Categorie archief: – Kunst, cultuur, antikunst, tegencultuur

De tristesse van het schoonschrift

Omtrent boekenwijsheid, kalligrafie, cultuurpessimisme en technofobie

bibliotheekNu de herfst weer in het land is, het seizoen dat door een stel misantropen ooit is uitgeroepen tot de tijd van het boek en van het lezen, wil de ironie van het lot dat een grote Vlaamse uitgeverij de boeken sluit en het filiaal De Slegte in Brugge heel zijn voorraad in de container dumpt. Grote consternatie bij de bibliofielen, én uiteraard bij de broodschrijvers die dakloos dreigen te worden. Waarbij in één moeite heel de humane beschaving tot bedreigd erfgoed wordt uitgeroepen.

Nochtans is en blijft mijn slotsom na een diploma filosofie, een doctoraatsthesis en veertig jaar studie: schrijvers brengen ons geen millimeter verder, integendeel. Hun boeken staan in mijn bibliotheek, als zwijgende praalgraven, gewichtig maar stom, glorieus maar impertinent.

Het Franse warhoofd Jacques Derrida onthulde, wellicht ongewild, een tip van de sluier: schrijvers schrijven om zich schrijver te kunnen voelen. Elke tekst is “pretekst”, voorwendsel vanwege de auteur om zijn eigen bestaan een schijn van nuttigheid te geven. Waardoor hij andermans bestaan intellectueel tiranniseert en usurpeert. De scribent als vampier dus, terwijl de lezer, omgekeerd, in de waan is dat hij zich voedt aan de tekst.

 ‘Misère de la philosophie’

KantDe filosofen zijn met vlag en wimpel de ergste uitbuiters van dit misverstand. Niet alleen presenteren ze zich als ‘zingevers’ in een gevaarlijk, chaotisch universum, maar bovendien slagen ze erin om hun zware mentale handicap, die men vandaag als schizofrenie zou omschrijven, te veredelen tot theorie en wereldbeeld. De onmogelijkheid om zich ruimtelijk te oriënteren, zware apraxie, communicatie-armoede, en het zich opsluiten in de eigen wanen vormen de hoofdkenmerken van dit alibisme.

Ik roetsj even met mijn vingers over de ruggen van de boeken. Voor Plato was de wereld rondom hem maar een schijnwereld die men moest negeren: makkelijke smoes voor een sociopaat. Kant deed als Verlichtingsfilosoof elke dag klokslag vier zijn wandeling alsof de wereld stilstond, en mijmerde over het onkenbare Ding an Sich: zonder twijfel de nagel die hij niet in de muur geklopt kreeg. Kant had gewoon twee linkerhanden en een punthoofd. Had hij dat toch gewoon gezegd en er iemand bij geroepen.

Nietzsche zwierf het liefst rond in de baai van Rapallo, ver van alle werelds gewoel en de miserie in de fabriekswijken. Hij verklaarde de oorlog aan de metafysica, maar kon niet eens zijn eigen schoenveters dicht knopen. Zoals zijn Zarathustra kroop hij dan maar een (ingebeelde) berg op, om er rond 1900 af te tuimelen, compleet tureluut.

Voor de psychopaat René Descartes konden dieren dan weer geen pijn lijden omdat ze een soort mysterieus intellectueel orgaan, dat hij ‘cogito’ doopte, zouden missen. De geest was alles, de materie maar een franje. Hoe wereldvreemd kan men zijn: het cogito was de projectie van zijn eigen autistisch manco.

Het schrijven was om zeep, van zodra het om méér ging dan boodschappenlijstjes. Het denken is een ziekte geworden, van zodra er denkers opstonden.

Ik ga er vlug door, want anders wordt dit zelf weer een les filosofie. Hoe verschillend en tegenstrijdig deze denkers ook waren, ze hadden één talent gemeen: het vermogen om hun paranoia te sublimeren tot wijsheid.

Salomé Ze waren de hoofdfiguur in hun eigen geestelijk theater, en beschouwden zich als soevereine entelechieën, hoog zwevend boven de werktuiglijke realiteit. Niets deden ze met hun handen, behalve schrijven en masturberen, al de rest werd door hun huishoudster gedaan. Deze contactfobie was ook belangrijk om hun geestelijk functioneren te beveiligen en de waan niet te laten besmetten door wat zij zagen als de fysieke en werktuiglijke schemerwereld. Karl Marx benoemde het, naar aanleiding van zijn polemiek met Proudhon, in 1847 “Misère de la philosophie”: de ziekelijke neiging van de menselijke geest om zich te verheffen boven en tegen de materie, waardoor hij compleet verdwaalt in zijn eigen hersenschimmen. Wijsbegeerte, als begeerte om van de wijs te geraken: het is een volksgezegde, maar het is nog waar ook.

Plato was zonder twijfel de stamvader van dit metafysisch complex. In 1981 publiceerde neuropsychiater Karel Ringoet de opmerkelijke, maar nu weer vergeten essaybundel “Was Plato schizofreen?”. De titel alleen al was een provocatie. Zijn pleidooi voor de antipsychiatrie is eigenlijk vooral een benadering van de schriftuur, als spoor van een psychose. De filosoof leeft vanuit een breuk tussen geest en materie, subject en object, die eigenlijk nooit hersteld maar steeds weer “afgeschreven” moet worden, verklaard, ontvouwd, gerationaliseerd. Met het publiek als betalende aandeelhouder van deze afdroomfabriek.

Het schrijven was om zeep, van zodra het om méér ging dan boodschappenlijstjes. Het denken is een ziekte geworden, van zodra er denkers opstonden. Hun schrijven maakte de ziekte discreet, verborgen, verwetenschappelijkt, bibliofiel, maar uiteindelijk ook weer manifest, als breinkraker en bezorger van zware hoofdpijnen. In die zin kan men die boeken enkel lezen als documenten, zoals men schilderijen van psychotici gaat bekijken. Sporen van een trauma, die ons kunnen boeien zonder dat we ze zelf gaan mislezen tot verhaal, roman, of, godbetert, veralgemeenbaar wereldbeeld.

De laatste navolgers van Plato moeten dit durven onder ogen zien, en er de stoute conclusies uit trekken: de echte therapie kan niet via het schrijven gebeuren, maar net via het tegendeel, via het ont-schrijven. Zoals het lezen zich moet omkeren tot ont-lezen. Hoe kan dat concreet in zijn werk gaan? En wat wordt filosofie zonder denkers, eens ze erin slaagt om zich van die manuele tic, het schrijfcomplex genoemd, te ontdoen?

Moderniteit , technoforie, metamorfose

schrijfmachineHet antwoord ligt in de ons omringende instrumentele wereld zelf, het ding-an-sich dat Kant verbijsterde maar zich nu helemaal ontvouwt en ons omarmt.  Op de drempel van de 20ste eeuw komen we in een nieuw verhaal terecht, waardoor die klassieke subject/object-scheiding verdampt. Het is niet eens een historische omwenteling maar een antropologische shift die zich technologisch doorzet.

Terwijl de wetenschap zich volop bezint over de vraag of we een nieuw geologisch tijdperk, het antropoceen genaamd, zouden kunnen toevoegen aan de bestaande grondlagen, is het menstijdperk nu al zo goed als afgelopen. Mentaal heeft de menselijke soort opgehouden te bestaan, ergens rond het begin van de 20ste eeuw. In de plaats is er een posthumane, planetaire cultuur gekomen waarin de technologische vernieuwing, en uiteraard de vermarkting daar rond, heel ons doen en laten bepaalt en heel ons bewustzijn voedt. Twee wereldoorlogen hebben het proces versneld en het klassieke mensbeeld versplinterd.

