Categorie archief: – Kleinschaligheid, ecologie, antiglobalisme

Europa en de privacy-wetten: seks, leugens en lobby’s

Een liberaal die onze privacy moet bewaken? – Dat was mijn eerste ongelovige bedenking toen Bart Tommelein (Open VLD) vorig jaar werd ingezworen als Staatssecretaris voor Bestrijding van de Sociale Fraude, Privacy en Noordzee. Heeft de Oostendse beschermdolfijn der zelfstandigen, die carrière maakte in de financiële sector, beslist affiniteit met de eerste en de laatste materie,- nummer twee lijkt wat op het verhaal van de pyromaan die mee helpt blussen.

Niet dat ik Tommelein verdenk van enige kwade bedoeling, het gaat hem puur om de ideologie: wie het onbeperkt vrije verkeer van goederen, diensten, personen en informatie toejuicht, kan het verhaal van privacybescherming alleen maar als een domper op de feestvreugde zien. En inderdaad, wat blijkt? Het zijn vooral liberale decision makers die de voet op het rempedaal zetten als het gaat over de bescherming van de privé-sfeer.

En vermits de wetgeving terzake net nu op de Europese agenda staat, is een omweg langs Brussel en Straatsburg gepast.

Loveboat

Zopas kon u in Doorbraak een bespreking lezen van het jongste boek van Derk Jan Eppink, ‘Het rijk der kleine koningen – Achter de schermen van het Europees Parlement’. Het gewezen EU-parlementslid geeft ons daar een amusante maar ook wel ontluisterende inkijk in de Europese cenakels. Doorgeschoten ego’s à la Guy Verhofstadt voelen er zich kiplekker, en voeren er een theaterfestival van de zelfgenoegzaamheid op.

Dat vertoon is echter maar het topje van de ijsberg. De Euro-bubbel krijgt namelijk ook steeds meer greep op ons dagelijks leven dankzij duizend en één wetten en reglementjes. De EU-parlementsleden staan daarbij onder druk van de nationale regeringen,- ministers en staatssecretarissen dus-, maar laten zich ook gewillig benaderen door lobbyisten van allerlei slag: agenten van belangengroepen en privé-organisaties die het wetgevend werk willen ‘bijsturen’. Via het geschikte glijmiddel uiteraard. Onvermijdelijk komt in dat opzicht een ander fenomeen in beeld: het vrolijke privé-leven van de parlementariërs dat ze beslist niét te grabbel willen gooien en dat zich natuurlijk vooral buiten de parlementaire zittingen afspeelt. Ook daar doet Derk Jan Eppink een boekje over open.

Tussen de regels begrijpen we waarom oudere politici zo tuk zijn op een fin-de-carrière in Europa: om van hun vrouw weg te zijn, én om in de koffer te kunnen duiken met hun secretaresse/maîtresse. U begrijpt: Straatsburg is ver, de dagen druk en de nachten eenzaam. In de vijfsterrenhotels komt puntje bij paaltje en zijn de maîtresses naast de luxe-escorts kind aan huis, tenzij de parlementairen kiezen voor een privé-optrekje, dat alles uiteraard als onkosten in te brengen. Eppink gewaagt zelfs van een heuse ‘loveboat’: dit milieu trekt een bepaald soort vrouwen aan dat kickt op mannen in maatpak, de glamour, het lekker tafelen, de dienstauto’s, de snoepreisjes. Gemiddelde leeftijd van de ‘secretaresses’: 25 à 30 jaar,- hier geen sprake van het activeren van bruggepensioneerden.

Politiek en hormonen dus, de macht die zogenaamd erotiseert. Gek, want een paar weken geleden kwam Jean-Marie Dedecker in Knack ook al met zo’n smeuig stukje af over de mandatarissen en hun brede matras (‘Waar macht regeert vliegen de hormonen en de oestrogenen door het zwerk.’) Het betreft hier telkens bekentenissen van uitbollende/afscheid nemende politici die graag een boekje willen opendoen, deels om nog wat uitstaande rekeningen te vereffenen, maar eventueel ook als ultieme bekentenis/genoegdoening naar het thuisfront toe.

Dat hormonenverhaal komt natuurlijk overal voor waar heren-van-stand belangrijk staan te wezen. In de politieke context is het echter extra relevant, omdat vermoedelijk het spel van lobbying en manipulatie voor een flink deel langs het liefdespad verloopt. Vreemdgaande politici zijn daarbij buitengewoon chanteerbaar, en het is voor pakweg een farmaceutisch bedrijf of een sigarettenfabrikant veel veiliger om een gewillige dame in te huren dan zomaar een berg cash op tafel te leggen. Er is hier namelijk geen sprake van corruptie of omkoping, c’est l’amour. Anders gezegd: de loveboat maakt deel uit van de lobbymachine, en de door ons zo gehate EU-regelgeving is resultaat van hard nachtwerk.

Klokkenluiders

Dat brengt ons weer bij de Europese privacy-wetgeving waar, ironisch genoeg, zelf een sterke zweem van geheimhouding en manipulatie over hangt. De belangen zijn dan ook enorm: privé-informatie wordt ‘het nieuwe goud’ genoemd in dit cybertijdperk. Vooral de internetgiganten zoals Google, Facebook, Amazon, en E-Bay zijn vragende partij om die informatie zoveel mogelijk vrij verhandelbaar te maken. Alles wat u doet, zegt, schrijft, overal waar u komt, welke winkels u bezoekt, interesseert hen. Het internet fungeert als een enorm reservoir van privé-informatie (die we er al dan niet zelf opzetten), bedrijven kopen die gegevens dan weer op, uitgesplitst volgens doelgroep, voorkeur, enz.

De lobbyisten (naar schatting lopen er alleen al in Brussel zo’n 30.000 rond) werken nu op twee fronten. Terwijl het Europees Parlement verder bakkeleit rond het privacy-wetsvoorstel dat het al in 2013 op papier zette, zijn nu ook de respectieve lidstaten amendementen aan het indienen, die vooral de bescherming van de privésfeer weer moeten uithollen. De jonge Oostenrijkse klokkenluider Max Schrems vlooide een en ander uit, en ontdekte dat teksten van lobbyisten soms letterlijk worden overgenomen in de wetsvoorstellen of de amendementen. De webstek Lobbyplag.eu, voortbouwend op het onderzoekswerk van Max Schrems, publiceerde ruim 11000 (geheime) documenten m.b.t. het EU-lobbywerk, en wat blijkt? Al in 2013 beijverde voormalig eurocommissaris Louis Michel (MR) zich enorm in het afzwakken van de teksten. Sommige bleken inderdaad regelrechte copy-paste van door privé-personen en –bedrijven aangedragen wijzigingen, wat Michel even in nauwe schoentjes bracht.

Maar ook genoemde Bart Tommelein, onze privacyminister dus,  is nu recent volop bezig met het amenderen en afzwakken van de teksten die de persoonlijke levenssfeer moesten beschermen. Zo stelt hij voor om in de term ‘expliciete toestemming van de consument”, het woord ‘expliciet’ weg te laten, wat veel meer ruimte geeft voor Google, Facebook en C° om daar zelf een draai aan te geven en er een ‘stilzwijgende toestemming’ van te maken. Cui prodest? Wie wordt hier beter van?

Heel dit verhaal laat een wrange nasmaak over de manier hoe de EU-besluitvorming, in relatie tot de nationale directieven, met de democratie een loopje neemt en eigenlijk met iets anders bezig is dan de belangen van de burger/consument. Het Europees Parlement drijft niets op de spits en laat het lobbywerk zijn gang gaan. Eppink lichtte een tipje van de sluier op waarom dat zo is. Het onrustwekkende is tevens dat dit op alle niveaus gebeurt, tot en met het laagste: ook in onze randgemeente Overijse wordt het lokale beleid gekleurd door privébelangen, vooral vanuit de vastgoedsector, waarin de familie van de burgemeester actief is. Op een boogscheut van de Brusselse Euro-wijk, ik moet er geen tekeningetje bij maken.

Het bewijst dat op alle niveaus, van hoog tot laag, klokkenluiders en burgerinitiatieven absoluut noodzakelijk zijn om de democratie, of wat daar voor doorgaat, niet echt te laten ontsporen.

Algemeen basisloon: lachwekkend of revolutionair?

Stel dat u het groot lot van Win for Life zou winnen: levenslang elke maand 2000 Euro op de rekening. Champagne. Maar zou u de rest van uw tijd in Gran Canaria doorbrengen aan een zwembad?

Even wel, maar niet te lang: een mens is niet gemaakt om te luieren. U zou op de duur toch terug aan de slag gaan, maar dan om een droom te realiseren of werk te kiezen dat u echt ligt. U zou wellicht zelfs veel harder werken dan voorheen. Dat is zowat de filosofie van het algemeen basisinkomen. Een Panoramareportage van 18 december vlooide het uit en liet een aantal verdedigers en critici aan het woord.

Kort komt het erop neer dat elke burger vanaf 18 jaar een basisinkomen krijgt van pakweg 1500 Euro (voor elk minderjarig kind 200 Euro er bovenop), of die nu werkt of niet. Noem het maar een algemeen leefloon. Het klassieke uitkeringsstelsel (pensioenen, kinderbijslag, werkloosheidsvergoeding,…) zou verdwijnen. Wil je toch werken,- want daar rekent het systeem natuurlijk op,- dan heb je natuurlijk een hoger inkomen, weliswaar stevig belast.

In een verloren gat in de Nambische woestijn is het naar ’t schijnt al eens met succes uitgeprobeerd en ontstond er zowaar een florerende micro-economie binnen communeverband. Maar nu wordt het idee in 2016 ook in Zwitserland, hét hart van het Westerse kapitalisme, de inzet van een referendum.

