Categorie archief: – Kleinschaligheid, ecologie, antiglobalisme

Europa en de privacy-wetten: seks, leugens en lobby’s

Een liberaal die onze privacy moet bewaken? – Dat was mijn eerste ongelovige bedenking toen Bart Tommelein (Open VLD) vorig jaar werd ingezworen als Staatssecretaris voor Bestrijding van de Sociale Fraude, Privacy en Noordzee. Heeft de Oostendse beschermdolfijn der zelfstandigen, die carrière maakte in de financiële sector, beslist affiniteit met de eerste en de laatste materie,- nummer twee lijkt wat op het verhaal van de pyromaan die mee helpt blussen.

Niet dat ik Tommelein verdenk van enige kwade bedoeling, het gaat hem puur om de ideologie: wie het onbeperkt vrije verkeer van goederen, diensten, personen en informatie toejuicht, kan het verhaal van privacybescherming alleen maar als een domper op de feestvreugde zien. En inderdaad, wat blijkt? Het zijn vooral liberale decision makers die de voet op het rempedaal zetten als het gaat over de bescherming van de privé-sfeer.

En vermits de wetgeving terzake net nu op de Europese agenda staat, is een omweg langs Brussel en Straatsburg gepast.

Loveboat

Zopas kon u in Doorbraak een bespreking lezen van het jongste boek van Derk Jan Eppink, ‘Het rijk der kleine koningen – Achter de schermen van het Europees Parlement’. Het gewezen EU-parlementslid geeft ons daar een amusante maar ook wel ontluisterende inkijk in de Europese cenakels. Doorgeschoten ego’s à la Guy Verhofstadt voelen er zich kiplekker, en voeren er een theaterfestival van de zelfgenoegzaamheid op.

Dat vertoon is echter maar het topje van de ijsberg. De Euro-bubbel krijgt namelijk ook steeds meer greep op ons dagelijks leven dankzij duizend en één wetten en reglementjes. De EU-parlementsleden staan daarbij onder druk van de nationale regeringen,- ministers en staatssecretarissen dus-, maar laten zich ook gewillig benaderen door lobbyisten van allerlei slag: agenten van belangengroepen en privé-organisaties die het wetgevend werk willen ‘bijsturen’. Via het geschikte glijmiddel uiteraard. Onvermijdelijk komt in dat opzicht een ander fenomeen in beeld: het vrolijke privé-leven van de parlementariërs dat ze beslist niét te grabbel willen gooien en dat zich natuurlijk vooral buiten de parlementaire zittingen afspeelt. Ook daar doet Derk Jan Eppink een boekje over open.

Tussen de regels begrijpen we waarom oudere politici zo tuk zijn op een fin-de-carrière in Europa: om van hun vrouw weg te zijn, én om in de koffer te kunnen duiken met hun secretaresse/maîtresse. U begrijpt: Straatsburg is ver, de dagen druk en de nachten eenzaam. In de vijfsterrenhotels komt puntje bij paaltje en zijn de maîtresses naast de luxe-escorts kind aan huis, tenzij de parlementairen kiezen voor een privé-optrekje, dat alles uiteraard als onkosten in te brengen. Eppink gewaagt zelfs van een heuse ‘loveboat’: dit milieu trekt een bepaald soort vrouwen aan dat kickt op mannen in maatpak, de glamour, het lekker tafelen, de dienstauto’s, de snoepreisjes. Gemiddelde leeftijd van de ‘secretaresses’: 25 à 30 jaar,- hier geen sprake van het activeren van bruggepensioneerden.

Politiek en hormonen dus, de macht die zogenaamd erotiseert. Gek, want een paar weken geleden kwam Jean-Marie Dedecker in Knack ook al met zo’n smeuig stukje af over de mandatarissen en hun brede matras (‘Waar macht regeert vliegen de hormonen en de oestrogenen door het zwerk.’) Het betreft hier telkens bekentenissen van uitbollende/afscheid nemende politici die graag een boekje willen opendoen, deels om nog wat uitstaande rekeningen te vereffenen, maar eventueel ook als ultieme bekentenis/genoegdoening naar het thuisfront toe.

Dat hormonenverhaal komt natuurlijk overal voor waar heren-van-stand belangrijk staan te wezen. In de politieke context is het echter extra relevant, omdat vermoedelijk het spel van lobbying en manipulatie voor een flink deel langs het liefdespad verloopt. Vreemdgaande politici zijn daarbij buitengewoon chanteerbaar, en het is voor pakweg een farmaceutisch bedrijf of een sigarettenfabrikant veel veiliger om een gewillige dame in te huren dan zomaar een berg cash op tafel te leggen. Er is hier namelijk geen sprake van corruptie of omkoping, c’est l’amour. Anders gezegd: de loveboat maakt deel uit van de lobbymachine, en de door ons zo gehate EU-regelgeving is resultaat van hard nachtwerk.

Klokkenluiders

Dat brengt ons weer bij de Europese privacy-wetgeving waar, ironisch genoeg, zelf een sterke zweem van geheimhouding en manipulatie over hangt. De belangen zijn dan ook enorm: privé-informatie wordt ‘het nieuwe goud’ genoemd in dit cybertijdperk. Vooral de internetgiganten zoals Google, Facebook, Amazon, en E-Bay zijn vragende partij om die informatie zoveel mogelijk vrij verhandelbaar te maken. Alles wat u doet, zegt, schrijft, overal waar u komt, welke winkels u bezoekt, interesseert hen. Het internet fungeert als een enorm reservoir van privé-informatie (die we er al dan niet zelf opzetten), bedrijven kopen die gegevens dan weer op, uitgesplitst volgens doelgroep, voorkeur, enz.

De lobbyisten (naar schatting lopen er alleen al in Brussel zo’n 30.000 rond) werken nu op twee fronten. Terwijl het Europees Parlement verder bakkeleit rond het privacy-wetsvoorstel dat het al in 2013 op papier zette, zijn nu ook de respectieve lidstaten amendementen aan het indienen, die vooral de bescherming van de privésfeer weer moeten uithollen. De jonge Oostenrijkse klokkenluider Max Schrems vlooide een en ander uit, en ontdekte dat teksten van lobbyisten soms letterlijk worden overgenomen in de wetsvoorstellen of de amendementen. De webstek Lobbyplag.eu, voortbouwend op het onderzoekswerk van Max Schrems, publiceerde ruim 11000 (geheime) documenten m.b.t. het EU-lobbywerk, en wat blijkt? Al in 2013 beijverde voormalig eurocommissaris Louis Michel (MR) zich enorm in het afzwakken van de teksten. Sommige bleken inderdaad regelrechte copy-paste van door privé-personen en –bedrijven aangedragen wijzigingen, wat Michel even in nauwe schoentjes bracht.

Maar ook genoemde Bart Tommelein, onze privacyminister dus,  is nu recent volop bezig met het amenderen en afzwakken van de teksten die de persoonlijke levenssfeer moesten beschermen. Zo stelt hij voor om in de term ‘expliciete toestemming van de consument”, het woord ‘expliciet’ weg te laten, wat veel meer ruimte geeft voor Google, Facebook en C° om daar zelf een draai aan te geven en er een ‘stilzwijgende toestemming’ van te maken. Cui prodest? Wie wordt hier beter van?

Heel dit verhaal laat een wrange nasmaak over de manier hoe de EU-besluitvorming, in relatie tot de nationale directieven, met de democratie een loopje neemt en eigenlijk met iets anders bezig is dan de belangen van de burger/consument. Het Europees Parlement drijft niets op de spits en laat het lobbywerk zijn gang gaan. Eppink lichtte een tipje van de sluier op waarom dat zo is. Het onrustwekkende is tevens dat dit op alle niveaus gebeurt, tot en met het laagste: ook in onze randgemeente Overijse wordt het lokale beleid gekleurd door privébelangen, vooral vanuit de vastgoedsector, waarin de familie van de burgemeester actief is. Op een boogscheut van de Brusselse Euro-wijk, ik moet er geen tekeningetje bij maken.

Het bewijst dat op alle niveaus, van hoog tot laag, klokkenluiders en burgerinitiatieven absoluut noodzakelijk zijn om de democratie, of wat daar voor doorgaat, niet echt te laten ontsporen.

Algemeen basisloon: lachwekkend of revolutionair?

Stel dat u het groot lot van Win for Life zou winnen: levenslang elke maand 2000 Euro op de rekening. Champagne. Maar zou u de rest van uw tijd in Gran Canaria doorbrengen aan een zwembad?

Even wel, maar niet te lang: een mens is niet gemaakt om te luieren. U zou op de duur toch terug aan de slag gaan, maar dan om een droom te realiseren of werk te kiezen dat u echt ligt. U zou wellicht zelfs veel harder werken dan voorheen. Dat is zowat de filosofie van het algemeen basisinkomen. Een Panoramareportage van 18 december vlooide het uit en liet een aantal verdedigers en critici aan het woord.

Kort komt het erop neer dat elke burger vanaf 18 jaar een basisinkomen krijgt van pakweg 1500 Euro (voor elk minderjarig kind 200 Euro er bovenop), of die nu werkt of niet. Noem het maar een algemeen leefloon. Het klassieke uitkeringsstelsel (pensioenen, kinderbijslag, werkloosheidsvergoeding,…) zou verdwijnen. Wil je toch werken,- want daar rekent het systeem natuurlijk op,- dan heb je natuurlijk een hoger inkomen, weliswaar stevig belast.

In een verloren gat in de Nambische woestijn is het naar ’t schijnt al eens met succes uitgeprobeerd en ontstond er zowaar een florerende micro-economie binnen communeverband. Maar nu wordt het idee in 2016 ook in Zwitserland, hét hart van het Westerse kapitalisme, de inzet van een referendum.

Eén ding is zeker,- de crisis is er niet vreemd aan: het thema leeft ook bij ons enorm. Vreemd genoeg niet in de politieke wereld, noch bij de regeringspartijen (uiteraard niet) noch bij de oppositie. Wel in de sociale media en alle mogelijk discussiefora op het internet. Veeg teken dat de politiek helemaal niet meer op de golflengte van de burger zit, maar vooral met zichzelf bezig is.

Onthaasting

De achterliggende filosofie van heel het idee is niet eens strikt economisch maar wel existentieel. We worden geleefd, consumeren en status hoog houden is de boodschap. Heel het carrièregebeuren lijkt op een genadeloze afvallingskoers. Depressies en burn-outs zijn schering en inslag. België is een trieste koploper wat betreft het gebruik van anti-depressiva en zelfmoorden. De gezondheidskost is enorm. Wie een job heeft, vecht om hem te houden, wie er geen heeft, raakt op de sukkel en drijft af richting OCMW. Eigenlijk is iedereen ongelukkig, behalve de happy few, en dan nog. Daar moet een model van onthaasting en ontmaterialisering tegenover geplaatst worden: opnieuw ruimte voor levenskwaliteit, duurzame ontwikkeling, meer harmonie in de driehoek werk-gezin-vrije tijd. Het basisloon ontlast ons van de dwang om te werken en schenkt ons het recht en het plezier om te werken. Een wereld van verschil.

Opmerking: dit model betekent niet het einde van sociale ongelijkheid. Integendeel: de ongelijkheid moet het systeem financieren. Het basisloon op zich is belastingvrij, het is met wat u en ik er boven op verdienen dat er fiscale inkomsten gegenereerd worden. Verder voorziet het systeem vooral een belasting op consumptie (gemiddeld 25%: basisproducten minder, luxegoederen meer) en op vermogen/meerwaarde. Dat betekent dus allemaal wel dat voldoende mensen zo gek moeten zijn om hard te werken, veel te verdienen, en een groot deel weer af te geven. Dat kan alleen, en daar zijn we weer bij de achillespees, als dat werk echt aantrekkelijk is en zelfs een behoefte op zich wordt. En als er voldoende natuurlijke solidariteit kan opgebracht worden voor deze herverdeling.

Tweede vaststelling: het model elimineert niet de armoede als dusdanig. Er zullen namelijk altijd mensen zijn die vanaf dag één hun maanduitkering verspillen of vergokken. Wat met hen aanvangen? In de goot laten liggen tot de volgende maand? Toch een vangnet? Onlangs bleek uit een studie dat een kwart van onze eersteklassevoetballers, met een gemiddeld netto-maandinkomen van 8.670 Euro, jawel, niet rond komt. Oorzaak: spilzucht, gokken, geld beleggen in dubieuze investeringen. Daar komt dus een portie (her-) opvoeding bij kijken. Waarbij de grijze zone die dit soort ‘slechte huisvaders’ aantrekt, bijna onvermijdelijk is. Het leven zoals het is.

Empowerment

Anders gezegd: het basisloon is geen binnenweg naar het paradijs, er zal net zo goed marginaliteit en criminaliteit bestaan als vandaag. Moeten we daarom treuren? Neen, want anders komen we uit in een Noord-Koreaans model waar een aantal zaken verplicht zijn en de rest verboden. Er moet dus het recht zijn op mislukken, het gaat met vallen en opstaan.

Toch is de pedagogische dimensie van het model een enorme uitdaging: door mensen een maandelijks rugzakje mee te geven, waar ze hun plan mee moeten trekken, ontstaat er een dynamiek van zelfwerkzaamheid, de zin om het lot in eigen handen te nemen, een zaakje op te starten… dat wat men tegenwoordig empowerment noemt.

Heel de zogenaamde onderkant van de samenleving, door mensen als Theodore Dalrymple geringschattend weggezet als het onproductieve restafval dat zijn ongeluk alleen aan zichzelf te danken heeft, wordt geactiveerd tot een stuk middenklasse waar ideeën opborrelen, economische of culturele projecten het licht zien, en spontane netwerken ontstaan.

Politiek-maatschappelijk is dat niet vrijblijvend. Doordat de dwang wegvalt om een job te vinden voor het strikte levensonderhoud, ontstaat er een beter evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Industriële processen zullen overigens in grote mate geautomatiseerd worden, het bandwerk en de routineklussen verdwijnen. Menselijk kapitaal, talent, en clusters van talent bewegen zich autonoom en flexibel binnen een economie die levenskwaliteit doet primeren op winst en groei-om-de-groei.

Het institutionele middenveld (partijen, vakbonden, allerlei met de overheid verstrengelde belangenorganisaties) verdwijnt ten voordele van ad hoc burgerinitiatieven.

Een sterk afgeslankte staat blijft op de achtergrond, als regulator, boekhouder, beheerder van de infrastructuur. Maar het zwaartepunt van de democratie verschuift naar onder, bij de basis, de autonome leefgemeenschappen, comités, buurten, wijken, kantons. Een stelsel van bindende referenda naar Zwitsers model staat borg voor evolutie en gedragen vernieuwing.

Koudwatervrees

Utopie? Ach, het vrouwenstemrecht en de betaalde vakantie werden ook ooit weggelachen. Maar anders dan deze sociale correcties, vormt het algemeen basisloon de hoeksteen én motor van de diepgaande maatschappelijke hervorming die we zo hard nodig hebben. Iedereen is het beu maar niemand weet waar het heen moet. Dit is tenminste een concrete piste, een perspectief dat droom en durf koppelt aan cijferwerk.

Waar de fameuze Panorama-reportage wel angstvallig om heen draait, is de vraag naar de haalbaarheid van het model binnen de Belgische constructie, een inefficiënt en mentale energieverslindend waterhoofd met een half dozijn regeringen en evenveel parlementen, en zonder culturele of taalkundige cohesie. Het idee van ontvetting van het staatsapparaat en van het overheidsestablishment leidt nochtans vanzelf naar de ontbinding van de Belgische constructie, vermits de becijfering van het model in aanzienlijke mate berust op een bestuurlijke vereenvoudiging. Geen van de pleitbezorgers (filosoof Philippe Van Parijs, ex-Vivant-bezieler Roland Duchâtelet, Piratenpartij-woordvoerster Sarah Van Liefferinge) durfde het aan om op deze consequentie te wijzen.

Net omdat het basisloon-idee, en alles wat daar rond hangt, in hoge mate uitgaat van sociale cohesie en burgerzin, is collectieve identiteitsbeleving essentieel. Daarbij komt dan nog het voordeel van de schaalverkleining die het idee van basisdemocratie veel dichter benadert. Kortom: een Vlaamse republiek is een veel meer haalbare kaart om die grote maatschappelijke omwenteling te organiseren dan een Belgische constitutionele monarchie naar 19de eeuws model waar alles draait rond compromissen tussen gemeenschappen, partijen, zuilen en belangengroepen.

Het is eigenlijk vreemd dat die zogenaamde progressieve denkers het republikeinse moment rateren: een koudwatervrees die hun draagvlak en geloofwaardigheid aanzienlijk verkleint. Waardoor hun model juist weer utopisch en virtueel wordt, een natte droom, geen project. Het neo-marxisme van Philippe Van Parijs is overigens al even gedateerd als de neoliberale ideologie die vandaag de wet dicteert. Er valt dus nog wel wat fris, onthecht denkwerk te plegen.

Ondertussen zitten we in Vlaanderen met een armoedepercentage van 12%. Ook de lagere middenklasse heeft nu de OCMW-drempel genomen en de voedselbanken ontdekt.

Eerder dan aan 19de eeuwse liefdadigheid te doen zoals Liesbeth Homans (N-VA) met haar 1 euro-gaarkeukens, is nu het moment gekomen om in Vlaanderen het debat rond het basisloon aan te zwengelen, als aanloop naar een herdenken van onze samenleving en het radicaal durven poneren van de geluksvraag. Ook de taboe’s rond migratie en open grenzen zullen moeten sneuvelen, wat Europa er ook van denkt: men kan geen filosofie van het basisinkomen en een sterke herverdeling ontwikkelen als de draagkracht daarvan ondermijnd wordt door ongebreideld uitkeringstoerisme. Ook daarin wijzen de Zwitsers de weg.

Benieuwd of uit dit debat ook politieke krachten kunnen geboren worden die deze republikeins-progressieve durf uitstralen en de gemiddelde Vlaming weten te verleiden.

De EU en de Karolingische grootheidswaanzin

Weldra luiden we het jaar 2014 uit, waarin het begin van de 1ste wereldoorlog werd herdacht. Een mondiaal conflict dat zijn versnelling kreeg vanuit de oerrivaliteit tussen twee tot de tanden bewapende Europese grootmachten: Duitsland en Frankrijk.

VerdragVerdun Om die rivaliteit historisch te duiden, moeten we terug naar het verdrag van Verdun (843), dat het Heilige Roomse Rijk van Karel de Grote, na de dood van diens zoon Lodewijk de Vrome, in drie stukken opdeelde: Lodewijk de Duitser kreeg Oost-Francië (geel: het latere Duitsland), Karel de Kale West-Francië (rose: dat zou Frankrijk worden), en Lotharius het middenrijk Lotharingen (groen, waarin onze gebieden vallen).

Deze drie erfdelen bakenden geen ‘organische’ volksgemeenschappen af, maar waren prototypes van de moderne natiestaat die op onderhandelingstafels vorm krijgt. Sinds die deling ook zouden West- en Oost-Francië nooit iets anders doen dan elkaar de hegemonie betwisten, met het middenrijk als buffer en slagveld. Wij, de lage landen, stonden vanuit beide kanten onder druk: Duitsland met zijn drang naar het Westen en de Noordzee, en vanuit het Zuiden Frankrijk dat de Schelde als natuurlijke grens ambieerde.

De ironie van de geschiedenis heeft gewild dat een goede duizend jaar later nabij hetzelfde stadje Verdun een van de bloedigste slachtingen van die Groote Oorlog zou plaats vinden. Met opnieuw de twee post-Karolingische erfvijanden tegenover elkaar.

Eénmaking als heilige oorlog

kareldegrotegebouwKarel de Grote dus, en zijn twijfelachtige nalatenschap. De Europese Unie eert hem als een patroonheilige. Het gebouw van de Europese Raad te Brussel draagt zijn naam, en elk jaar wordt er in Aken een naar hem genoemde Europese Vredesprijs uitgereikt. Men vergeet echter dat de door Carolus Magnus geforceerde éénmaking zelf druipt van het bloed. Met de goedkeuring van het Vatikaan richtte hij een -zelfs naar de maatstaven van die tijd- niets ontziende slachtpartij aan onder de zogenaamde ‘heidense’ volkeren die zich niet schikten naar zijn megalomane integratieplannen, zoals de Friezen, de Saksen, en de Longobarden.

Het bloedbad in 782, waar zo’n 5000 Saksische opstandelingen een kopje kleiner werden gemaakt, is berucht gebleven. Wat restte, werd gedeporteerd of kwam in een soort kamp terecht,- een methode die tot in de 20ste eeuw navolging zou krijgen. Om duidelijk te maken dat de genocide ook cultureel was, liet hij de mythische levensboom (Irminsul) vernietigen, die het middelpunt van hun religieus leven vormde. Het leverde Karel een pauselijke heiligverklaring op.

Het is veelzeggend dat de Europese Unie zich door de Heilige Oorlog van deze despoot laat inspireren om de Frans-Duitse oervete binnen de perken te houden. Terwijl Karel als éénmaker de eigenlijke oorzaak was van het probleem. Zijn invloed is enorm en weegt loodzwaar op de as Brussel/Straatsburg. Vanuit het Karolingische eenheidsideaal vertrekken zowat alle lijnen die we vandaag nog in de moderne Europese superbureaucratie aantreffen: het centralistische machtsdenken, het eindeloos brouwen van regels en reglementen, het trachten weg te gommen van regionalistische of autonomistische tendensen, het cultiveren van een monumentale retoriek waarin nu en dan ook kunstenaars en intellectuelen rondjes mogen lopen.