De industriële revolutie heeft een posthumaan wezen gecreëerd, waar Plato en Kant geen flauw vermoeden van konden hebben. Waarom hen dan nog lezen?

robotHet is absurd om de moderniteit ook maar te vergelijken met enige ander historisch tijdvak. De metamorfose naar de over-mens of na-mens is niet éénmalig, maar systemisch, geautomatiseerd, waardoor elke poging om een “tijdvak” af te zonderen of een definitie van onze soort te geven, bij voorbaat zinloos is. Alles verandert constant en tegelijk. De uitvinding van de elektriciteit, de auto, de wasautomaat, de vibrator, en uiteindelijk het internet creëert een dier dat zijn werktuigen niet alleen bedient, maar er zich ook door laat meevoeren, letterlijk. De machine, door het menselijk brein uitgevonden, neemt bezit van ons lichaam, inclusief het brein, en bepaalt het bewustzijn, onze wil, onze doelmatigheid, het libido. Want we willen ook vervoerd worden, de overgave is totaal. Wie de ellenlange rijen voor de Apple-winkels ziet, de dag dat er een nieuwe versie van de Smartphone uitkomt, weet wat ik bedoel. Probeer het ook geen religie te noemen: elk transcendent beginsel is vreemd aan deze technoforie.

Het industriële (en nu post-industriële) materialisme, dat soms met catastrofale nevenverschijnselen à la Tsjernobyl en Fukushima gepaard gaat, verandert onze existentiële horizon grondig. Ze plaats de techniek als zingevend middelpunt van ons bestaan. We rijden niet met de auto, de auto rijdt met ons, we zijn de auto (‘Wir leben Auto’, slagzin van Opel). Veel meer nog geldt dit voor de pc en het internet, later de smartphone en de tablet.

Deze omwenteling verwijst alle filosofen naar de container. De industriële revolutie heeft een posthumaan wezen gecreëerd, waar Plato en Kant geen flauw vermoeden van konden hebben. Waarom hen dan nog lezen? Ze zijn compleet impertinent geworden, als predigitale fossielen. De mentale veranderingsprocessen zijn immers de enige constante in de internetcultuur. De ‘waarheid’ is mee opgenomen in deze spiraal van de permanente metamorfose, ze verandert elke milliseconde. Het begrip traditie heeft vandaag geen enkele betekenis meer. De overdracht gebeurt simultaan en horizontaal, in real time. U leest, u weet, u wist, u vergeet. Daarom is ook de rol van het onderwijs uitgespeeld en worden we allemaal min of meer cyber-autodidacten. We worden meegezogen in een spiraal van de mentale transformatie die niet door boeken maar door de digitaliteit wordt aangedreven. Best mogelijk dat deze technoforische cultuur ooit eindigt in een echte totale uitroeiing, of, ook een typisch SF-motief, een totale hegemonie van de machine op een gerobotiseerde planeet.

 Kalligrafie als rouwneurose 

handschriftIk omschrijf het nu cru en maximalistisch, om te verklaren waarom de weerstand zo groot is tegen dat techno-universum. Er zijn meer schrijvers dan ooit, er worden tonnen boeken per dag gedrukt, net omdat de metafyziekte zich niet zomaar gewonnen geeft. De technische overmens is een nachtmerrie voor de intellectueel, die wegvlucht in de bibliotheek. De dood van de homo sapiens is voor sommigen onder ons onverwerkbaar, dus wordt zijn gebalsemd lijk gecultiveerd in een logorree van leugens en legendes. De literatuur liegt en ontkent, maar met panache. De schriftuur is hyperbolisch geworden, ze wil iets bewijzen waarvan ze weet dat het niet waar is, maar waarmee ze niet kan leven.  Psychoanalytici spreken hier over “objectverlies”, een vorm van rouwneurose die op ontkenning gebaseerd is.

Maar vergis u niet: ook in de 21ste eeuw is de beheerste, deskundig verpakte waanzin een intellectuele macht op zich. De schizo-patiënten gedragen zich als elite en cultureel establishment, en het werkt nog ook. Het boek is hun ultiem object waarin alle ontkenning en rouwmelancholie vervat zit. Het boek treurt, liegt en verkoopt zichzelf als geneesmiddel, terwijl het naar de dood ruikt.

Ik schat dat zo’n 95% van wat wij als “Cultuur” (met hoofdletter) aanzien, zich opwerpt als een soort dam tegen het materialisme en de digitale euforie. Cultuur als bezinning, tegengif, eilandpositie, hang naar zuiverheid, zoektocht naar authenticiteit, terugkeer-naar.  Cultuur is in wezen daarom bijna altijd cultuurpessimistisch, hoewel ze dat dikwijls combineert met modernistische stijlfiguren en een modieus-linkse weldenkendheid. In de recente palavers over subsidies en bezuinigingen in de cultuursector was die ambiguïteit volop aanwezig: een latente nostalgie naar culturele Grandezza, maar anderzijds altijd “progressief”, belerend en humanistisch-moraliserend.

De literatuur cultiveert traagheid en rouwt om een verdwenen mens. De vraag is of wij ons door deze melancholie moeten laten besmetten.

De zieken doen zich voor als geneesheren en vormen een kaste die signeert op boekenbeurzen. Vooral juist de hedendaagse literatuur baadt in de nostalgie “à la recherche du temps perdu”. Het is alsof we iets verloren hebben dat we moeten terugvinden via de schriftuur en de lectuur. Een prachtig verkoopargument. Niet alleen het schrijven, maar vooral ook het lezen van boeken zou dan therapeutisch werken tegen de vluchtige, snelle, hypermaterialistische samenleving. Een weerspannigheid tegen het ont-mensen en de mutatie, angst voor de toekomst, depressie omwille van een voorbije wereld waarin de dingen lokaliseerbaar en benoembaar waren.

HertmansEens de lezer deze zwendel doorheeft, kan het ont-lezen beginnen. Lezen als publieke cultus van het schoonschrift: het klinkt aanlokkelijk, maar het is bij nader inzien een overgave aan een besmettelijke neurose. De literatuur cultiveert traagheid en rouwt om een verdwenen mens. De vraag is of wij in deze melancholie moeten meegaan. Lezen is rouwkost consumeren, maar de schrijver weet het te verpakken als humanistisch-filantrope verzetsdaad. Men noemt dit het “Stefan Hertmans-complex”: de culturo als onvermoeibare ridder van de goede smaak, bewaker van kwaliteit, leverancier van zingeving. Een latente technofobie is vrijwel altijd aanwezig. Droefgeestig scherpt de kalligraaf zijn potloden en bestijgt zijn postkoets.  Lees de interviews met schrijvers, en verbaas u over de trots waarmee ze beweren nog met een pen te schrijven, uit een soort protest tegen de banaliteit, de oppervlakkigheid van de consumptiemaatschappij, het techneutendom, en dies meer.

Uiteindelijk blijft de literatuur, net door haar nostalgisch-reactionaire aard, en ondanks het e-book, zweren bij de typografie, de minuskels en het bedrukt papier, als kon heel die massa boeken, al was het maar voor even, het doembeeld van de mutatie bezweren. De kalligrafie of de kunst van het schoonschrift is daarom synoniem van literatuur tout-court. De schrijver is een schoonschrijver of belletrist die zich Platonisch voortbeweegt als een nostalgisch orakel, aangedreven door een ressentiment tegen de domme, fantasieloze, hoekige wereld rondom hem.

De latente haat van de papierlobby tegen het internet is de hoeksteen van dat cultuurpessimisme. Het boek is reflexief, traag, deugdzaam, solide, engelachtig, ook al gaat het over seks en geweld. De cybersfeer daarentegen is slecht, verward, hyperkinetisch, vormeloos, diabolisch, het zit vol hackers, cybercriminelen en querulanten op schimmige fora. Achter het boek zit een schrijver-kalligraaf, achter de cybertekst zit een blogger (dikwijls onder pseudoniem), of minder nog, een twitteraar of facebookaccount,- in het ergste geval een pornograaf.