Eén ding is zeker,- de crisis is er niet vreemd aan: het thema leeft ook bij ons enorm. Vreemd genoeg niet in de politieke wereld, noch bij de regeringspartijen (uiteraard niet) noch bij de oppositie. Wel in de sociale media en alle mogelijk discussiefora op het internet. Veeg teken dat de politiek helemaal niet meer op de golflengte van de burger zit, maar vooral met zichzelf bezig is.

Onthaasting

De achterliggende filosofie van heel het idee is niet eens strikt economisch maar wel existentieel. We worden geleefd, consumeren en status hoog houden is de boodschap. Heel het carrièregebeuren lijkt op een genadeloze afvallingskoers. Depressies en burn-outs zijn schering en inslag. België is een trieste koploper wat betreft het gebruik van anti-depressiva en zelfmoorden. De gezondheidskost is enorm. Wie een job heeft, vecht om hem te houden, wie er geen heeft, raakt op de sukkel en drijft af richting OCMW. Eigenlijk is iedereen ongelukkig, behalve de happy few, en dan nog. Daar moet een model van onthaasting en ontmaterialisering tegenover geplaatst worden: opnieuw ruimte voor levenskwaliteit, duurzame ontwikkeling, meer harmonie in de driehoek werk-gezin-vrije tijd. Het basisloon ontlast ons van de dwang om te werken en schenkt ons het recht en het plezier om te werken. Een wereld van verschil.

Opmerking: dit model betekent niet het einde van sociale ongelijkheid. Integendeel: de ongelijkheid moet het systeem financieren. Het basisloon op zich is belastingvrij, het is met wat u en ik er boven op verdienen dat er fiscale inkomsten gegenereerd worden. Verder voorziet het systeem vooral een belasting op consumptie (gemiddeld 25%: basisproducten minder, luxegoederen meer) en op vermogen/meerwaarde. Dat betekent dus allemaal wel dat voldoende mensen zo gek moeten zijn om hard te werken, veel te verdienen, en een groot deel weer af te geven. Dat kan alleen, en daar zijn we weer bij de achillespees, als dat werk echt aantrekkelijk is en zelfs een behoefte op zich wordt. En als er voldoende natuurlijke solidariteit kan opgebracht worden voor deze herverdeling.

Tweede vaststelling: het model elimineert niet de armoede als dusdanig. Er zullen namelijk altijd mensen zijn die vanaf dag één hun maanduitkering verspillen of vergokken. Wat met hen aanvangen? In de goot laten liggen tot de volgende maand? Toch een vangnet? Onlangs bleek uit een studie dat een kwart van onze eersteklassevoetballers, met een gemiddeld netto-maandinkomen van 8.670 Euro, jawel, niet rond komt. Oorzaak: spilzucht, gokken, geld beleggen in dubieuze investeringen. Daar komt dus een portie (her-) opvoeding bij kijken. Waarbij de grijze zone die dit soort ‘slechte huisvaders’ aantrekt, bijna onvermijdelijk is. Het leven zoals het is.

Empowerment

Anders gezegd: het basisloon is geen binnenweg naar het paradijs, er zal net zo goed marginaliteit en criminaliteit bestaan als vandaag. Moeten we daarom treuren? Neen, want anders komen we uit in een Noord-Koreaans model waar een aantal zaken verplicht zijn en de rest verboden. Er moet dus het recht zijn op mislukken, het gaat met vallen en opstaan.

Toch is de pedagogische dimensie van het model een enorme uitdaging: door mensen een maandelijks rugzakje mee te geven, waar ze hun plan mee moeten trekken, ontstaat er een dynamiek van zelfwerkzaamheid, de zin om het lot in eigen handen te nemen, een zaakje op te starten… dat wat men tegenwoordig empowerment noemt.

Heel de zogenaamde onderkant van de samenleving, door mensen als Theodore Dalrymple geringschattend weggezet als het onproductieve restafval dat zijn ongeluk alleen aan zichzelf te danken heeft, wordt geactiveerd tot een stuk middenklasse waar ideeën opborrelen, economische of culturele projecten het licht zien, en spontane netwerken ontstaan.

Politiek-maatschappelijk is dat niet vrijblijvend. Doordat de dwang wegvalt om een job te vinden voor het strikte levensonderhoud, ontstaat er een beter evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Industriële processen zullen overigens in grote mate geautomatiseerd worden, het bandwerk en de routineklussen verdwijnen. Menselijk kapitaal, talent, en clusters van talent bewegen zich autonoom en flexibel binnen een economie die levenskwaliteit doet primeren op winst en groei-om-de-groei.

Het institutionele middenveld (partijen, vakbonden, allerlei met de overheid verstrengelde belangenorganisaties) verdwijnt ten voordele van ad hoc burgerinitiatieven.

Een sterk afgeslankte staat blijft op de achtergrond, als regulator, boekhouder, beheerder van de infrastructuur. Maar het zwaartepunt van de democratie verschuift naar onder, bij de basis, de autonome leefgemeenschappen, comités, buurten, wijken, kantons. Een stelsel van bindende referenda naar Zwitsers model staat borg voor evolutie en gedragen vernieuwing.

Koudwatervrees

Utopie? Ach, het vrouwenstemrecht en de betaalde vakantie werden ook ooit weggelachen. Maar anders dan deze sociale correcties, vormt het algemeen basisloon de hoeksteen én motor van de diepgaande maatschappelijke hervorming die we zo hard nodig hebben. Iedereen is het beu maar niemand weet waar het heen moet. Dit is tenminste een concrete piste, een perspectief dat droom en durf koppelt aan cijferwerk.

Waar de fameuze Panorama-reportage wel angstvallig om heen draait, is de vraag naar de haalbaarheid van het model binnen de Belgische constructie, een inefficiënt en mentale energieverslindend waterhoofd met een half dozijn regeringen en evenveel parlementen, en zonder culturele of taalkundige cohesie. Het idee van ontvetting van het staatsapparaat en van het overheidsestablishment leidt nochtans vanzelf naar de ontbinding van de Belgische constructie, vermits de becijfering van het model in aanzienlijke mate berust op een bestuurlijke vereenvoudiging. Geen van de pleitbezorgers (filosoof Philippe Van Parijs, ex-Vivant-bezieler Roland Duchâtelet, Piratenpartij-woordvoerster Sarah Van Liefferinge) durfde het aan om op deze consequentie te wijzen.

Net omdat het basisloon-idee, en alles wat daar rond hangt, in hoge mate uitgaat van sociale cohesie en burgerzin, is collectieve identiteitsbeleving essentieel. Daarbij komt dan nog het voordeel van de schaalverkleining die het idee van basisdemocratie veel dichter benadert. Kortom: een Vlaamse republiek is een veel meer haalbare kaart om die grote maatschappelijke omwenteling te organiseren dan een Belgische constitutionele monarchie naar 19de eeuws model waar alles draait rond compromissen tussen gemeenschappen, partijen, zuilen en belangengroepen.

Het is eigenlijk vreemd dat die zogenaamde progressieve denkers het republikeinse moment rateren: een koudwatervrees die hun draagvlak en geloofwaardigheid aanzienlijk verkleint. Waardoor hun model juist weer utopisch en virtueel wordt, een natte droom, geen project. Het neo-marxisme van Philippe Van Parijs is overigens al even gedateerd als de neoliberale ideologie die vandaag de wet dicteert. Er valt dus nog wel wat fris, onthecht denkwerk te plegen.

Ondertussen zitten we in Vlaanderen met een armoedepercentage van 12%. Ook de lagere middenklasse heeft nu de OCMW-drempel genomen en de voedselbanken ontdekt.

Eerder dan aan 19de eeuwse liefdadigheid te doen zoals Liesbeth Homans (N-VA) met haar 1 euro-gaarkeukens, is nu het moment gekomen om in Vlaanderen het debat rond het basisloon aan te zwengelen, als aanloop naar een herdenken van onze samenleving en het radicaal durven poneren van de geluksvraag. Ook de taboe’s rond migratie en open grenzen zullen moeten sneuvelen, wat Europa er ook van denkt: men kan geen filosofie van het basisinkomen en een sterke herverdeling ontwikkelen als de draagkracht daarvan ondermijnd wordt door ongebreideld uitkeringstoerisme. Ook daarin wijzen de Zwitsers de weg.

Benieuwd of uit dit debat ook politieke krachten kunnen geboren worden die deze republikeins-progressieve durf uitstralen en de gemiddelde Vlaming weten te verleiden.

De EU en de Karolingische grootheidswaanzin

Weldra luiden we het jaar 2014 uit, waarin het begin van de 1ste wereldoorlog werd herdacht. Een mondiaal conflict dat zijn versnelling kreeg vanuit de oerrivaliteit tussen twee tot de tanden bewapende Europese grootmachten: Duitsland en Frankrijk.

VerdragVerdun Om die rivaliteit historisch te duiden, moeten we terug naar het verdrag van Verdun (843), dat het Heilige Roomse Rijk van Karel de Grote, na de dood van diens zoon Lodewijk de Vrome, in drie stukken opdeelde: Lodewijk de Duitser kreeg Oost-Francië (geel: het latere Duitsland), Karel de Kale West-Francië (rose: dat zou Frankrijk worden), en Lotharius het middenrijk Lotharingen (groen, waarin onze gebieden vallen).