De ‘rand van de wereld’

Het democratisch deficit van de Europese Unie heeft dus heel oude wortels. Maar de Saksische reflex is nooit helemaal gedoofd: wat we vandaag her en der zien als regionalistische beweging, streeft eigenlijk naar een terugkeer van de organische entiteiten, de volksgemeenschappen die zich zelfs tijdens de Romeinse periode min of meer wisten te handhaven.

In zijn boek ‘The Edge of the World – How the North Sea made us who we are’ (zopas vertaald als: ‘Aan de rand van de wereld. Hoe de Noordzee ons vormde’) beschrijft historicus en journalist Michael Pye treffend hoe de volkeren aan de Noordzee al in de vroege middeleeuwen sterk op autonomie gesteld waren en er ‘moderne’ opvattingen op na hielden inzake economie, justitie, wetenschap, ethiek, kunst. Ze waren niet achterlijk, maar integendeel vooruitstrevender en fijnzinniger dan de regimes die hen probeerden te onderwerpen. Van de Vikings over de Friezen, de Vlamingen, en jawel, ook de Saksen, de Hanzesteden tot de Watergeuzen in de Spaanse tijd: het culturele hart van Europa ligt niet in het midden maar in de periferie.

Pye besluit,- en dat citaat wil ik u niet onthouden:

‘Als we het vandaag over Europa hebben, komt Karel de Grote vaak ter sprake met zijn gecentraliseerde rijk. Alleen: dat werkte niet. Ik ben niet blij met het centralisme van de Europese Unie: de macht gaat uit van het centrum naar de marge en dat is fundamenteel conservatief. We hebben nood aan de vrijheid en de dynamiek van de randen, aan de energie die voortkomt uit de uitwisseling en botsing van ideeën. We kunnen het beter over het Europa van de regio’s hebben. Waarom zijn we daar zo bang voor?’

Inderdaad, waar zijn we bang voor? Vanwaar die koudwatervrees om te decentraliseren en ‘kleiner’ te gaan? Het autonomisme ontkiemt echter niet alleen als politiek-staatkundige onafhankelijkheidsbeweging in Catalonië, Schotland en Vlaanderen. Misschien sterker en duurzamer nog zijn de collectieven die vandaag ontstaan, in de marge van het systeem, om de relatie tussen mens en natuur te gaan herwaarderen. Terug naar een zekere eenvoud en authenticiteit, meer kringloopbewust denken en leven.

Beeld u hierbij geen Amish-toestanden of sectair gedoe in: hier schuilt geavanceerde technologie achter. Zo hebben de inwoners van Schönau in het Zwarte Woud al sinds de jaren ’90 een eigen energiebedrijf opgericht dat zo’n 150.000 mensen van elektriciteit voorziet, uitsluitend lokaal gewonnen uit zon, wind en biogas. Zelfs de kerkdaken liggen vol zonnepanelen: via deze energiecoöperatieve konden tenslotte de grote elektriciteitsproducenten wandelen gestuurd worden, en kwam het net helemaal in eigen beheer.

Transitienetwerken

Deze autarkische gemeenschapskernen schieten overal in Europa spontaan als paddenstoelen uit de grond. Het kan gaan om straten, wijken, buurten, dorpen, steden, regio’s. Herwinbare energie en een neutrale afvalbalans zijn de technische sleutelbegrippen: niets gaat verloren, vrijwel alles wordt gerecycleerd. Ze beschouwen zich als laboratoria van een nieuw samenlevingsmodel, gebaseerd op duurzaamheid, levenskwaliteit en collectief verantwoordelijkheidsgevoel. Daarom worden ze ook wel Transition Towns genoemd.

Want het gemeenschappelijk beheer van energiebronnen en andere nutsvoorzieningen leidt uiteindelijk ook naar een andere levenswijze, een nieuwe arbeidsverdeling, een micro-economie van de uitwisseling en de ruil, meer aandacht voor wat er echt toe doet, meer tijd voor gezin en vrije tijd, meer zorg en solidariteit, minder stress en onveiligheidsgevoel.

De kernen gedragen zich autonoom maar niet geïsoleerd: ze vormen netwerken die intens informatie, diensten, personen, ideeën, goederen uitwisselen, maar altijd in functie van de kwaliteit, niet de kwantiteit en de groei-om-de-groei.

Op die manier komen we eigenlijk heel dicht bij wat Michael Pye vooropstelt: een Europa dat niet functioneert als een centraal bestuurde eenheidsstaat, maar als een republiek van republieken, een netwerk van autonome leefgemeenschappen met een sterk identitair besef én respect voor de aarde die we delen. Kracht die uitgaat van de marge naar het middelpunt, van de basis naar de top, en niet omgekeerd. Vlaanderen heeft de ideale afmeting om tot zo’n netwerkrepubliek uit te groeien, als deel van het nog grotere Europese netwerk.

Alle ronkende intentieverklaringen ten spijt: daar is het corrupte universum van Juncker en C° moreel niet tegen opgewassen. De anders-Europese beweging zal de oude natiestaten doen oplossen, samen met de betonnen sokkels in Brussel en Straatsburg, en heel het bureaucratische gangenstelsel. De bevrijding van Europa voltrekt zich via de regio’s en de gemeenschappen. De ecologische dimensie daarvan is onweerstaanbaar,- ze verbindt het kleine terug met het grote, de delen met het grote geheel. De levensboom is ooit gekapt, maar de wortels zijn intact gebleven en kunnen een nieuwe bloei van dit continent inluiden.

Kiezen tussen Electrabel of het éénpansgerecht

Meer éénpansgerechten klaarmaken, de koelkast snel dicht doen liefst zonder uw neus ertussen, een spons in de brievenbus steken – ik lach niet -: het zijn maar een paar van de vele aanbevelingen die ons worden gedaan om een black-out, zijnde een afschakeling van de elektriciteitsvoorziening de komende winter, te vermijden. De Nederlanders, nooit te beroerd voor een Belgenmop, zijn alvast begonnen met een inzamelingsactie van wokpannen voor hun zuiderburen onder het motto ‘Niet mokken, lekker wokken’.

Toch is enig mokken hier op zijn plaats. De manier hoe het beleid van de laatste decennia België op energievlak tot de status van ontwikkelingsland degradeerde, is zonder meer tekenend voor het amateurisme en de laissez faire-mentaliteit van dit regime, waar politieke overleving alle andere agenda’s overschaduwt.
Er werd wel een kernuitstap voorzien, maar geen technisch becijferde energiewende zoals Duitsland dat met succes doet. Na een paar defecten in verouderde kerncentrales was het duidelijk dat het licht (en al de rest) deze winter zou uitgaan. En zal er die dag ook geen enkele trein rijden, lees ik nu net, dit keer niet omwille van een staking maar gewoon wegens geen stroom in de seinhuizen. No train today, this must be Belgium.
Laten we echter ook niet vergeten wat voor een boeltje de Vlaamse regering er op energievlak van maakte, via het gesol met de fameuze groenestroomcertificaten (GSC’s). Hoe zat dat ook weer? Bezitters van zonnepanelen creëren via hun opbrengst groenestroomcertificaten, die ze voor een vast bedrag kunnen verkopen aan hun netbeheerder. Die kan daarmee bewijzen dat een deel van zijn stroom ‘groen’ is, want er moet een Europees quotum gehaald worden. Maar daar schuilt een adder: door het succesverhaal van de zonnepanelen kwamen er zoveel GSC’s op de markt dat hun waarde daalde, terwijl de netbeheerder ze toch aan een door de overheid vastgestelde prijs moest afnemen van de paneeleigenaars.
Resultaat: de distributeurs maakten verlies (voor een totaal van ca. 1,7 miljard euro), dat ze nu mogen compenseren via een forse verhoging ten belope van zomaar eventjes 35% vanaf 1 januari 2015. Voor alle duidelijkheid: dit is een verhaal dat zich compleet op het Vlaamse niveau afspeelt. Wat we zelf doen, doen we beter, zeg dat wel.

Freyataks

En dan begint het spelletje zwartepieten. Wie is er verantwoordelijk voor deze ontsporing, waardoor vooral armere gezinnen in Vlaanderen, zonder zonnepanelen dus, zullen opdraaien voor de subsidies aan de panelen-bezittende middenklasse? Men kan burgers moeilijk met de vinger wijzen wanneer ze gewoon gebruik willen maken van overheidstoelagen. Temeer omdat bij velen van hen naast het rendement toch een ecologische motivatie speelde.

Terecht stelt PvdA-energiespecialist Tom De Meester in een DS-opiniestuk dat vooral de industriële exploitatie het systeem onbetaalbaar maakte. Het voorbeeld van de Antwerpse Katoennatie is kenschetsend: havenbaron Fernand Huts liet in 2011 tientallen hectaren havenloodsen vol zonnepanelen leggen. Ze leveren hem jaar na jaar 13,4 miljoen subsidies op.
In totaal krijgen zo 3.386 grootschalige zonnepanelenparken elk jaar 231 miljoen euro subsidie cadeau van de Vlaamse overheid. En dat nog twintig jaar lang. Het was hen niet te doen om het milieu maar om het pure rendement. Zelfs grote varkenskwekers hadden ontdekt dat ze hun laarzen mochten uitdoen, eventuele illegale wietplantages konden opdoeken, en slapend rijk konden worden door hun stallen met zonnepanelen te bedekken. Het is dan ook een typisch Vlaams fenomeen: in Wallonië is de subsidiestroom naar grootproducenten te verwaarlozen en worden voornamelijk residentiële installaties betoelaagd, wat ook de bedoeling van het systeem is. Maar hoe is het in Vlaanderen anders gelopen?

Hier komen ontegenzeggelijk de Vlaamse socialisten in beeld. Onze GSC’s zijn indertijd ingevoerd door Steve Stevaert, de man van de gratis-politiek en de niet kloppende rekeningen. Maar ook toenmalig bestuurder bij Interelectra, dus ook al een electricien. Freya Van den Bossche mocht het systeem verder gaan verkopen. Achter de schermen echter was vooral Johan Vande Lanotte de drijvende kracht, voormalig Minister van Noordzee én directeur van Electrawinds, het bedrijf dat met zijn off-shore windmolenparken gretig mee profiteerde van de groenestroomsubsidies (zie ook ‘De Keizer van Oostende’ een boek van VRT onderzoeksjournalisten Wim Van den Eynde en Luc Pauwels). Daarom moesten dus de grootproducenten van groene stroom mee in het Vlaamse certificatensysteem worden betrokken: heel het systeem was op hun maat gemaakt. Vande Lanotte was uiteindelijk de federale minister die de elektriciteitsprijzen tijdelijk bevroor om zo het fatale effect van de GSC’s te maskeren. Tot de aap uit de mouw kwam.
Grappig detail: na het dreigend failliet, door de afbouw van het GSC-systeem, werd Electrawinds ontmanteld en de winstgevende activiteiten verkocht aan … de Waalse intercommunale Tecteo waarin de PS de plak zwaait. Het kan verkeren. Eerlijkheidshalve dient ook gezegd dat de Vlaamse coalitiepartners (CD&V, Open-VLD, nadien ook N-VA) de socialisten met hun belangenvermenging en zelfbedieningswinkel voluit lieten begaan, wellicht in het stille besef dat zij de politieke rekening vroeg of laat zouden gepresenteerd krijgen. Wat vandaag dus ook gebeurt, getuige daarvan de ingeburgerde term ‘Freyataks’ als het gaat over de verhoogde electriciteitsfactuur.

Quid Vlaams Energiebedrijf?

In een Knack-column lijst Jean-Marie De Decker de aspecten van heel het Vlaamse groenestroommisbaksel nog eens op, in zijn gekende kleurrijke stijl. De aversie tegen zijn stadsgenoot en oervijand Johan Vande Lanotte stoomt uit de tekst, net als zijn grote liefde voor kerncentrales. De populistische inslag van De Deckers schotschrift valt niet te onderschatten: heel het verhaal van duurzame energie heeft, dankzij de politieke mismeestering, een enorme knauw gekregen. De Vlamingen zonder zonnepanelen zijn kwaad op hun buren mét, die zelf met de schrik zitten dat de overheid vroeg of laat de subsidieverbintenis zal opzeggen (dat is de volgende stap), terwijl heel de markt voor alternatieve energiewinning in Vlaanderen op apegapen ligt.
De kernlobby en Electrabel zijn de lachende derde in het zwartepietendispuut. De manier hoe de Vlamingen, en in de eerste plaats de SP.a, het groene dossier politiek verkloot hebben, zal Gaz de France/Suez tot grote tevredenheid stemmen. Zeker na de winter en de nodige éénpansgerechten zal het publiek draagvlak voor kernenergie vele malen groter worden.
En dat is een ongezonde dynamiek. De Fukushima-catastrofe van maart 2011 heeft ons geleerd dat nucleaire energie een enorm risico van onomkeerbare vervuiling teweeg brengt. Terwijl Duitsland op schema zit om tegen 2050 90 tot 100% van zijn energie duurzaam te produceren (Zweden zit nu al aan 50%), bengelt België met zijn 6,8% helemaal onderaan de Europese lijst. Ondanks de Vlaamse varkensboeren, de natiebazen en de keizer van Oostende. De groene stroom is bij ons kostelijke folklore. De nucleaire lobby komt versterkt uit dit verhaal.

Het contrasteert enorm met de windstilte rond het Vlaams Energiebedrijf dat ooit onder impuls van de N-VA werd opgericht. De bestuursmandaten werden partijpolitiek netjes ingevuld. Maar meer dan wat folders uitdelen rond energiebesparing en zorgen dat de verwarming niet te hoog staat in de overheidsgebouwen, doet deze instelling niet, terwijl ze ooit werd aangekondigd als het fundament van ‘een Vlaamse Electrabel’. Misschien deze ambitie eens terug opnemen: een overheid die investeert en participeert in een groots project rond (duurzame) energiewinning, vanuit de filosofie dat energie een noodzakelijke dienstverlening uitmaakt zoals het openbaar vervoer, watervoorziening en afvalbeheer, en geen banaal marktproduct is. Heel het groenestroom-gegeven zou van daaruit moeten verder geactiveerd en gestuurd worden.

Maar die visie druist dan weer helemaal in tegen de rechtsliberale ideologie van de Vlaamse én de federale regering, die wil dat alles aan de privé-sector moet worden overgelaten. De wind zal dus meer dan ooit uit Parijs komen. Meer bepaald vanuit een groep die voor 33 % door de Franse staat wordt gecontroleerd.

Afslag 0: op zoek naar de vrolijke file

Voor een nieuwe filosofie van het wachten en het oponthoud

file2Al bijna 20 jaar wordt in Antwerpen gebakkeleid over de zogenaamde Oosterweelverbinding die het sluitstuk moet vormen van de Antwerpse Ring en het fileprobleem moet oplossen. De politiek verdrinkt erin, letterlijk. Momenteel wordt er een bitsige strijd gevoerd over het aantal rijstroken dat die Ring zal tellen: op sommige plekken 29, veel te veel volgens de Groenen. Willen ze dan meer files? Neen, natuurlijk niet, zelfs de voorstanders van de onthaasting willen geen stilstandverkeer en ijveren voor een “vlotte doorstroming”.

Gelukkig is er mobiliteitsexpert Kris Peeters (niet te verwarren met zijn naamgenoot, de Vlaamse Minister-President), die het over een existentiële boeg gooit: een file is gewoon een wachtrij, en het wachten kan men beter aangenaam doorbrengen, als verpozing. De tijd doden dus, zoals we zeggen. Gebruik de file om dingen te doen die u anders niet zou kunnen doen. Politiek-cultureel dynamiet, zo blijkt.

Modus Vivendi

file

E40, 5 mei 2014

Deze Kris Peeters heeft het niet voor auto’s en pleit al sinds mensenheugenis voor meer en beter openbaar vervoer. Maar ook daar is het alsmaar wachten tot de bus of de trein komt. In zijn jongste boek ‘Weg van mobiliteit’ durft hij eindelijk de file openbreken, en stelt hij dat we toch ook niet mopperen als we aanschuiven voor het Colosseum of een attractie in Bellewaerde. Waarom niet? Omdat we dit als een stuk quality time beschouwen, een vrijetijdsritueel.

Aldus luidde het explosieve zinnetje in een DS-interview met de mobiliteitsdeskundige: “Ik pleit ervoor te zoeken naar een modus vivendi met files. Dat is beter dan anderen én onszelf wijs te maken dat we ze ooit zullen oplossen.” Met andere woorden: het is vooral Hajo Beeckman van het Vlaams Verkeerscentrum, en andere filewatchers zoals Maarten Matienko van de automobilistenvereniging VAB,  die ons op de zenuwen werken met hun tijdingen over “fileleed” en hun stilstandsmelancholie. Het kan anders. Ooit heeft een radiozender het aangedurfd om een fileconcert te organiseren, ergens op een autostradeparking. Het sloeg niet aan, begrijpelijk: de automobilisten luisterden teveel naar Hajo Beeckman op de radio, en willen vooruit.

Wachten dus. Het bestaat als esthetische ervaring. Van de jager die urenlang zijn prooi observeert, over de duivenmelker, tot de triangelspeler in het orkest die twee uur rustmaten aftelt tot hij die ene ping mag laten horen. Dit Zen-motief geeft aan de wachttijd een totaal andere invulling, namelijk van de vervulling. Niet het beoogde doel primeert, maar wel het uitstel op zich, en de beleving daarvan. Op die manier is het uiteraard geen wachten meer, maar wordt de wachttijd een soort bubbel, een uitstulping in de lineaire tijd, een intermezzo. We wachten al heel ons leven. Waarop wachten we om de wachttijd zelf tot levenskunst te maken, inderdaad, een modus vivendi?

In die zin zouden files ook kwaliteitsplekken kunnen worden waarop gekeuveld, gelachen, gegeten, gerookt, gespeeld, gediscussieerd, gevrijd wordt. Wachttijd die zich ontpopt tot quality time, en zo de vaste programma’s doorkruist. Af en toe ziet me ze ook: de wegbermtoeristen met opklaptafeltje (dikwijls Hollanders, kunnen we nog wat van leren) en de beachballspelers op het asfalt, als het echt helemaal en “hopeloos” dicht zit. Ook de zgn. “kijkfile” is een esthetisch moment van oponthoud dat de snelheidsdwang en de roep van de bestemming negeert: de file aan de overkant die als het ware de tegenliggers meesleurt in de traagte.

Onnodig te zeggen dat deze wachttijd, gesublimeerd tot kwaliteit, systeemverstorend werkt. Files worden door dat systeem dan ook graag becijferd als economische schade. Erger nog, zouden filegenoegens mensen op het idee zouden kunnen brengen dat aankomen er niet echt meer toe doet, hetgeen onze prestatiecultuur totaal zou bederven. Voor een groot deel is de Antwerpse BAM-obsessie rond die Ring ingegeven door die systemische paniek. Wat als mensen hun contactsleutel zouden omdraaien en zomaar in de berm gaan picknicken?

Leven, werken, lijden, wachten op Godot

GodotZo worden snelheid en doelgerichtheid primordiaal in een systeem dat het sublieme wachten  wil vermijden. Elke minuut file is er een teveel. Deze tijdopvatting is, vergis u niet, bij uitstek romantisch. Er is geen tijd meer, het moet vooruitgaan. De Faustische mens wil stromen en doorstromen, elke stilstand is achteruitgang. Het doel-einde fascineert zodanig, dat het wachten ondraaglijk wordt, getekend door een alles verterend ongeduld dat door Johann Wolfgang von Goethe een schier oneindig aantal maal geparafraseerd is, zoals in de overbekende passage uit Faust, waar hij Gretchen aan het spinnewiel aldus laat kankeren:

Meine Ruh ist hin
Mein Herz ist schwer
Ich finde, ich finde sie nimmer
und nimmermehr.
 

Richard Wagner zal dit ongeduld even later nog uitvergroten en hyperboliseren, zoals hij met alles deed, in zijn Tristan und Isolde, meer bepaald de inleiding van de 2de akte waar Isolde jachtig hijgend vooruitblikt op de lust van de seksuele gemeenschap. Deze vooruitblik maakt het heden tot een hel. Elke seconde is er een te veel, het leed is onnoemelijk. “10 minuten wachttijd” zou Hajo Beeckman met een grafstem verkondigen. Want zolang laat Wagner haar sudderen in haar foltering van de traagheid (“O spar mir des Zögerns Not!”).

Zo wordt het romantische ongeduld de prelude van de hedendaagse snelheidscultus, het utilitarisme én van de consumptiemaatschappij: alles is gericht op snelle vervulling, die even later weer een leegte oproept die even snel weer vervuld moet worden. Hoe vervelender het wachten, des te intenser wordt de drang naar vervulling. Ongemerkt echter wordt zo heel het leven een afzichtelijke, van onlust vervulde wachtrij: leren als wachten op een diploma, werken als wachten op een loon en de daaraan verbonden mogelijkheid om te consumeren, wachten op promotie en statusverhoging, dan wachten op het zo lang verwachte pensioen, tot men alleen nog op de dood kan wachten. Een wachttijd die dan via euthanasie ook ingekort kan worden.