Ecriture automatique

computertaalIk kan dit pornogram niet afsluiten zonder de groeten te doen vanwege mijn tekstverwerker. Want al wie dacht, dat ik die teksten zelf schreef vanuit een soort immateriële “inspiratie”, moet ik teleurstellen: ik ben maar twee handen op het azertyklavier. Het is de pc die mijn teksten schrijft, en ze ook uitdenkt, als écriture automatique, en daarmee uit. Het ziet eruit als tekst, maar het is hogere machinetaal. Ich bin mein personal computer. Niet die ene, bepaalde computer,- want dat zou weer een bovenmateriële band suggereren met een fetisj-instrument zoals de violist met zijn viool, maar gewoon elke pc, en liefste het laatste model.

Dit zelfschrijvend, en op die manier ont-schrijvend procédé celebreert de nieuwe eenheid van materie en geest, een fusie die steeds weer werd uitgesteld door de filo-paranoici en de belletristen. Het huwelijk van de 17de eeuwse rekenmachine en de 18de eeuwse schrijfmachine bereidde deze fusie voor.  De informatica verlost ons finaal van de dwang om via het schrijven/lezen altijd opnieuw de breuk te moeten vaststellen tussen het Ik en het Andere. Er is geen breuk meer, geen schisma, geen schizo-tekst. Innerlijk en uiterlijk vallen samen, de wereld is één netwerk waarvan elk individu een knooppunt is en daaruit heel zijn bestaansreden put. Eens een tekst op het internet belandt, is hij werkelijk van niemand meer, hij behoort tot het netwerk. Niet te verbazen dat klassieke letterkundigen, maar ook hun uitgevers en de reguliere pers, enorme moeite hebben met het medium.

Zonder pc zou ik niet kunnen denken, en zonder toetsenbord zou mijn taal die van een zesjarige zijn.

Als publicist-blogger kan ik dan ook niet anders dan de lof zingen van de informatica-technologie. En dit zonder de minste ironie. Het internet, Facebook en Microsoft hebben mij gemaakt tot wie ik ben, ik durf daar gerust voor uitkomen. Zonder pc zou ik niet kunnen denken, en zonder toetsenbord zou mijn taal die van een zesjarige zijn. Mijn eigenlijke handschrift is trouwens onleesbaar, het manuele schrijven eindigde vroeger altijd in geklodder. Lezers moeten dit bedenken als ze veronderstellen dat ik min of meer autonoom functioneer als filosoof,- een woord dat quasi onbruikbaar is geworden omdat het herinneringen oproept aan het pre-digitaal tijdperk.

De schone letteren, de kalligrafie, de typografie en de boekdrukkunst zullen het nog wel een tijdje uitzingen. Er is altijd plaats voor wat nostalgie en werkelijkheidsvlucht. De steile opgang van de kookboeken echter, veruit bovenaan de bestsellerslijst, toont de echte vermolming van dit medium aan. Het begon in 1455 met bijbels, en het eindigt met kookboeken. Alles wat daar tussen zit, de roman én het essay, moet als vervreemding en hysterie beschouwd worden. Wanhopig verzet van Don Quichotte-achtige cultuurridders tegen de opkomende homo digitalis. Het internet en de informatica kwamen net op tijd, om ons van het boek te redden zonder opnieuw analfabeet te worden.

En nu ga ik bovenstaande tekst lezen, die mijn vingers (digits) zonet uit de pc haalden. Gezien u tot hier geraakt bent, loont het vast de moeite.

 

 

Advertenties

Lijdt de cultuursector aan verlatingsangst?

Nu zowat elke hond uit de cultuursector zijn beklag heeft gedaan over het terugschroeven van de subsidies (doorheen het woord “beenhouwersmes” drijft zelfs een nostalgie boven naar de zo verguisde Joke Schauvliege met haar kaasschaaf), wordt het tijd om de cultuurfilosofische beschouwingen te scheiden van het banale corporatisme. Want ja, natuurlijk sneuvelen er jobs en is het niet prettig om de programmaboekjes of catalogi zwart-wit te moeten drukken op goedkoop kringlooppapier in plaats van op vierkleurendruk/hoogglans. En zeker, de prijs van een theaterticket zal moeten opgetrokken worden. Om een of andere reden denk ik dat de doelgroep daar niet echt wakker van ligt.

SMAKEr wordt echter, zoals in de tijd van Schauvliege trouwens, ook aan chantage en omfloerste dreigretoriek gedaan. Vlaanderen zou met name, door het terugschroeven van de cultuurtoelagen, verzuren en ten prooi vallen aan de barbarij. Het heet dat kunst een onmisbare sociale functie heeft en mensen verbindt, en dat het opdrogen van de subsidiestroom, of zelfs maar een budgettaire krimp, heel het sociale weefsel zou teniet doen. Is dat wel zo? Slaat de verzuring toe als Ballets C de la B 7% moeten inleveren? Gaan de Vlamingen aan het boeken verbranden slaan als het literatuurcentrum Behoud de Begeerte het met 7% minder moet stellen?

Sta me toe dit soort Cassandravoorspellingen met de nodige korrels zout op te vatten. De werkzekerheid van acteurs is één zaak, de sociale functie van kunst een ander. Temeer omdat hedendaagse kunst helemaal niet “sociaal” is, maar eerder asociaal, hysterisch-choquant en Publiksbeschimpfend.

Vreemder nog is de waarschuwing van Ivo Van Hove, directeur van de Toneelgroep Amsterdam: “Zonder kunst verarmt een samenleving, die met haar rare en irrationele krachten vaak niet goed weet waar naartoe” ((DS, 26/9). Hola, dient kunst dan om rare kwasten van een bezigheidtherapie te voorzien, zodat ze geen erger onheil aanrichten? Dat is een vreemde pathologisering van de sector. In die optiek had men Adolf Hitler beslist moeten toelaten tot de Weense kunstacademie, dat had een wereldoorlog gescheeld. En hebben we ook veel te danken aan het Vlaamse toneelwezen, dat (de volgens een recent boek knotsgekke) Julien Schoenaerts deskundig opving en zijn ding liet doen zodat hij geen huizen plat brandde. Of is kunst toch gewoon een nuttige uitlaatklep voor al wie het voelt kriebelen? Dan zitten we toch wel gevaarlijk dicht bij de linkse hobby’s waar Geert Wilders het er over had.

Subsidieverslaving

Er zit dus nogal wat ruis op de pleidooien pro domo van de cultuurinstellingen . De kern van het probleem, namelijk hun financiële kwetsbaarheid, zit hem in de verambtelijking van de sector. Het feit dat ze zich als een “sector” gedraagt en in zekere zin de kwaal van elke bureaucratie vertoont, namelijk dat ze haar eigen bestaansreden is geworden. 99% van het budget is personeelskost, zo zegt Tom Bonte, directeur van de Beursschouwburg. Daarin zit zijn eigen wedde, die van het artistiek personeel, maar ook heel de technische staf en administratie. Bevlogen artiesten, maar daarnaast ook een hele hoop mensen die gewoon hun job van 9 tot 5 doen en aan hun pensioen denken. Het kunstencentrum is een klein ministerie geworden, met een eigen interne dynamiek, promotiestelsel, boekhoudkundige back-office, verwevenheid met de politieke administraties, en zelfs met een eigen privé-taal die voor iemand buiten de sector abrakadabra is. Probeer anders eens Courant te lezen, het driemaandelijks magazine van het Vlaams Theater Instituut. Als gevormd filosoof krijg ik na vijf minuten hoofdpijn.

Uiteindelijk gebeurt het fatale waar elke kunstenaar van gruwt: het staatsraison kruipt in zijn kleren, als een geur die niet meer af te wassen valt.

Het instituut primeert dus op de creativiteit. Het leeuwenaandeel van de middelen gaat naar kunstencentra, toneelhuizen, grote organisaties, en maar zelden naar creatievelingen zelf. Al deze instituten hebben mensen in dienst die politiek lobbyen en subsidiedossiers voorbereiden, want de slag om de centen is hard, en wat de ene niet krijgt gaat naar de andere.