Deze drie erfdelen bakenden geen ‘organische’ volksgemeenschappen af, maar waren prototypes van de moderne natiestaat die op onderhandelingstafels vorm krijgt. Sinds die deling ook zouden West- en Oost-Francië nooit iets anders doen dan elkaar de hegemonie betwisten, met het middenrijk als buffer en slagveld. Wij, de lage landen, stonden vanuit beide kanten onder druk: Duitsland met zijn drang naar het Westen en de Noordzee, en vanuit het Zuiden Frankrijk dat de Schelde als natuurlijke grens ambieerde.

De ironie van de geschiedenis heeft gewild dat een goede duizend jaar later nabij hetzelfde stadje Verdun een van de bloedigste slachtingen van die Groote Oorlog zou plaats vinden. Met opnieuw de twee post-Karolingische erfvijanden tegenover elkaar.

Eénmaking als heilige oorlog

kareldegrotegebouwKarel de Grote dus, en zijn twijfelachtige nalatenschap. De Europese Unie eert hem als een patroonheilige. Het gebouw van de Europese Raad te Brussel draagt zijn naam, en elk jaar wordt er in Aken een naar hem genoemde Europese Vredesprijs uitgereikt. Men vergeet echter dat de door Carolus Magnus geforceerde éénmaking zelf druipt van het bloed. Met de goedkeuring van het Vatikaan richtte hij een -zelfs naar de maatstaven van die tijd- niets ontziende slachtpartij aan onder de zogenaamde ‘heidense’ volkeren die zich niet schikten naar zijn megalomane integratieplannen, zoals de Friezen, de Saksen, en de Longobarden.

Het bloedbad in 782, waar zo’n 5000 Saksische opstandelingen een kopje kleiner werden gemaakt, is berucht gebleven. Wat restte, werd gedeporteerd of kwam in een soort kamp terecht,- een methode die tot in de 20ste eeuw navolging zou krijgen. Om duidelijk te maken dat de genocide ook cultureel was, liet hij de mythische levensboom (Irminsul) vernietigen, die het middelpunt van hun religieus leven vormde. Het leverde Karel een pauselijke heiligverklaring op.

Het is veelzeggend dat de Europese Unie zich door de Heilige Oorlog van deze despoot laat inspireren om de Frans-Duitse oervete binnen de perken te houden. Terwijl Karel als éénmaker de eigenlijke oorzaak was van het probleem. Zijn invloed is enorm en weegt loodzwaar op de as Brussel/Straatsburg. Vanuit het Karolingische eenheidsideaal vertrekken zowat alle lijnen die we vandaag nog in de moderne Europese superbureaucratie aantreffen: het centralistische machtsdenken, het eindeloos brouwen van regels en reglementen, het trachten weg te gommen van regionalistische of autonomistische tendensen, het cultiveren van een monumentale retoriek waarin nu en dan ook kunstenaars en intellectuelen rondjes mogen lopen.

De ‘rand van de wereld’

Het democratisch deficit van de Europese Unie heeft dus heel oude wortels. Maar de Saksische reflex is nooit helemaal gedoofd: wat we vandaag her en der zien als regionalistische beweging, streeft eigenlijk naar een terugkeer van de organische entiteiten, de volksgemeenschappen die zich zelfs tijdens de Romeinse periode min of meer wisten te handhaven.

In zijn boek ‘The Edge of the World – How the North Sea made us who we are’ (zopas vertaald als: ‘Aan de rand van de wereld. Hoe de Noordzee ons vormde’) beschrijft historicus en journalist Michael Pye treffend hoe de volkeren aan de Noordzee al in de vroege middeleeuwen sterk op autonomie gesteld waren en er ‘moderne’ opvattingen op na hielden inzake economie, justitie, wetenschap, ethiek, kunst. Ze waren niet achterlijk, maar integendeel vooruitstrevender en fijnzinniger dan de regimes die hen probeerden te onderwerpen. Van de Vikings over de Friezen, de Vlamingen, en jawel, ook de Saksen, de Hanzesteden tot de Watergeuzen in de Spaanse tijd: het culturele hart van Europa ligt niet in het midden maar in de periferie.

Pye besluit,- en dat citaat wil ik u niet onthouden:

‘Als we het vandaag over Europa hebben, komt Karel de Grote vaak ter sprake met zijn gecentraliseerde rijk. Alleen: dat werkte niet. Ik ben niet blij met het centralisme van de Europese Unie: de macht gaat uit van het centrum naar de marge en dat is fundamenteel conservatief. We hebben nood aan de vrijheid en de dynamiek van de randen, aan de energie die voortkomt uit de uitwisseling en botsing van ideeën. We kunnen het beter over het Europa van de regio’s hebben. Waarom zijn we daar zo bang voor?’

Inderdaad, waar zijn we bang voor? Vanwaar die koudwatervrees om te decentraliseren en ‘kleiner’ te gaan? Het autonomisme ontkiemt echter niet alleen als politiek-staatkundige onafhankelijkheidsbeweging in Catalonië, Schotland en Vlaanderen. Misschien sterker en duurzamer nog zijn de collectieven die vandaag ontstaan, in de marge van het systeem, om de relatie tussen mens en natuur te gaan herwaarderen. Terug naar een zekere eenvoud en authenticiteit, meer kringloopbewust denken en leven.

Beeld u hierbij geen Amish-toestanden of sectair gedoe in: hier schuilt geavanceerde technologie achter. Zo hebben de inwoners van Schönau in het Zwarte Woud al sinds de jaren ’90 een eigen energiebedrijf opgericht dat zo’n 150.000 mensen van elektriciteit voorziet, uitsluitend lokaal gewonnen uit zon, wind en biogas. Zelfs de kerkdaken liggen vol zonnepanelen: via deze energiecoöperatieve konden tenslotte de grote elektriciteitsproducenten wandelen gestuurd worden, en kwam het net helemaal in eigen beheer.

Transitienetwerken

Deze autarkische gemeenschapskernen schieten overal in Europa spontaan als paddenstoelen uit de grond. Het kan gaan om straten, wijken, buurten, dorpen, steden, regio’s. Herwinbare energie en een neutrale afvalbalans zijn de technische sleutelbegrippen: niets gaat verloren, vrijwel alles wordt gerecycleerd. Ze beschouwen zich als laboratoria van een nieuw samenlevingsmodel, gebaseerd op duurzaamheid, levenskwaliteit en collectief verantwoordelijkheidsgevoel. Daarom worden ze ook wel Transition Towns genoemd.

Want het gemeenschappelijk beheer van energiebronnen en andere nutsvoorzieningen leidt uiteindelijk ook naar een andere levenswijze, een nieuwe arbeidsverdeling, een micro-economie van de uitwisseling en de ruil, meer aandacht voor wat er echt toe doet, meer tijd voor gezin en vrije tijd, meer zorg en solidariteit, minder stress en onveiligheidsgevoel.

De kernen gedragen zich autonoom maar niet geïsoleerd: ze vormen netwerken die intens informatie, diensten, personen, ideeën, goederen uitwisselen, maar altijd in functie van de kwaliteit, niet de kwantiteit en de groei-om-de-groei.

Op die manier komen we eigenlijk heel dicht bij wat Michael Pye vooropstelt: een Europa dat niet functioneert als een centraal bestuurde eenheidsstaat, maar als een republiek van republieken, een netwerk van autonome leefgemeenschappen met een sterk identitair besef én respect voor de aarde die we delen. Kracht die uitgaat van de marge naar het middelpunt, van de basis naar de top, en niet omgekeerd. Vlaanderen heeft de ideale afmeting om tot zo’n netwerkrepubliek uit te groeien, als deel van het nog grotere Europese netwerk.

Alle ronkende intentieverklaringen ten spijt: daar is het corrupte universum van Juncker en C° moreel niet tegen opgewassen. De anders-Europese beweging zal de oude natiestaten doen oplossen, samen met de betonnen sokkels in Brussel en Straatsburg, en heel het bureaucratische gangenstelsel. De bevrijding van Europa voltrekt zich via de regio’s en de gemeenschappen. De ecologische dimensie daarvan is onweerstaanbaar,- ze verbindt het kleine terug met het grote, de delen met het grote geheel. De levensboom is ooit gekapt, maar de wortels zijn intact gebleven en kunnen een nieuwe bloei van dit continent inluiden.

Kiezen tussen Electrabel of het éénpansgerecht

Meer éénpansgerechten klaarmaken, de koelkast snel dicht doen liefst zonder uw neus ertussen, een spons in de brievenbus steken – ik lach niet -: het zijn maar een paar van de vele aanbevelingen die ons worden gedaan om een black-out, zijnde een afschakeling van de elektriciteitsvoorziening de komende winter, te vermijden. De Nederlanders, nooit te beroerd voor een Belgenmop, zijn alvast begonnen met een inzamelingsactie van wokpannen voor hun zuiderburen onder het motto ‘Niet mokken, lekker wokken’.

