat een dansvoorstelling in se niet verschillend is van een wasproduct of een GSM of een auto.

Baudrillard eindigt dus met te zeggen: neem en consumeer dit alles, creëer de illusies zelf, wees uw eigen homeopathische therapeut.

Alles zit tussen de twee oren, de rest hangt er maar bij

breinZo wordt dit, zoals alles, weer een aangelegenheid van het menselijk brein. Vergeet de filosofie en alle andere wetenschappen: alleen de hersenfysiologie doet ertoe. Maar de onmogelijkheid van het brein om zijn eigen criticus te zijn, maakt juist dat het zelfbedrog alomtegenwoordig is, en dat we de wereld creëren volgens onze eigen voorstelling. De hallucinatie voorbij. En daartoe is wil, aandrift, begeerte, energie nodig. Veel meer dan zomaar intelligentie. Meerbepaald de wil om endorfine (chemisch verwant aan morfine) aan te maken, de stof geproduceerd door de hypofyse, die verantwoordelijk is voor het geluksgevoel. Natuurlijk wil het geluk zichzelf vereeuwigen, hoe zou u zelf zijn.

Iets wat Arthur Schopenhauer (1788-1860) in zijn hoofdwerk “Die Welt als Wille und Vorstellung” al poneerde, zij het dat Arthur aan de kunst nog een apart plaatsje toebedeelde, als zou die aan het nuttige zelfbedrog ontsnappen. We weten ondertussen beter.

Voor de rationalisten, en al wie nog in de menselijke rede gelooft, is dat een onoverkomelijk probleem:

Blijkbaar houdt de menselijke geest ervan om zichzelf voor de gek te houden. De leugen zit diep in de kern van ons brein, als een zelfstimulerende mentale G-spot.

Alleen daardoor is het mogelijk dat seksuologen aan de universiteit van Texas 237 redenen kunnen verzinnen om seks te hebben, en dat als wetenschap verkopen. Waarna het ook een echte handleiding wordt om van bil te gaan, en ons leven beter, zinniger, bewustvoller maakt.

Langzamerhand wordt heel het verhaal van geloof, weten, kennis, willen, bewustzijn, dat van een slang die in haar eigen staart bijt. Het menselijk brein verschalkt zijn eigen waarheidsobsessie grandioos, net door de leugen te hanteren als iets dat waarheid creëert: “Ik weet dat het een placebo is, dus dat het niet werkt, maar toch gebruik ik het, omdat ik weet dat het werkt als ik erin geloof”. Verdomde breinkraker, nemen, die vergulde pil!

De toekomst is dus aan de gebedsgenezers, de goeroes, de duiveluitdrijvers, de Zarathustra’s, de seksuologen, de voorlichters, de charlatans en fraudeurs, de verkopers van alle mogelijke drankjes, poedertjes en elexirs. Zij zijn de begeleiders van ons zelfhypnotisch vermogen. Ze smeren ons rommel aan, maar net dat geeft ons brein de kans om zichzelf in de maling te nemen en de rommel te opwaarderen tot drug en elexir. Geen enkele diersoort is daartoe in staat. Het heeft geen zin de charlatans te verbannen, want dan houden we niets over, alleen bittere desillusie en wanhoop.

En daar heeft de natuur ons niet voor gemaakt. Althans, dat wil ik graag geloven.

“Ze zijn onder ons…”: over het nut en vermaak van complottheorieën

Nu heel het intellectueel debat in de Lage Landen in beslag genomen is door het nieuwe boek van Kristien Hemmerechts en de aanstelling van de Belgische Dichter des Vaderlands, is het misschien tijd om deze kwesties te herleiden tot wat ze zijn, namelijk niets, en het even over alles te hebben.

Alles? Kan dat dan? Welja, op voorwaarde dat men de realiteit, althans zoals ze zich voordoet, even kan loslaten, om haar opnieuw te vatten in één grote, persoonlijke ideële constructie. Een compositie van de wereld, met dank aan Harry Mülisch, waarin alle stukjes van de puzzel perfect in elkaar passen, maar die van de lezer haast een even grote verbeelding en inleving vraagt als van de bedenker zelf.