Deze verambtelijking werkt als een sluipend gif en leidt tot de subsidieverslaving waar we vandaag tegen aan kijken. Heel typisch lijkt me het traject van Benjamin Verdonck, iemand die ik al geruime tijd volg. Ooit begon hij als straatperformer die met allerlei bizarre maskerades mensen op het verkeerde been zette. Hij flirtte met de grens van het legale en werd af en toe wel eens bekeurd door een overijverige agent. Waarschijnlijk heeft zijn vrouw hem gezegd dat hij toch beter eens een echte job moest zoeken, en dat gebeurde ook: vandaag staat Benjamin Verdonck op de loonlijst van het Antwerpse Toneelhuis. Tot zover de lastige luis in de pels van het systeem.

Establishmentcultuur

hobby'sMisschien zegt u “Ach, zolang de man zijn ding maar kan doen”. Neen, er is een verschil: een kunstenaar die ambtenaar wordt, verinnerlijkt een stuk van de ambtelijke logica en “draait mee” in een systeem waar hij eigenlijk biologisch gezien afstand van zou moeten nemen. De grote kunstencentra zuigen creativiteit op en dwingen haar in een boekhoudkundig stramien, weliswaar ferm gelardeerd met cultuurfilosofische toeters en bellen. Hun materialistische logica is in wezen dezelfde als die van de minister aan wie ze die logica verwijten. Een gesubsidieerd toneelgezelschap speelt theater niet vanuit dezelfde inspiratie als een gezelschap van vrijbuiters, dat is uiteindelijk mijn stelling. De overheid legt voorwaarden op, vormvereisten, rendabiliteitscriteria. Het gezelschap wordt een parastatale cultuurfabriek, gevolgd door een krans van gesubsidieerde tijdschriftjes, volgeschreven door mensen die tot hetzelfde bobomilieu behoren. Uiteindelijk gebeurt het fatale waar elke kunstenaar van gruwt: het staatsraison kruipt in zijn kleren, als een geur die niet meer af te wassen valt. Het feit dat de meesten van hen dat ook wel beseffen, zorgt voor een enorm ressentiment dat net bovenkomt wanneer er met de zogenaamde hakbijl gezwaaid wordt.

De sector lijdt dus aan verlatingsangst. Een gevoel van afhankelijkheid, dat weggerationaliseerd wordt met irrationele uitspraken, zoals die van de sociale functie van kunst, en haar status van behoeder van de democratie. Dat is natuurlijk onzin: mensen haten artistiekerige Kunst met hoofdletter. Ondervraag honderd voorbijgangers op straat wat ze van cultuur denken, en u zult antwoorden krijgen die sterk aan Geert Wilders doen denken. Ze associëren hoogcultuur met het establishment, en hebben niet eens ongelijk. Het hermetisme van het moderne theater lijkt als een monoloog van de macht zelf. Cultuur wordt door de modale burger politiek geduid, en terecht: kunst die leeft van de staat, is staatskunst, het is zo simpel als dat.

Het socio-culturele alibi

Maar ondertussen roert de sector zich en luidt ze de brandklok. De verontwaardiging is aandoenlijk. En zo ontstonden weerom de onvermijdelijke comités tegen de barbarisering van Vlaanderen, ook een periodiek verschijnsel. Het bekendste momenteel noemt zich “Hart boven Hard”, een domeinoverschrijdend burgerinitiatief dat mensen verenigt die zich zorgen maken over het geplande beleid van de Vlaamse en federale regering (…) en dat zich verzet zich tegen een al te economische kijk op onze samenleving en verdedigt gelijkheid, solidariteit en zuurstof voor mensen.”

Wie hier enige verwantschap bespeurt met initiatieven zoals “Niet in onze naam”, de feestelijke campagne van de cultuursector tegen rechts Vlaanderen, met een ladderzatte Arno in de glansrol, zit er niet ver naast. Daarmee wordt het subsidiedebat partijpolitiek gespeeld (de N-VA is uiteraard de grote boeman) en krijgen we de heruitgave van de cultuurstrijd tussen linkse bobo’s en rechtse Wilders-klonen. Jean-Pierre Rondas merkte in De Morgen terecht op dat deze “beweging” vooral een georchestreerde campagne is van de klassieke zuilen en hun satelieten, met name vooral de vakbonden en grote ziekenfondsen

Maar tegelijk duikt in deze geëxalteerde campagnetaal weer de drogreden op, die beweert dat cultuur en welzijn één materie vormen. Daartoe worden welbewust twee sectoren vermengd die in se van elkaar los staan: de eigenlijke kunstenwereld en de zogenaamde socio-culturele sector, waartoe het welzijnswerk, de jeugdhuizen, het verenigingsleven, etc. behoort.

De kunstensector vermomt zich en trekt mee op in deze processie, in de hoop om mee als “weefselreddende” actor te worden herkend. Dat is uiteraard perfide. De argumenten om jeugdwerking, onderwijs, verenigingsleven wél te blijven subsidiëren zijn veel sterker dan deze om kunst te blijven betoelagen. In die zin krijgt Sven Gatz de bevoegdheden jeugd en cultuur naar zich toegeschoven, als gold het één pakket,- terwijl, laat ons eerlijk zijn, de werkingstoelagen voor een lagere school veel meer bijdragen tot dat fameuze sociale weefsel en de volksopvoeding, dan subsidies aan de Brusselse Beursschouwburg, waar vooral de welbekende en altijd dezelfde Dansaert-Vlamingen elkaar rendez-vous geven.

Commedia dell’arte

CommediaTot slot: wat is het alternatief voor de gesubsidieerde “sectoriële” cultuur? Het antwoord is duidelijk: de sector moet zich uit zijn comfortzone loswrikken en cultuur opnieuw ontdekken als een systeem-onafhankelijk en zelfs tamelijk subversief schaduwbedrijf.

In een vlaag van helderziendheid formuleert cultuursocioloog Pascal Gielen in De Standaard het alternatief dat ik al jaren naar voor breng: de sector moet zich “ontsectoriseren”, en radicaal voor autonomie gaan: ‘Misschien moet de culturele sector eens nadenken hoe hij zich los van de overheid en de markt kan reorganiseren. Ik noem dat de exodus uit de samenleving. Je maakt je losser van de politieke en financiële systemen en probeert je autonomer te organiseren. (DS, 26/9/14).

Deze “exodus” (wat een dramatische term!) komt er gewoon op neer dat kunstenaars, maar ook schrijvers en intellectuelen, een nieuwe vorm van amateurisme ontdekken, overlevingsstrategieën waarbij de materiële kostwinning wordt losgekoppeld van de creatieve processen. Neem gewoon een job aan zoals iedereen, en ont-weef in de vrije tijd zoals Penelope. Op die manier wordt kunst ook terug “straatkunst”, Commedia dell’arte of misschien zelfs Arte Povera, zonder franjes en glanspapier, maar met een ijzersterke middelpuntvliedende impuls. De kunst van de existentiële verwondering, het vreemd zijn, het anders zijn, het vrijbuiterschap. Het pop-up-concert en de straatperformance worden de nieuwe modellen, de institutionele architectuur mag verdwijnen.

De grond van de zaak is, dat de overheid cultuur definitief uit handen geeft, en daarmee eigenlijk een belangrijke impuls geeft tot opwaardering van de democratie,

We vinden die parallelle cultuur vandaag ook terug op internet en de blogosfeer, spontane opwellingen van creativiteit die niet allemaal tot geniale producten of inzichten leiden, maar dus, euh…, wel echt tekenen zijn van weefselregeneratie.

Deze catacombencultuur staat zelfs afzijds van de klassieke economische alternatieven zoals sponsoring (vanuit de privé-sector) en crowdfunding (financiering door het publiek zelf), hoewel de laatste toch hand in hand kan gaan met een verzelfstandiging. De grond van de zaak is, hoe-dan-ook, dat de overheid cultuur definitief uit handen geeft, en daarmee eigenlijk een belangrijke impuls geeft tot opwaardering van de democratie, gezien de dwarsliggers niet meer betaald worden door hetgeen waar ze zouden moeten dwars op liggen.