Toch is enig mokken hier op zijn plaats. De manier hoe het beleid van de laatste decennia België op energievlak tot de status van ontwikkelingsland degradeerde, is zonder meer tekenend voor het amateurisme en de laissez faire-mentaliteit van dit regime, waar politieke overleving alle andere agenda’s overschaduwt.
Er werd wel een kernuitstap voorzien, maar geen technisch becijferde energiewende zoals Duitsland dat met succes doet. Na een paar defecten in verouderde kerncentrales was het duidelijk dat het licht (en al de rest) deze winter zou uitgaan. En zal er die dag ook geen enkele trein rijden, lees ik nu net, dit keer niet omwille van een staking maar gewoon wegens geen stroom in de seinhuizen. No train today, this must be Belgium.
Laten we echter ook niet vergeten wat voor een boeltje de Vlaamse regering er op energievlak van maakte, via het gesol met de fameuze groenestroomcertificaten (GSC’s). Hoe zat dat ook weer? Bezitters van zonnepanelen creëren via hun opbrengst groenestroomcertificaten, die ze voor een vast bedrag kunnen verkopen aan hun netbeheerder. Die kan daarmee bewijzen dat een deel van zijn stroom ‘groen’ is, want er moet een Europees quotum gehaald worden. Maar daar schuilt een adder: door het succesverhaal van de zonnepanelen kwamen er zoveel GSC’s op de markt dat hun waarde daalde, terwijl de netbeheerder ze toch aan een door de overheid vastgestelde prijs moest afnemen van de paneeleigenaars.
Resultaat: de distributeurs maakten verlies (voor een totaal van ca. 1,7 miljard euro), dat ze nu mogen compenseren via een forse verhoging ten belope van zomaar eventjes 35% vanaf 1 januari 2015. Voor alle duidelijkheid: dit is een verhaal dat zich compleet op het Vlaamse niveau afspeelt. Wat we zelf doen, doen we beter, zeg dat wel.

Freyataks

En dan begint het spelletje zwartepieten. Wie is er verantwoordelijk voor deze ontsporing, waardoor vooral armere gezinnen in Vlaanderen, zonder zonnepanelen dus, zullen opdraaien voor de subsidies aan de panelen-bezittende middenklasse? Men kan burgers moeilijk met de vinger wijzen wanneer ze gewoon gebruik willen maken van overheidstoelagen. Temeer omdat bij velen van hen naast het rendement toch een ecologische motivatie speelde.

Terecht stelt PvdA-energiespecialist Tom De Meester in een DS-opiniestuk dat vooral de industriële exploitatie het systeem onbetaalbaar maakte. Het voorbeeld van de Antwerpse Katoennatie is kenschetsend: havenbaron Fernand Huts liet in 2011 tientallen hectaren havenloodsen vol zonnepanelen leggen. Ze leveren hem jaar na jaar 13,4 miljoen subsidies op.
In totaal krijgen zo 3.386 grootschalige zonnepanelenparken elk jaar 231 miljoen euro subsidie cadeau van de Vlaamse overheid. En dat nog twintig jaar lang. Het was hen niet te doen om het milieu maar om het pure rendement. Zelfs grote varkenskwekers hadden ontdekt dat ze hun laarzen mochten uitdoen, eventuele illegale wietplantages konden opdoeken, en slapend rijk konden worden door hun stallen met zonnepanelen te bedekken. Het is dan ook een typisch Vlaams fenomeen: in Wallonië is de subsidiestroom naar grootproducenten te verwaarlozen en worden voornamelijk residentiële installaties betoelaagd, wat ook de bedoeling van het systeem is. Maar hoe is het in Vlaanderen anders gelopen?

Hier komen ontegenzeggelijk de Vlaamse socialisten in beeld. Onze GSC’s zijn indertijd ingevoerd door Steve Stevaert, de man van de gratis-politiek en de niet kloppende rekeningen. Maar ook toenmalig bestuurder bij Interelectra, dus ook al een electricien. Freya Van den Bossche mocht het systeem verder gaan verkopen. Achter de schermen echter was vooral Johan Vande Lanotte de drijvende kracht, voormalig Minister van Noordzee én directeur van Electrawinds, het bedrijf dat met zijn off-shore windmolenparken gretig mee profiteerde van de groenestroomsubsidies (zie ook ‘De Keizer van Oostende’ een boek van VRT onderzoeksjournalisten Wim Van den Eynde en Luc Pauwels). Daarom moesten dus de grootproducenten van groene stroom mee in het Vlaamse certificatensysteem worden betrokken: heel het systeem was op hun maat gemaakt. Vande Lanotte was uiteindelijk de federale minister die de elektriciteitsprijzen tijdelijk bevroor om zo het fatale effect van de GSC’s te maskeren. Tot de aap uit de mouw kwam.
Grappig detail: na het dreigend failliet, door de afbouw van het GSC-systeem, werd Electrawinds ontmanteld en de winstgevende activiteiten verkocht aan … de Waalse intercommunale Tecteo waarin de PS de plak zwaait. Het kan verkeren. Eerlijkheidshalve dient ook gezegd dat de Vlaamse coalitiepartners (CD&V, Open-VLD, nadien ook N-VA) de socialisten met hun belangenvermenging en zelfbedieningswinkel voluit lieten begaan, wellicht in het stille besef dat zij de politieke rekening vroeg of laat zouden gepresenteerd krijgen. Wat vandaag dus ook gebeurt, getuige daarvan de ingeburgerde term ‘Freyataks’ als het gaat over de verhoogde electriciteitsfactuur.

Quid Vlaams Energiebedrijf?

In een Knack-column lijst Jean-Marie De Decker de aspecten van heel het Vlaamse groenestroommisbaksel nog eens op, in zijn gekende kleurrijke stijl. De aversie tegen zijn stadsgenoot en oervijand Johan Vande Lanotte stoomt uit de tekst, net als zijn grote liefde voor kerncentrales. De populistische inslag van De Deckers schotschrift valt niet te onderschatten: heel het verhaal van duurzame energie heeft, dankzij de politieke mismeestering, een enorme knauw gekregen. De Vlamingen zonder zonnepanelen zijn kwaad op hun buren mét, die zelf met de schrik zitten dat de overheid vroeg of laat de subsidieverbintenis zal opzeggen (dat is de volgende stap), terwijl heel de markt voor alternatieve energiewinning in Vlaanderen op apegapen ligt.
De kernlobby en Electrabel zijn de lachende derde in het zwartepietendispuut. De manier hoe de Vlamingen, en in de eerste plaats de SP.a, het groene dossier politiek verkloot hebben, zal Gaz de France/Suez tot grote tevredenheid stemmen. Zeker na de winter en de nodige éénpansgerechten zal het publiek draagvlak voor kernenergie vele malen groter worden.
En dat is een ongezonde dynamiek. De Fukushima-catastrofe van maart 2011 heeft ons geleerd dat nucleaire energie een enorm risico van onomkeerbare vervuiling teweeg brengt. Terwijl Duitsland op schema zit om tegen 2050 90 tot 100% van zijn energie duurzaam te produceren (Zweden zit nu al aan 50%), bengelt België met zijn 6,8% helemaal onderaan de Europese lijst. Ondanks de Vlaamse varkensboeren, de natiebazen en de keizer van Oostende. De groene stroom is bij ons kostelijke folklore. De nucleaire lobby komt versterkt uit dit verhaal.

Het contrasteert enorm met de windstilte rond het Vlaams Energiebedrijf dat ooit onder impuls van de N-VA werd opgericht. De bestuursmandaten werden partijpolitiek netjes ingevuld. Maar meer dan wat folders uitdelen rond energiebesparing en zorgen dat de verwarming niet te hoog staat in de overheidsgebouwen, doet deze instelling niet, terwijl ze ooit werd aangekondigd als het fundament van ‘een Vlaamse Electrabel’. Misschien deze ambitie eens terug opnemen: een overheid die investeert en participeert in een groots project rond (duurzame) energiewinning, vanuit de filosofie dat energie een noodzakelijke dienstverlening uitmaakt zoals het openbaar vervoer, watervoorziening en afvalbeheer, en geen banaal marktproduct is. Heel het groenestroom-gegeven zou van daaruit moeten verder geactiveerd en gestuurd worden.

Maar die visie druist dan weer helemaal in tegen de rechtsliberale ideologie van de Vlaamse én de federale regering, die wil dat alles aan de privé-sector moet worden overgelaten. De wind zal dus meer dan ooit uit Parijs komen. Meer bepaald vanuit een groep die voor 33 % door de Franse staat wordt gecontroleerd.

Afslag 0: op zoek naar de vrolijke file

Voor een nieuwe filosofie van het wachten en het oponthoud

file2Al bijna 20 jaar wordt in Antwerpen gebakkeleid over de zogenaamde Oosterweelverbinding die het sluitstuk moet vormen van de Antwerpse Ring en het fileprobleem moet oplossen. De politiek verdrinkt erin, letterlijk. Momenteel wordt er een bitsige strijd gevoerd over het aantal rijstroken dat die Ring zal tellen: op sommige plekken 29, veel te veel volgens de Groenen. Willen ze dan meer files? Neen, natuurlijk niet, zelfs de voorstanders van de onthaasting willen geen stilstandverkeer en ijveren voor een “vlotte doorstroming”.

Gelukkig is er mobiliteitsexpert Kris Peeters (niet te verwarren met zijn naamgenoot, de Vlaamse Minister-President), die het over een existentiële boeg gooit: een file is gewoon een wachtrij, en het wachten kan men beter aangenaam doorbrengen, als verpozing. De tijd doden dus, zoals we zeggen. Gebruik de file om dingen te doen die u anders niet zou kunnen doen. Politiek-cultureel dynamiet, zo blijkt.

Modus Vivendi

file

E40, 5 mei 2014

Deze Kris Peeters heeft het niet voor auto’s en pleit al sinds mensenheugenis voor meer en beter openbaar vervoer. Maar ook daar is het alsmaar wachten tot de bus of de trein komt. In zijn jongste boek ‘Weg van mobiliteit’ durft hij eindelijk de file openbreken, en stelt hij dat we toch ook niet mopperen als we aanschuiven voor het Colosseum of een attractie in Bellewaerde. Waarom niet? Omdat we dit als een stuk quality time beschouwen, een vrijetijdsritueel.