Goddelijke deeltjes

CERNOppervlakkig lijkt dat op paranoia, een waan-weten. Want wat is het wereldbeeld van een enkeling waard? De Nederlandse filoloog Matthijs van Boxsel heeft er zijn levenswerk van gemaakt om het fenomeen in kaart te brengen en te inventariseren. Zijn driedelige “Encyclopedie van de Domheid”  toont ons een weids overzicht van mislukte profeten en bedenkers van buitenissige theorieën zoals, om er maar één te noemen, de Belgische officier Nicola-Remy Brück (1818-1870) die via de schommelingen in het aardmagnetisme heel de wereldgeschiedenis kon verklaren én voorspellen. Jammer genoeg past die theorie tot op vandaag in geen enkel gangbaar wetenschappelijk stramien, waardoor van Boxsel hem bij de morosofen rangschikt: roemloze en achteraf bekeken belachelijke believers en propagandisten van een onacceptabel denkconstruct.

Je komt ze overal tegen, meestal alleen, ze klampen iedereen aan, stellen eindeloze vragen op lezingen, leuren met zelfgemaakte foldertjes. Vandaag beijvert het genootschap SKEPP (“Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale”, een hele mond vol) zich nog altijd om dit soort mensen aan de schandpaal te spijkeren alsof het criminelen zijn.

Gelukkig bezit van Boxsel voldoende gevoel voor ironie om ook zichzelf in het rijtje van de mislukte genieën een plaats te geven. Het grote probleem is immers dat de grens tussen het genie en de nar, -de succesrijke theorie die heel de wetenschap overhoop gooit, en het godvergeten bedenksel van de morosoof,- flinterdun is. Temeer omdat alle wetenschappelijke paradigma’s een houdbaarheidsdatum hebben. De gravitatietheorie van Newton, de relativiteitstheorie van Einstein en de evolutietheorie van Darwin doen het nog altijd heel goed,- al zijn ze toch ook maar ontstaan in het hoofd van een fantast. Maar de psychoanalyse van Siegmund Freud, honderd jaar lang als ijzersterk beschouwd, ligt nu onder vuur en wordt door sommige academische kringen (in hoge mate gelinkt aan bovenstaande vereniging) afgebrand als charlataneske prietpraat. Idem dito voor neo-Freudianen zoals Jacques Lacan.

Als het zo verder gaat komt Freud binnen twintig jaar ook in het lijstje van de morosofen. Maar wie zegt dat Darwin en Einstein niet ooit hetzelfde lot is beschoren? Vandaag geloven minder mensen in de evolutietheorie dan pakweg een halve eeuw geleden. De opgang van het creationisme (geloof in de schepping) of het intelligent design (de evolutie als goddelijk bouwplan) heeft misschien minder te maken met een terugkeer naar de middeleeuwen, dan wel met de fatale uitfloddering van een theoretisch systeem.

Ik ben dus zo vrij ze allemaal gelijk te stellen, de grote systemen, en ze onder de complottheorieën te rangschikken. Elke “grote” theorie die het heelal probeert te begrijpen is paranoïde. En dat woord gebruik ik niet eens in een negatieve zin.

Geef toe: bijvoorbeeld de theorie van het Higgs-boson of Brout-Englert-Higgs-deeltje, dat alomtegenwoordig zou zijn in het universum, en waardoor alle deeltjes massa krijgen, is een grotesk hersenspinsel zoals heel de kwantumfysica. De natuurkunde van de elementaire deeltjes is soms meer poëzie dan wetenschap in de strikte zin. De bijnaam “goddelijk deeltje” is dan ook niet helemaal onterecht: het is zeer waarschijnlijk dat de reusachtige deeltjesversnellers zoals de Large Hadron Collider van het CERN in Genève ooit als tempels van een uitgestorven religie zullen geboekstaafd staan, eerder dan als laboratoria.

Laat dus maar duizend bloemen bloeien, alles is mogelijk en niets is zeker. Deze horizontale visie op kennis en geloof wil ik nu nog verbreden door er mijn eigen complottheorie aan toe te voegen. Nieuw materiaal voor van Boxsel.