We wachten al heel ons leven. Waarop wachten we om de wachttijd zelf tot levenskunst te maken, inderdaad, een modus vivendi?

De moderne economie is dus romantisch geframed, opgebouwd op uitstel én begeerte én ongeduld. Men moet lijden alvorens te genieten, zodat het doel primeert. Men zou niemand aan het werk krijgen moest het loon vooraf betaald worden, en het genot aan de beproeving zou vooraf gaan. U moet dus werken en niet-genieten om het genot te verdienen,- maar dat impliceert ook dat het werken nooit een esthetische kwaliteit op zich mag krijgen die het loon zelf zou kunnen vervangen. Werken is wachten, maar dan ingevuld als plichttijd waarbinnen men rechten op genot opbouwt. De workaholic, de mens die opgaat in de arbeid zelf, is dus even slecht voor een utilitair systeem als de werkloze of de luiaard. Het best functioneert onze economie dankzij tamelijk gealiëneerde arbeid, die wordt beleefd als een prikkloktijd “in afwachting van”.  Doorstromen blijft het sleutelwoord.

Het al even bekende toneelstuk van Samuel Beckett, “En attendant Godot” (1952), waarin Vladimir en Estragon wachten op een mysterieuze figuur die wel aangekondigd wordt, maar niet opdaagt, en waarbij de twee in afwachting maar wat rondhangen, stelt deze problematiek op scherp. We doen eigenlijk niets anders dan wachten, leven op vooruitzichten en beloften, zonder dat we erin slagen om dit wachten zelf op een zinnige en esthetische manier in te vullen. Het is ons niet gegund om kracht uit het heden te putten, alleen Godot houdt ons overeind. Het wachten is dus onnoemelijk monotoon en kwaliteitsloos zoals het stuk van Beckett zelf.

Heterotopie

Wetteren

In de bosjes tijdens een monsterfile op de E-40 (Autostradeparking Wetteren, 5/5/2014)

Om terug te keren naar immobiliteitsfilosoof Kris Peeters: hoe van deze monotonie een polyfonie maken, een kwaliteitscluster in de verkeersknoop? – dat is de hamvraag. Godot komt alleen als wij hem willen, dat betekent: als we hem niét meer willen, als fata morgana en demon van het uitstel. Zo wordt elk moment een vindplaats en elke vertraging een opportuniteit. 5 mei 2014, een dag zoals een ander, en toch weer niet, en eigenlijk niet na te vertellen, al probeerde James Joyce het in zijn Ulysses.

Deze zoektocht naar de vrolijke file is geen geitewollen-sokken zaak. Het “groene” gedachtengoed is bij uitstek een Westers-decadent vermoeidheidssyndroom waar we vanaf moeten geraken. Er zijn andere, meer authentieke modellen van onthechting. Ik verwees al naar Zen en het meditatieve moment, maar het zou evenzeer Zuid-Europees of Afrikaans kunnen zijn: de tijd naar zijn hand zetten, niet via de snelheid maar net via de traagte, de luiheid en de inefficiëntie, waardoor de doelen, altijd verbonden met een ideologie of een systeem, moeten wijken voor de middelen en het “hoe”, die een doel op zich worden.

Vreemd genoeg zal dat misschien ook het klimaatprobleem oplossen: zet de motor af terwijl u wacht en doe iets leuks. Dé fabriek zal niet draaien, maar uw fabriek wel. De verschuiving in het genotsperspectief van het doeleinde naar het wachten zelf, maakt dat Gretchen en Isolde zouden beseffen dat Faust en Tristan maar de wortel zijn die voor de ezel hangt, en dat het leven te kort is om iets na te jagen dat altijd elders is.

Zowel existentieel als socio-politiek kunnen de doeleinden nu verder wegdeemsteren en kunnen we ons eindelijk op het uitdijende heden gaan concentreren. We verlaten de politiek en zijn loze beloften. Wachten op vrijheid, rechtvaardigheid, gelijkheid, het einde van België, de klasseloze maatschappij, het groot lot, het hiernamaals: het zijn allemaal verloren zaken, utopieën die het echte leven vergallen.

Het is voor mij als filosoof een kwestie van voortschrijdend inzicht: ooit zag ik in elke wachtrij een veruiterlijking van bureaucratisch despotisme. Nu, met het eindeloze wachten op de uitbreiding van de Antwerpse Ring, maar ook in het postkantoor en de supermarkt, begin ik te beseffen dat het vooral kwestie is om die wachttijd aan het systeem te onttrekken en daarbinnen autonome spellen of ander bedrijvigheden, zelfs micro-economieën te installeren.

In die zin laat de Franse filosoof Michel Foucault de utopie voor wat ze is, en introduceert hij de mogelijkheid van een heterotopie: plekken die noch publiek noch privaat zijn, maar iets ertussen, en uitnodigen tot een beleving van het hier en nu. Maar daar waar Foucault die plek van het intermezzo nog “architecturaal” en industrieel opvat, en verwijst naar bioscopen, pretparken, sauna’s en bordelen, belet niets ons om die “andere plek” gewoon willekeurig te installeren waar het ons goed uitkomt, namelijk vooral daar, ergens tussen het begin- en een eindpunt van de etappe, in het oponthoud. De wegbermen en de autostradeparkings dus, waar je ook (weliswaar nagemaakte) Cartier-horloges kunt kopen voor één Euro.

Trekt men deze lijn door, dan wordt elk besef van tijd en ruimte anders, en ontlenen we steeds meer identiteit aan de plekken waarop we stilstaan, zomaar. De vaste woonplaats zou dan verdwijnen, ook al staat ze nog op onze identiteitskaart, en wordt vervangen door een meer existentiële cluster van plekken, die samen eventueel een statistisch midden zouden kunnen vormen. Zo woont de pendelaar die dagelijks van Antwerpen naar Brussel rijdt, “heterotopisch” eerder ergens in Mechelen, zijnde het gemiddelde van alle denkbare en ondenkbare stopplaatsen op dat traject, waar zich files kunnen voordoen met alle interessante verwikkelingen van dien.

Het sublimeren van de wachttijd kan niet anders dan leiden tot een nieuw nomadisme waarin onderweg zijn belangrijker is dan de bestemming, en waarin de lust zich vooral realiseert in het heden, op tussenplaatsen. In die zin moeten de autostrades niet breder en de treinen niet stipter, want dat maakt het spel, de flirt of de romance net onmogelijk, en leidt ons tijdsbewustzijn opnieuw af naar de “onmogelijke liefde” als ultieme bestemming of eu-topie.

Het vinden van afslag 0 is niet eens een project, het is een potentie die zich constant voordoet, overal op elk moment. En hoe minder men zoekt, hoe lager de toerentalteller, hoe sneller hij gevonden wordt. Het Verkeerscentrum kijkt verslagen toe.

 

 

 

 

 

 

Optimisme als mannelijke hysterie

wallstreet

Wall Street, 1922

Koop aandelen! Haal dat spaarvarken boven, verdomme! Consumeer, laat het geld rollen! Niemand heeft er zin in, want het ergste moet nog komen, zo voelen we aan onze dikke teen. Het straffe is dat de economen dat zelf ook weten: ze denken namelijk zonder uitzondering allemaal in curves, op en neerwaartse bewegingen. En het gaat dus nog altijd fameus bergaf in de wereldeconomie, hou u vast aan uw bretellen.

Als vader van dat cyclisch denken geldt de Russische econoom Nikolai Kondratieff (1892-1938), adviseur van Lenin maar uiteindelijk in opdracht van Stalin gefusiljeerd. Niet geheel ten onrechte overigens: Kondratieff stond als pragmatische communist een voorzichtige invoering van het kapitalisme voor, net omdat het cyclisch in elkaar zit onder het motto “na regen komt zonneschijn”. Veel makkelijker dan alsmaar die vijfjarenplannen te fabriceren die toch nooit wat worden. En het geeft de armoezaaier een perspectief. Wie vandaag met 900 Euro per maand moet rondkomen, gelieve geduld te hebben en het leven van de zonnige kant te bekijken: beterschap is op komst, op voorwaarde dat je er écht in gelooft. Snel uitgeven dus, die 900 Euro, en dan maar pinnen op de poef.

De winter tegemoet

curve   Grosso modo duurt één cyclus bij Kondratieff 50 jaar, waarbij telkens een technologisch innovatieve sector heel de zaak trekt. Zo zitten wij midden in de 5de cyclus, het informatietijdperk, in gang geschoten rond 1980, in 2008 (net voor de bankencrisis) op zijn toppunt, en nu dalwaarts gaande, ergens 2030 tegemoet. Dan is zowat iedereen platzak behalve dat ene percent superrijken. Milieu-doemdenkers gaan ervan uit dat we tegen dan ook allemaal stikken in het fijn stof en dat er sowieso geen vervolg meer aan dit verhaal komt, maar zij kennen niets van economie.

Kondratieff verdeelde zijn cyclussen nog eens in vier perioden die hij aanduidde met de seizoensnamen. De lente zag hij als opbouwfase, de zomer als consolidatiefase, de herfst als plateau- of stabilisatiefase en tot slot de winter als liquidatie of afbraakfase. Wij zitten, anno 2014, dus in volle herfst.

Deze verwijzing naar de landbouw en de natuur is psychologisch knap bekeken: het neutraliseert de doemdenkers (zie hoger), en het maakt de economie tot een zelfregulerend mechanisme, zoals de natuur, waar een slimmerik zijn voordeel mee kan doen, terwijl de sukkels mogen wachten op de lente die toch komt. Zij het binnen twintig jaar.

De kapitalistische economie is een manisch-depressieve fantasmagorie die alles en iedereen opzuigt. Ze heeft alle kenmerken van een epidemische verslaving…

Er is bovendien iets gek aan die curve: hij bestaat omdat economen, financiële experts en uiteindelijk heel het systeem er zich ook naar gedragen. Een geval van self-fullfilling prophecy dus, of noemen we het gewoon moderne religie. Het is als een scheve toren die onvermijdelijk na een tijd omvalt als je hem maar hoog genoeg maakt. De meesten komen onder het puin terecht, alleen de ingewijden en de zieners maken zich op tijd uit de voeten. Waarna het spel herbegint.

Zo blijkt Kondratieff niet alleen de geestelijke vader van de economische curve, maar ook een zielenknijper die ons met crisissen moet verzoenen en de pechvogels onder ons aanspoort tot… optimisme. “Crisissen zijn uitdagingen”, en meer van dat soort peptalk: het stamt uit het constructivistische Rusland van de jaren ’20.

De zwarte tulp

beursWie de binnenkant van een beursgebouw al eens heeft gezien, krijgt een idee van de hysterie die het systeem draaiend houdt: nu eens euforisch, dan weer disforisch, creëert ze waarde of verlies, zonder ook maar één ogenblik uit de mallemolen te stappen. Het heeft alle kenmerken van een epidemische verslaving. De kapitalistische economie is een manisch-depressieve fantasmagorie die alles en iedereen opzuigt. Er ontstaat tussen New-York, Frankfurt en Tokio een parallelle wereld van de waan waaraan niemand nog ontsnapt.

De beurs is tegelijk tempel, theater, markt en casino. Ze is deterministisch, voluntaristisch en aleatorisch tegelijk. Er zijn wetmatigheden (de curves!), duizenden analisten zwermen rond (die zich overigens steeds weer misrekenen), terwijl tegelijk het anarchisme van de vrije markt heerst en, vooral, de begeerte om rijkdom zichzelf te laten vermeerderen. Ingebeelde rijkdom grotendeels, want de transacties laten nauwelijks nog toe dat er ook echt geconsumeerd wordt.

Binnen dat universum is werkelijk alles mogelijk. Het ingebeelde wordt waar, het waardeloze wordt rijkdom, en het gekke is: de kunst is om mee te gaan met de waan. De reële, “natuurlijke” waarde van de dingen wordt vervangen door hun speculatieve waarde, gebaseerd op het gerucht en imitatiegedrag (opeens wil iedereen hetzelfde), leidend tot een hausse, onvermijdelijk gevolgd door een baisse.

Hét klassieke voorbeeld is de tulpengekte uit het Holland van de 17de eeuw. Kort na 1600 begonnen de prijzen van tulpenbollen in de lage landen te stijgen, omdat een paar Franse dames zo’n tulp in hun decolleté droegen (Cherchez la femme!). In 1637 werd in Amsterdam één zwarte tulp geveild voor 6000 gulden, toen de prijs van een sjiek herenhuis in het stadscentrum. Een paar maanden later was ze niets meer waard en stortte de markt in, met een paar winnaars en vooral veel verliezers. Die zich een paar maanden later op een nieuwe rage stortten.

De zwarte tulp, is er een sterker symbool denkbaar van de ontaarding? Het maakt de waan tot drijvende motor van een proces waarin mensen, ook complete leken, denken dat ze via de beurs slapend rijk gaan worden, bubbels zich steeds weer vullen, tot ze uiteenspatten, iedereen kniezend afdruipt, om tenslotte weer recht te krabbelen en te herbeginnen. Gadgets, kunst, antiek, goud, onroerend goed, luxewaren, maar ook grondstoffen en levensnoodzakelijke producten zoals rijst, olie, suiker volgen deze speculatieve cyclus.

Kraft durch Freude

Het optimisme functioneert in heel dat verhaal als een emotionele zweep, een drug die de EwigeVerhofstadt Wiederkehr des Gleichen veroorzaakt, zoals een gokverslaafde ook steeds weer herbegint. De euforie, nodig om een hausse te creëren, is gebaseerd op een bewustzijnsvernauwing die men als typisch mannelijk moet zien, het adrenalinemoment van de jager tegenover zijn prooi. Anderzijds is elke tegenslag een aansporing om te herbeginnen. Finaal maakt dit optimisme zich los van elke realiteit. Het gebral dat de toekomst aan ons is, en dat het steeds beter wordt, is noodzakelijk om de eigen angst te onderdrukken. Alle negatieve signalen worden genegeerd, positieve worden uitvergroot: het optimisme is de sociaal meest aanvaardbare vorm van domheid. Het maakt de kern uit van vele politieke demagogie, maar ook van allerlei feel good– en gelukstherapieën, die mensen wijs maken dat alles beter wordt, “als je er maar in gelooft”.

Het ordewoord om het optimisme blindelings te promoten behoort tot de kern van het Westerse kapitalisme en het vooruitgangsdenken.

De burgermanifesten van Guy Verhofstadt, geschreven tussen 1989 en 2006, vertolken weergaloos deze vorm van zelfhypnose. Niet toevallig doken ze op in de “lente” van de economische curve. Verhofstadt’s lofzang aan de techniek, het industrieel apparaat en de vooruitgang liegt er niet om: het verstand op nul en de blik op oneindig, is de boodschap. In wezen is dit een restant van de vroeg-20ste eeuwse macho-lyriek, beoefend door die andere manifestenschrijver, Filippo Tommaso Marinetti, peetvader van het artistieke futurisme en huisvriend van Benito Mussolini.

“Kraft durch Freude”, heette dat in de nazipropaganda. Vandaag vinden we die verplichte hoera-stemming terug in allerlei TV-formats (lachsalvo’s om de halve minuut), de strijd tegen de verzuring en ‘de morele plicht om positief te denken’, nog zo’n Verhofstadt-mantra, geïnspireerd op het bekende devies van de filosoof Karl Popper (1902-1994) “Optimism as a moral duty”. U moét meegaan in de euforie, anders stokt de waarde van het aandeel. Want daarop wordt de conjunctuur beoordeeld: niet op het goede leven of het geluk dat wordt geproduceerd, maar de waarde van de aandelen, uitgedrukt in de beursindex.

Optimisme werkt altijd. In goede tijden leeft men naar de hausse toe, in slechte tijden van de baisse weg. Enig negationisme omtrent crisis en armoede is gewenst (Geert Roelens, topman van de Beaulieu-groep: “Ik wil het woord ‘crisis’ niet meer horen!”) Zo blijkt die goede Karl Popper, de peetvader van het moderne liberalisme, een vermomde Kondratieff-adept, met alle manische trekjes vandien. Door het optimisme als een “plicht” op te vatten, wordt de beurs, als psychotisch mechanisme, als het ware moreel gefundeerd. Tijd om uit die carroussel van de mannelijke waan (want dat is het) te stappen.

4. Oikos, of de moeder van de porseleinenwinkel

Lagrange

Hestia gegijzeld? (Christine Lagarde, topvrouw van het IMF)

Het ordewoord om het optimisme te promoten behoort tot de kern van het Westerse kapitalisme en het vooruitgangsdenken. Heel de cultuur van de waan volgt in haar zog, zowel de beurs, de media-industrie, de consumptiemarkt als de bloeiende sector van de mental coaching, allerlei goeroes en therapeuten die ons via tegelwijsheden de eeuwige glimlach verkopen onder het motto “Always look on the bright side of life”. Graag citeren ze ook filosofen, vooral Nietzsche met zijn Uebermenschfantasie en zijn Zarathustra-gedaas.

Het pessimisme wordt anderzijds beschouwd als iets toxisch, overeenkomstig de klassieke visie op de melancholie als zwart-galligheid. Maar misschien is heel die karikaturale kijk op de melancholie en de depressie wel zelf een neurotische poging om onze fysieke, mentale en sociale realiteit te verdoezelen.

Dat is alvast de stelling van de feministische biologe Barbara Ehrenreich. Ze kreeg zelf met die peptherapieën te maken, toen ze borstkanker kreeg en iedereen haar wilde laten geloven dat ze vooral steeds opgewekt moest zijn, blijven lachen, want dat was het begin van de genezing. Het werd haar zo gortig dat ze er een essay over schreef,Smile or Die: How Positive Thinking Fooled America And The World” (2010), waarin ze heel dat mannelijk-militaristisch vocabularium van het obligate optimisme in een bredere context stelt. Politiek, economisch, cultureel.

De enorme toevloed van feel-good-therapieën zijn volgens Ehrenreich het gevolg van het hyperindividualisme, het materialisme en het daarmee gepaard gaande inkrimpende collectieve verantwoordelijkheidsgevoel, het zorgend principe, dat men als pessimistisch moet beschouwen, voorzien op de worst case (“Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinenwinkel”).

De zuinige zorgzaamheid van moeder-de-vrouw Hestia is niet interessant voor de consumptiemaatschappij en dus ook niet voor de beurs.

Daarmee raakt ze iets aan dat fundamenteel tegenover de hysterie van de beurs staat: de no-nonsense-realiteit van de haard, door de Grieken de oikos genoemd, het huishouden, de zorg (voor het vuur) en de voorzienigheid, beheerd door de godin Hestia. De vrouw-aan-de-haard, jawel. Zij weigert de schuim van het optimisme en gaat voor een holistisch realisme, onze plaats in het grote geheel. Het idee dat men zijn borstkanker kan weglachen is vals, en staat tegenover het besef dat die borstkanker kadert in een breder verhaal van o.m. een falende milieuzorg, de economisch pletwals en het gebrek aan langetermijndenken.

Gezond conservatisme

Vrouwen blijken dus veel miHestiander last te hebben van die tulpenbollenstress, ook al ondergaan ze natuurlijk net zo goed de consumptiemaatschappij. Men voelt hier de tegenstelling tussen het mannelijke en het vrouwelijke universum: het woord “economie” komt van dat Griekse woord “oikos”, maar het is gekaapt, het is een nomos geworden, een wetenschap. Dus moet Hestia misschien wel op haar rechtmatige plek gerestaureerd worden. En uiteraard niet kosmetisch, op de manier zoals Christine Lagarde de IMF-club mag voorzitten, als een soort masquotte.

Barbara Ehrenreich pleit eigenlijk, als progressief-linkse publiciste, voor een gezond conservatisme, dat de curven van de waan opnieuw vervangt door de natuurlijke cycli, de echte seizoenen dus, niet de spookseizoenen van Kondratieff, en door de wetten van het gezond verstand.

Deze wetten vertellen ons bijvoorbeeld dat men in tijden van voorspoed moet sparen en in crisistijden elke cent drie keer moet omdraaien. Zuinigheid dus. De knip op de beurs. Precies het tegendeel van wat de economen ons aanbevelen. De zorgzaamheid van moeder-de-vrouw Hestia is niet interessant voor de consumptiemaatschappij en dus ook niet voor de beurs. Aan haar verdienen de beleggersfondsen niets. Ze kan de schaarste beheren, ze maakt geen schulden en laat het geld niet rollen, ook niet als ze het heeft. Ze kweekt zelf groenten in haar tuin, heeft geen VISA-kaart en stelt een weekmenu op waardoor de impulsaankopen tot een minimum wordt beperkt.

In 1668, dertig jaar na de tulpenbubbel, levert de Franse toneelschrijver Jean-Baptiste Poquelin, beter bekend als Molière, zijn karikatuur af van dat vrouwelijk voorzorgsprincipe en de zuinigheid, in de figuur van L’avare (“De vrek”). Mensen die het geld op hun spaarboekje laten staan zijn gierigaards die het spel niet willen meespelen. Ze kijken de kat uit de boom, blijven in hun eigen oikos en verzaken dé economie waaraan ze hun (toekomstige) rijkdom te danken hebben. Aan de schandpaal ermee.