Aldus luidde het explosieve zinnetje in een DS-interview met de mobiliteitsdeskundige: “Ik pleit ervoor te zoeken naar een modus vivendi met files. Dat is beter dan anderen én onszelf wijs te maken dat we ze ooit zullen oplossen.” Met andere woorden: het is vooral Hajo Beeckman van het Vlaams Verkeerscentrum, en andere filewatchers zoals Maarten Matienko van de automobilistenvereniging VAB,  die ons op de zenuwen werken met hun tijdingen over “fileleed” en hun stilstandsmelancholie. Het kan anders. Ooit heeft een radiozender het aangedurfd om een fileconcert te organiseren, ergens op een autostradeparking. Het sloeg niet aan, begrijpelijk: de automobilisten luisterden teveel naar Hajo Beeckman op de radio, en willen vooruit.

Wachten dus. Het bestaat als esthetische ervaring. Van de jager die urenlang zijn prooi observeert, over de duivenmelker, tot de triangelspeler in het orkest die twee uur rustmaten aftelt tot hij die ene ping mag laten horen. Dit Zen-motief geeft aan de wachttijd een totaal andere invulling, namelijk van de vervulling. Niet het beoogde doel primeert, maar wel het uitstel op zich, en de beleving daarvan. Op die manier is het uiteraard geen wachten meer, maar wordt de wachttijd een soort bubbel, een uitstulping in de lineaire tijd, een intermezzo. We wachten al heel ons leven. Waarop wachten we om de wachttijd zelf tot levenskunst te maken, inderdaad, een modus vivendi?

In die zin zouden files ook kwaliteitsplekken kunnen worden waarop gekeuveld, gelachen, gegeten, gerookt, gespeeld, gediscussieerd, gevrijd wordt. Wachttijd die zich ontpopt tot quality time, en zo de vaste programma’s doorkruist. Af en toe ziet me ze ook: de wegbermtoeristen met opklaptafeltje (dikwijls Hollanders, kunnen we nog wat van leren) en de beachballspelers op het asfalt, als het echt helemaal en “hopeloos” dicht zit. Ook de zgn. “kijkfile” is een esthetisch moment van oponthoud dat de snelheidsdwang en de roep van de bestemming negeert: de file aan de overkant die als het ware de tegenliggers meesleurt in de traagte.

Onnodig te zeggen dat deze wachttijd, gesublimeerd tot kwaliteit, systeemverstorend werkt. Files worden door dat systeem dan ook graag becijferd als economische schade. Erger nog, zouden filegenoegens mensen op het idee zouden kunnen brengen dat aankomen er niet echt meer toe doet, hetgeen onze prestatiecultuur totaal zou bederven. Voor een groot deel is de Antwerpse BAM-obsessie rond die Ring ingegeven door die systemische paniek. Wat als mensen hun contactsleutel zouden omdraaien en zomaar in de berm gaan picknicken?

Leven, werken, lijden, wachten op Godot

GodotZo worden snelheid en doelgerichtheid primordiaal in een systeem dat het sublieme wachten  wil vermijden. Elke minuut file is er een teveel. Deze tijdopvatting is, vergis u niet, bij uitstek romantisch. Er is geen tijd meer, het moet vooruitgaan. De Faustische mens wil stromen en doorstromen, elke stilstand is achteruitgang. Het doel-einde fascineert zodanig, dat het wachten ondraaglijk wordt, getekend door een alles verterend ongeduld dat door Johann Wolfgang von Goethe een schier oneindig aantal maal geparafraseerd is, zoals in de overbekende passage uit Faust, waar hij Gretchen aan het spinnewiel aldus laat kankeren:

Meine Ruh ist hin
Mein Herz ist schwer
Ich finde, ich finde sie nimmer
und nimmermehr.
 

Richard Wagner zal dit ongeduld even later nog uitvergroten en hyperboliseren, zoals hij met alles deed, in zijn Tristan und Isolde, meer bepaald de inleiding van de 2de akte waar Isolde jachtig hijgend vooruitblikt op de lust van de seksuele gemeenschap. Deze vooruitblik maakt het heden tot een hel. Elke seconde is er een te veel, het leed is onnoemelijk. “10 minuten wachttijd” zou Hajo Beeckman met een grafstem verkondigen. Want zolang laat Wagner haar sudderen in haar foltering van de traagheid (“O spar mir des Zögerns Not!”).

Zo wordt het romantische ongeduld de prelude van de hedendaagse snelheidscultus, het utilitarisme én van de consumptiemaatschappij: alles is gericht op snelle vervulling, die even later weer een leegte oproept die even snel weer vervuld moet worden. Hoe vervelender het wachten, des te intenser wordt de drang naar vervulling. Ongemerkt echter wordt zo heel het leven een afzichtelijke, van onlust vervulde wachtrij: leren als wachten op een diploma, werken als wachten op een loon en de daaraan verbonden mogelijkheid om te consumeren, wachten op promotie en statusverhoging, dan wachten op het zo lang verwachte pensioen, tot men alleen nog op de dood kan wachten. Een wachttijd die dan via euthanasie ook ingekort kan worden.

We wachten al heel ons leven. Waarop wachten we om de wachttijd zelf tot levenskunst te maken, inderdaad, een modus vivendi?

De moderne economie is dus romantisch geframed, opgebouwd op uitstel én begeerte én ongeduld. Men moet lijden alvorens te genieten, zodat het doel primeert. Men zou niemand aan het werk krijgen moest het loon vooraf betaald worden, en het genot aan de beproeving zou vooraf gaan. U moet dus werken en niet-genieten om het genot te verdienen,- maar dat impliceert ook dat het werken nooit een esthetische kwaliteit op zich mag krijgen die het loon zelf zou kunnen vervangen. Werken is wachten, maar dan ingevuld als plichttijd waarbinnen men rechten op genot opbouwt. De workaholic, de mens die opgaat in de arbeid zelf, is dus even slecht voor een utilitair systeem als de werkloze of de luiaard. Het best functioneert onze economie dankzij tamelijk gealiëneerde arbeid, die wordt beleefd als een prikkloktijd “in afwachting van”.  Doorstromen blijft het sleutelwoord.

Het al even bekende toneelstuk van Samuel Beckett, “En attendant Godot” (1952), waarin Vladimir en Estragon wachten op een mysterieuze figuur die wel aangekondigd wordt, maar niet opdaagt, en waarbij de twee in afwachting maar wat rondhangen, stelt deze problematiek op scherp. We doen eigenlijk niets anders dan wachten, leven op vooruitzichten en beloften, zonder dat we erin slagen om dit wachten zelf op een zinnige en esthetische manier in te vullen. Het is ons niet gegund om kracht uit het heden te putten, alleen Godot houdt ons overeind. Het wachten is dus onnoemelijk monotoon en kwaliteitsloos zoals het stuk van Beckett zelf.

Heterotopie

Wetteren

In de bosjes tijdens een monsterfile op de E-40 (Autostradeparking Wetteren, 5/5/2014)

Om terug te keren naar immobiliteitsfilosoof Kris Peeters: hoe van deze monotonie een polyfonie maken, een kwaliteitscluster in de verkeersknoop? – dat is de hamvraag. Godot komt alleen als wij hem willen, dat betekent: als we hem niét meer willen, als fata morgana en demon van het uitstel. Zo wordt elk moment een vindplaats en elke vertraging een opportuniteit. 5 mei 2014, een dag zoals een ander, en toch weer niet, en eigenlijk niet na te vertellen, al probeerde James Joyce het in zijn Ulysses.

Deze zoektocht naar de vrolijke file is geen geitewollen-sokken zaak. Het “groene” gedachtengoed is bij uitstek een Westers-decadent vermoeidheidssyndroom waar we vanaf moeten geraken. Er zijn andere, meer authentieke modellen van onthechting. Ik verwees al naar Zen en het meditatieve moment, maar het zou evenzeer Zuid-Europees of Afrikaans kunnen zijn: de tijd naar zijn hand zetten, niet via de snelheid maar net via de traagte, de luiheid en de inefficiëntie, waardoor de doelen, altijd verbonden met een ideologie of een systeem, moeten wijken voor de middelen en het “hoe”, die een doel op zich worden.

Vreemd genoeg zal dat misschien ook het klimaatprobleem oplossen: zet de motor af terwijl u wacht en doe iets leuks. Dé fabriek zal niet draaien, maar uw fabriek wel. De verschuiving in het genotsperspectief van het doeleinde naar het wachten zelf, maakt dat Gretchen en Isolde zouden beseffen dat Faust en Tristan maar de wortel zijn die voor de ezel hangt, en dat het leven te kort is om iets na te jagen dat altijd elders is.

Zowel existentieel als socio-politiek kunnen de doeleinden nu verder wegdeemsteren en kunnen we ons eindelijk op het uitdijende heden gaan concentreren. We verlaten de politiek en zijn loze beloften. Wachten op vrijheid, rechtvaardigheid, gelijkheid, het einde van België, de klasseloze maatschappij, het groot lot, het hiernamaals: het zijn allemaal verloren zaken, utopieën die het echte leven vergallen.

Het is voor mij als filosoof een kwestie van voortschrijdend inzicht: ooit zag ik in elke wachtrij een veruiterlijking van bureaucratisch despotisme. Nu, met het eindeloze wachten op de uitbreiding van de Antwerpse Ring, maar ook in het postkantoor en de supermarkt, begin ik te beseffen dat het vooral kwestie is om die wachttijd aan het systeem te onttrekken en daarbinnen autonome spellen of ander bedrijvigheden, zelfs micro-economieën te installeren.