Tijdreizigers

circusJuist in verband met dat mysterieuze Higgs-boson werd links en rechts al eens het vermoeden geopperd dat de echte empirische bevestiging ervan wel lang op zich laat wachten. Wil het ultieme deeltje wel ontdekt worden? En wie of wat houdt dit tegen? En waarom stapelen de pannes in die deeltjesversnellers, toch niet gemaakt van papier maché, zich op en wordt dé ontdekking alsmaar weer uitgesteld?

Verder bordurend op deze achterdocht zou men zich een toekomst kunnen voorstellen waarin de techniek van het tijdreizen mogelijk wordt. Dat zal niet gebeuren met de wetenschap van holbewoners als Newton of Einstein maar dankzij die van nog veel grotere fantasten. Natuurkundig, logisch, en zelfs ontologisch opent dit idee alleszins een enorme doos van Pandora: stel dat de aardbewoner van de toekomst kan terugkeren naar het verleden, zou hij dan ook niet ingrijpen in dat verleden, om zijn existentie te optimaliseren? Bijvoorbeeld om de ontdekking van dat Higgs-boson uit te stellen. Of om zich de juiste voorouders te selecteren die hem een IQ van 180 opleveren en een penis van 25 cm. Maar natuurlijk ook, en vooral, om de wereldgemeenschap van de toekomst uit te tekenen.  Als dat klopt, dan zou ons heden een constructie zijn van de toekomst, en lopen er hier specimen rond die via bepaalde ingrepen, voor ons onverklaarbaar maar voor hen evident, de geschiedenis bijsturen.

Het is het maakbaarheidsgegeven op zijn kop: wij hebben helemaal niets in de pap te brokken, en zijn zelfs niet gedetermineerd door het verleden, maar door diegenen die na ons komen. De tijdreizigers dus.

Nu kan het complotdenken pas goed op gang komen: waar zitten ze? Hoe zien ze eruit? Wat doen ze exact?  Allemaal domme vragen natuurlijk. Ze zijn overal, ze zien eruit als wij en doen net hetzelfde, maar dan met een geheime agenda, dat maakt het zo spannend. U en ik kunnen het zijn, of Homer Simpson. Mogelijk maken ze ook wel eens een fout en creëren ze een paradox. Zo zou op de achtergrond van de film “The Circus” van Charles Chaplin uit 1928 een persoon met een… GSM te zien zijn (z. foto). Een onachtzame chrononaut die per ongeluk door het beeld loopt?

Af en toe wordt er geopperd dat de chrononauten zich als een groep of een volk doorheen deze tijd bewegen en zo hun futuristische agenda afwerken. De Joden bijvoorbeeld (beschouwen zich sowieso als een aparte soort), of de Hongaren (vanwege hun taal die geen enkele gelijkenis vertoont met enige andere). Kan zijn.

Plausibeler lijkt me dat de tijdreizigers zich gedeisd houden en in verspreide slagorde opereren, ze zitten niet aan de knopjes of de hefbomen, ze veroorzaken zelf niet al die rampen, zo slim zijn ze wel,- ze geven veeleer de minimale en juiste impuls om kettingreacties teweeg te brengen die naar het juiste doel leiden. Wie hier de schaduw van God ontwaart, zit er niet ver naast: misschien zijn alle religieuze ervaringen en geloof in een oppermacht wel te herleiden tot deze über-complottheorie over het Intelligent Design 2.0. Niet de schepping is de crux, wel het moment waarop het posthumane wezen van een verre toekomst die geniale theorie bedenkt die hem toelaat in het verleden in te grijpen.

Technisch zal die achterwaartse schepping niet rimpelloos verlopen, en allicht zijn nogal wat catastrofes te wijten aan kinderziektes van het systeem, foute berekeningen en zo. De op til zijnde klimaatcatastrofe zal tot een drastische uitdunning van de wereldbevolking leiden, wat allicht ook ingeschreven stond in de toekomstagenda, zij het als weinig elegante ingreep. Maar hoe verder de toekomst reikt, des te geperfectioneerder wordt het terugkeren in de tijd en de daarbij behorende manipulaties. En des te geringer, des te subtieler worden de ingrepen, tot in de kleinste details. In het jaar x zal de techniek compleet op punt staan, en zijn de reizigers van dat tijdstip perfect in staat om hun eigen heden te construeren. Alles wordt dus wel degelijk beter, er zullen steeds minder conflicten optreden tussen heden en toekomst. Zouden de optimisten dan toch gelijk hebben?