Het is daarbij heel vreemd dat links (met name vooral Groen!) fulmineert tegen het vieren van de teugels. Want strikt genomen zou een strenge bevoogding van de sector een “rechtse” aangelegenheid moeten zijn. In totalitaire regimes is er voor een autonome cultuurbeleving geen plaats. Bij de nazi’s viel ze met propaganda zelfs onder één departement, namelijk dat van de legendarische Joseph Goebbels, de man van de onvergetelijke quote “Als ik het woord cultuur hoor, trek ik al mijn revolver”.

Als cultuur zich uit het systeem (maar niet uit de maatschappij) terugtrekt, betekent dat toch een winst voor de democratie en de kritische massa? En zal deze “exodus” ook niet enorm veel kaf van het koren scheiden, het echte, hardnekkige talent filteren uit de geposeerdheid en het modieus Narcisme waar het publiek zich zo aan ergert?

Maak er eindelijk eens een gedacht van, waarde kunstenaars én wereldverbeteraars. Het beste cultuurministerie is misschien helemaal géén cultuurministerie. Verras ons, durf te denken, durf te leven, durf alleen te gaan, knip eindelijk die navelstreng door. De toeschouwer zal er u misschien om belonen met het mooiste geschenk: zelf kunstenaar worden.

 

 

“De los toros a los Moros”

Hoe architectuur macht (her)consolideert

Calatrava

Santiago Calatrava: New-York, WTC

In een van mijn acht vorige levens was ik cultuurconsultant bij een groot Vlaams architectenbureau. Dat beroep bestaat natuurlijk niet, ik had het gecreëerd zoals alle andere vorige beroepen, om me als filosoof een schijn van maatschappelijke relevatie te geven en daar zowaar een broodwinning aan over te houden.

Deze inside-ervaring was, zoals weer alle andere, een revelatie. Architecten, en meer nog de grote bureau’s en vedetten à la Frank Gehry, Rem Koolhaas en Santiago Calatrava, gedragen zich als kunstenaars met een roeping, terwijl ze eigenlijk vooral de usurpatie van de publieke ruimte door de macht moeten op muziek zetten.  Ze zijn de hogepriesters van deze tijd. De politiek, wanhopig op zoek naar “draagvlak”, loopt hen achterna en betaalt fortuinen aan gemeenschapsgeld om haar tanende macht alsnog te consolideren.

De artistieke hybris van iets dat in wezen maar een ambacht is, loopt perfect parallel met de noodzaak van de macht om zich ruimtelijk te legitimeren en te consolideren. Twee criteria zijn daarbij essentieel: het architecturaal kunstwerk moet opvallen én duurzaam, quasi-eeuwig zijn. Het zijn twee criteria voor monumentaliteit. Eens het er staat, zal het er altijd staan. Dingen die vergaan en verdwijnen zijn vrouwelijk, organisch, horizontaal en cyclisch. Ik ken geen enkele vrouwelijke architecte met enige naam of faam. Het komt er op aan het levend weefsel te kristalliseren tot een mannelijke, vertikale, lineaire en  onvergankelijke megaliet. De stad ruikt altijd naar de dood, ze is altijd nekropolis.

Architecten zijn de hogepriesters van deze tijd. De politiek, wanhopig op zoek naar “draagvlak”, loopt hen achterna en betaalt fortuinen aan gemeenschapsgeld om haar tanende macht alsnog te consolideren.

Daaruit volgt ook een derde vereiste: publieke architectuur moét geld kosten.  De eeuwigheid is nooit in aanbieding. De vedette-architecten vragen extravagante erelonen en verdubbelen minstens het initieel voorziene budget. Steden zijn er al quasi bankroet aan gegaan.

Het opvallend, haast uitdagend karakter van grote moderne architectuur is eveneens een kenmerk van discrete, versluierde macht: terwijl gebouwen van dictatoriale regimes saai en grijs ogen, pakt de democratie uit met flamboyante “landmarks” en oogverblindende constructies. De architectuur neemt zo de despotische retoriek van de macht over, en tiranniseert de ruimte met bouwsels die mensen eigenlijk niet kunnen “lezen”, maar waar ze zich ook geen vragen horen over te stellen.

La Monumental, of de arena herlezen tot moskee

arenaDe stad is dus de plek waarin de macht de burger gijzelt, in en doorheen de publieke architectuur. Elk gebouw, elke rotonde, elke brug, elk plein, vormt een dam tegen verandering en mentale mobiliteit.  Uiteindelijk is de stad, als bouwwerk, de objectieve vijand van de bewoner, en wordt het politieke forum de confrontatie, niet tussen politieke fracties onderling, maar tussen bovenbouw en onderlaag, macht/architectuur/netwerk enerzijds en civiele massa anderzijds. De eindeloos aanslepende discussie in Antwerpen over het BAM-tracé en het Lange-Wapper-Viaduct is in wezen een verhaal van bewonersverzet tegen een architecturaal overstatement waarmee de bouwheer, de stad en het Vlaams Gewest, zijn macht duurzaam wil verankeren en op een hoger symbolisch niveau brengen, zelfs over de machts- en coalitiewissels heen. Maar de Antwerpenaar lust het Calatrava-achtige viaduct niet en verkiest de onzichtbare ondergrondse pijpen waar politiek geen eer mee te halen valt.

Vandaag woedt in de Antwerpse zusterstad Barcelona een discussie over wat er met de oude stierenvechtersarena La Monumental (let op de naam) moet gebeuren. Dit bakstenen gebouw uit 1924 was een van de cultplekken waarin de Madrileense cultuur, verbonden met de stierengevechten, zich in Catalonië had ingeplant. Vandaag echter, met het groeiende Catalaans onafhankelijkheidsbewustzijn en het ressentiment tegen Madrid en zijn centralisme, zijn stierengevechten not done, en wordt de arena gelezen als de representatie van een bezettingsmacht.

Op zich is dat een democratisch topmoment: officiële, apologetische architectuur die gecontesteerd wordt en waarvan de symboliek zelfs de volkswoede oproept. Op dat moment wordt het monument of cultplek gedeconstrueerd tot een document of leesbaar, bekritiseerbaar object,- begrippen die de Franse filosoof Michel Foucault introduceerde.

De herbestemming van matador-arena tot moskee is uiteindelijk een middel om de stad, sowieso cultureel al sterk geformaliseerd, definitief aan de burger te onttrekken.

Logischerwijze zou het gecontesteerde monument dan moeten gedynamitteerd worden, maar dat gebeurt in Barcelona niet. Het gebouw staat er en men aarzelt, juist om redenen van duurzaamheid, om het af te breken. Er werd naar een herbestemming gezocht, en die vond men in het project van een grote stadsmoskee, nota bene te financieren met Quatarees geld.

De macht leest haar monumenten dus anders: als de symbolische inhoud van een bouwwerk dreigt teloor te gaan, wordt er gezocht naar een andere inhoud zonder dat het bouwwerk “ontheiligd” wordt. Een fatale dynamiek: de politiek-culturele terreur van de stierenvechtersarena wordt vervangen door een terreur van een nog grotere orde, namelijk die van een moslimtempel, en dat in een land dat er eeuwen over heeft gedaan om de Arabieren terug te dringen. Moskeeën zijn niet meer voor ontheiliging vatbaar, de Koran voorziet er zelfs geen procedure voor. Het stadsbestuur van Barcelona beseft in haar multiculturele weldenkendheid niet wat voor een hypotheek op de toekomst dat betekent: een voor “heidenen” verboden plek die nooit meer kan teruggevorderd worden.  In feite bevestigt de architectuur daarmee haar hegemonie en haar oerfunctie van gecondenseerde macht, de macht die de levende polis in bedwang houdt.