In die zin laat de Franse filosoof Michel Foucault de utopie voor wat ze is, en introduceert hij de mogelijkheid van een heterotopie: plekken die noch publiek noch privaat zijn, maar iets ertussen, en uitnodigen tot een beleving van het hier en nu. Maar daar waar Foucault die plek van het intermezzo nog “architecturaal” en industrieel opvat, en verwijst naar bioscopen, pretparken, sauna’s en bordelen, belet niets ons om die “andere plek” gewoon willekeurig te installeren waar het ons goed uitkomt, namelijk vooral daar, ergens tussen het begin- en een eindpunt van de etappe, in het oponthoud. De wegbermen en de autostradeparkings dus, waar je ook (weliswaar nagemaakte) Cartier-horloges kunt kopen voor één Euro.

Trekt men deze lijn door, dan wordt elk besef van tijd en ruimte anders, en ontlenen we steeds meer identiteit aan de plekken waarop we stilstaan, zomaar. De vaste woonplaats zou dan verdwijnen, ook al staat ze nog op onze identiteitskaart, en wordt vervangen door een meer existentiële cluster van plekken, die samen eventueel een statistisch midden zouden kunnen vormen. Zo woont de pendelaar die dagelijks van Antwerpen naar Brussel rijdt, “heterotopisch” eerder ergens in Mechelen, zijnde het gemiddelde van alle denkbare en ondenkbare stopplaatsen op dat traject, waar zich files kunnen voordoen met alle interessante verwikkelingen van dien.

Het sublimeren van de wachttijd kan niet anders dan leiden tot een nieuw nomadisme waarin onderweg zijn belangrijker is dan de bestemming, en waarin de lust zich vooral realiseert in het heden, op tussenplaatsen. In die zin moeten de autostrades niet breder en de treinen niet stipter, want dat maakt het spel, de flirt of de romance net onmogelijk, en leidt ons tijdsbewustzijn opnieuw af naar de “onmogelijke liefde” als ultieme bestemming of eu-topie.

Het vinden van afslag 0 is niet eens een project, het is een potentie die zich constant voordoet, overal op elk moment. En hoe minder men zoekt, hoe lager de toerentalteller, hoe sneller hij gevonden wordt. Het Verkeerscentrum kijkt verslagen toe.

 

 

 

 

 

 

Optimisme als mannelijke hysterie

wallstreet

Wall Street, 1922

Koop aandelen! Haal dat spaarvarken boven, verdomme! Consumeer, laat het geld rollen! Niemand heeft er zin in, want het ergste moet nog komen, zo voelen we aan onze dikke teen. Het straffe is dat de economen dat zelf ook weten: ze denken namelijk zonder uitzondering allemaal in curves, op en neerwaartse bewegingen. En het gaat dus nog altijd fameus bergaf in de wereldeconomie, hou u vast aan uw bretellen.

Als vader van dat cyclisch denken geldt de Russische econoom Nikolai Kondratieff (1892-1938), adviseur van Lenin maar uiteindelijk in opdracht van Stalin gefusiljeerd. Niet geheel ten onrechte overigens: Kondratieff stond als pragmatische communist een voorzichtige invoering van het kapitalisme voor, net omdat het cyclisch in elkaar zit onder het motto “na regen komt zonneschijn”. Veel makkelijker dan alsmaar die vijfjarenplannen te fabriceren die toch nooit wat worden. En het geeft de armoezaaier een perspectief. Wie vandaag met 900 Euro per maand moet rondkomen, gelieve geduld te hebben en het leven van de zonnige kant te bekijken: beterschap is op komst, op voorwaarde dat je er écht in gelooft. Snel uitgeven dus, die 900 Euro, en dan maar pinnen op de poef.

De winter tegemoet

curve   Grosso modo duurt één cyclus bij Kondratieff 50 jaar, waarbij telkens een technologisch innovatieve sector heel de zaak trekt. Zo zitten wij midden in de 5de cyclus, het informatietijdperk, in gang geschoten rond 1980, in 2008 (net voor de bankencrisis) op zijn toppunt, en nu dalwaarts gaande, ergens 2030 tegemoet. Dan is zowat iedereen platzak behalve dat ene percent superrijken. Milieu-doemdenkers gaan ervan uit dat we tegen dan ook allemaal stikken in het fijn stof en dat er sowieso geen vervolg meer aan dit verhaal komt, maar zij kennen niets van economie.

Kondratieff verdeelde zijn cyclussen nog eens in vier perioden die hij aanduidde met de seizoensnamen. De lente zag hij als opbouwfase, de zomer als consolidatiefase, de herfst als plateau- of stabilisatiefase en tot slot de winter als liquidatie of afbraakfase. Wij zitten, anno 2014, dus in volle herfst.

Deze verwijzing naar de landbouw en de natuur is psychologisch knap bekeken: het neutraliseert de doemdenkers (zie hoger), en het maakt de economie tot een zelfregulerend mechanisme, zoals de natuur, waar een slimmerik zijn voordeel mee kan doen, terwijl de sukkels mogen wachten op de lente die toch komt. Zij het binnen twintig jaar.

De kapitalistische economie is een manisch-depressieve fantasmagorie die alles en iedereen opzuigt. Ze heeft alle kenmerken van een epidemische verslaving…

Er is bovendien iets gek aan die curve: hij bestaat omdat economen, financiële experts en uiteindelijk heel het systeem er zich ook naar gedragen. Een geval van self-fullfilling prophecy dus, of noemen we het gewoon moderne religie. Het is als een scheve toren die onvermijdelijk na een tijd omvalt als je hem maar hoog genoeg maakt. De meesten komen onder het puin terecht, alleen de ingewijden en de zieners maken zich op tijd uit de voeten. Waarna het spel herbegint.

Zo blijkt Kondratieff niet alleen de geestelijke vader van de economische curve, maar ook een zielenknijper die ons met crisissen moet verzoenen en de pechvogels onder ons aanspoort tot… optimisme. “Crisissen zijn uitdagingen”, en meer van dat soort peptalk: het stamt uit het constructivistische Rusland van de jaren ’20.

De zwarte tulp

beursWie de binnenkant van een beursgebouw al eens heeft gezien, krijgt een idee van de hysterie die het systeem draaiend houdt: nu eens euforisch, dan weer disforisch, creëert ze waarde of verlies, zonder ook maar één ogenblik uit de mallemolen te stappen. Het heeft alle kenmerken van een epidemische verslaving. De kapitalistische economie is een manisch-depressieve fantasmagorie die alles en iedereen opzuigt. Er ontstaat tussen New-York, Frankfurt en Tokio een parallelle wereld van de waan waaraan niemand nog ontsnapt.

De beurs is tegelijk tempel, theater, markt en casino. Ze is deterministisch, voluntaristisch en aleatorisch tegelijk. Er zijn wetmatigheden (de curves!), duizenden analisten zwermen rond (die zich overigens steeds weer misrekenen), terwijl tegelijk het anarchisme van de vrije markt heerst en, vooral, de begeerte om rijkdom zichzelf te laten vermeerderen. Ingebeelde rijkdom grotendeels, want de transacties laten nauwelijks nog toe dat er ook echt geconsumeerd wordt.

Binnen dat universum is werkelijk alles mogelijk. Het ingebeelde wordt waar, het waardeloze wordt rijkdom, en het gekke is: de kunst is om mee te gaan met de waan. De reële, “natuurlijke” waarde van de dingen wordt vervangen door hun speculatieve waarde, gebaseerd op het gerucht en imitatiegedrag (opeens wil iedereen hetzelfde), leidend tot een hausse, onvermijdelijk gevolgd door een baisse.

Hét klassieke voorbeeld is de tulpengekte uit het Holland van de 17de eeuw. Kort na 1600 begonnen de prijzen van tulpenbollen in de lage landen te stijgen, omdat een paar Franse dames zo’n tulp in hun decolleté droegen (Cherchez la femme!). In 1637 werd in Amsterdam één zwarte tulp geveild voor 6000 gulden, toen de prijs van een sjiek herenhuis in het stadscentrum. Een paar maanden later was ze niets meer waard en stortte de markt in, met een paar winnaars en vooral veel verliezers. Die zich een paar maanden later op een nieuwe rage stortten.

De zwarte tulp, is er een sterker symbool denkbaar van de ontaarding? Het maakt de waan tot drijvende motor van een proces waarin mensen, ook complete leken, denken dat ze via de beurs slapend rijk gaan worden, bubbels zich steeds weer vullen, tot ze uiteenspatten, iedereen kniezend afdruipt, om tenslotte weer recht te krabbelen en te herbeginnen. Gadgets, kunst, antiek, goud, onroerend goed, luxewaren, maar ook grondstoffen en levensnoodzakelijke producten zoals rijst, olie, suiker volgen deze speculatieve cyclus.

Kraft durch Freude

Het optimisme functioneert in heel dat verhaal als een emotionele zweep, een drug die de EwigeVerhofstadt Wiederkehr des Gleichen veroorzaakt, zoals een gokverslaafde ook steeds weer herbegint. De euforie, nodig om een hausse te creëren, is gebaseerd op een bewustzijnsvernauwing die men als typisch mannelijk moet zien, het adrenalinemoment van de jager tegenover zijn prooi. Anderzijds is elke tegenslag een aansporing om te herbeginnen. Finaal maakt dit optimisme zich los van elke realiteit. Het gebral dat de toekomst aan ons is, en dat het steeds beter wordt, is noodzakelijk om de eigen angst te onderdrukken. Alle negatieve signalen worden genegeerd, positieve worden uitvergroot: het optimisme is de sociaal meest aanvaardbare vorm van domheid. Het maakt de kern uit van vele politieke demagogie, maar ook van allerlei feel good– en gelukstherapieën, die mensen wijs maken dat alles beter wordt, “als je er maar in gelooft”.

Het ordewoord om het optimisme blindelings te promoten behoort tot de kern van het Westerse kapitalisme en het vooruitgangsdenken.