War game

De geschiedenis wordt dus meer en meer een draaiboek, vastgelegd vanuit de toekomst, door zij SFdie de wetenschap daartoe monopoliseerden. Welke status levert ons, aardbewoners, dat op, anno 2014? Inderdaad, die van dummy’s. We zijn slechts figuranten in een verhaal dat al geschreven is maar waarvan slechts een handvol protagonisten de afloop kent. Zij zijn ook de regisseurs. Wij doen gewoon wat moet gedaan worden, en acteren als in een cybergame. Ten opzichte van de toekomst bewegen wij ons in een virtuele realiteit, een “second world” die maar een speel- en oefenplaats is om de echte te creëren. De echte wereld is in wording, naarmate de geschiedenis oplost, dat wist G.W.F Hegel al, dé complottheoreticus van de Westerse filosofie.

Maar het wordt nog boeiender. Want als verschillende tijdzones uit de toekomst zich met ons leven en onze realiteit gaan bemoeien, dan zijn conflicten tussen deze chrononauten zeer waarschijnlijk: mogelijk hebben verschillende toekomstgeneraties een verschillend concept van hun ideale werkelijkheid, in de eerste plaats door het verschil in kennis en technologisch peil zelf.

Het zou dus best kunnen dat een commando tijdreizigers uit 3020 en een ander uit 4035 het hier bij ons komen uitvechten. Het wordt nog lachen. Daardoor zitten wij, hedelingen, niet alleen in een virtuele realiteit, maar ook in een virtuele oorlog, een war game tussen tijdmigranten uit zones  x, y en z. Mogelijk loopt dat af en toe uit de hand, en waren W.O. I en II chrononautische confrontaties. Binnen dat virtueel kader kunnen wij nooit meer zijn dan figuren die een digitale spelruimte stofferen. Het maximum dat we kunnen bereiken, is inzicht en bewustzijn, zo algemeen, omvattend en radicaal mogelijk, in dat waar we geen vat op hebben en dat we niet kunnen verifiëren, tenzij als bug, een lichte storing, een flikkering in het scherm.

Ziedaar het nut van complottheorieën: ze proberen, in tegenstelling tot hun reputatie, realiteiten te benaderen en te omschrijven waar de meesten onder ons zelfs niet durven aan denken.

Filosofen zijn de perfecte complotdenkers, net omdat hun gedachtenexperimenten niet eens hoeven gecheckt te worden door deeltjesversnellers of ander tuig. Meta-fysica dus, in de eigenlijke zin van het woord. Anderen zullen het onzin noemen, en daar hebben ze binnen hun systeem ook weer geen ongelijk in.

U begrijpt dat ik dan ook niet meer wakker lig van de benoeming van de Belgische DichterWally des Vaderlands. Alleen het heel-al is van betekenis. Weerom is het eigenlijk de humor die dit alles draaglijk en zelfs amusant maakt. Ik citeer hier het onvergetelijke refrein van Captain Eddy Wally in het absurde SF-feuilleton Lava:

In het heelal is ’t alle dagen carnaval,
in het heelal is ’t alle dagen bal.
In het heelal is ’t alle dagen carnaval,
en het heelal is overal!

De nederigheid van Franciscus

Over symboliek, rituelen en religieuze marketing

pausDe paus heeft op Witte Donderdag in een Romeinse gevangenis de voeten gewassen van een aantal jeugdige delinquenten (men spreekt allang niet meer over jonge boefjes), “als teken van nederigheid en ter herinnering aan het feit dat Christus dit tijdens het Laatste Avondmaal met zijn discipelen ook deed”. Aldus het officiële Vaticaanbericht. Van de 50 aanwezige jongeren werden er overigens maar 12 uitverkoren, de rest bleef met zweetvoeten zitten: het gaat, beste mensen, namelijk om de symboliek, en de apostelen waren ook met z’n twaalven, waaronder één rotte appel, genaamd Judas Iskariot (volgens sommigen geen ordinaire geldwolf, maar een lid van de Joodse ondergrondse tijdens de Romeinse bezetting).