LuccaDe opwaardering (upcycling) van arena naar moskee is het omgekeerde van wat politiek-democratisch had moeten gebeuren ter vervanging van de sloping: men had het gebouw moeten ontwaarden (downcycling) tot gewoon sportcomplex, winkelcentrum, supermarkt, of eventueel zelfs een woonblok. Dat laatste, de private toeëigening, is trouwens kenmerkend voor de manier hoe amfitheatersteden zoals Arles, Nîmes en Lucca (foto) ontstaan zijn: letterlijk door een privatisering van het oude Romeinse amfitheater tot wooncellen rondom het centrale speelplein.

De transformatie echter van arena tot moskee echter herconsolideert macht, investeert opnieuw in symboliek en dogmatiek, van een hoger, religieus-monotheïstisch niveau. In het geval van de arena van Barcelona is de herbestemming tot moskee uiteindelijk een middel om de stad, sowieso al sterk geformaliseerd, definitief aan de burger te onttrekken. De islamitische kathedraal wordt een no-go-zone voor autochtonen. Toeristen kunnen er zich nog aan de buitenkant aan vergapen, maar voor de bewoners is dit een onteigende, te mijden plek. Het Moorse verleden van Spanje en het multicultureel cosmopolitisme worden daarbij, vreemd genoeg, als argument gebruikt. De status van internationale cultuurstad, door de massale input van moderne architectuur bevorderd, dwingt tot dit soort evacuatie en maakt de stad uiteindelijk zelfs onleefbaar. De hersacralisatie en monumentalisering van deze metropolen is op die manier het sluitstuk van een nieuw, postmodern bevoogdingsproces waarin macht moeiteloos een matadorcultuur uitwisselt tegen een sharia-regime.  “De toros zijn weg, de Moros komen”, grinnikt de Barcelonees cynisch. In het Vlaams: “Van de regen in de drop”.

Aldo Rossi en de vloeibare tegen-stad

Rossi1

Aldo Rossi: “Het kabinet van Pinocchio” (1989)

Zo wordt de burger een gevangene in eigen stad, een bewoner met een enkelband, die wel enig soelaas vindt in koopcentra of pretparken, vluchtheuvels en Foucault-achtige heterotopieën, maar voor de rest geprangd zit tussen publieke functies die architecturaal gesigneerd zijn als machtselementen. Ik denk aan stations, bibliotheken, cultuurcentra, (uiteraard) stadhuizen,- en dus nu de moskeeën.

In zo’n urbane kolonie kan men zich alleen binnenhuis verstoppen en de buitenwereld vergeten, tenzij men voor een andere optie kiest: het half-klandestien opbouwen van de tegen-stad die een mobiele, drijvende of rijdende stad is. Het nieuwe nomadisme dus, binnen en buiten het stedelijk netwerk, maar altijd onderweg en tamelijk autonoom. Anders gezegd: zet wielen onder uw huis en migreer constant. De privé-architectuur zal het dissident gebaar moeten stellen.

De tent, of beter nog, de woon-wagen, wordt het nieuwe woonmodel van de 21ste en de 22ste eeuw. Eén enkele vedette-architect zag die stadsvlucht-binnen-de-stad aankomen, namelijk de  Milanese architect Aldo Rossi (1931-1997). Ik heb met zijn bureau samengewerkt, hetgeen resulteerde in het boek “Passione Urbana, de droom van Aldo Rossi ontrafeld”.

Rossi hoort in het rijtje thuis van Gehry, Calatrava en Koolhaas, met dat verschil dat hij in zijn vrije tijd aan anti-architectuur deed: hij tekende woonwagens en droomde van een mobiele stad, die als een volkstheater fungeerde waarin niet de macht maar wel de vlottende burger de toon zet. Deze Pinocchio-figuur hoort tot een post-civiele samenleving waarin de stad niet meer dirigeert, centraliseert, kanaliseert, maar een loutere vrijhaven wordt voor semi-nomaden. Ongezien hoe een ster-architect zijn eigen status deconstrueert.

De private architectuur zal het dissident gebaar moeten stellen. De tent, of beter nog, de woon-wagen, wordt het nieuwe woonmodel van de 21ste en de 22ste eeuw.

Er wordt zelden bij stilgestaan dat wij, ondanks 10000 jaar sedentaire cultuur, meestal onderweg zijn. De woning is een slaapwoning, overdag zijn we meestal elders. Maar ook tijdens vakanties trekken we erop uit en ontstaan groteske migraties, reusachtige files op weg naar overbevolkte stranden: het massatoerisme imiteert de grote volksverhuizingen uit de vroege middeleeuwen. Mobiliteit is niet rationeel, het is instinctief. Alle pogingen om haar te plannen mislukken. De vraag blijft trouwens waarom we, eens we een dak boven het hoofd hebben, daar ook zo snel mogelijk van onderuit willen. Zelfs mensen die een huis hebben gebouwd, proberen datzelfde jaar nog op vakantie te gaan. Waarom? Gewoon om de buren te imponeren? Een overblijfsel van prehistorische Wanderlust? Zij we allemaal nog ergens zigeuners die men in permanente asielcentra poogt onder te brengen? Misschien ligt een nieuwe bron van bescheidenheid voor de architectuur wel in het inzicht dat ze het leven niet meer sedentair kan vatten of insluiten, en dat ze hooguit schuilplaatsen (shelters, abris) of aanlegsteigers kan aanleveren.

Rossi2

Aldo Rossi: “Stad op stelten” (1981)

Uiteindelijk is de stedelijke camping de plek waar heel het architecturaal machtscomplex onzeker en broos wordt. De burger-nomade wisselt van verblijfplaats, van levenswijze, van netwerk, mogelijk zelfs van identiteit. Communiceren, zich documenteren en alle administratieve afwikkelingen doet hij via de cyberruimte, niet via de fysieke landmarks.

De manier anderzijds hoe de Vlaamse regering de zgn. woonbonus in stand tracht te houden (subsidies bij aankoop van een huis), en daarmee zelfs de vastgoedprijzen de hoogte injaagt, illustreert hoe sterk het systeem gericht is op verankering. De mobiliteit van de huurder, die ook gepaard gaat met een sociale en zelfs culturele mobiliteit, moet gefnuikt worden ten voordele van een sedentair kadaster, dat in de limiet eindigt in de suburbane verkaveling of de fermette, levenslang af te betalen door volgzame werknemers die ook op professioneel vlak niet durven migreren.

Aldo Rossi wijst een heel andere weg: terwijl hij overdag monumenten tekent, breekt hij ze ’s nachts af en vervangt ze door de gedroomde, vloeibare theaterstad op wielen. Misschien is de kermis een goede metafoor: ze verplaatst zich niet van stad tot stad, ze is zelf een reizende stad. De klassieke architectuur, als spiegeling van de macht, wordt daarmee betekenisloos en leeg. De stad wordt eindelijk zoals het leven zelf: elke dag af te breken en herop te bouwen. Telkens nieuw, telkens anders.

Johan Sanctorum: “Passione Urbana: de droom van Aldo Rossi ontrafeld” (Roularta, 2006)

In het Engels vertaald: “Passione Urbana, unravelling Aldo Rossi’s dream”

 

 

 

 

Afslag 0: op zoek naar de vrolijke file

Voor een nieuwe filosofie van het wachten en het oponthoud

file2Al bijna 20 jaar wordt in Antwerpen gebakkeleid over de zogenaamde Oosterweelverbinding die het sluitstuk moet vormen van de Antwerpse Ring en het fileprobleem moet oplossen. De politiek verdrinkt erin, letterlijk. Momenteel wordt er een bitsige strijd gevoerd over het aantal rijstroken dat die Ring zal tellen: op sommige plekken 29, veel te veel volgens de Groenen. Willen ze dan meer files? Neen, natuurlijk niet, zelfs de voorstanders van de onthaasting willen geen stilstandverkeer en ijveren voor een “vlotte doorstroming”.