Daarmee was de wereld klaar voor een nieuwe bubbel en voor de eerste industriële revolutie. Weg met de vrekken, laat het geld rollen. Faites vos jeux, lach, speel, verlies, en herbegin. We weten tot op vandaag, en in het vooruitzicht van een nieuwe bankencrisis, waar deze euforie ons heen leidt. De recente Wall-Street-demonstraties tonen hoe diep de afkeer zit. Allemaal niet goed voor de economie, dat gejank.

Dank u, McDonalds

Over smaaktechnologie, kick-cultuur en kotsreflex

FatKids Enkele maanden geleden verscheen van de Amerikaanse onderzoeksjournalist Michael Moss het boek “Salt Sugar Fat, how the food giants hooked us”, een ontnuchterende analyse van de manier hoe de voedingsindustrie onze smaak manipuleert en tot overconsumptie aanzet. Kant-en-klaarmaaltijden, snacks, ontbijtgranen, fastfood, snoep en frisdranken leiden de dans.

Moss beschrijft het als een imperium van zout, suiker, vet – drie substanties die, in een juiste verhouding, leiden naar het blisspoint: de ideale kick. Het punt dat ons verslaafd maakt zonder dat we het beseffen. Het eten van een hamburger drijft ons naar het eten van een tweede, zonder dat we honger hebben, puur omdat de smaakversterker ons dwingt. Zout, suiker, vet: drie ingrediënten die bijna niks kosten en die de aandeelhouders van Coca-Cola, Nestlé, Kraft, Kellogg e.a. slapend rijk maken. Zelfs een hondendrol kunnen ze onweerstaanbaar oplekkeren.

Tegelijk afficheren al die producten zich via de verpakking ongegeneerd als heilzaam, calorie-arm, vezelrijk, enz.: de gezondheidsillusie is een wezenlijk deel van het product. De waarheid is dat wereldwijd obesitas en diabetes doodsoorzaken nr. 1 worden dankzij de gouden driehoek van de smaak.

De gelukskeuken van Jeroen

MeusEr zijn verschillende manieren om tegen dit fenomeen aan te kijken. Ik begin met de meest voor de hand liggende, de morele. Samen met het feit dat we enorme hoeveelheden voedsel wegwerpen, vormen de vleesproductie en de algemene overconsumptie dé redenen waarom wij deze planeet niet gevoed krijgen. De ruimte ontbreekt er gewoon voor. Enorme landbouwgebieden in de derde wereld worden voorbestemd tot monocultuur van gewassen (vooral soja), bestemd voor veevoeder in het rijke Noorden, waardoor teelt voor eigen, lokaal gebruik onmogelijk wordt.

De door de smaaktechnologie opgepepte overconsumptie leidt er op de duur toe dat de ene helft van de wereldbevolking de andere kannibaliseert. We hoeven geen racisten te zijn, we vreten bij elke barbecue gewoon de zwartjes en de bruintjes op. Maar kijk, via deze grande bouffe worden ook de veelvraten ziek en slibben hun hartvaten dicht. En zo zal er op het einde niemand meer overschieten: het beste wat deze planeet kan overkomen. Men zou het als een vorm van immanente rechtvaardigheid in de natuur kunnen zien: vermits de mens bovenaan de voedselpiramide staat en niets of niemand hem opeet, is het logisch dat hij zichzelf consumeert tot alles is opgeruimd. Dank u, McDonalds.

We consumeren niet om te leven, zelfs niet om te genieten, maar om blijvend geprikkeld te worden. Alles smaakt naar meer…

Toch is dat een abstracte ver-van-ons-bed-redenering. Het gezwelg gaat gewoon verder, de prikkels zijn overal. De voedselindustrie is namelijk maar een onderdeel van een veel meer omvangrijke genotseconomie gericht op de verleiding, de (over)consumptie en de verspilling. Kijk iemand als TV-kok Jeroen Meus eens bezig, die zijn naam leent aan een eigen kant-en-klaar-maaltijdenlijn. Ook hij is kwistig met de goudensmaak-driehoek en immer op zoek naar het blisspoint, het mmmmmm!!!-punt dat hoorbaar wordt als de man de lepel aan de mond brengt. Boter, zout, suiker, het kan niet op. Meus doet wat McDonalds doet: de ultieme verleider samenstellen.

Onder het Nietzscheaanse motto “Lust wil Ewigkeit” creëert de smakenbom het goed gevoel maar ook de permanente honger naar meer.  We consumeren niet om te leven, zelfs niet om te genieten, maar om blijvend geprikkeld te worden. Smaak produceert in de limiet verslaving, hetgeen essentieel is in een marktgedomineerde samenleving. Kinderen zijn gewoon verzot op die zoute frieten en gesuikerde hamburgers met eveneens gesuikerde ketchup. U toch ook?

De hersenfysiologie heeft overigens het mysterie van het genot al lang opgelost: het menselijk brein is constant op zoek naar prikkels die het welbevinden opwekken,- via de productie van het hormoon endorfine. Het is op die breinzone dat de voedselindustrie, en eigenlijk heel de consumptie-economie focust. Niets anders. Ooit maakten de filosofen een onderscheid tussen geluk (als iets diep, kwalitatief, duurzaam) en genot (als iets tijdelijk, oppervlakkig), maar dat is onhoudbaar. Fysiologisch gaat het om krek hetzelfde, namelijk goed gevoel, of het nu door een hamburger, een potje seks of door Mozartmuziek wordt opgewekt.

Wat Michael Moss aanklaagt i.v.m. de voedselindustrie is dus maar het topje van de ijsberg:  heel onze economie is gericht op de verleiding, de herhaling en de verslaving. Neveneffecten zijn onvermijdelijk: overprikkeld, vadsig en suikerziek stort de moderne mens in elkaar tot een, welja, geprepareerde bal gehakt. Dank u, McDonalds.

De moestuin van Michelle

moestuinNiet te verwonderen dat de vegetariërs, veganisten en groenteboeren de alarmklok luiden. En jazeker: het is goed dat kinderen terug de geur en smaak van bloemkool en spruitjes leren waarderen, en dat mensen met een tuintje hun eigen sperziebonen gaan verbouwen.  Of dat vrouwen komkommer en banaan leren waarderen om de eenzame uren mee door te komen. Maar is deze veggie-beweging sterk genoeg om de smaakbommenindustrie van Coca-Cola en Kellogg te weerstaan? Ik dacht het niet.

Vorig jaar publiceerde first lady Michelle Obama haar boek American grown, The story of the White House kitchen garden and gardens across America. Daarin breekt ze zowaar een lans voor het houden van een moestuin en gezond eten. Men ziet haar op de foto in haar eigen hofke, gehurkt tussen de tomaten en de peterselie, prediken tegen de vetzucht en de sucromanie. Maar Coca-Cola en McDonalds zijn niet onder de indruk: de groentjes in de tuin van het Witte Huis vormen geen bedreiging voor hun imperium. Integendeel, het geheel oogt meer als onderdeel van de presidentiële PR-machine die vooral met decorum bezig is: het loopt prima in Amerika, want Michelle kweekt spruitjes. Goed gevoel!

Het vegetarisme van de hogere middenklasse lost het probleem niet op, integendeel, het brengt McDonalds op nieuwe marketing-ideeën…

De moestuin van Michèle is het 21ste eeuws equivalent van het idyllisch boerendorp (Le Hameau de la Reine ) dat koningin Marie-Antoinette achter de tuin van Versailles liet optrekken om er te dartelen tussen koetjes en kalfjes, terwijl de echte boeren crepeerden. De waarheid is, dat de papperige onderklasse in de grote steden geen spruitjes zal kweken, om de simpele reden dat ze er de grond niet voor heeft, en omdat de reclame Michelle’s boodschap deskundig zal recupereren. Let vooral op het blaadje sla in de Big Mac!

Het vegetarisme van de hogere middenklasse lost het probleem niet op, integendeel, het brengt McDonalds op nieuwe marketing-ideeën. En het geeft bovendien een… goed gevoel aan die middenklasse. Elke poging om gezondheid te propageren, eindigt in een versterking van de ziekmakers. De onvoorstelbare lobby-budgetten zullen deskundig worden besteed,- kijk maar hoe goed de tabaksindustrie het blijft doen. Michael Moss mag dan wel de perversiteit van de voedingsindustrie aanklagen,- zij zullen probleemloos zijn kritiek gebruiken om hun product en zijn imago bij te stellen. Of ze geven hem misschien zelfs een vorstelijk betaalde job van communication manager. Dank u, McDonalds.

De woede van Anja

anjaZo komen we bij de architectuur van de hamburgerketen. De alomtegenwoordige kickcultuur zit verankerd in één groots Disney-landschap waar de attracties tegen elkaar opschreeuwen: we leven in een mondiaal pretpark. De genotzucht wordt permanent opgewekt door dat wat de filosoof Jean Baudrillard het simulacre noemt, een door de reclame gecreëerde illusie die een eigen realiteit gaat uitmaken. Alles is gespeeld en nagemaakt, er zijn alleen nog copieën zonder origineel. Niemand weet nog dat die hamburger ooit een stukje koe was, en dat is ook de bedoeling niet. Via de appetijtelijke blisspoints worden we steeds dieper in deze decor-werkelijkheid gezogen, struinen van de ene attractie naar de andere. Verdoofd en verblind, bewusteloos. Het beeld is alles geworden, met de artificiële smaak/geur als leidraad en conditioner. Dit vraagt om een beeldenstorm.

Tussen 1998 en 2000 stak dierenrechtenactiviste Anja Hermans met haar vriend een aantal Vlaamse hamburgertenten in de fik, overigens alleen met materiële schade, en om de redenen die hierboven aan bod kwamen: de vleesindustrie, de fastfoodcultuur, de zout/suiker/vet-terreur.  Elke afgebrande McDonalds stond er overigens na een week al terug in al zijn glorie, en identiek zoals voorheen, netjes volgens het handboek, als wou het grote Disneypark zijn onvergankelijkheid bewijzen. Niet zo Anja Hermans: ze kreeg de maximumstraf inclusief eenzame opsluiting, en psychiatrische internering er bovenop. Een vijftal zelfmoordpogingen uit die periode geven een idee waar het systeem toe in staat is.

Zuur en bitter, smaken die buiten de Gouden Driehoek vallen: daar ergens moeten we terug met de waarheid kunnen aanknopen…

Zelfs binnen links kreeg ze bijna geen steun, behalve bij een handvol punkers en junkies, terwijl men nochtans vanuit puur esthetische redenen al had kunnen zeggen dat die schreeuwlelijke bouwsels van plastic en karton een schande vormen voor de ruimtelijke ordening, en verdienen om in de fik gestoken te worden. Waar was toen de Vlaamse bouwmeester om haar te verdedigen?    Ook moreel-filosofisch zat ze, dacht ik, juist: als obesitas-producent McDonalds kinderen vergiftigt, én de ziekteverzekering enorm belast, wat is er dan mis met het elimineren van die gifmenger, al was het maar symbolisch?

Vandaag slijt Anja Hermans haar dagen als oudstrijdster van het Animal Liberation Front in een kinderboerderij, tussen de geiten, de schapen en de bloemkool. Een efficiënte psychiatrische behandeling heeft haar “genezen”. De vraag blijft of er een zinnige strategie kan ontwikkeld worden tegen het imperium van de leugen. Het activisme van Anja bleek een doodlopend spoor, de boeken van Michael Moss vormen maar een franje, de tuin van Michelle een vertederend hologram. Baudrillard raadt ons dan maar aan om de realiteit van het simulacre te omarmen: leef en beleef de illusie, laat je smaakpapillen strelen.

Ikzelf blijf geloven in het walggevoel, de galsmaak, de kotsreactie. Hoe lekker alles ook is, of juist daardoor: iets in onze ingewanden roept stop-en-eruit. Melancholie en anorexia houden verband met die walg: de grote weerzin, het willen ontgiften. Zuur en bitter horen niét bij de gouden smaakdriehoek, misschien daar mee beginnen.

Er moeten kotsschrijvers zijn, kotsfilosofen, kotsbewegingen, zelfs kotspartijen. Een lege maag die niets meer verdraagt: daar ergens moeten we terug met de waarheid kunnen aanknopen. Dank u, McDonalds.

De democratie is dood, leve de soevereiniteit

Pleidooi voor ontburgering

Ik heb het nu echt wel gehad: opnieuw gaat een Georgische gangster vrijuit wegens een “procedurefout”. De arme man had in België geen vast adres, kon niet op domicilie gedagvaard worden, en ontsnapt dus ook aan vervolging. Een paar dagen geleden haalden de advocaten van ene prins Henri de Croÿ-Solre, in eerste aanleg veroordeeld wegens miljoenenfraude, een gelijkaardige truc uit de kast: procedurefoutje, sorry mijnheer, gaat u maar. De gewilligheid waarmee het gerecht en de advocatuur solidair dit blind formalisme blijven toepassen, tegen elk gezond verstand in, bewijst dat we in een systeem leven dat zichzelf ondergraaft. De democratie is op sterven na dood, de vraag is wat dit maximaal kan opleveren voor u en ik.

Geen zoveelste politieke theorie, wel een oefening in utopisch denken.

Uitschrijven aub

Uit recent onderzoek bleek dat meer dan 20% van de kiesgerechtigden niet geldig deelnam aan de Bstembuselgische gemeenteraadsverkiezingen van 2012: blanco of ongeldig gestemd, biljet beschadigd, …maar het merendeel bleef gewoon thuis. Dat is eigenlijk een enorm percentage voor een land waar niet gaan stemmen strafbaar is. In landen waar die stemplicht niet bestaat, komt hooguit nog de helft opdagen. Ook al is het fenomeen het meest frappant in de grootsteden met sterke migrantenconcentraties (41% niet-stemmers in Brussel!), toch lijkt er meer aan de hand: de onderdaan is zich gewoon aan het uitschrijven.

Groot alarm in het politiek establishment, vooral gedreven door overlevingsdrang: hoe die dijkbreuk dichten? Eerder dan hier nog eens een “democratisch alternatief” tegen aan te gooien, genre de G-1000 van wereldverbeteraar David Van Reybrouck, of nog maar eens een politieke partij op te richten, is het zinvoller om de realiteit onder ogen te zien en het misschien zelfs als een positieve evolutie te appreciëren: de kieskudde dunt uit en wandelt weg in alle richtingen behalve die van het stemhokje.  Zelfs de zgn. foert- of protestpartijen hebben afgedaan, de polis wordt als sociale container gewoon niet meer aanvaard. Europa heeft dat proces nog versneld: in een panische reactie om de ontburgering tegen te gaan, greep men naar een nog grotere schaal die nog meer aversie opwekt. Rien ne va plus. Het mystieke begrip “burger” (letterlijk: diegene die geborgen is door de ommuurde stad) wordt vandaag hoe langer hoe meer een lege huls. Wie voelt zich nu nog burger, behalve de plakken gehakt tussen een broodje?

Macht en massa

Altijd een leuke verpozing om nog eens antropologisch te recapituleren. Waar komt dparlementie staat, zijnde een georganiseerde natie met een territorium, een wettenstelsel, een infrastructuur, een systeem van machtsuitoefening en een fiscaal systeem, vandaan?

De hypothese van de Amerikaanse antropoloog Robert Carneiro is nog altijd interessant en geloofwaardig: ooit werd de aarde bevolkt door oergemeenschappen, “clans” van maximaal 200 leden. Dat getal zit ingebakken in onze hersenen: het is de bovengrens van wat wij sociaal en communicatief aankunnen. Tot op vandaag zoeken we onbewust nog steeds soelaas in zo’n kleine groep van mensen die we min of meer kennen: de familie, de vereniging, de stamtafel, het facebookprofiel…

In ruil voor veiligheid en bescherming diende het individu zich uit te leveren aan een systeem waarvan hij de omvang niet meer overzag of de logica nauwelijks nog kon vatten…

Maar door toename van de bevolkingsdichtheid en de daarmee gepaard gaande clanoorlogen drong zich een schaalvergroting op: men sloot allianties en kwam tot gemeenschappen van 1000 à 10000 stuks. Het ontstaan van de landbouw, na de laatste ijstijd, heeft zeker ook een rol gespeeld. Vanuit de eerste grootsteden in Mesopotamië ontwikkelde zich een centraal en hiërarchisch bestuurd rijk, gebaseerd op onderdrukking en een geweldmonopolie van het gezag zelf. In ruil voor veiligheid en bescherming diende het individu zich uit te leveren aan een systeem waarvan hij de omvang niet meer overzag of de logica nauwelijks nog kon vatten. Religie (liefst monotheïstisch) en cultuur (liefst zo participatief mogelijk) moesten deze vervreemding enigszins verzachten.

Edoch, vanaf dat moment zitten we in een dynamiek van massa, macht, manipulatie, controle: de staat was geboren, met alle ziekteverschijnselen van dien, zoals massificatie, aliënatie, vereenzaming van het individu, en anderzijds corruptie en machtsmisbruik vanwege de oligarchen. Want die waren er van meet af aan, en ze zijn er gebleven tot op vandaag: een elite van bestuurders en hun mandarijnen die de polis beheren vanuit een persoonlijke agenda.

Het is vanuit dat inzicht dat we het actuele politieke spel en de zogenaamde democratie (“macht van het volk”) van vandaag moeten begrijpen: als theatrale constructies, waarbij het individu eigenlijk niets in de pap te brokken heeft, maar toch die illusie moet blijven koesteren dankzij verkiezingen, inspraaksessies, lezersbrieven naar kranten, blogs en andere vormen van bezigheidstherapie.

Soevereiniteit

In de 20ste eeuw was “participatie” het toverwoord: iedereen moest aan alles deelnemen, zich inschrijven in de wereldcultuur en de wereldmarkt. In de 21ste eeuw zal het aloudeBoeddha begrip soevereiniteit heruitgevonden worden: zoals ooit staten hun soevereiniteit opeisten, is het nu aan het individu om zichzelf te definiëren als een onafhankelijk wezen, een staatloze niet-burger die vervolgens zelf op zoek gaat naar vrijwillig aangegane nieuwe samenlevingsverbanden. Of niet. Het is een totale deconstructie, een fragmentarisering die, zelfs voorbij de 200-regel van Carneiro, het bestaansrecht van het individu as such boven alles stelt. Bepaalde meditatieve verdiepingstechnieken gaan in die richting. Vrijwillige de-nationalisering is het logisch gevolg. Ze bestaat al praktisch, bijvoorbeeld door het absenteïsme tijdens verkiezingen, maar ze zou ook kunnen bezegeld worden in een individuele soevereiniteitsverklaring. Een Acte van Verlating dus, een beetje zoals men zich laat ont-dopen uit de kerk.

Wie dit als enige doet, zal snel in de gevangenis of het gekkenhuis terecht komen. Tien stuks zullen als een staatsvijandige bende, honderd of duizend zullen als een sekte beschouwd worden,- ook daar weet het systeem raad mee. Maar een miljoen? En het ergste: die uitgeschrevenen verenigen zich niet in een nieuwe tegennatie of “gemeenschap” –vooral niet-, maar blijven zich een autonoom statuut toeëigenen van zelfredzaamheid. Uiteraard kunnen praktische aangelegenheden onder hen gezamenlijk geregeld worden: openbaar vervoer, energie, onderwijs, sociale zorg, infrastructuur,- maar deze post-civiele res publica  blijft voorwaardelijk en bindt niemand, zeker niet binnen een “collectieve identiteit”.

Zoals ooit staten hun soevereiniteit opeisten, is het nu aan het individu om zichzelf te definiëren als een onafhankelijk wezen, een staatloze niet-burger…

Niet alleen juridisch, maar ook cultureel en moreel wordt dit een absoluut breekpunt met de gevestigde codes. Vandaag wordt de statenloosheid voorgesteld als een fundamenteel gebrek, zelfs een mensonwaardige situatie.  Artikel A5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt dat “eenieder recht heeft op een nationaliteit”. Maar ook achter dit filantroop decreet gaat een stuk opportunisme en monopolistisch zelfbeschermingsgedrag schuil: de statenloze behoort tot geen natie, dus ook niet tot de Verenigde Naties, waardoor hij als een politieke anomalie op deze planeet zou vertoeven, niet-onderhevig aan enig wettenstelsel of machtsuitoefening. U bent dus VN-burger, of u dat wilt of niet. Uitschrijven, het blijft een hachelijke onderneming.

Het kan vreemd lijken dat, in een tijd waar sukkelaars op gammele bootjes Europa trachten binnen te geraken en een moord zouden plegen voor een Westers paspoort, de bezitters van zo’n paspoort het als een vodje papier zouden weggooien. Toch moeten we de zaak durven omkeren en futuristisch op zijn poten zetten: als er geen groepen of gemeenschappen meer zijn, zullen er ook geen massabewegingen meer plaats grijpen. Migratie is een haast epidemisch-viraal verschijnsel dat opduikt waar het individueel richtingsgevoel het heeft opgegeven, zoals het gedrum in een tunnel waarbij men elkaar verplettert.

Bunkerfase

De kieshokjes staan er zinloos bij, de macht vereenzaamt. Vandaag zitten we in de bunkerfase: door het leeglopcameraen van de burgerstaat ontpopt de macht zich in toenemende mate als een wereldwijd, totalitair, technologisch omspannen controlenetwerk van de 21ste eeuw, waarvan de camera’s allemaal met een centrale dispatch verbonden zijn, die het GSM- en internetverkeer “om veiligheidsredenen” afluistert, die via satelliettechnologie op elk moment weet waar iedereen zich bevindt, die via Facebook al uw interesses haarfijn catalogeert, die met drones het instantrecht laat geschieden, en die en passant via het bankenconsortium heel uw privé-boekhouding beheert. Vergeet de staatsmacht: het planetair, digitaal gestuurd directorium is in aantocht.