Trekken we die symboliek en de parallel met het Evangelie door, dan heeft paus Franciscus ook de voeten van zijn verrader gewassen, en eigenlijk zijn doodsvonnis getekend,- niet geheel onlogisch gelet op de omgeving. Maar die conclusie is uiteraard niet de bedoeling: het gaat om georganiseerde symboliek met een voorbedrukte interpretatie, iets waar de dag van vandaag vooral de marketing zich mee bezig houdt. U krijgt het symbool én de uitleg. Beelden moeten spreken, maar niet méér dan door de regisseurs toegelaten. Dikwijls zijn Facebook en Twitter daarin stoorzenders, ze vervormen en ontmantelen de reclameboodschap. Dus moeten ook die sociale media bezet worden, wat de paus trouwens met veel brio doet onder de naam Pontifex (nu al zo’n vijf miljoen volgers). Het ABVV kan er nog wat van leren.

Propaganda Fide

Religie en marketing: het heeft natuurlijk altijd bestaan, we moeten daarvoor niet naar de States met hun grote aanbod van Christelijke kerkfabriekjes en welbespraakte predikanten. Als het woord Evangelion letterlijk “goede boodschap” betekent, dan moet die boodschap ook aan de man en de vrouw gebracht worden. Dat vergt retoriek, charisma, communicatievermogen. Op het water wandelen en water in wijn veranderen helpt ook. In onze mediamaatschappij zijn de wonderen vervangen door de kunst van het communiceren en het bespelen van de massamedia. Daar is onze Pontifex goed mee bezig. Net het feit dat het voetwasritueel afgelopen donderdag niét live op televisie werd uitgezonden –tegen de traditie in-, heeft dit evenement een onvoorstelbare mediatieke boost gegeven, en dat was allicht ook de bedoeling: deze nederige paus heeft gevoel voor ironie. Tenzij we een categorie hoger spelen, en het over cynisme hebben.

Want het zit in de genen van het Christendom: de Propaganda Fide, de missionarishouding, het verbreiden van het ware geloof waarbij het doel alle middelen heiligt. Franciscus behoort niet voor niets tot de Jezuïetenorde, door moraalfilosoof professor Vermeersch zeer bewonderd. Heel de moderne reclamepsychologie, de wetenschap van het misleiden, is overigens een afgeleide van de Roomse contrareformatie met haar overrompelende beeldcultuur, als antwoord op het protestantse fundamentalisme.

In een essay van Mei 2006, getiteld “Communicatie kan tot hersenstilstand leiden”,  waarin ik de huidige marketingwetenschap met dat religieus Machiavellisme in verband bracht, stel ik het zo:

“…De echte historische voorloper van onze moderne Public Relations is de 17de eeuwse “Propaganda Fide” , het instituut van de Jezuïeten dat de suprematie van de Rooms-katholieke doctrine moest vrijwaren na de frontale aanval van het protestantisme..      De Jezuïeten hebben de Kerk de moderniteit binnengeleid, door een scheiding te maken tussen waarheid en voorstelling, dat wat je bent en hoe je je dient te verkopen. Tot uiteindelijk de façade de essentie zelf wordt (“The medium is the message”).  Deze kerkintellectuelen, die heel goed beseften dat Rome de strijd op inhoudelijk vlak definitief verloren had tegen de zgn. ‘ketters’, zijn de uitvinders van de politieke propaganda, het begrip ‘publieke opinie’, beeldmanipulatie (de barokkunst!), de mediatisering avant-la-lettre, marketinglogica, het populisme, en dus onrechtstreeks ook van de massacultuur.             Hun staat van dienst is indrukwekkend: in de 16de eeuw organiseerde de Societas Jesu al de inquisitie, in de tijd van de grote ontdekkingsreizen en de kolonisatie van Zuid-Amerika vonden ze zowaar het moderne racisme uit. Een van hun beste leerlingen was overigens…. Joseph Goebbels.”

Dat laatste leverde me een proces wegens smaad én een astronomische schadeclaim op vanwege reclamemaker en Open-VLD-strateeg Noël Slangen die in dat essay werd vernoemd. Maar Slangen werd door de rechter wandelen gestuurd. Sindsdien is mijn relatie met het politieke establishment, de media, én de zgn. communicatiesector, wel grondig vertroebeld: allen voelen ze zich blijkbaar aangesproken. Terecht.