De burgermanifesten van Guy Verhofstadt, geschreven tussen 1989 en 2006, vertolken weergaloos deze vorm van zelfhypnose. Niet toevallig doken ze op in de “lente” van de economische curve. Verhofstadt’s lofzang aan de techniek, het industrieel apparaat en de vooruitgang liegt er niet om: het verstand op nul en de blik op oneindig, is de boodschap. In wezen is dit een restant van de vroeg-20ste eeuwse macho-lyriek, beoefend door die andere manifestenschrijver, Filippo Tommaso Marinetti, peetvader van het artistieke futurisme en huisvriend van Benito Mussolini.

“Kraft durch Freude”, heette dat in de nazipropaganda. Vandaag vinden we die verplichte hoera-stemming terug in allerlei TV-formats (lachsalvo’s om de halve minuut), de strijd tegen de verzuring en ‘de morele plicht om positief te denken’, nog zo’n Verhofstadt-mantra, geïnspireerd op het bekende devies van de filosoof Karl Popper (1902-1994) “Optimism as a moral duty”. U moét meegaan in de euforie, anders stokt de waarde van het aandeel. Want daarop wordt de conjunctuur beoordeeld: niet op het goede leven of het geluk dat wordt geproduceerd, maar de waarde van de aandelen, uitgedrukt in de beursindex.

Optimisme werkt altijd. In goede tijden leeft men naar de hausse toe, in slechte tijden van de baisse weg. Enig negationisme omtrent crisis en armoede is gewenst (Geert Roelens, topman van de Beaulieu-groep: “Ik wil het woord ‘crisis’ niet meer horen!”) Zo blijkt die goede Karl Popper, de peetvader van het moderne liberalisme, een vermomde Kondratieff-adept, met alle manische trekjes vandien. Door het optimisme als een “plicht” op te vatten, wordt de beurs, als psychotisch mechanisme, als het ware moreel gefundeerd. Tijd om uit die carroussel van de mannelijke waan (want dat is het) te stappen.

4. Oikos, of de moeder van de porseleinenwinkel

Lagrange

Hestia gegijzeld? (Christine Lagarde, topvrouw van het IMF)

Het ordewoord om het optimisme te promoten behoort tot de kern van het Westerse kapitalisme en het vooruitgangsdenken. Heel de cultuur van de waan volgt in haar zog, zowel de beurs, de media-industrie, de consumptiemarkt als de bloeiende sector van de mental coaching, allerlei goeroes en therapeuten die ons via tegelwijsheden de eeuwige glimlach verkopen onder het motto “Always look on the bright side of life”. Graag citeren ze ook filosofen, vooral Nietzsche met zijn Uebermenschfantasie en zijn Zarathustra-gedaas.

Het pessimisme wordt anderzijds beschouwd als iets toxisch, overeenkomstig de klassieke visie op de melancholie als zwart-galligheid. Maar misschien is heel die karikaturale kijk op de melancholie en de depressie wel zelf een neurotische poging om onze fysieke, mentale en sociale realiteit te verdoezelen.

Dat is alvast de stelling van de feministische biologe Barbara Ehrenreich. Ze kreeg zelf met die peptherapieën te maken, toen ze borstkanker kreeg en iedereen haar wilde laten geloven dat ze vooral steeds opgewekt moest zijn, blijven lachen, want dat was het begin van de genezing. Het werd haar zo gortig dat ze er een essay over schreef,Smile or Die: How Positive Thinking Fooled America And The World” (2010), waarin ze heel dat mannelijk-militaristisch vocabularium van het obligate optimisme in een bredere context stelt. Politiek, economisch, cultureel.

De enorme toevloed van feel-good-therapieën zijn volgens Ehrenreich het gevolg van het hyperindividualisme, het materialisme en het daarmee gepaard gaande inkrimpende collectieve verantwoordelijkheidsgevoel, het zorgend principe, dat men als pessimistisch moet beschouwen, voorzien op de worst case (“Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinenwinkel”).

De zuinige zorgzaamheid van moeder-de-vrouw Hestia is niet interessant voor de consumptiemaatschappij en dus ook niet voor de beurs.

Daarmee raakt ze iets aan dat fundamenteel tegenover de hysterie van de beurs staat: de no-nonsense-realiteit van de haard, door de Grieken de oikos genoemd, het huishouden, de zorg (voor het vuur) en de voorzienigheid, beheerd door de godin Hestia. De vrouw-aan-de-haard, jawel. Zij weigert de schuim van het optimisme en gaat voor een holistisch realisme, onze plaats in het grote geheel. Het idee dat men zijn borstkanker kan weglachen is vals, en staat tegenover het besef dat die borstkanker kadert in een breder verhaal van o.m. een falende milieuzorg, de economisch pletwals en het gebrek aan langetermijndenken.

Gezond conservatisme

Vrouwen blijken dus veel miHestiander last te hebben van die tulpenbollenstress, ook al ondergaan ze natuurlijk net zo goed de consumptiemaatschappij. Men voelt hier de tegenstelling tussen het mannelijke en het vrouwelijke universum: het woord “economie” komt van dat Griekse woord “oikos”, maar het is gekaapt, het is een nomos geworden, een wetenschap. Dus moet Hestia misschien wel op haar rechtmatige plek gerestaureerd worden. En uiteraard niet kosmetisch, op de manier zoals Christine Lagarde de IMF-club mag voorzitten, als een soort masquotte.

Barbara Ehrenreich pleit eigenlijk, als progressief-linkse publiciste, voor een gezond conservatisme, dat de curven van de waan opnieuw vervangt door de natuurlijke cycli, de echte seizoenen dus, niet de spookseizoenen van Kondratieff, en door de wetten van het gezond verstand.

Deze wetten vertellen ons bijvoorbeeld dat men in tijden van voorspoed moet sparen en in crisistijden elke cent drie keer moet omdraaien. Zuinigheid dus. De knip op de beurs. Precies het tegendeel van wat de economen ons aanbevelen. De zorgzaamheid van moeder-de-vrouw Hestia is niet interessant voor de consumptiemaatschappij en dus ook niet voor de beurs. Aan haar verdienen de beleggersfondsen niets. Ze kan de schaarste beheren, ze maakt geen schulden en laat het geld niet rollen, ook niet als ze het heeft. Ze kweekt zelf groenten in haar tuin, heeft geen VISA-kaart en stelt een weekmenu op waardoor de impulsaankopen tot een minimum wordt beperkt.

In 1668, dertig jaar na de tulpenbubbel, levert de Franse toneelschrijver Jean-Baptiste Poquelin, beter bekend als Molière, zijn karikatuur af van dat vrouwelijk voorzorgsprincipe en de zuinigheid, in de figuur van L’avare (“De vrek”). Mensen die het geld op hun spaarboekje laten staan zijn gierigaards die het spel niet willen meespelen. Ze kijken de kat uit de boom, blijven in hun eigen oikos en verzaken dé economie waaraan ze hun (toekomstige) rijkdom te danken hebben. Aan de schandpaal ermee.

Daarmee was de wereld klaar voor een nieuwe bubbel en voor de eerste industriële revolutie. Weg met de vrekken, laat het geld rollen. Faites vos jeux, lach, speel, verlies, en herbegin. We weten tot op vandaag, en in het vooruitzicht van een nieuwe bankencrisis, waar deze euforie ons heen leidt. De recente Wall-Street-demonstraties tonen hoe diep de afkeer zit. Allemaal niet goed voor de economie, dat gejank.

Dank u, McDonalds

Over smaaktechnologie, kick-cultuur en kotsreflex

FatKids Enkele maanden geleden verscheen van de Amerikaanse onderzoeksjournalist Michael Moss het boek “Salt Sugar Fat, how the food giants hooked us”, een ontnuchterende analyse van de manier hoe de voedingsindustrie onze smaak manipuleert en tot overconsumptie aanzet. Kant-en-klaarmaaltijden, snacks, ontbijtgranen, fastfood, snoep en frisdranken leiden de dans.

Moss beschrijft het als een imperium van zout, suiker, vet – drie substanties die, in een juiste verhouding, leiden naar het blisspoint: de ideale kick. Het punt dat ons verslaafd maakt zonder dat we het beseffen. Het eten van een hamburger drijft ons naar het eten van een tweede, zonder dat we honger hebben, puur omdat de smaakversterker ons dwingt. Zout, suiker, vet: drie ingrediënten die bijna niks kosten en die de aandeelhouders van Coca-Cola, Nestlé, Kraft, Kellogg e.a. slapend rijk maken. Zelfs een hondendrol kunnen ze onweerstaanbaar oplekkeren.

Tegelijk afficheren al die producten zich via de verpakking ongegeneerd als heilzaam, calorie-arm, vezelrijk, enz.: de gezondheidsillusie is een wezenlijk deel van het product. De waarheid is dat wereldwijd obesitas en diabetes doodsoorzaken nr. 1 worden dankzij de gouden driehoek van de smaak.

De gelukskeuken van Jeroen

MeusEr zijn verschillende manieren om tegen dit fenomeen aan te kijken. Ik begin met de meest voor de hand liggende, de morele. Samen met het feit dat we enorme hoeveelheden voedsel wegwerpen, vormen de vleesproductie en de algemene overconsumptie dé redenen waarom wij deze planeet niet gevoed krijgen. De ruimte ontbreekt er gewoon voor. Enorme landbouwgebieden in de derde wereld worden voorbestemd tot monocultuur van gewassen (vooral soja), bestemd voor veevoeder in het rijke Noorden, waardoor teelt voor eigen, lokaal gebruik onmogelijk wordt.