Maar hoe ver reikt de macht van deze Big Brother echt, als individuen geen populatie meer vormen, als er nauwelijks nog iets statistisch kan geëxtrapoleerd worden?  Hoe ver reikt een schrikbewind, als iedereen anders is, als niemand schrik heeft, en als er geen bewind kan worden gevoerd? Allicht wordt de bunker dan de ultieme speelkamer van Big Brother, die verbijsterd aankijkt tegen onderdanen die niets meer gemeen hebben, en zelfs de humane wetenschap perplex achterlaten.

Uiteindelijk zou de niet-burger een niet-mens kunnen worden, een vreemdsoortige alien waar de macht geen greep meer op heeft…

Dat brengt ons onvermijdelijk weer op het motief van de transhumaniteit: wezens die aan het mensdom ontsnappen hebben het (klein)burgerdom en de polis niet nodig. De toekomst is aan de hybriden. Denk aan de blade runner die ik in een vorige column ten tonele voerde: half mens, half sprinkhaan, is dit on-specimen het biologisch vehikel van de ontburgering. Dit leidt tot een fysieke en breinmatige mutatie waarbij we allen aliens worden, uitzonderingstoestanden. De anomalie wordt de regel. Tegen dit soort procedurefouten is geen enkel regime bestand.

Het is vandaag pure futurologie, maar ik denk echt dat het post-civiele, post-politieke universum finaal ook een niet-mens zal opleveren, Nietzscheanen mogen spreken van de Uebermensch. Een niet-medeburger en niet-soortgenoot die louter zichzelf is en zich niet wil vergelijken met de anderen, noch biologisch, noch sociaal. Dat elimineert alvast een hoop geduw en gekrakeel: naarmate het verschil groter wordt, neemt de competitie af. Als iedereen iets anders wil, is er geen schaarste en geen concurrentie. Dus hoeft ook het verkeer niet geregeld te worden.

Zo wordt, wat begon als een kiesstaking, toch weer metapolitieke science-fiction. Het kan ook niet anders, of dacht u dat het miljoen thuisblijvende luiaards, in slaap vallend voor hun TV-toestel, op zich een bedreiging zouden vormen voor om het even welk systeem.

Eros

Toch gaat dit niet over politiek erosof (tegen-)cultuur, of een of andere vorm van revolutie, of, godbetert, een postmoderne religie. Het finale, fascinerende perspectief van de totale ontburgering en individuatie is, dat het weerom plaats maakt voor een Platonisch universum waarin er maar één echte energie van tel is: de kracht die twee van elkaar gescheiden helften naar hereniging doet zoeken. Het is de uitzondering op de uitzondering: twee aliens waarvan de codes miraculeus in elkaar passen. Plato laat het kluchtschrijver Aristophanes vertellen in zijn Symposium, haast als een mop, maar het is de clou van heel het verhaal. Pas als iedereen totaal anders is, wordt overeenstemming (harmonie) een catastrofe, in de zin van een onvoorspelbaar, heerlijk accident, zoals het ontstaan van die kosmos zelf.

De politieke stelsels hebben de mens vervormd, en daarmee ook zijn seksuele potentie misleid en afgeleid. De geslachtloosheid van het socialisme en de polymorfe hyperseksualiteit van het kapitalisme zijn beide karikaturen.  De ene ontkent de drift, de andere exploiteert haar tot in het absurde. De ene breekt het individu onder de noemer “solidariteit”, de andere doet datzelfde individu exploderen tot een slaaf van zijn begeerte.

De Eros komt na de Polis. Zo achterlijk en reactionair Plato’s visie op de staat was, zo visionair was zijn filosofie van de eros. Het opbreken van heel de politieke zoölogie tot kosmos van soevereine bio-planeten, die onverwachts en catastrofaal elkaars baan kunnen kruisen, onttrekt de liefde aan het saaie verhaal van voortplanting, soortbehoud en kindergeld. Met deze Big Bang is meteen ook de uittocht naar het buitenaardse begonnen, zoals ooit het leven hier begon vanuit een ingeslagen meteoriet. Aliens zijn we geweest, aliens zullen we worden. Alles wat daartussen lag, was maar een middelmatig intermezzo.

It ’s the economy, stupid!

LippensHet stuk “Een kus van de juf en een bank vooruit” heeft behoorlijk wat los gemaakt in de Vlaamse culturele sector. De genante vertoning waarbij Wouter Hillaert namens het “cultuurkritische” tijdschrift Rekto:Verso de prijs van de Vlaamse gemeenschap in ontvangst mocht nemen, was voor mij een aanleiding om heel de relatie tussen cultuur en samenleving nog eens scherp te stellen. En daar hadden bepaalde insiders grote moeite mee.

Iedereen doet maar, doch ik heb het gewoon voor kunstenaars, schrijvers, intellectuelen die buiten de lijntjes kleuren. Hun kritische functie is onverbrekelijk verbonden met de positie van buitenstaander, de vreemdeling, tegenover het systeem dat toch steeds weer recupereert en naar het centrum zuigt. Prijzen zijn in dat opzicht echte booby-traps, doodknuffeloperaties. Ze prikkelen onze geluksklier en genezen ons van elke boosaardigheid. Te mijden dus. Overheidssubsidies zijn nog erger: ze maken van de intellectueel een ambtenaar, en integreren hem helemaal in een door de overheid beheerde cultuurindustrie, gericht op participatie.

Lap, daar hebben we het weeral, dat lelijke woord. Participeren, erbij horen, erbij moéten horen. Twee dagen geleden nog maar beviel onze cultuurminister Joke Schauvliege van de volgende gevleugelde volzinnen:

‘Cultuur, dames en heren, heeft een intrinsieke waarde, maar is ook een inspirerend bindmiddel in de samenleving in tijden van individualisering, globalisering en schaarste. Ik hoop dat ook verenigingen en vrijwilligers in 2030 nog altijd voldoende gewapend zijn om die bindende rol te spelen, zeker als het even wat minder gaat. Want cultuur draait om mensen, om engagement. Vandaar dat cultuur eens en voor altijd met urgentie benaderd moet worden en in 2030 bovenaan de agenda van de samenleving moet prijken, onder meer als verplicht onderdeel van het curriculum in hoger en universitair onderwijs. Want, zoals de Franse filosoof en schrijver Albert Camus zei, cultuur is een geschenk voor de toekomst. Heeft daar iemand bezwaar tegen?’    (24 sept 2013 , trefdag transitienetwerk cultuur – Trix Antwerpen)

Wachtmuziekjes

Dat magische maïzena-woorSysiphusd “bindmiddel”: terecht wijst boswachtster Lieve Watteeuw erop dat de minister hier cultuur helemaal herleidt tot iets dat mensen moet samenhouden, zeker in tijden van schaarste. Het volk zou maar eens kunnen gaan morren, geef ze een streepje Mozart en zet ze in de wachtrij (recent onderzoek wees uit dat het overgrote deel van de wachtmuziekjes bij een call-center van Mozarts hand zijn, omwille van hun verzachtende werking bij iemand die al tien minuten wanhopig aan de lijn hangt).

Dat uitgerekend de compromisloze rebel en existentialist-zum-Tode Albert Camus voor dit karretje wordt gespannen, maakt het allemaal nog wansmakelijker.      Over Camus gesproken. Als er iemand is die de hedendaagse bureaucratisering van kunst en cultuur zou afwijzen, dan is hij het wel. Tegenover de zinloosheid van het bestaan en de zelfmoordgedachte kan voor hem enkel maar de esthetische attitude van Don Juan gesteld worden, of eventueel zijn alter-ego, Don Quichotte. Beiden zijn Sisyphus-types, maniakale individuen die de steen steeds weer naar boven rollen omdat ze gewoon vinden dat ze dat moeten doen. Niet omdat ze er beter, rijker, bekender door worden.

Dat levert een antwoord op aan de slimmerds die me probeerden te counteren met de vraag: “Kunstenaars moeten toch ook leven?” Natuurlijk moeten ze leven. Maar dan als over-levers, ergens in de marge, als amateur, tuinman, elektricien, die stiekem in zijn vrije tijd afbreekt wat hij/zij in zijn werktijd heeft opgebouwd. Sysiphus? Penelope? Schrap het (on)gepaste.

Een onweerstaanbare drang: homo ludens

Veel algemener nog, ben ik ervan overtuigd dat we naar een maatschappij moeten evolueren wanmbsar werken en inkomen zoveel mogelijk moeten worden losgekoppeld. Iedereen moet kunnen leven, maar arbeid zou een passie moeten worden: in iedereen schuilt een kunstenaar, een verzamelaar, een maniak. Niets is zo vervelend als nietsdoen. De “kick” van het bezig zijn geeft meer voldoening, opwinding, dan enige financiële verloning.

Winstbejag ontstaat net door dat gemis aan suspens. We willen geld verdienen omdat we niét graag werken, als smartgeld omdat het gewoon oersaai, vervelend of afstompend is (een fenomeen, door Marx aliënatie genoemd, “vervreemding”).  Foute link. Financiële verloning, en zeker overloning, trekt graaizucht aan en verdringt mensen die iets uit gedrevenheid zouden doen,- vroeger: “idealisten” genoemd. Men heeft de mond vol van gedrevenheid en motivatie, maar de enige motivatie blijkt steeds weer het geld te zijn, of de status, niet de menselijke meerwaarde van het werk zelf.

Niets verveelt zo snel als het nietsdoen. De “kick” van het bezig-zijn geeft meer voldoening, opwinding, dan enige financiële verloning. 

De discussie is bijzonder actueel, nu de nieuwe baas van de NMBS, Jo Cornu, een echte poenschepper blijkt die naast zijn wedde van spoorbaas (290.000 euro per jaar) ook nog wil blijven bijklussen als bestuurder in allerlei vennootschappen ( à 232.000 euro per jaar). Wat heeft die Cornu, een cijfervretend vergaderbeest dat bedrijven alleen kent vanuit de balansen, nu met treinen? Niks dus. Ongetwijfeld neemt hij er zelf nooit een, hij is dus in de diepste zin van het woord “vervreemd” van zijn eigen product.

Ook Bpost-topman Johnny Thijs vindt een jaarsalaris van 290.000 euro te weinig. Hallo? Ik zou zeggen: heren, pakt uw valiezen. Misschien moeten we die ideale spoorbaas wel eerder gaan zoeken in de wereld van de homo ludens, de spelende mens, die met een stationschef-kepi gaat slapen. Diegene die als kind al bezeten was van treintjes: in de wereld van de modelbouw is er nog zin voor stiptheid.  Of bij een huismoeder van 32 kinderen die gewoon is om met ogen op haar rug 50 dingen tegelijk te doen, de lastigaards een klap om de oren geeft, zorgt dat de soep op tijd klaar is, en tegelijk de knip op de beurs houdt. Multitasking en managementkwaliteiten heet dat tegenwoordig.  We hebben een wereld van kunstenaars en amatrices nodig, duizendpoten en duivel-doet-al’s, zij die handelen uit een onweerstaanbare drang. Ik heb die spel- en lusteconomie al enigszins proberen te omschrijven in mijn ode aan de universele prostitutie, waar iedereen zichzelf geeft tegen de juiste prijs, onder het motto, jawel, van Albert Camus: “La vraie générosité envers l’avenir consiste à tout donner au présent’. Misschien hebben de speechschrijvers van minister Schauvliege daar wel de mosterd vandaan. Joke moest eens weten.

Postmodern communisme

Ahum, en dus nu de economische aap uit de mouw, mijnheer Sanctorum.  Hoeveel zou zo’n gepassioneerde klussedon_juanr mogen verdienen? Ik bedoel: iemand die echt voor zijn plezier werkt? Inderdaad: een loon waarvan men goed kan leven en nog iets opzij kan leggen. Zeggen we: 3000 euro, verkocht. Al wie meer wil, is met iets anders bezig, namelijk rijk worden, en dat is een perverse attitude, of misschien wel een soort verslaving die hopelijk te genezen valt.

Het verzamelen van rijkdom is, boven een bepaalde grens, volstrekt irrationeel. Karl Marx had het over de “oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal”, Siegmund Freud definieerde het als een anale fixatie, de behoefte om maar te blijven hoopjes leggen en ze opstapelen. Het pervers karakter van heel de banksector en het beurswezen is tekenend voor dat obsessieve kapitalisme. Er geldt geen overlevingslogica meer, zelfs niet de besognes van het goede leven, maar de wetmatigheid van de rijkdom die zichzelf wil vermeerderen. Het wordt een autonoom mechanisme, iets dat buiten ons staat en het commando overneemt. Om uiteindelijk heel onze inwendige mentale huishouding te sturen.

Kunnen we afgeraken van dat noodlot van de aliënatie, het werken met tegenzin en/of voor de poen, dan gaat er een totaal nieuw economisch model van de generositeit open, dat meteen ook heel onze cultuur- en onderwijswereld op zijn kop zet. Men studeert niet meer voor een lucratief diploma, maar uit passie. Beursgenoteerde kunstenaars als Delvoye en Fabre kunnen daarin niet meer gedijen: stuur ze wandelen, zoals Cornu en kornuiten. Een veeg van de meester en een bank achteruit.

Misschien is het idee van een basisinkomen dan wel een valabele piste die verder moet onderzocht worden: laat iedereen leven, en laat arbeid vooral een genotsmiddel zijn…

Alleen de echte liefhebbers overleven in een genotsuniversum waar het geld geen rol speelt en men alleen bezig is omdat men het niet laten kan, instinctmatig. Zoals Don Juan. Een genieter maar vooral ook een harde werker: probeer het maar eens, elke dag dat geloop, 1003 stuks genoteerd in Spanje.  Job en hobby worden één. Vrouwen versieren, een postbode die brievenbussen volstopt, of opera’s componeren: het is uiteindelijk toch allemaal een kwestie van goesting. Waarmee we dan de tragische figuur van Sisyphus definitief mogen dumpen, en gaan voor een meer hedonistische variant. De maniakale steenduwer wordt levenskunstenaar.

De koppeling van arbeidsethos aan lustprincipe maakt het onderscheid tussen “actieve” tijd en “vrije” tijd zinledig,- ook het thuiswerk kan bijdragen tot de vervaging van dat onderscheid.  Allerlei informele vormen van ruilhandel en wederdiensten ontstaan daarbij, wat de sociale cohesie vergroot. Tevens echter vormt ze een enorme impuls tot sociale herverdeling, vermits niemand nog voor zijn portemonnee werkt, en nog minder om rijkdom te verzamelen. Jobmigratie en carrièrewendingen zullen de regel zijn, lineaire loopbanen en vergrijzing-in-het-vak de uitzondering.

Misschien is het idee van een basisinkomen dan wel een valabele piste die verder moet onderzocht worden: laat iedereen leven, en laat arbeid puur een genotsmiddel zijn, een Spielerei, of op zijn minst een waardige bezigheidstherapie. Arbeidsesthetica wordt dé nieuwe wetenschap. Geef iedereen een aanvaardbaar leefloon en laat de gedreven klussers naar hartenlust bijverdienen in een zelfstandigenstatuut. De koopkracht zal er wel bij varen. Schaf heel het aalmoezensysteem van de sociale zekerheid dan af, samen uiteraard met alle subsidiestelsels en overheidspatronages.

Een soort postmodern communisme van het derde milllenium? Tja, Camus was wel echt een rooie rakker, maar dan geen van het doctrinaire soort. Een verzoening tussen de levensfilosofie van Nietzsche, het lustbeginsel van de Freudianen, en het socialisme van Marx,- het blijft de gouden driehoek waar wij, amateurdenkers, toch blijven naar zoeken.

Festina lente

dolcefarnienteGebroken armen en benen tijdens de skivakantie, lawaaierige of stinkende kamers, hotelbranden, verkrachtingen, voedselvergiftigingen, huidkankers door zonnebrand, diefstal, ontvoeringen, zopas nog een toeriste in Thailand  omgekomen: moeder, waarom reizen wij?    Antwoord: het is de onrust van de moderne mens die ons naar de horizon drijft, terwijl die horizon alleen maar opschuift. Compleet zinledig tijdverdrijf dus, dat reizen, op de loop voor onze eigen schaduw.

Die moderne mens, zowat opgestaan anno 1500, is ongeduldig, neurotisch, genotzuchtig en daardoor nooit voldaan. Het reizen is de rituele afspiegeling van die snelheidshysterie. We slokken de ruimte op, we malen kilometers, maar eigenlijk is het de ruimte die óns opslokt en de tijd die ons inhaalt.

Of men nu gaat voor het comfort of het avontuur, altijd is er de stress om op tijd te zijn, als eerste te ontdekken, de grootste kick te ervaren, het meest te kunnen opscheppen thuis. L’enfer, c’est les autres: nergens geldt het meer dan op vakantie. Het zoeken naar de andere plek (Foucault spreekt van “heterotopie”) ontaardt in een permanent gevecht om de beste plek.

Hilarisch was in dat opzicht de clandestien gefilmde territoriumoorlog rond het openluchtzwembad van een luxehotel (het satirische VRT-programma “Is ’t nog ver?”): mensen die alleen maar bezig zijn met het veroveren van het beste zitje rond dat zwembad, en daarvoor best hun nachtrust, zelfs heel hun vakantie willen opofferen.

 Pane e coperto

TroelaAnderzijds,- en dat is misschien onze redding,- biedt de vijandigheid van de plek ons eindelijk een uitvlucht om thuis te blijven: toeristen worden steeds meer als een opdringerig, barbaarse horde ervaren. In Brugge is er een burgerbeweging actief die de stad wil terugwinnen. De stad wordt als bezet gebied beschouwd, waarbinnen de autochtone bevolking een soort guerilla-tactiek toepast.

Allerlei krijgslisten doen zich voor in de verhouding tussen ‘bezetter’ en het ingenomen gebied. Zoveel mogelijk de toeristen afzetten bijvoorbeeld, de verkeerde weg wijzen, of zelfs vrouwelijke gasten verkrachten (recent in Indië).

In Venetië hebben alle inwoners doodeenvoudig de stad verlaten. U kan ze wel bezoeken, er duur en slecht eten, door de gondeliers afgetroggeld worden, maar Venetianen krijgt U niet te zien: die bestaan namelijk niet, de stad is een louter decor en consumptiepark, één grote hinderlaag voor Uw portefeuille. Romeinen zijn er in Rome nog wel, maar ze vermijden elk oogcontact met vreemdelingen en antwoorden niet als U de weg vraagt. Pane e coperto, en voor de rest lezen ze op straat de krant, of eten er het middagmaal, nadrukkelijk met de rug naar de toeristen gekeerd. Heel gewoon. Zij zijn namelijk thuis.

Carroussel

vuilHet toerisme is de triomf van de trivialiteit, met cultuur nota bene als glijmiddel, en het digitale fototoestel/camera als moordwapen. Recent gehypte steden zoals Barcelona en Lissabon weten wat het betekent om toeristische topattracties te worden. Elk jaar komt er een nieuwe ‘culturele hoofdstad van Europa’ op de kaart, waarna de overrompeling plaatsgrijpt en de stortplaatsen ontstaan.

Want het toerisme sleept een enorme vervuilingsgolf met zich mee: fysiek, mentaal, ecologisch, cultureel. Is dit enkel een stedelijk probleem? Allerminst. Op de weg naar de top van de Mount Everest –de heilige berg der Tibetanen- is er constant een kuisploeg in de weer om de rommel van de aanschuivende klimploegen op te ruimen. Dit is bandwerk, voor de toeristen én voor de gidsen.  English spoken, hier spricht man Deutsch. Snel worden talen geleerd, routes gemarkeerd en vuilnisbakken geplaatst. Overal verlagen de drempels, rolt het geld, en versmallen zich de ogen van inboorlingen tot loense spleten: wie het moderne consumptiekapitalisme wil begrijpen, moet de vakantie-industrie bestuderen. De Franse schandaalauteur Michel Houellebecq wijdde zijn roman ‘Platform’ (2001) aan dit fenomeen.

Uiteindelijk verdwijnt ook elk gevoel van ‘ergens anders’ te zijn, of het verlangen om in een andere rol te kruipen: we zijn overal en nergens thuis. Reizen als doodservaring. De snelheid van de wereldeconomie vernietigt alle ritmes, mentale tegenstellingen en emotionele spectra: alles gebeurt in de duizelingwekkende synchronie van de carrousel. De toerist is een metafoor voor de postmoderne consument die geconsumeerd wordt, de geëconomiseerde mens die leeft én geleefd wordt. Plekken zijn er niet om te rusten maar om uit te wisselen, door te geven, af te lossen, hypersnel, als in een goedkoop bordeel.

Eigenlijk gelooft sinds 2001 geen zinnig mens meer dat de wereldhandel alles en iedereen beter maakt, dat de planetaire communicatienetwerken mensen dichter bij brengen, of dat reizen ‘verrijkt’. Veeleer blijkt het om collectieve dwangneuroses te gaan waar we niet van af raken, hardnekkige tics of zelfsturende mechanismen die mentaal én fysisch vervuilend werken, en die alleen kunnen stopgezet worden met een soort shocktherapie.