Sklavenmoral

Terug naar de symbolen en hun betekenis.   In navolging van de intimidatierituelen bij mensapen (o.m. de gorilla’s: het bekende roffelen op de borst) voelen politieke leiders vandaag de behoefte om hun fysieke fitheid te onderlijnen, met als onderliggende boodschap: let op, deze man is gevaarlijk, maar beschermt u ook.

In 1966 al zwom Mao Tse Toeng de Gele Rivier af, om duidelijk te maken dat er aan zijn suprematie niet moest getwijfeld worden. Slappe imitaties zijn sindsdien dagelijkse kost. In Vlaanderen kruipt elk beetje politicus op een koersfiets om zijn status van alfadier te onderstrepen. Bart De Wever loopt evenwel liever de Antwerpse Ten Miles, omdat zijn zwartgele toga daar beter tot zijn recht komt, met de inscriptie: “Nil Volentibus Arduum” (“voor wie wil is niets te zwaar”).

Al die krachtpatserijen verzinken echter in het niet bij de nederigheidsrituelen die het Christendom ontwikkelde: zich ontwapenen, op de grond gaan liggen, de rechterwang aanbieden na een mokerslag op links, iemands voeten wassen,- en natuurlijk het zich laten kruisigen zelf. Nietzsche sprak over Sklavenmoral, omdat hij de ironie niet snapte die al in de originele voetwassing tijdens het Laatste Avondmaal vervat zat. Jezus was namelijk helemaal niet bescheiden, noemde zich zelfs de Zoon van God, en demonstreerde op een weergaloze manier zijn moreel gezag, net door die autoriteit constant symbolisch te overstijgen. Vandaar ook de intrede in Jeruzalem, achterwaarts gezeten op een ezel: geen enkele tiran doet het hem na. Terecht vonden de Joden én de Romeinen hem in die tijd een gevaarlijk sujet.

Franciscus heeft de kracht om de biologische alfadier-rituelen te negeren en de machtssymboliek op haar kop te zetten, zonder aan kracht in te boeten, integendeel. Chapeau.

Zo ook de voetwassing en de sobere hotelkamers waarin Franciscus zich ophoudt: in deze imitatio Christi bezegelt de demagoog/kerkleider zijn absolute dominantie. Een Romeinse keizer zou die 12 delinquenten voor de leeuwen gegooid hebben om zijn almacht te onderstrepen, maar niet zo Franciscus. Hij heeft de kracht om de biologische alfadier-rituelen te negeren en de machtssymboliek op haar kop te zetten, zonder aan kracht in te boeten, integendeel. Het is alsof Bart De Wever op handen voeten, met een rode neus en een clownpak, de Ten Miles zou uitlopen, en net daardoor zijn aanhang zou zien vertienvoudigen. Quod non.

Zo blijkt paus Franciscus in zijn theatraal cynisme een paar klassen hoger te spelen dan de politici. De meest empathische volksmenners blijven steken op het niveau van het machtsvertoon en de symboliek van de kracht: marathons lopen, rivieren overzwemmen, kwissen winnen.

In het licht van die meta-symboliek heeft Franciscus dus die Romeinse jonge delinquenten de vernedering van hun leven bezorgd, door hen te ontwapenen, moreel en fysiek, meer dan enige gevangenschap of foltering dat zou kunnen. Dat er ook een paar moslims onder de gewassen voeten zaten, geeft daar een speciale dimensie aan: de islam zal het nooit halen van deze subtiele marketing, ze kunnen hem hoogstens imiteren. Ik geef ze nog twee generaties, en dan komen de imams in maatpak eraan, gewapend met handboeken in de reclamepsychologie. Propaganda Fide dus. Het Salafisme (moslimfundamentalisme) is, als beweging van de zuiverheid en uitzuivering, in dat opzicht een hopeloze stuiptrekking.

Religie als therapie

Hoe weinig het geloof me ook interesseert, des te boeiender lijkt me de Kerk, het instituut, de rituelen, de machtsuitoefening, de communicatie.