De door de smaaktechnologie opgepepte overconsumptie leidt er op de duur toe dat de ene helft van de wereldbevolking de andere kannibaliseert. We hoeven geen racisten te zijn, we vreten bij elke barbecue gewoon de zwartjes en de bruintjes op. Maar kijk, via deze grande bouffe worden ook de veelvraten ziek en slibben hun hartvaten dicht. En zo zal er op het einde niemand meer overschieten: het beste wat deze planeet kan overkomen. Men zou het als een vorm van immanente rechtvaardigheid in de natuur kunnen zien: vermits de mens bovenaan de voedselpiramide staat en niets of niemand hem opeet, is het logisch dat hij zichzelf consumeert tot alles is opgeruimd. Dank u, McDonalds.

We consumeren niet om te leven, zelfs niet om te genieten, maar om blijvend geprikkeld te worden. Alles smaakt naar meer…

Toch is dat een abstracte ver-van-ons-bed-redenering. Het gezwelg gaat gewoon verder, de prikkels zijn overal. De voedselindustrie is namelijk maar een onderdeel van een veel meer omvangrijke genotseconomie gericht op de verleiding, de (over)consumptie en de verspilling. Kijk iemand als TV-kok Jeroen Meus eens bezig, die zijn naam leent aan een eigen kant-en-klaar-maaltijdenlijn. Ook hij is kwistig met de goudensmaak-driehoek en immer op zoek naar het blisspoint, het mmmmmm!!!-punt dat hoorbaar wordt als de man de lepel aan de mond brengt. Boter, zout, suiker, het kan niet op. Meus doet wat McDonalds doet: de ultieme verleider samenstellen.

Onder het Nietzscheaanse motto “Lust wil Ewigkeit” creëert de smakenbom het goed gevoel maar ook de permanente honger naar meer.  We consumeren niet om te leven, zelfs niet om te genieten, maar om blijvend geprikkeld te worden. Smaak produceert in de limiet verslaving, hetgeen essentieel is in een marktgedomineerde samenleving. Kinderen zijn gewoon verzot op die zoute frieten en gesuikerde hamburgers met eveneens gesuikerde ketchup. U toch ook?

De hersenfysiologie heeft overigens het mysterie van het genot al lang opgelost: het menselijk brein is constant op zoek naar prikkels die het welbevinden opwekken,- via de productie van het hormoon endorfine. Het is op die breinzone dat de voedselindustrie, en eigenlijk heel de consumptie-economie focust. Niets anders. Ooit maakten de filosofen een onderscheid tussen geluk (als iets diep, kwalitatief, duurzaam) en genot (als iets tijdelijk, oppervlakkig), maar dat is onhoudbaar. Fysiologisch gaat het om krek hetzelfde, namelijk goed gevoel, of het nu door een hamburger, een potje seks of door Mozartmuziek wordt opgewekt.

Wat Michael Moss aanklaagt i.v.m. de voedselindustrie is dus maar het topje van de ijsberg:  heel onze economie is gericht op de verleiding, de herhaling en de verslaving. Neveneffecten zijn onvermijdelijk: overprikkeld, vadsig en suikerziek stort de moderne mens in elkaar tot een, welja, geprepareerde bal gehakt. Dank u, McDonalds.

De moestuin van Michelle

moestuinNiet te verwonderen dat de vegetariërs, veganisten en groenteboeren de alarmklok luiden. En jazeker: het is goed dat kinderen terug de geur en smaak van bloemkool en spruitjes leren waarderen, en dat mensen met een tuintje hun eigen sperziebonen gaan verbouwen.  Of dat vrouwen komkommer en banaan leren waarderen om de eenzame uren mee door te komen. Maar is deze veggie-beweging sterk genoeg om de smaakbommenindustrie van Coca-Cola en Kellogg te weerstaan? Ik dacht het niet.

Vorig jaar publiceerde first lady Michelle Obama haar boek American grown, The story of the White House kitchen garden and gardens across America. Daarin breekt ze zowaar een lans voor het houden van een moestuin en gezond eten. Men ziet haar op de foto in haar eigen hofke, gehurkt tussen de tomaten en de peterselie, prediken tegen de vetzucht en de sucromanie. Maar Coca-Cola en McDonalds zijn niet onder de indruk: de groentjes in de tuin van het Witte Huis vormen geen bedreiging voor hun imperium. Integendeel, het geheel oogt meer als onderdeel van de presidentiële PR-machine die vooral met decorum bezig is: het loopt prima in Amerika, want Michelle kweekt spruitjes. Goed gevoel!

Het vegetarisme van de hogere middenklasse lost het probleem niet op, integendeel, het brengt McDonalds op nieuwe marketing-ideeën…

De moestuin van Michèle is het 21ste eeuws equivalent van het idyllisch boerendorp (Le Hameau de la Reine ) dat koningin Marie-Antoinette achter de tuin van Versailles liet optrekken om er te dartelen tussen koetjes en kalfjes, terwijl de echte boeren crepeerden. De waarheid is, dat de papperige onderklasse in de grote steden geen spruitjes zal kweken, om de simpele reden dat ze er de grond niet voor heeft, en omdat de reclame Michelle’s boodschap deskundig zal recupereren. Let vooral op het blaadje sla in de Big Mac!

Het vegetarisme van de hogere middenklasse lost het probleem niet op, integendeel, het brengt McDonalds op nieuwe marketing-ideeën. En het geeft bovendien een… goed gevoel aan die middenklasse. Elke poging om gezondheid te propageren, eindigt in een versterking van de ziekmakers. De onvoorstelbare lobby-budgetten zullen deskundig worden besteed,- kijk maar hoe goed de tabaksindustrie het blijft doen. Michael Moss mag dan wel de perversiteit van de voedingsindustrie aanklagen,- zij zullen probleemloos zijn kritiek gebruiken om hun product en zijn imago bij te stellen. Of ze geven hem misschien zelfs een vorstelijk betaalde job van communication manager. Dank u, McDonalds.

De woede van Anja

anjaZo komen we bij de architectuur van de hamburgerketen. De alomtegenwoordige kickcultuur zit verankerd in één groots Disney-landschap waar de attracties tegen elkaar opschreeuwen: we leven in een mondiaal pretpark. De genotzucht wordt permanent opgewekt door dat wat de filosoof Jean Baudrillard het simulacre noemt, een door de reclame gecreëerde illusie die een eigen realiteit gaat uitmaken. Alles is gespeeld en nagemaakt, er zijn alleen nog copieën zonder origineel. Niemand weet nog dat die hamburger ooit een stukje koe was, en dat is ook de bedoeling niet. Via de appetijtelijke blisspoints worden we steeds dieper in deze decor-werkelijkheid gezogen, struinen van de ene attractie naar de andere. Verdoofd en verblind, bewusteloos. Het beeld is alles geworden, met de artificiële smaak/geur als leidraad en conditioner. Dit vraagt om een beeldenstorm.

Tussen 1998 en 2000 stak dierenrechtenactiviste Anja Hermans met haar vriend een aantal Vlaamse hamburgertenten in de fik, overigens alleen met materiële schade, en om de redenen die hierboven aan bod kwamen: de vleesindustrie, de fastfoodcultuur, de zout/suiker/vet-terreur.  Elke afgebrande McDonalds stond er overigens na een week al terug in al zijn glorie, en identiek zoals voorheen, netjes volgens het handboek, als wou het grote Disneypark zijn onvergankelijkheid bewijzen. Niet zo Anja Hermans: ze kreeg de maximumstraf inclusief eenzame opsluiting, en psychiatrische internering er bovenop. Een vijftal zelfmoordpogingen uit die periode geven een idee waar het systeem toe in staat is.

Zuur en bitter, smaken die buiten de Gouden Driehoek vallen: daar ergens moeten we terug met de waarheid kunnen aanknopen…

Zelfs binnen links kreeg ze bijna geen steun, behalve bij een handvol punkers en junkies, terwijl men nochtans vanuit puur esthetische redenen al had kunnen zeggen dat die schreeuwlelijke bouwsels van plastic en karton een schande vormen voor de ruimtelijke ordening, en verdienen om in de fik gestoken te worden. Waar was toen de Vlaamse bouwmeester om haar te verdedigen?    Ook moreel-filosofisch zat ze, dacht ik, juist: als obesitas-producent McDonalds kinderen vergiftigt, én de ziekteverzekering enorm belast, wat is er dan mis met het elimineren van die gifmenger, al was het maar symbolisch?

Vandaag slijt Anja Hermans haar dagen als oudstrijdster van het Animal Liberation Front in een kinderboerderij, tussen de geiten, de schapen en de bloemkool. Een efficiënte psychiatrische behandeling heeft haar “genezen”. De vraag blijft of er een zinnige strategie kan ontwikkeld worden tegen het imperium van de leugen. Het activisme van Anja bleek een doodlopend spoor, de boeken van Michael Moss vormen maar een franje, de tuin van Michelle een vertederend hologram. Baudrillard raadt ons dan maar aan om de realiteit van het simulacre te omarmen: leef en beleef de illusie, laat je smaakpapillen strelen.

Ikzelf blijf geloven in het walggevoel, de galsmaak, de kotsreactie. Hoe lekker alles ook is, of juist daardoor: iets in onze ingewanden roept stop-en-eruit. Melancholie en anorexia houden verband met die walg: de grote weerzin, het willen ontgiften. Zuur en bitter horen niét bij de gouden smaakdriehoek, misschien daar mee beginnen.

Er moeten kotsschrijvers zijn, kotsfilosofen, kotsbewegingen, zelfs kotspartijen. Een lege maag die niets meer verdraagt: daar ergens moeten we terug met de waarheid kunnen aanknopen. Dank u, McDonalds.