Conclusie: blijf thuis, doe iets (on)zinnigs, laat u wegzakken, knuffel uw kind, wied de tuin, of… doe gewoonweg thuis wat het gros van ons op vakantie uiteindelijk maar wil doen: helemaal niets. Festina lente. Zopas nog het summum van kleinburgerlijkheid en/of geitenwollensokken-filosofie, maar nu prioriteit nr. 1:  het (her)ontdekken van traagheid, een half millenium na Columbus, maar ook na Gutenberg en Macchiavelli. Dat kan geen toeval zijn.

Johan Sanctorum

Lees het complete essay  “English spoken – Hier spricht man Deutsch”

Van heksenjacht tot pharma.be

De hetze tegen kruidengeneeskunde en homeopathie heeft een lange voorgeschiedenis.

Zoals bekend stelde het Federaal Kenniscentrum voor Gezondheidszorg (KCE) een rapport op, waarin het adviseert om homeopathie te schrappen uit de ziekteverzekering, omdat “niets bewijst dat het werkt”. Opmerkelijk genoeg raadt het centrum tegelijk aan om enkel artsen homeopathie te laten beoefenen. Hoezo? Werkt het dan ineens weer wel? Of gaat het om een usurpatie?

Dat “Kenniscentrum” is een opmerkelijk ding, een typisch Belgisch monster met acht koppen. Het lijkt meer op een door de overheid geïnstalleerd netwerkplatform waarin de administratie van het RIZIV, de universiteiten, de Orde der Geneesheren, de mutualiteiten, maar ook de farmaceutische industrie met elkaar palaberen en beleidsaansturende adviezen geven, zoals dat heet. Het curriculum van de bemanning is rijk en gevarieerd. In de raad van bestuur komen we o.m. Olivier de Stexhe tegen, een cabinetard van CDH-makelij maar ook jarenlang adviseur bij pharma.be, de lobby van de farmaceutische industrie in België.

Dat de kruidengeneeskunde een doorn in het oog is van deze bloeiende en winstgevende industrietak, is evident. Kruidendeskundigen maken hun mengsels zelf. Dikwijls gaat het nota bene over dezelfde kruiden en plantenextracten als in de klassieke farmacie, maar dingen die je in je tuin kweekt, daar heeft pharma.be natuurlijk niets aan.

De lobby werkt overigens ook succesvol op Europees niveau: vanaf 1 mei van dit jaar mogen geneeskrachtige kruiden niet meer verkocht worden zonder EU-label,- een criterium dat netjes op maat is gemaakt van de industriële bereidingswijze. De farma-lobby, aangevoerd door de sluwe zakenadvocaat Leo Neels, loopt dus niet alleen de deuren plat van de huisartsen die met een paar flessen wijn worden bedacht: ze is vandaag vooral actief op politiek niveau, via allerlei commissies, stuurgroepen en zogenaamd wetenschappelijke adviesorganen. Deze institutionele netwerking verloopt via een hele reeks omkoopbare tussenpersonen en topambtenaren, genre Olivier de Stexhe. Ze harkt vlijtig wetenschappelijke publicaties bij elkaar die de superioriteit van de klassieke farmaceutica ondersteunen. Op die tendentieuze manier is ook dat fameuze rapport van het KCE ontstaan.

Kan men dat onzindelijk lobbyisme nog begrijpen vanuit het standpunt van die sector zelf, dan zijn er blijkbaar toch nog nuttige idioten die helemaal vrijblijvend lippendienst bewijzen aan datzelfde pharma.be. Al jarenlang organiseert SKEPP (“Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale”) een soort heksenjacht tegen alle mogelijke alternatieve vormen van geneeskunde: kruidengeneeskunde, acupunctuur, osteopathie, homeopathie e.d. worden op één hoopje gegooid met astrologie, handlezen en meer van die amusante maar in se onschuldige hobby’s. Spilfiguur en voorzitter van SKEPP, Prof. Em. Dr. Willem Betz (ex-VUB) is zonder meer een fanaticus met een Paulussyndroom: ooit beoefende hij zelf de homeopathie, maar een soort goddelijke bliksemslag op weg naar Damascus deed hem de dwaling daarvan inzien. Sinds die bekering zal heel de wereld van de alternatieve geneeskunde het geweten hebben, en schiet hij  op alles wat daar beweegt. Van zo iemand straalt de bevooroordeeldheid zo af. SKEPP moet zelf als een sekte beschouwd worden, met een uitgesproken onverdraagzaamheid naar andersdenkenden toe.

Ten gronde ben ik ervan overtuigd dat iedereen zijn eigen geneeskunde moet zoeken. Hegemonieën en zelfverklaarde monopolies zijn nooit goed. Er bestaan niet één geneeskunde, al zouden de Orde en pharma.be natuurlijk willen van wel. Ik ben absoluut ongelovig, maar acht het bijvoorbeeld mogelijk dat zieken in Lourdes genezen, vanwege de religieuze affiniteit met die plek. Ik denk niet dat alle homeopathische middelen werken, maar dat doen de allopathische (dus klassieke) pillen ook niet altijd. Veelal beperken ze zich tot symptoombestrijding, leiden tot overmedicatie, of veroorzaken als pijnstillers dikwijls zelfs zware vormen van verslaving. De medische flaters zijn legio, ook in het universum van de witte schorten. Recent nog kwam aan het licht dat een twintigtal kankerpatiënten in het UZ van Gent met peperdure apparatuur verkeerd bestraald werden, waardoor een fatale tumor zich juist kon ontwikkelen.

De erfenis van Vesalius

De poging  van de farma-lobby om via het KCE de alternatieve geneeskunde de pas af te snijden, past in een commercieel geïnspireerde uitsluitingstrategie, maar is tegelijk een cultuurverschijnsel. Primair is dit namelijk de zoveelste episode in de eeuwenoude afrekening tussen een “mannelijke”, analytische, Cartesiaanse geneeskunde en de “vrouwelijke”, holistische benadering van het menselijk organisme. De mannelijke visie op het lichaam is doelgericht, bakent af, isoleert, maar doodt bij manier van spreken soms een mug met een kanonbal.

Invoeling is niet aan de orde. Het atelier van Vesalius, waarin die moderne geneeskunde geboren werd, sneed lijken open, maar deed ook aan vivisectie, zogezegd omdat dieren toch niets voelen. De anatomie leidt tot een sterke focus op het lichaam als mechanische entiteit, als machine, maar mist alle empathie en zin voor het geheel. De stukken blijven letterlijk liggen.

De vrouwelijke benadering is net andersom: niet inzoomend op een beperkte zone, maar het deel beschouwend vanuit het geheel. Vrouwen kunnen beter om met pijn, maar begrijpen tegelijk beter de pijn van de andere. Deze geneeskunde is kleinschalig en autonomistisch georganiseerd, en werkt vanuit de overlevering, meer dan vanuit institutionele onderwijsvormen en diploma’s. Dat laatste wordt vandaag tegen haar uitgespeeld: ze zou onprofessioneel zijn, ondeskundig en dus gevaarlijk voor de volksgezondheid.

Ik weet dat die sexuele connotaties betrekkelijk zijn en stereotiep lijken, maar ze hebben een geschiedenis en zelfs een antropologische achtergrond. Door de archaische combinatie van vruchtenplukster én moeder, staat de vrouw dichter bij de natuur, als iets dat leeft en gedijt, en waarvan de mens een onderdeel is. De kruidenkennis, het onderscheid tussen giftig en voedzaam of geneeskrachtig, de geheimen van dosering en het belang van de context,- het heeft zich ontwikkeld als vrouwelijke zorgcultuur, die in de late middeleeuwen in conflict kwam met de opkomende moderne geneeskunde. De beruchte heksenprocessen worden door bepaalde historici gezien als tekenen van een grote afrekening met die “vrouwelijke” concurrentie. Ook de vroedvrouwen moesten gediskwalificeerd worden: vandaag is een geboorte een uitermate klinisch gebeuren waar sowieso een dokter moet aan te pas komen, en als het even kan op een operatietafel met veel assisterend volk er rond. Iets normaals als een kind ter wereld brengen is een omslachtige operatie geworden. De natuur is vies, oncontroleerbaar, en moet zoveel mogelijk gesubstitueerd worden door industriële preparaten. De Zwitserse firma Nestlé is marktleider in melkpoeder die de moedermelk moet vervangen.

De oude mannelijke afgunst t.o.v. de barende vrouw leidde tot datgene wat we vandaag kennen als de machocultuur, zichtbaar in de disjunctieve rivaliteitslogica (of/of, nooit en/en), de prestatiesporten en het autoverkeer, naast alle mogelijke sublimaties van “scheppingsdrang”, fantasie, artistieke en wetenschappelijke productiviteit, de geniecultus, enz. Cultureel is het mannelijk kolonialisme in tal van “vrouwelijke” domeinen gepenetreerd,- dit woord gebruik ik bewust. Denken we maar aan de meesterkok, de keukenpiet van op TV die tegen de sterren op kokkerelt: vrouwen krijgen het kookboek cadeau voor Moederdag, terwijl ze zelf levende, ongeschreven kookboeken zijn. Idem dito voor de geneeskunde: het kruidenmengen zit als het ware in hun genen, maar Dr. Betz, pharma.be en de EU willen er niet meer van weten en geven de pillendraaiers het monopolie. Als troostprijs mogen meisjes natuurlijk wel geneeskunde studeren –er zijn de dag van vandaag zoveel vrouwelijke als mannelijke artsen-, zonder dat ze zich realiseren dat hun witte schort een uniform is, toebehorend aan een patriarchaat dat, ondanks alle positieve discriminatie, sterker is dan ooit.

Aristoteles, Vesalius en Descartes zetten de toon in dit verhaal. Ze blijven de maatschappelijke logica’s beheersen: agressief, expansionistisch, discriminerend, isolerend. Een moderne wetenschapper is een institutioneel ingekapselde vakidioot die zich een miniem stukje intellectueel territorium toeëigent. Het klinisch-analytisch denken gaat naadloos over in een gefractioneerd wereldbeeld met een globalistische waas over. Het wetenschappelijk-technologisch universum is niet in staat om het geheel te overzien, maar ontwikkelde wel een planetaire impact die fataal ontspoort.

Fukushima is er het voorlopig dieptepunt van.

De dakloosheid van Gaia

Ook dit jaar waren de protesten tegen de barbarij op het islamitische offerfeest miniem.

Milieubewustzijn en dierenwelzijn: het blijft iets oneigenlijks en marginaals in ons dagdagelijks universum. Interesseert het de doorsnee Vlaming niet dat een dier afziet? Toch wel, we hebben huisdieren, troetelbeesten, de hond mag nog eerder op de sofa dan oma, en vele oudjes sparen zich het eten uit de mond om de poes met Sheba-blikjes te verwennen. Er is anderzijds natuurlijk wel het algemene slachthuizennegationisme: we willen niet weten waar die kippenbout op ons bord vandaan komt. En wie het wel al gezien heeft, maakt veel kans om zich tot het vegetarisme te bekeren. Walgelijke praktijken, kalveren in kisten, legkippen die leven op de ruimte van een A4-velletje. De sensibilisering rond dierenwelzijn, als universele empathie en respect voor het leven, komt in elk geval niet op gang. En daarvoor mogen, vreemd genoeg, de Vlaamse Groenen met de vinger gewezen worden: in het huidige politieke landschap worden zij gepercipieerd als wereldvreemde Al Gore-adepten die voortdurend met het kijvend vingertje klaar staan, terwijl ze zelf meestal uit een sociaal-geprivilegieerde omgeving komen.  Echte bobo’s dus. Dat straalt negatief af op het ecologisch bewustwordingsproces (“klimaatverandering? Larie!”) en dus ook op de daaraan verwante thema’s zoals dierenwelzijn. Ik spreek met opzet niet over dierenrechten, want rechten worden aan mensen toegekend. Je leert kinderen om spinnen niét dood te trappen, niet omdat die beesten “rechten” hebben, maar gewoonweg omdat dieren ook pijn voelen, en er zoiets als een verbondenheid bestaat met alle levende wezens, buiten de utilitaire horizon van de vleeseter. Dat inzicht hebben we o.m. te danken aan de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832).

In het essay “Kreeft op zijn Japanees”, geschreven na een etentje bij de Japanner waar ze levende kreeften middendoor sneden en op een gloeiende plaat gooiden terwijl de beesten nog minuten lang kronkelden, tot groot plezier van de gasten, heb ik dat gebrek aan fundamenteel mede-lijden vastgesteld en antropologisch omkaderd. De vleeseter wil macht demonstreren en zijn heerschappij over de natuur ritueel bezegelen. Terwijl tal van grote sportlui nauwelijks vlees eten, fysiek hebben we het niet nodig. Maar goed, de Groene beweging, en zeker de partijpolitieke fractie ervan, is veeleer spelbreker dan katalysator geweest in dat bewustwordingsproces.  Het Agalev van Pater Versteylen, ontstaan in de laten jaren ’70 van vorige eeuw, was nog  een echte activistische formatie met een Christelijk-fundamentalistische inspiratie. Maar onder impuls van Mieke Vogels en Jos Geysels werd die spirituele dimensie afgedempt. De partij werd een strak geleide machine die weinig tendensrecht, laat staan dissidentie, gedoogde. De sympathiek-alternatieve, enigszins anarchistische anti-establishmentkantjes werden er afgevijld. Voor ideologische zijsprongen naar meer enthousiasmerende verhalen rond levenskwaliteit, gezondheid, onthaasting, harmonie met de natuur, collectief identiteitsbesef, was geen plaats meer: allemaal te veel buik en onderbuik.

“De sensibilisering rond dierenwelzijn, als universele empathie en respect voor het leven, komt in elk geval niet op gang. En daarvoor mogen we de Vlaamse Groenen met de vinger wijzen…”

Vooral Jos Geysels was en is een extreme ideeënagent, op het Stalinistische af. Hij is de bedenker van het cordon sanitaire, waarmee het politieke establishment zich van een lastige outsider probeerde te ontdoen,- een aanfluiting van elk elementair democratisch fatsoen. Hij was ook jarenlang voorzitter van boek.be, organisator van de Antwerpse Boekenbeurs waar bepaalde uitgeverijen van rechtse signatuur nog altijd geweerd worden. Waarom? Omdat ze incompatibel zijn met de kijk-op-de-wereld van Jos? Binnen het toenmalige Agalev was Geysels een fervent tegenstander van de zgn. basisdemocratie, veegde het cumulverbod aan zijn laars, en duwde hij er een strakke, verticale partijhiërarchie door. Opgeruimd staat netjes.

Geysels is de belichaming van een kil, bureaucratisch ecologisme dat zich vooral op de bovenbouw toelegt, de wetgeving, de regels, en niet op het Volksempfinden, zeg maar het gevoel van de dame met haar 19 katten. De partij hield zich voor de rest strikt aan de normen van de modieus-linkse political correctness, verdedigde bovendien een neo-Belgicistisch discours, kreeg het etiket van regelnevenpartij, en miste zo de Vlaamse grondstroom compleet. Groen! Is vandaag, met zijn schamele 7%, een echte establishmentpartij.

It ’s monotheism, you stupid

Gaia

Het is dan ook niet te verwonderen dat de relatie tussen politiek-groen en Gaia (Global Action in the Interest of Animals) op zijn zachtst gezegd nogal dubbelzinnig is. De Groenen lusten filosoof Michel Vandenbosch niet. Zijn visie is veel te radicaal en anti-establishment. Enkele jaren geleden kreeg hij een pak rammel van veehandelaars op de markt van Anderlecht, terwijl rijkswachters er lachend stonden op te kijken. De NMBS en de Brusselse Metro weigeren zijn (betaalde) affichecampagnes rond de productie van foie gras, omdat de beelden te choquerend zijn: het politieke establishment en de marketeers willen geen onrust rond dierenleed, zeker niet met Kerstmis.

Evenmin is hij voor het klassieke links-progressieve gat te vangen, het paarse gezemel dat we zo beu waren: in tegenstelling tot de Groenen zit er in zijn missie wél een buikgevoel. De naam van zijn organisatie verwijst namelijk ook naar de Griekse oermoeder Gaia, de aardegodin die eigenlijk veel ouder is dan de klassiek-Griekse mythologie, en die vrijwel in alle culturen onder allerlei benamingen voorkomt. Isis is het Egyptische equivalent. Vóór Mohammed in Mekka toesloeg was ze trouwens ook aanwezig om en rond de Ka’ba, en gedenatureerd en ontsexualiseerd komt ze zelfs terug in de Christelijke Maria-figuur. Zij is de vergoddelijking van alle empathische en natuurreligieuze waarden die we vandaag seculier vermommen als mensen- of dierenrechten.

In de jaren ’60 van vorige eeuw introduceerde ene James Lovelock  (en niet Lovecock, zoals hij door zijn critici spottend wordt genoemd) zelfs de Gaia-hypothese, een wetenschappelijk model dat de wisselwerking tussen alle elementen in de biosfeer en de aarde zelf als één groot vitaal-zelfregelend gebeuren beschouwt. In dat perspectief is de mens één deeltje van dat groot lichaam, dat vandaag de dag evenwel de neiging heeft om zich cancerogeen te gedragen, gericht op de vernietiging van het weefsel. We moeten dus terug landen, aarde worden. In wezen is deze Gaia-revival schatplichtig aan filosofen zoals Friedrich Nietzsche, wiens Zarathustra eveneens de ultieme bestemming van de mens in organische relatie met de aarde en het hier-en-nu zag (“Bleibt der Erde treu!”). Voor Lovelock, door de Flower Power beïnvloed, liep het eerder op een madeliefjesdans uit (Daisyworld),- een overigens correcte theorie die vaststelt dat lichtgekleurde madeliefjes vooral in de zomer voorkomen om meer zonnelicht en warmte terug te kaatsen, en de donkergekleurde in voor- en najaar om meer licht vast te houden. Zo zouden zij helpen om de atmosferische temperatuur te stabiliseren en de aarde tegen opwarming te behoeden: alles werkt met alles samen in één grote keten van het behoud. Immanente rechtvaardigheid, om het met André Léonard te zeggen…

“De Moslimexecutieve, die meer en meer de allures krijgt van een parallel overheidsorganisme, levert ook de slagers… die alleen maar enkele koranverzen hoeven van buiten te kennen. Er wordt dus nogal wat op los gekerfd door deze dilletanten.”

Dit aards-sacrale karakter van het ecologisme is voor de groenen een taboe, want de aarde ruikt voor hen naar stront,  carnaval, en het fascisme, en het zou maar eens de monotheïstische gevoeligheden van de geïnstitutionaliseerde godsdiensten (jodendom, christendom én islam) kunnen verstoren. Bovendien is Gaia in wezen een conservatief concept, gericht op behoud, evenwicht en zelfregulering, niet op expansie en maakbaarheid. Ook over dat monotheïsme in onze geïnstitutionaliseerd-bureaucratische brave new world heb ik al grote bomen opgezet. In wezen gaat het terug op de oertiran Mozes, die met de veelgoderij en de natuurreligie korte metten maakte, omdat het zijn politieke beheersingsstrategie in de weg stond. Vandaar de stenen tafelen, de oervorm van het politiek-correcte denken. Het brein van Jos Geysels is monotheïstisch, vertikaal en exclusief.  Mozaïsch zelfs. Het “offert” dingen en mensen op aan de Goede Zaak, het elimineert, verdringt, purifieert. Het ideologiseert en transcendeert, op zo’n manier dat de essentie van het leven zelf verloren gaat. In mijn ogen is het zelf een soort fascisme (men spreekt dan van “eco-fascisme”) al zal Jos daar niet mee akkoord gaan.

Het mag ons dus niet verwonderen dat groen-links geen kik gaf n.a.v. het jaarlijkse Offerfeest van de moslims, gisteren, 16 november: het multiculturele dogma is blijkbaar belangrijker dan het protest tegen deze barbarij, die overigens voor heel de groeiende halal-markt van toepassing is. Het gaat er nochtans bloederig aan toe. De keel van het onverdoofde schaap wordt overgesneden, waarna men het spartelende dier laat leegbloeden op de grond. De Moslimexecutieve, die meer en meer de allures krijgt van een parallel overheidsorganisme (dat in een later stadium ook de sharia mag toepassen?) levert ook de slagers… die alleen maar enkele koranverzen hoeven van buiten te kennen. Er wordt dus nogal wat op los gekerfd door deze dilletanten. De joodse lobby is trouwens achter de schermen actief om een verbod tegen het onverdoofd slachten tegen te houden, omdat zij net hetzelfde doen, zij het met minder poeha. De regels voor kosher en halal lijken als twee druppels op elkaar…

Het is de erfvijand van Groen, het Vlaams Belang, dat actie voert tegen de onverdoofde slachtingen, maar dan wel alleen als het over moslims gaat, want de barbarij bestaat ook in onze “Christelijke” slachthuizen. Ook de zgn. rechterzijde, waar zelfs de anti-abortus-beweging nog actief is in naam van het “respect voor het leven”, deelt in de onverschilligheid als het over andere levende wezens gaat. Terwijl nu juist dat heidens naturalisme, met een lichte matriarchale toets, gefundenes Fressen zou kunnen zijn voor een partij die zich rechts-conservatief opstelt.