Gelukkig is er mobiliteitsexpert Kris Peeters (niet te verwarren met zijn naamgenoot, de Vlaamse Minister-President), die het over een existentiële boeg gooit: een file is gewoon een wachtrij, en het wachten kan men beter aangenaam doorbrengen, als verpozing. De tijd doden dus, zoals we zeggen. Gebruik de file om dingen te doen die u anders niet zou kunnen doen. Politiek-cultureel dynamiet, zo blijkt.

Modus Vivendi

file

E40, 5 mei 2014

Deze Kris Peeters heeft het niet voor auto’s en pleit al sinds mensenheugenis voor meer en beter openbaar vervoer. Maar ook daar is het alsmaar wachten tot de bus of de trein komt. In zijn jongste boek ‘Weg van mobiliteit’ durft hij eindelijk de file openbreken, en stelt hij dat we toch ook niet mopperen als we aanschuiven voor het Colosseum of een attractie in Bellewaerde. Waarom niet? Omdat we dit als een stuk quality time beschouwen, een vrijetijdsritueel.

Aldus luidde het explosieve zinnetje in een DS-interview met de mobiliteitsdeskundige: “Ik pleit ervoor te zoeken naar een modus vivendi met files. Dat is beter dan anderen én onszelf wijs te maken dat we ze ooit zullen oplossen.” Met andere woorden: het is vooral Hajo Beeckman van het Vlaams Verkeerscentrum, en andere filewatchers zoals Maarten Matienko van de automobilistenvereniging VAB,  die ons op de zenuwen werken met hun tijdingen over “fileleed” en hun stilstandsmelancholie. Het kan anders. Ooit heeft een radiozender het aangedurfd om een fileconcert te organiseren, ergens op een autostradeparking. Het sloeg niet aan, begrijpelijk: de automobilisten luisterden teveel naar Hajo Beeckman op de radio, en willen vooruit.

Wachten dus. Het bestaat als esthetische ervaring. Van de jager die urenlang zijn prooi observeert, over de duivenmelker, tot de triangelspeler in het orkest die twee uur rustmaten aftelt tot hij die ene ping mag laten horen. Dit Zen-motief geeft aan de wachttijd een totaal andere invulling, namelijk van de vervulling. Niet het beoogde doel primeert, maar wel het uitstel op zich, en de beleving daarvan. Op die manier is het uiteraard geen wachten meer, maar wordt de wachttijd een soort bubbel, een uitstulping in de lineaire tijd, een intermezzo. We wachten al heel ons leven. Waarop wachten we om de wachttijd zelf tot levenskunst te maken, inderdaad, een modus vivendi?

In die zin zouden files ook kwaliteitsplekken kunnen worden waarop gekeuveld, gelachen, gegeten, gerookt, gespeeld, gediscussieerd, gevrijd wordt. Wachttijd die zich ontpopt tot quality time, en zo de vaste programma’s doorkruist. Af en toe ziet me ze ook: de wegbermtoeristen met opklaptafeltje (dikwijls Hollanders, kunnen we nog wat van leren) en de beachballspelers op het asfalt, als het echt helemaal en “hopeloos” dicht zit. Ook de zgn. “kijkfile” is een esthetisch moment van oponthoud dat de snelheidsdwang en de roep van de bestemming negeert: de file aan de overkant die als het ware de tegenliggers meesleurt in de traagte.

Onnodig te zeggen dat deze wachttijd, gesublimeerd tot kwaliteit, systeemverstorend werkt. Files worden door dat systeem dan ook graag becijferd als economische schade. Erger nog, zouden filegenoegens mensen op het idee zouden kunnen brengen dat aankomen er niet echt meer toe doet, hetgeen onze prestatiecultuur totaal zou bederven. Voor een groot deel is de Antwerpse BAM-obsessie rond die Ring ingegeven door die systemische paniek. Wat als mensen hun contactsleutel zouden omdraaien en zomaar in de berm gaan picknicken?

Leven, werken, lijden, wachten op Godot

GodotZo worden snelheid en doelgerichtheid primordiaal in een systeem dat het sublieme wachten  wil vermijden. Elke minuut file is er een teveel. Deze tijdopvatting is, vergis u niet, bij uitstek romantisch. Er is geen tijd meer, het moet vooruitgaan. De Faustische mens wil stromen en doorstromen, elke stilstand is achteruitgang. Het doel-einde fascineert zodanig, dat het wachten ondraaglijk wordt, getekend door een alles verterend ongeduld dat door Johann Wolfgang von Goethe een schier oneindig aantal maal geparafraseerd is, zoals in de overbekende passage uit Faust, waar hij Gretchen aan het spinnewiel aldus laat kankeren:

Meine Ruh ist hin
Mein Herz ist schwer
Ich finde, ich finde sie nimmer
und nimmermehr.
 

Richard Wagner zal dit ongeduld even later nog uitvergroten en hyperboliseren, zoals hij met alles deed, in zijn Tristan und Isolde, meer bepaald de inleiding van de 2de akte waar Isolde jachtig hijgend vooruitblikt op de lust van de seksuele gemeenschap. Deze vooruitblik maakt het heden tot een hel. Elke seconde is er een te veel, het leed is onnoemelijk. “10 minuten wachttijd” zou Hajo Beeckman met een grafstem verkondigen. Want zolang laat Wagner haar sudderen in haar foltering van de traagheid (“O spar mir des Zögerns Not!”).

Zo wordt het romantische ongeduld de prelude van de hedendaagse snelheidscultus, het utilitarisme én van de consumptiemaatschappij: alles is gericht op snelle vervulling, die even later weer een leegte oproept die even snel weer vervuld moet worden. Hoe vervelender het wachten, des te intenser wordt de drang naar vervulling. Ongemerkt echter wordt zo heel het leven een afzichtelijke, van onlust vervulde wachtrij: leren als wachten op een diploma, werken als wachten op een loon en de daaraan verbonden mogelijkheid om te consumeren, wachten op promotie en statusverhoging, dan wachten op het zo lang verwachte pensioen, tot men alleen nog op de dood kan wachten. Een wachttijd die dan via euthanasie ook ingekort kan worden.

We wachten al heel ons leven. Waarop wachten we om de wachttijd zelf tot levenskunst te maken, inderdaad, een modus vivendi?

De moderne economie is dus romantisch geframed, opgebouwd op uitstel én begeerte én ongeduld. Men moet lijden alvorens te genieten, zodat het doel primeert. Men zou niemand aan het werk krijgen moest het loon vooraf betaald worden, en het genot aan de beproeving zou vooraf gaan. U moet dus werken en niet-genieten om het genot te verdienen,- maar dat impliceert ook dat het werken nooit een esthetische kwaliteit op zich mag krijgen die het loon zelf zou kunnen vervangen. Werken is wachten, maar dan ingevuld als plichttijd waarbinnen men rechten op genot opbouwt. De workaholic, de mens die opgaat in de arbeid zelf, is dus even slecht voor een utilitair systeem als de werkloze of de luiaard. Het best functioneert onze economie dankzij tamelijk gealiëneerde arbeid, die wordt beleefd als een prikkloktijd “in afwachting van”.  Doorstromen blijft het sleutelwoord.

Het al even bekende toneelstuk van Samuel Beckett, “En attendant Godot” (1952), waarin Vladimir en Estragon wachten op een mysterieuze figuur die wel aangekondigd wordt, maar niet opdaagt, en waarbij de twee in afwachting maar wat rondhangen, stelt deze problematiek op scherp. We doen eigenlijk niets anders dan wachten, leven op vooruitzichten en beloften, zonder dat we erin slagen om dit wachten zelf op een zinnige en esthetische manier in te vullen. Het is ons niet gegund om kracht uit het heden te putten, alleen Godot houdt ons overeind. Het wachten is dus onnoemelijk monotoon en kwaliteitsloos zoals het stuk van Beckett zelf.