De fatale wetmatigheid – en wat mij betreft: principe van immanente rechtvaardigheid- die zegt dat een boodschap des te meer verwatert, naarmate ze meer verspreid wordt,- zal door paus Franciscus met brio in de praktijk worden omgezet. De voetwassing in de Romeinse gevangenis is, als theater van de nederigheid, een volmaakte stunt, maar ook een teken dat het geloof zelf, de individuele band met het Goddelijke, niet meer aan de orde is.  In de plaats daarvan treedt er een soort mediatieke en showbizz-achtige ceremonialiteit, het kwistig strooien in de publieke sfeer met zogenaamde symbolen die vervlochten zijn met het imago van het instituut, de protagonisten, het religieus product.

Fundamenteel is deze paus dus een signaalgever van de ontkerstening die al rond 1500 begon. Maar alles is altijd anders, niets herhaalt zich identiek. Wat ik eerder al betoogde over kunst en cultuur, nl. dat dé kunst niet bestaat en in elke tijd of ruimte iets anders is, dat wij nadien pas terug onder één noemer brengen, geldt zeker ook voor religie. In een tijdperk van de totale, globale vermarkting en mediatisering, heeft religie beslist een toekomst, maar dan als product én medium. Vroeger noemde men dat nogal wollig “zingeving” of “spiritualiteit”, maar het gaat uiteindelijk om een behoefte aan therapeutische zondagen voor een maatschappelijke rat race die steeds grimmiger, onmenselijker wordt.

De behoefte aan rituelen en symbolen is dan eenvoudigweg iets tussen, tja, wat Marx al “opium voor het volk” noemde, en het brood-en-spelen-devies. Afleiding, amusement, sentiment, vlucht, fascinatie. De nonnen die op het Sint-Pietersplein een orgasme krijgen, consumeren het religieuze product met volle teugen, wie zal hen ongelijk geven.  Vergeet het seksueel misbruik in de Kerk en de banden van het Vaticaan met de Maffia: dit is emo-industrie op hoog niveau.

God hoeven we hier niet meer bij te sleuren, en zijn tegenvoeter, de duivel of de Antichrist nog veel minder. Voor het handvol echte devoten en mystici is deze paus allicht zelf de Antichrist. Ook in de gereformeerde kerkjes van het diepe Holland zal men smalend doen over deze televisie- en internetpaus.

Voor atheïsten en godloochenaars breken evenwel boeiende tijden aan. Nu al ben ik een grote fan van Franciscus, de man die al voetwassend de wereld verovert. Paus Alexander Borgia, niet toevallig tijdgenoot en kompaan van Niccolò Machiavelli, heeft dit nooit kunnen dromen. Praise the Lord, Amen.

Af en toe klepperen de zonneblinden

Pleidooi om alle processen blijvend te heropenen

Op het einde van het Darwinjaar, nu het apologetisch getoeter wegebt, is het misschien eindelijk weer tijd om de Neanderthaler, die “dode tak” van de evolutie, posthuum in eer te herstellen. Daarmee zetten we onze positie als winnaars en survivors op de helling, en wordt het proces, waarin de doden een stem krijgen, heropend. Einde van de sorrycultuur en het postmoderne theater van de verontschuldiging?
Wat is onze relatie vandaag met het ‘dodenrijk’? Op 1 november zetten we een bloempot met chrysanten op het graf van een nabestaande, om te beletten dat we er heel het jaar door mee zouden bezig zijn. De rouw is een vervelende kwaal die we moeten uitzieken, want “het leven gaat door”. De doden hinderen ons, we formoliseren ze in een statistiek, de spoken van het verleden moeten in quarantaine. En wie toch nog last heeft van “innerlijke stemmen” moet dringend naar de psychiater.
Ooit beheerste deze relatie tussen levenden en afgestorvenen nochtans het doen en laten van een samenleving. In de animistische natuurreligiën van de niet-gechristianiseerde wereld (de zgn. “volksislam” inbegrepen) vormt de communicatie met de voorouders de zenuwknoop van heel de individuele en sociale existentie. Vandaag is die band doorgesneden, en dat uit zich op heel verschillende vlakken, zoals het Darwinistische dogma (The survival of the fittest). Dat het in deze tijden excuses regent van staatshoofden voor de uitroeiing van aboriginals, sluit daar perfect op aan: het is een elegante oplossing om de doden opnieuw te begraven.
Tijd voor een stevig potje cultuurkritiek, verdere deconstructie van de political correctness, en een poging om religiositeit te herdefiniëren

Lees het artikel