Moeten we nu in sneltempo tempels oprichten voor Gaia of Isis? Neen, natuurlijk niet. Wel laat de ontkerstening van het Avondland een lacune, en hebben we nood aan nieuwe vormen van spiritualiteit en zingeving. Anders staan we binnen de kortste keren zelf schapen te kelen in naam van Allah.   Er is beslist zelfs een electorale markt voor een groen-rechtse gelukspartij, gefocust op levenskwaliteit, natuurlijk evenwicht en spiritualiteit, maar men gaat er achteloos aan voorbij. In Nederland bestaat er wel een Partij voor de Dieren (PvdD) onder leiding van de schone Marianne Louise Thieme, maar zo’n one-issue-partij doet geen recht aan de veel bredere Gaia-onderstroom. Een groot deel van de publieke afkeer tegen politici, techneuten, overgesubsidieerde cultuur, bureaucratie, platte commerce, volksverlakkerij allerhande, valt nochtans in die bedding: een zoektocht naar zuiverheid en autenticiteit, het helende, een rechtzetting van wat krom is, terug naar “the real thing”. Geert Wilders zit er iets dichter op, en wil dierenwelzijn in de grondwet opnemen, maar zijn roep naar meer autowegen en de opheffing van het rookverbod in de horeca is dan weer wansmakelijk.

Gaia blijft dus politiek dakloos en maatschappelijk eenzaam, en Vandenbosch krijgt alleen maar muilperen op zijn toch al scheve smoel. Misschien moet hij wat harder worden, militanter, semi-illegaal, meer Greenpeace. Daar ligt, ben ik zeker van, de toekomst van het nieuwe burgerverzet. Een Gaea met de deegrol dus, een Dulle Griet misschien zelfs. Daar hebben we zelfs meteen een oer-Vlaams ikoon, een vrouw met meer ballen dan Neleke op de schoorsteen.

Alleen woestijnvissen kunnen hier nog zwemmen

Over voetbal, biermonopolies, verboden minirokken en ontplofte boorplatforms

Een paar dagen geleden kon men in de krant lezen dat het in de gemeente Werchter tijdens de festivalperiode niet toegestaan is om in het openbaar naar het wereldkampioenschap voetbal te kijken. Jawel, het is geen grap: een inboorling die in zijn voortuin (dus strikt genomen zelfs nog op privé-terrein) samen met enkele Hollandse fans naar Nederland-Brazilië aan het kijken was, kreeg een proces-verbaal aan zijn been. Volgens CD&V-burgemeester Dirk Claes moet Werchter gedurende de tijd van het festival “helemaal aan de muziek gewijd zijn”. Pardon? Aan de muziek, of aan de business van evenementengigant Live Nation, waaraan organisator Herman Schueremans zijn florerend festival verkocht?

Wellicht is dit monopolie op vertier en amusement inderdaad het onderdeel van een deal tussen de organiserende instantie en de lokale overheid. Het doet denken aan de manier hoe de FIFA in Zuid-Afrika in een wijde perimeter rond de voetbalstadia absolute exclusiviteit heeft bedongen voor haar sponsors. Het WK kreeg het statuut van ‘speciaal evenement’, waardoor het onder de Merchandise Marks Act uit 2002 valt. Daar valt niet mee te lachen. Bier dat niet uit de vaten van AB Inbev vloeit (met dank aan bestuurder Jean-Luc Dehaene), is ten strengste verboden. Zelfs de uithangborden kilometers in het rond dienen overplakt als ze namen van concurrerende biermerken vermelden: de lokale brouwerijen zullen aan dit wereldkampioenschap alvast geen Rand verdienen. Elke ondernemer of zelfstandige die ook maar durft om zijn product te linken aan iets wat op een voetbal lijkt, krijgt een boete aan zijn been.  Het incident waarbij enkele Hollandse meiden met oranje jurkjes rondliepen, en hardhandig uit het stadion werden verwijderd (de kleur zou verwijzen naar het biermerk Bavaria!), geeft ons een idee welke proporties dit aanneemt: de FIFA en haar sponsors gedragen zich als een bezettingsmacht.

Het inpalmen van de publieke ruimte (in de zin van: “ruimte, eigen aan de gemeenschap”) door grote commerciële organisaties en event-producers, met de gulle medewerking van de overheid, is een fenomeen dat ons enigszins zou moeten verontrusten. Het gaat uiteraard niet alleen om het verbod op oranje rokjes en verplicht Jupiler of Budweiser drinken: dit heeft een symbolisch-politiek karakter van vrijheidsberoving en gijzeling. De vrijheid inzake beweging, kleding, gewoonten, enz. die wij inherent achten aan de publieke sfeer, is een rituele beleving van liberale grondwaarden, eigen aan de Europese culturele traditie. Zopas protesteerde VLD-politica Gwendolyn Rutten tegen fatsoenrakker Siegfried Bracke, die vond dat zijn partijgenote Kim Geybels zich te sexy kleedde volgens de senaatsnormen. Lulkoek natuurlijk. Van mij mag ze in bh en broekje komen, of nog minder. En haar leuze klopte als een bus: ‘Free your mind’, geen democratie zonder recht op zottigheid, geen vrijemeningsuiting zonder vrijheid van bierkeuze.

Bij wijze van symbolische manifestatie mag en moet ons heilig spreekrecht, de freedom of speech, dus ook benadrukt worden via ogenschijnlijk onnozele acties, zoals het dragen van een minirok in een deftige herenclub zoals de senaat, of het drinken van Duvel op een wei waar Inbev vindt dat je alleen Leffe mag drinken. Maar dat laatste wordt dus een probleem: de wei is verkocht. Waar wij met hand en tand, op het fetisjistische af, onze burgerlijke vrijheidsidealen verdedigen, staan we ze moeiteloos af als een drankengigant erom vraagt. De overheid, grondwettelijk gebonden aan die liberale principes, plooit en laat zich door de arrogante privé-business de wetten dicteren. Ook op straat.

De privatisering en monopolisering van de publieke ruimte is daarmee een feit. De politieke dictaturen zijn out. Niet zij leggen beslag op het openbare leven, maar de grote commerciële concerns die een verzwakt politiek systeem hun wil opleggen. Dat leidt uiteraard tot zeer libertaire, zelfs anarchistische denkpistes, diegenen die daar niet tegen kunnen mogen hier stoppen.

Het grootkapitalisme is helemaal niet “liberaal”, in de filosofische zin, maar integendeel monopolistisch, totalitair, en zelfs ronduit repressief, zoals van Werchter tot Johannesburg mag blijken. Er wordt veel geblaat over de hoofddoek en de boerka (en inderdaad schuilt er een totalitaire, achterlijke ideologie achter die kledingstukken), maar de confiscatie van de publieke ruimte door commerciële belangengroepen, daar kraait geen haan naar, ook Gwendolyn Rutten niet natuurlijk, die vanuit haar ideologie beslist de Inbev-parade toegenegen is.

Het conflict tussen klassiek liberalisme en monopoliekapitalisme wordt veel te weinig geanalyseerd. Allicht koesteren de liefhebbers van de vrijemarkteconomie een zekere gêne rond dit onderwerp. Toch schuilt er een niet te onderschatten maatschappelijke verschuiving achter. Het aloude feest, als sociaal verzoeningsritueel, wordt helemaal geabsorbeerd door een megalomane marketinglogica die eigenlijk alleen de aandeelhouders van de sponsor ten goede komt. De commercialisering van de massasport toont ons heel duidelijk die verschuiving. Om het wereldkampioenschap voetbal binnen te halen, doen nationale politici letterlijk hun broek af. Steden en gemeenten vrijen de organisatoren van de Ronde van Frankrijk op, dat het niet leuk meer is (“We moeten onze stad op de wereldkaart zetten!”). Achter deze evenementen draait een geoliede marketingmachine die exclusieve sponsors toelaat om de meest exuberante eisen te stellen naar de overheid, het publiek, de neringdoenden. Het is mijn groot bezwaar tegen dat soort sportieve massa-manifestaties: ze hebben de neiging om beslag te leggen op onze handel en wandel, op eten en drinken, op doen en laten, op alles eigenlijk. De Ronde van Vlaanderen is een prachtig volksevenement, maar ondertussen heeft de steenrijke Woestijnvisdirecteur Wouter Vandenhaute de Ronde opgekocht en schuimen zijn agenten alle plekken van het parcours af, om te zien of een of andere neringdoende geen graantje probeert mee te pikken. Alain Corneille en Marieke Van Ghyseghem kunnen er met hun “VIP-tent” van meespreken: afdokken alstublieft, of opkrassen

 Laat ze begaan,en alles eindigt in zwarte blubber

Het bekende adagium van Pierre-Jospeh Proudhon, “La propriété c’est le vol”, lijkt in de postmoderne globalisering een nieuwe betekenis te hebben gekregen: het grootkapitaal eigent zich, in de hoedanigheid van “sponsor”, de stad, de openbare plekken, de publieke netwerken, de evenementen, schaamteloos toe. Dit is gelegitimeerde diefstal. Uiteraard werkt de totale privatisering van openbare diensten, volgens de beruchte Europese Bolkenstein-richtlijn, dat proces in de hand. In België heeft de “liberalisering” van bv. de energiemarkt alleen maar het quasi-monopolie van Electrabel versterkt, een tak van de Franse groep GDF Suez die met de Belgische overheid zowat doet wat ze wil. Onze electriciteitstarieven zijn dan ook zowat de duurste van Europa, idem dito voor de telecomsector.

Vreemd genoeg implodeert, samen met de publieke ruimte en het publieke management (de overheid dus), ook de privésfeer. Wellicht heeft het ene met het andere te maken. Het TV-voyeurisme is groter dan ooit, we gooien alles te grabbel op Facebook en de zgn. “sociale netwerken”, intimiteit is geen enkel criterium meer. Dit gaat niet meer over Big Brother, niemand verplicht ons tot die indiscreties, we doen het spontaan en met overgave. Men zou dus kunnen vermoeden dat mensen, door de aftakeling van de publieke sfeer en de usurpatie door de grote commerciële concerns, ook het besef verliezen van eigenheid, onderscheid en intimiteit. Deze dubbele degradatie is een van meest essentiële psychologische gevolgen van de globalisering en de zgn. “liberalisering”. De totale openheid kraakt elke identiteit.

Liberalisering en monopolievorming lijken twee kanten van één medaille.  De ontdekkingsreizen en de wereldwijde usurpatie door Europa van de natuurlijke rijkdommen en grondstoffen, vanaf de 15de eeuw, tonen op planetaire schaal hoe het toeëigeningsmechanisme werkt. De verloedering van het Afrikaanse continent heeft daarmee te maken, niets anders. Dit is uiteraard het verhaal van het (neo-)kolonialisme, Leopold II en zijn privé-bedrijfjes, de moord op Patrice Lumumba met de actieve medewerking van de CIA, de Belgische Haute Finance (die vreesde voor onteigening), en het Koninklijk Hof. Wat we vandaag meemaken in Congo, de verkrachtingen en plunderingen, het rechthouden van het schandalige Kabila-regime, is allemaal terug te brengen tot de plutocratie van enkele grote spelers op de mondiale grondstoffenmarkt. De politici dansen naar hun pijpen. Een tweede Lumumba is er nooit meer gekomen: opgeruimd staat netjes.

 Op de achtergrond en diep onder de waterlijn speelt zich momenteel dan nog het ergste af, namelijk een spuitende oliebron die nu al heel de Golf van Mexico vervuilt en wellicht grote delen van de Atlantische kusten zal teisteren. Oorzaak: een multinational die van de VS een concessie kreeg om olie uit de zeebodem op te boren, zonder de technologie te bezitten om een ramp als deze afdoende te bemeesteren. Tenzij het ook hier een kwestie van cost saving is natuurlijk. Van hoog tot laag, van Obama tot die brave Werchterse burgemeester, bemerkt men een manifest gebrek aan politiek leiderschap en een knieval voor de wetten van de big bussiness.

Het grenzeloze cynisme van BP-topman Tony Hayward is kenmerkend voor de manier hoe het grootkapitaal heel onze planeet naar de haaien helpt. De smurrie zal blijven spuiten: het lijkt meer een boekhoudkundig dan een ecologisch probleem. Naar verluidt worden Vlaamse technici, die een plan voor een oplossing zouden op zak hebben, door de VS en BP uit het gebied geweerd. Ik hoop dat de enthousiaste voorstanders van de vrijemarkteconomie en het postmoderne globalisme beseffen dat dit soort après-nous-le déluge-mentaliteit met vrijheid (van ondernemen) niets meer te maken heeft, integendeel: de “vrijheid” van Tony Hayward maakt de vrijheid kapot van allen die in aan de zuidkust van de V.S. leven van visvangst, toerisme, etc. Alles eindigt in zwarte blubber. Voor niets of niemand heeft dit graaierig pletwalskapitalisme respect. Niet voor de mens, als individu, als sociaal wezen, als soort, noch voor het leven, de aarde, de natuur. Alleen woestijnvissen kunnen hier nog zwemmen.

Dat grootindustrieel Jan De Clerck, onder het goedkeurend oog van het gemeentebestuur van Waasmunster, openbare wegen annexeert en in zijn domein inlijft, is een schandaal op zich, doch slechts peanuts in vergelijking met de wereldwijde toeeigeningsmechanismen die zich voltrekken zonder dat er een haan naar kraait. We verliezen de wereld, elke dag een beetje. De Sepp Blatters, de Wouter Vandenhautes, de Tony Haywards, de Mark Zuckerbergs,… bezetten deze planeet en we hebben er met onze stomme kop geen erg in. 

Ziezo, daarmee hebben we in deze dorstige tijden heel de actualiteit van de laatste weken op een hoopje geveegd. Het draait altijd rond dezelfde dingen. Conclusie van deze column:  meer minirokjes in het parlement, bier van alle merken overal beschikbaar, weg de topsport en zijn sponsors, feesten graag, maar zonder verplichte nummertjes, Kabila aan de galg, afschaffen van olieboringen onder zee, Hayward voor de rechters.

 Het klinkt hard en drastisch, maar vrijheid is een totaalbegrip en moet maximalistisch ingevuld worden, door zoveel mogelijk individuen. Vrijheid is totaal-distributief, of ze is niet, zo spreekt een rechtgeaarde libertariër. De aantasting van die vrijheidsmaxime door monopoolkapitalistische uitholling is de grootste bedreiging. Een hercollectivisering lijkt me dan ook de enige oplossing, zeker wat betreft publieke diensten, de openbare ruimte, de netwerken, verkeersinfrastructuur, maar zeker ook natuur, landschap en groene ruimte. Paradoxaal genoeg is die hercollectivisering de ultieme remedie om onze bewegingsvrijheid te waarborgen.

Er moet dus dringend uit andere vaatjes worden getapt. En jawel, met de herovering van de publieke sfeer zou ook de privésfeer, de coccon, opnieuw inhoud kunnen krijgen, en zou het mediatieke en digitale exhibitionisme, de manische drang om alles aan iedereen mee te delen en op het “net” te gooien, zijn glans kunnen verliezen. Een groot publiek debat dringt zich op rond deze kwesties. Buiten de grote media om natuurlijk, want die sponsoren lustig mee…

Johan Sanctorum

Heden geen mango’s uit Ivoorkust…

…want Ijsland gooit roet in het eten.

De verschrikkelijke “luchtvaartcrisis” die Europa teisterde en die de jetset even deed proeven van het daklozenbestaan, nadat een IJslandse vulkaan het gewaagd had om zijn ingewanden open te zetten, noopt tot enkele relativerende bemerkingen. De grappen (vooral van de thuisblijvers) waren niet van de lucht: eerst de rotbanken, nu de vuile rook,- uit IJsland komt alleen maar rommel. In het land van oorsprong zelf geen spoor van paniek: de nakomelingen van de Vikingers borstelden vrolijk fluitend de as van hun daken en gingen over tot de orde van de dag. Naar het schijnt levert het zelfs goede mest op.

Afgezien daarvan bood zo’n moment van algemene uithuizigheid ook bij ons grote mogelijkheden: dit is een historische gemiste kans. Zowat heel de Belgische politieke klasse bleek namelijk vast te zitten in een of andere luchthaven of hotel, duizenden kilometers van het vaderland verwijderd. Wat hield ons, thuisblijvend klootjesvolk, tegen om de republiek uit te roepen, en alle Belgen van goeden huize, heel het koninklijk hof inbegrepen, een eeuwige vakantie te gunnen in Châteauneuf-de-Grasse, Lanzarote, of hoe al die tweede verblijfsplaatsen ook mogen heten?

Dit om maar te zeggen dat ik als thuisblijver, filosoof, liefhebber van sterke verhalen en Wagnerfanaat, begon te houden van die aswolk. De damp-en-lava-brakende vulkaan met de onuitspreekbare naam Eyjafjallajökull heeft zo zijn eigen verhaal, ook al interesseert dat geen kat: hier is zowat duizend jaar geleden de Edda ontstaan, een complex van mythen en legendes, opgetekend in de oudste handschriften van het Germaanse taalgebied. Het behoort overigens tot de ironie van de geschiedenis dat het donkere IJsland en het zonnige Griekenland, de twee uitersten die onze Europese cultuur bepaald hebben, nu als de paria’s van Europa gelden. Wat ze aan traditie hebben opgeleverd zal ons worst wezen,- gore achterbuurten zijn het, die ons handen vol geld kosten.

Dat brengt ons op de eerste bedenking: de aandelen van de grote Europese luchtvaartmaatschappijen dalen, en daar staan ze al in de rij om overheidssteun. Hallo? Zijn wij niet allemaal voor een vrijemarkteconomie waar nu eenmaal winst of verlies wordt gemaakt, en waar risico’s worden genomen? Moet zo’n vliegtuigmaatschappij zich niet eerder zelf verzekeren tegen calamiteiten? De patroonsorganisaties hebben al laten weten dat de werknemers geen overmacht kunnen inroepen (en dus onbetaald verlof zullen moeten nemen), maar Giovanni Bisignani, woordvoerder van de luchtvaartkoepel IATA, schreeuwt moord en brand dat Europa niet snel genoeg met financiële steun over de brug komt.

Natuurlijk moest Europa iets doen: namelijk zorgen dat gestrande EU-burgers thuis geraakten, met extra ingelegde treinen bijvoorbeeld. Maar dat lukte niet: In Keulen stond de trein naar Brussel urenlang stil omdat er zich teveel reizigers (met een betaald ticket!) in de wagons bevonden. Chaos, wenende kinderen, Congolese toestanden. Elk land heeft dan maar zelf de repatriëring geregeld, waarbij de prijs voor de meest draconische maatregel ongetwijfeld gaat naar het Verenigd Koninkrijk dat een complete Armada uitstuurde om,- uiteraard,- alleen het eigen volk naar huis te brengen. Dit is Europa op zijn slechtst: een duizelingwekkende regelneverij en bedilzucht, maar geen daadkracht in noodsituaties; groot in woorden en holle gestes, maar geen solidaire, gecoördineerde inspanning kunnen opbrengen als het erop aankomt. Dat belooft, tegen dat er zich eens een échte ramp voordoet…

Want, met alle respect voor wie er wat ongemak door ondervond en een paar dagen extra vacantie moest nemen: dit zijn natuurlijk maar peanuts. Nulliteiten. Randfenomenen van een ondraaglijk-lichte frivoliteitscultuur. “Mango’s rotten in hun kist”, zo kopte De Standaard (20/4). Jezus, wat erg! Zij komen toevallig uit gebieden waar ook mensen in de wegberm liggen te rotten, maar dat is naast de kwestie. Met de bonen is het al even erg gesteld. Deze worden ons o.m. geleverd door Ethiopië, een land dat de hongersnood van 25 jaar geleden nooit te boven is gekomen en volledig afhankelijk is van buitenlandse voedselhulp. Hebben die boeren ginder niets beters te doen dan delicatessen voor die slijkvette Europeanen te telen? Welke multinationals regelen hier het verkeer? Geen Ethiopische boontjes dus op ons bord. Om nog maar te zwijgen van de Keniaanse sluimererwten of de asperges uit Thailand.

Enfin, dankzij die vulkaan kom je nog eens iets te weten: het zijn de vliegtuigen die het eten op ons bord brengen. Het verhaal van de Westvlaamse varkens, die in miserabele omstandigheden naar Italië versjeesd worden om als Parmahammen terug te keren, kende u wellicht al langer. Asperges uit Thailand dus. En ik die dacht –neen, zeker weet – dat de asperges uit ons eigen Waasland, de zandige streek rond Wachtebeke aan de Nederlandse grens, hun gelijke niet kennen qua smaak. Als die zogenaamde luchtvaartcrisis één positief effect kan hebben, afgezien van de tonnen CO2 die de lucht niét ingaan, dan is het wel het besef dat we strontverwend zijn, dat de kerosine nog veel te goedkoop is, en dat het citroengras uit Siberië (!) evengoed in onze achtertuin groeit. Alwaar het overigens goed toeven is, liefst in aangenaam gezelschap.

Asperges op zijn Vlaams

Zo kom ik tot de essentie van de IJslandse kwestie: een ledig luchtruim is niet alleen goed voor het milieu, het reinigt ook de geesten. Misschien kan dit ons weer met beide voeten op de grond brengen en het ideaalbeeld van de reizende kosmopoliet wat relativeren: fysieke mobiliteit wordt overgewaardeerd. De hyperkinesie van de homo mobilis, altijd onderweg en als het even kan in de lucht, heeft een soort waanbeeld gekweekt dat de thuisblijvers marginale sukkelaars zijn, mensen die hun wereld niet kennen en van het leven niet kunnen genieten. Wie niet beweegt, niet onderweg is, wordt als een dood voorwerp beschouwd. De reizende politicus, kunstenaar, wetenschapper, zakenman is de referentie, als hedendaagse uitgave van de succesrijke jager uit de oertijd. Europese uitwisselingsprogramma’s voor studenten, genre Erasmus, hebben misschien wel goede pedagogische bedoelingen, maar creëren ook fantasmes rond exotische beleving en ingebeelde meerwaarde van het elders-zijn. Het “buitenland” is het paradijs waar we onszelf realiseren, de transithal van de luchthaven de plek waar zich het  echte leven ontrolt (de filosoof Michel Foucault sprak van een “heterotopie”). Langzaam maar zeker verdunnen we tot het intermediaire bestaan van de moderne nomade, die vooral voor zichzelf op de vlucht is, schrik heeft van zijn eigen schaduw. De vacantiehysterie à la Jetair heeft die reiskoorts tenslotte gedemocratiseerd tot een massaneurose zonder weerga,- die een nog dieper liggend tekort moet camoufleren, namelijk het feit dat we ons over niks meer kunnen verheugen en altijd méér willen, iets anders, iets beters. Een ongedurigheid waar “de markt” uiteraard gretig op inspeelt.

Op het gevaar nu van geitewollen sokken te worden aangemeten, vind ik het dus een waar geschenk van de asbrakende vulkaan: het louterende inzicht dat thuisblijven ook leuk en verrijkend is. Het lijkt wel een maning uit het binnenste van de aarde, dat we niet altijd ergens anders moeten zijn om onszelf te worden. En dat we niet veel nodig hebben om te leven, te weten, te beleven, te genieten. Die Edda,- waren dat geen verhalen die rond het vuur, de haard werden verteld? En laat het woord “Edda”, bij de Germanen geassocieerd met de alwetende oermoeder (door Richard Wagner als Erda gepersonifieerd), nu toch wel verwant zijn zeker met Veda, de hindoe-term voor het (heilige) weten?

Zo komt alles toch nog terug op zijn plaats, maar niet zonder turbulenties en aardschokken. Laten we dit soort overgemediatiseerde godendeemsteringen dus maar aangrijpen als opportuniteiten, als momenten van bezinning. Meer crisissen hebben we nodig, meer vallende vliegtuigen, meer geschrapte uurroosters, meer rottende mango’s.

Het biedt ons de gelegenheid om ideeën en ideetjes eens terug op te diepen, die door het jachtige cultuurglobalisme en de wereldmarktlogica al bij de belachelijkheden geklasseerd waren, zoals daar zijn:

– Op kleine schaal duurzame energie winnen, los van grote, kwetsbare netwerken en dictatoriale monopolies.

-Korte ketens ontwikkelen tussen producent en verbruiker, investeren in een eigen industrieel hinterland, locale economieën promoten.

– De seizoengroenten herontdekken, ze misschien eens zelf proberen te kweken. De buurtwinkel (met of zonder mango’s) bezoeken en er een praatje slaan.

– Op vacantie gaan naar Zeeland in plaats van Lanzarote, of beter nog:

– De wereld exploreren vanuit een goed boek,  gaan eten bij vrienden (asperges op zijn Vlaams), ons meer verwonderen en minder druk maken, je partner of kind eens goed vastpakken, zomaar.

Het klinkt voor de wereldreiziger misschien kneuterig, maar het is wellicht zoals genezen van kanker: het leven herontdekken alsof het de eerste dag is, inbegrepen een grondige doorspoeling van alle futiliteiten en dingen die er wezenlijk niet toe doen.

Dank voor het stof, Eyjafjallajökull, dank. Hinab, Erda, hinab…

 Johan Sanctorum

Het is waar, want Thomas van Aquino heeft het gezegd.

Voor Bart De Wever is er met ons klimaat geen vuiltje aan de lucht

Het maatschappelijk conservatisme, keer op keer beleden door Bart De Wever, moet vele jonge NV-A-sympathisanten doen knarsetanden. Binnen en buiten de partij zie ik nochtans maar weinig verweer op het naar het status-quo neigende, soms zelfs ronduit nostalgische gemijmer van de voorzitter. Waarbij ik me steeds weer afvraag of zijn polemische welsprekendheid net geen dekmantel is voor een wereldvisie die tegen verandering is, althans verandering als menselijk project. Als politiek project dus.

Er was al het gedweep met die obscure filosoof Edmund Burke (1729-1797), apologeet van de monarchie en het toenmalige Ancien Régime, pleitbezorger van een door elites gedirigeerde staatsstructuur, en fervent tegenstander van een publiek zorgsysteem, het is maar dat u het weet. De Nederlandse stichting die zijn ideeën vandaag propageert, wordt gefinancierd door Amerikaanse industriële lobby’s, aangevoerd door Microsoft en Pfizer, zo onthulde de Groene Amsterdammer in 2005- dit geheel terzijde.

In een recente DeStandaard-column  (8/12/09) gaat De Wever nog een stapje verder, en schaart zich, n.a.v. de klimaattop in Kopenhagen, resoluut bij de klimaatsceptici,- die ook door het Amerikaanse bedrijfsleven overvloedig gesponsord worden, dit ook weer geheel terzijde. Volgens deze sceptici is er met ons klimaat helemaal niets aan de hand en mogen we rustig verder consumeren en vervuilen. Samen met de NVA-voorzitter vatten ze het ecologisme op als een achterlijk, crypto-religieus doemdenken, behept met een Armaggedon-complex, levendig gehouden door profeet Al Gore. We kennen deze karikaturen: ze zijn precies in het leven geroepen door machtige lobby’s, de olie- en auto-industrie vooraan, – lobby’s die onder het Bush-regime in Washington vrij spel hadden, de massamedia controleerden, politici omkochten, en met enorme budgetten leugenachtige beschadigingscampagnes financierden.

Bart De Wever verdenk ik er nochtans niet van, door Pfizer of Microsoft gefinancierd te zijn. Zijn geval is eigenlijk nog veel erger: de man gelooft echt dat politiek-maatschappelijk timmeren-aan-de-weg nergens toe leidt, en dat we hooguit op de winkel kunnen letten. Dat verklaart uiteraard de geestdrift waarmee de NVA zich in het Kris-Peeters-scenario liet inlijven: ze delen het status-quodenken. Voeg daarbij het misprijzen voor basisdemocratie en burgerinspraak (Lange Wapper), en je hebt de perfecte deeg voor een stijfburgerlijke regentencultuur, die wel op status en elitarisme is gesteld, maar het politiek project an sich minimalistisch opvat.

De politicus, zo gaat De Wever verder in zijn column, mag hoogstens “de tuin van de schepping onderhouden” maar in geen geval de inrichting van de tuin wijzigen. Deze rustieke metafoor verbergt een ontstellend defaitisme, en maakt eigenlijk een perfecte conjunctie met de rustig-vastige nietsdoenerij van Herman van Rompuy, alleen Europees president geworden omwille van die Belgische kwaliteit.

De ongemakkelijke waarheid luidt, dat conservatisme in de Belgische context pervers is. De chaos waarin België steeds meer afglijdt, vraagt wel degelijk om een revolutionaire tabula rasa-attitude, die men als “republikeins” kan omschrijven. Het woord waar Edmund Burke van gruwde. Evenmin deugt het conservatisme in een tijd dat grote mentaliteits- en attitudeveranderingen nodig zijn om een onomkeerbare milieukatastrofe af te wenden. Wat niet werkt, moet me niet behouden. De paradox ( en niet de enige) in de psyche van Bart De Wever is daarbij, dat hij ook een ecologische behoudsgezindheid, gebaseerd op respect voor leven en natuur, moet negeren. Het conservatisme in goede zin, namelijk gericht op duurzaamheid en het behouden van wat waardevol is, wordt zo helemaal de dieperik ingeduwd, ten voordele van een ronduit reactionair en ultraliberaal laissez-faire- en après nous le déluge-nihilisme.

Inderdaad, in wat voor een “kostbaar weefsel” leven we eigenlijk? Zonet gingen alle KBC-fraudeurs vrijuit dankzij een handig uitgebuite procedurefout. Is een systeem dat dit soort miskleunen produceert, het conserveren waard? De overtuiging dat een samenleving “organisch” is, en dus niet maakbaar, is het meest groteske excuus om niet te hoeven rebelleren. Jaja, ik weet het, het terreurregime Van Robespierre na de Franse revolutie, het is de eeuwige dooddoener. Dat er na Rousseau en Voltaire een Jacobijnse kliek aan de macht kwam die orde op zaken stelde en de klok terugdraaide, is iets waar wij, intellectuelen, moeten over nadenken. We zijn nog teveel met navelstaarderij bezig, en te weinig met de wereld rondom ons. We laten nog teveel begaan. Maar het mag ons niet beletten om Rousseau en Voltaire te lezen, en om een betere wereld na te streven.

Ondertussen houdt de NVA-voorzitter het liever bij kerkgeleerde Thomas van Aquino, grondlegger van de middeleeuwse scholastiek en een der ideologen van de kettervervolging. In de slotparagraaf van zijn column heet het dat we met onze handjes van “de schepping” moeten afblijven. Geen klimaattop dus, geen wetenschappelijk gelul over broeikaseffect en global warming, geen terugdringen van CO2. We hebben het wel zelf verknoeid, maar niets verplicht ons om iets te herstellen. Na een bezoek aan de biechtstoel kunnen we weer vrolijk verder rondtuffen in onze SUV’s. Blijvende collectieve menselijke verantwoordelijkheid is in die optiek niet aan de orde. Politiek dus eigenlijk ook niet, noch een globale bezorgdheid om de Res Publica.

Het Vlaamse kerktorencomplex heeft vele gezichten. Bijna-slimste mens Bart De Wever blijkt er een van te zijn.

Johan Sanctorum

8 maanden cel om een veiligheidsprobleem aan de kaak te stellen

anja_hermansMilieu-activiste Anja Hermans heeft vandaag, 2 maart 2009, van de rechter in Dendermonde een effectieve gevangenisstraf gekregen van acht maanden wegens het binnendringen van de terreinen van de kerncentrale van Doel. Ze wilde aantonen dat de veiligheid absoluut ontoereikend was. Electrabel was not amused en wist het van de rechter gedaan te krijgen dat ze zelfs niet meer in de buurt mag komen van de centrale. Daarbovenop dus een gevangenisstraf die je normaal met een beetje advocaat voor een gewapende hold-up krijgt, en 1100 Euro boete.

Onnodig te zeggen dat dit buiten alle proporties is, en dat dit een afrekening is van het establishment met een lastige stoorzender. Het betekent eens temeer dat de rechtstaat niks voorstelt, en dat het systeem, als het erop aankomt, alleen zijn eigen behoud nastreeft. Het moet ons politiek doen nadenken welke draden in deze kabelkast samenkomen: Het franco-Belgische grootkapitaal (Suez), het Belgische staatsraison, de nucleaire lobby, de magistratuur. Het is jouw energie!

Israël past nazi-praktijken toe in Gaza

gazaDe Israëlische bombardementen op Gaza van dit weekend richten een ware slachting aan en voeren het Palestijns-Israëlisch bezettingsconflict daarmee nog maar eens naar een nieuw bloedig dieptepunt.

Zo begint de tekst van het opiniestuk voor De Standaard en De Morgen, dat ik mee ondertekende. Het is een cynische realiteit dat de nakomelingen van de Holocaust-slachtoffers, die vanuit deze tragedie de oprichting van hun staat legitimeerden, nu zelf tot de genocide overgaan. Wat de propaganda ook moge beweren, deze bombardementen vormen het sluitstuk van een maandenlange, op de bevolking gerichte uithongeringsstrategie. Een grondoffensief zal de zaak netjes “endlösen”, nog net voor Bush het Witte Huis verlaat. Want de timing klopt natuurlijk perfect. Obama zou wel eens, ondanks de machtige joodse lobby, orde op zaken kunnen stellen, dus moet het snel gaan. Bovendien zijn het verkiezingen in Israël en loont het rollen met spierballen electoraal altijd. Tenslotte schijnt het zelfs dat in deze campagne een nieuw soort Israëlische raket te velde wordt uitgetest, en waar kan men dat beter doen dan op zo’n landstrook vol lastig volk.

Men mag ons 100 keer van antisemitisme beschuldigen, maar dit is obsceen.

De niet-aflatende culpabiliseringsstrategie van de Joodse lobby –m.n. het constant moord-en-brand schreeuwen over “antisemitisme”, telkens iemand de Israëlische annexatiepolitiek in vraag stelt- zou wel eens het effect van een self-fullfilling prophecy kunnen krijgen. Want eerlijk gezegd: het media-optreden van zionistische agenten à la Michel Freilich begint me de keel uit te hangen, ik krijg genoeg van die hypocrisie. Heel dat joodse lobby-gedoe roept zelf de onzindelijke gedachte op dat joden wereldwijd joden verdedigen, wat ze ook wereldwijd uitspoken. Dat dit niet zo is, bewijst het bestaan van de vredesbeweging Jewish Voice for Peace, maar ze worden weggelachen, gecensureerd, vervolgd.

Als Vlaamse republikeinen moeten wij de Israëlische agressie veroordelen. Zoals ik elders schreef dat wij, “zwarten”,  nog niet zolang geleden dezelfde status in België hadden als de Congolese negers, en onze negritude niet hoeven te ontkennen, zelfs met trots mogen claimen,- zo roept het lot van het Palestijnse volk associaties op met de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Akkoord, we worden niet platgewalst door tanks. Maar onrecht is onrecht, en het gaat mijn verstand te boven waarom bepaalde Vlaamse conservatieven, die het autonomisme gunstig gezind zijn, zich ideologisch linken aan de Israëlische volkerenmoord.

Het zijn misschien gewaagde vergelijkingen, ik geef ze voor wat ze waard zijn: Israël gaat verder met zijn kolonisatie van de Palestijnse gebieden, tegen alle VN-resoluties in; het franco-Belgische establishment blijft Vlaanderen als een wingewest beschouwen en lapt de grondwet aan haar laars (zie BHV); het Amerikaanse Bush-regime steunt Israël volop in deze onwettelijkheid; Europa geeft het francofone imperialisme alle ruggesteun (agressor speelt slachtofferrol). De Palestijnen hebben Hamas op democratische wijze verkozen, maar Israël vindt Hamas geen “democratische partij”; vul de vergelijking verder zelf in.

Ik heb dus getekend, en ja, ik zal straks aanwezig zijn op de protestbetoging in Brussel.

Ik wil daarbij duidelijk stellen dat het voor mij niet echt een aangenaam moment was, om in deze dramatische context front te vormen met Abu Djadja-aanhangers of islamo-fascisten (die bestaan natuurlijk ook) als Prof. Herman De Ley, die de sharia bij ons wil invoeren. Maar goed, af en toe moet men in dit leven zijn neus dichtknijpen.

Moge 2009 ons toch iets dichter brengen bij een billijke oplossing voor het Joods-Palestijns conflict, én bij het tot stand komen van de Vlaamse Republiek, gefundeerd op vrijheid, rechtvaardigheid en democratie.

Groet aan allen.

 

Johan Sanctorum – 31/12/08

Ter nagedachtenis van Sander

Op Sinterklaasdag, 6 december, is de 11-jarige Sander Victor uit Herent ten grave gedragen. Op weg naar school weggemaaid door een vrachtwagen, zo’n beerputreiniger van de firma Longin. “Een typisch dodehoekongeval”, luidde de conclusie van de experten, kous af.
Kous af? Ik weet niet wie er onder u kinderen heeft, maar ik word hier wel koud van. Dergelijke ongevallen zijn helemaal niet zeldzaam, ze gebeuren week-na-week.  Hoewel de dodehoekspiegel al sinds 2003 verplicht is (na jarenlang anti-lobbyen door transportvereniging Febeltra) wijzen statistieken helemaal niet op beterschap. Er schort dus iets aan de machocultuur van de truckers zelf, dat weten we allang: personenwagens zijn “voiturekes”, voetgangers en fietsers verwaarloosbare obstakels. De vlam in de pijp, en bollen maar. Een dodehoek-spiegel is prima, maar je moet er natuurlijk ook nog in kijken. Doen de stoere binken dat eigenlijk wel, terwijl ze zitten te GSM-en of naar het vrouwvolk te fluiten?
Zaakvoerder Longin betuigt zijn spijt, kwestie van de publicitaire schade te beperken, maar dat is wel wat gemakkelijk. En de bestuurder was naar ’t schijnt “in shock”,- wat hebben we daar nu aan? Deze sector is toe aan een drastische responsabilisering en mentaliteitswijziging. Welke politicus durft dit aan te pakken?

Of moeten we gewoon wegkijken en denken: it ’s the economy, stupid?

Johan Sanctorum – 6/12/08

Holy shit – Ligt de waarheid in de dunne schijt van God?

Een libertarische visie op olie, energie en milieu

Op het moment dat we dit neerpennen, wordt het Zuiden van Europa getroffen door een hittegolf. In Griekenland kunnen elektrclip_image007.jpgiciteitscentrales het massale verbruik van de airco’s niet meer aan: als de vraag een te verwachten piek bereikt van 10.000 megawatt, slaan alle stoppen door in het elektriciteitsnet. En vermits in Europa zowat alle landen hun netwerken met elkaar verbonden hebben, zal de enorme energiebehoefte van het zuiden ook onze stroomvoorziening ontregelen. Vraag die blijkbaar niemand zich stelt: als het ginder ‘s zomers zo bakt, waarom heeft dan niet iedereen allang een stel zonnepanelen op zijn dak staan, ruim voldoende om de vraatzuchtige airco’s en al de rest van het huishouden probleemloos van zelfgemaakte en propere stroom te voorzien? Of, op een nog veel grotere schaal: als Afrika kreunt onder een schuldenlast, o.m. door olie-invoer voor elektriciteitsproductie, waarom staat heel de Sahara dan al niet lang vol met fotovoltaïsche cellen waarmee een groot deel van het continent zijn energie gewoon van de zon kado krijgt en aan ons kan doorverkopen? In het Oostelijk deel van deze volstrekt onbewoonbare bakoven, nabij Soedan, worden records gemaakt tot 4300 uren zon per jaar,- dat is gemiddeld haast 12 uur per dag. Soedan, waar notabene de elektriciteit maar een paar uur per dag uit het stopcontact komt, en waar vrouwen in niet-stedelijke gebieden de hele dag op zoek zijn naar brandhout.
Hier klopt dus iets niet. De zon is gratis, de installaties kosten uiteraard geld. Toch lijkt er meer aan de hand te zijn dan een infrastructuurprobleem: een wereldpolitiek die drijft op olie- en uraniumhandel, is niet gediend met energie die mensen zomaar uit de lucht plukken. Dat maakt hen onafhankelijk en onmanipuleerbaar. Energie moet dus duur zijn en via grote circuits aangeleverd worden.Voor niets gaat de zon op, en dat is uiteraard marktbederf: de schaarste is een cruciaal argument in het energieverhaal, dat draait rond macht en controle over individuen en gemeenschappen. De stekker uittrekken, iemand moet er ooit mee beginnen…
 

Het artikel lezen                Openen in PDF

English spoken – Hier spricht man Deutsch

De achterkant van onze reiskoorts en het vacantiehedonisme

Wie Italië bezotroela.jpgekt, kan zich niet permitteren om Rome over te slaan. En wie Rome aandoet, zou een barbaar zijn als hij het Colosseum misloopt, de plek waar gevangenen voor de leeuwen werden gegooid: de liefde voor klassieke cultuur heeft haar morbide kantjes. Aan de overblijfselen van die antieke arena speelt zich bovendien elke zomer een merkwaardig schouwspel af,- en dat is de echte reden om de Eeuwige Stad op te zoeken: overdreven bruingeschminkte, als gladiator verklede inwoners stellen toeristen voor om op de foto te gaan, met de imposante ruïne als achtergrond. In sommige poses gaan ze zover, om bij de bezoeker in kwestie het (plastic) steekwapen in het lijf te priemen, als was die zo’n terdoodveroordeelde op het moment dat de duimen omlaag gaan. Merkwaardig genoeg zijn het meestal vrouwen die zich zo fotogewijs laten doorsteken. Symbool van het verlangen om door die gebruinde zuiderling gepenetreerd te worden, of… gaan wij allen op reis om te sterven? Is de plezierreis ook een boetetocht? Eén ding is zeker: achter haar rug wordt de Amerikaanse troela, die zich tot de sinistere fotosessie liet verleiden, stevig uitgelachen. Heel de charade rond het Colosseum is een van subtiele ironie doordrenkte beschimping van het leger blanke bleekscheten dat jaarlijks het Zuiden onder de voet loopt: de Romeinen haten toeristen.
 Meteen is ook de dubbelzinnige toon gezet van heel dit reis- en vacantieverhaal: het massatoerisme is een mengelmoes van Westers hedonisme, neokoloniale fantasieën, verdrongen schuldcomplexen en de daaraan verbonden zelfkastijding, restanten van een oude nomadische cultuur, sporen van vroegmiddeleeuwse volksverhuizingen, en natuurlijk de hopeloze zoektocht van de moderne mens naar zichzelf, die hij thuis heeft achtergelaten en dus elders niet vindt… tot hij thuiskomt en constateert dat hij zichzelf vergeten is. Hopeloos, maar niet ernstig.

Het artikel lezen                Openen in PDF