Heterotopie

Wetteren

In de bosjes tijdens een monsterfile op de E-40 (Autostradeparking Wetteren, 5/5/2014)

Om terug te keren naar immobiliteitsfilosoof Kris Peeters: hoe van deze monotonie een polyfonie maken, een kwaliteitscluster in de verkeersknoop? – dat is de hamvraag. Godot komt alleen als wij hem willen, dat betekent: als we hem niét meer willen, als fata morgana en demon van het uitstel. Zo wordt elk moment een vindplaats en elke vertraging een opportuniteit. 5 mei 2014, een dag zoals een ander, en toch weer niet, en eigenlijk niet na te vertellen, al probeerde James Joyce het in zijn Ulysses.

Deze zoektocht naar de vrolijke file is geen geitewollen-sokken zaak. Het “groene” gedachtengoed is bij uitstek een Westers-decadent vermoeidheidssyndroom waar we vanaf moeten geraken. Er zijn andere, meer authentieke modellen van onthechting. Ik verwees al naar Zen en het meditatieve moment, maar het zou evenzeer Zuid-Europees of Afrikaans kunnen zijn: de tijd naar zijn hand zetten, niet via de snelheid maar net via de traagte, de luiheid en de inefficiëntie, waardoor de doelen, altijd verbonden met een ideologie of een systeem, moeten wijken voor de middelen en het “hoe”, die een doel op zich worden.

Vreemd genoeg zal dat misschien ook het klimaatprobleem oplossen: zet de motor af terwijl u wacht en doe iets leuks. Dé fabriek zal niet draaien, maar uw fabriek wel. De verschuiving in het genotsperspectief van het doeleinde naar het wachten zelf, maakt dat Gretchen en Isolde zouden beseffen dat Faust en Tristan maar de wortel zijn die voor de ezel hangt, en dat het leven te kort is om iets na te jagen dat altijd elders is.

Zowel existentieel als socio-politiek kunnen de doeleinden nu verder wegdeemsteren en kunnen we ons eindelijk op het uitdijende heden gaan concentreren. We verlaten de politiek en zijn loze beloften. Wachten op vrijheid, rechtvaardigheid, gelijkheid, het einde van België, de klasseloze maatschappij, het groot lot, het hiernamaals: het zijn allemaal verloren zaken, utopieën die het echte leven vergallen.

Het is voor mij als filosoof een kwestie van voortschrijdend inzicht: ooit zag ik in elke wachtrij een veruiterlijking van bureaucratisch despotisme. Nu, met het eindeloze wachten op de uitbreiding van de Antwerpse Ring, maar ook in het postkantoor en de supermarkt, begin ik te beseffen dat het vooral kwestie is om die wachttijd aan het systeem te onttrekken en daarbinnen autonome spellen of ander bedrijvigheden, zelfs micro-economieën te installeren.

In die zin laat de Franse filosoof Michel Foucault de utopie voor wat ze is, en introduceert hij de mogelijkheid van een heterotopie: plekken die noch publiek noch privaat zijn, maar iets ertussen, en uitnodigen tot een beleving van het hier en nu. Maar daar waar Foucault die plek van het intermezzo nog “architecturaal” en industrieel opvat, en verwijst naar bioscopen, pretparken, sauna’s en bordelen, belet niets ons om die “andere plek” gewoon willekeurig te installeren waar het ons goed uitkomt, namelijk vooral daar, ergens tussen het begin- en een eindpunt van de etappe, in het oponthoud. De wegbermen en de autostradeparkings dus, waar je ook (weliswaar nagemaakte) Cartier-horloges kunt kopen voor één Euro.

Trekt men deze lijn door, dan wordt elk besef van tijd en ruimte anders, en ontlenen we steeds meer identiteit aan de plekken waarop we stilstaan, zomaar. De vaste woonplaats zou dan verdwijnen, ook al staat ze nog op onze identiteitskaart, en wordt vervangen door een meer existentiële cluster van plekken, die samen eventueel een statistisch midden zouden kunnen vormen. Zo woont de pendelaar die dagelijks van Antwerpen naar Brussel rijdt, “heterotopisch” eerder ergens in Mechelen, zijnde het gemiddelde van alle denkbare en ondenkbare stopplaatsen op dat traject, waar zich files kunnen voordoen met alle interessante verwikkelingen van dien.

Het sublimeren van de wachttijd kan niet anders dan leiden tot een nieuw nomadisme waarin onderweg zijn belangrijker is dan de bestemming, en waarin de lust zich vooral realiseert in het heden, op tussenplaatsen. In die zin moeten de autostrades niet breder en de treinen niet stipter, want dat maakt het spel, de flirt of de romance net onmogelijk, en leidt ons tijdsbewustzijn opnieuw af naar de “onmogelijke liefde” als ultieme bestemming of eu-topie.

Het vinden van afslag 0 is niet eens een project, het is een potentie die zich constant voordoet, overal op elk moment. En hoe minder men zoekt, hoe lager de toerentalteller, hoe sneller hij gevonden wordt. Het Verkeerscentrum kijkt verslagen toe.

 

 

 

 

 

 

Appels horen thuis in compote

GaugainHet verhaal is ondertussen bekend: een gepensioneerde arbeider uit Turijn had een werk van Paul Gauguin in zijn keuken hangen, als “verloren voorwerp” ooit gekocht voor twee keer niks. Het was al sinds 1970 gestolen uit de collectie van een rijke Engelse verzamelaar. Geschatte waarde van het werk, genaamd “Fruits sur une table ou nature au petit chien”: 35 miljoen Euro. De naam Gauguin zei de man hoegenaamd niets, hij vond het schilderijtje mooi hangen in de keuken. En gelijk heeft hij: appels horen in de keuken thuis.

Meteen een gelegenheid om nog eens aan linksdraaiende cultuurbiologie te doen, en door te bomen over de waanzin van het eeuwige kunstwerk, de verafgoding van het origineel, en de absurditeit om een stuk beschilderd doek te taxeren op 35 miljoen Euro.

Nature morte

FabreCultuurbiologie zei u? Jawel, de gespletenheid tussen leven en kunst, natuur en cultuur blijft me bezighouden. Ongenadig vreet de tijd, het ongedierte, maar ook onze eigen adem, aan de grote meesterwerken, die steeds weer moeten opgelapt worden. De natuur trekt zich van kunst niets aan.

Omgekeerd trekt kunst zich van de natuur niets aan, en, sterker nog, oefent ze een machtsgreep uit op het leven en de biomassa. Wanneer Leonardo da Vinci zijn Mona Lisa schildert, maakt hij van de levende vrouw die zijn model was, een spook. Hij vereeuwigt haar zogezegd -terwijl hij vooral zichzelf vereeuwigt- en ontneemt haar het lichaam.

Vroeger heb ik die bizarre manier van mummifiëren al in verband gebracht met de theorie dat mannen kunst voortbrengen uit rancune omdat ze geen kinderen kunnen baren. Hij vervreemdt en isoleert, balsemt en denaturaliseert zijn voorwerp. Hij haalt de natuur uit haar context en herkadreert haar binnen een zelfbepaald, willekeurig frame dat men als een gevangenis en een graftombe moet zien. Het kader is een tweedimensionele kist. In dit geval een praalgraf voor La Gioconda en haar bevroren lach. Humanistische hybris maar ook bedekte vrouwenhaat spreekt uit deze meesterwerken.

Het stilleven (nature morte) is een graf, de schilder is de man die doodt en conserveert. We kunnen niet anders dan hem heimelijk haten voor dit vergrijp tegen het leven en de natuur.

Uitgerekend dit soort schilderijen is ook het uitverkoren voorwerp van kunstvandalisme (inkervingen, bijtend zuur…) waardoor men de Mona Lisa zelfs achter een glazen scherm heeft geplaatst. Mogelijk is voor vele toeschouwers de contradictie tussen de onaanraakbare mythe, en de onbekende vrouw van vlees en bloed die voor haar model stond, onverdraaglijk.

Het stilleven (nature morte) is een graf, de schilder is de man die doodt en conserveert. We kunnen niet anders dan hem heimelijk haten. Idem dito voor Gauguin, die de eetbare vruchten en het hondje herleidt tot onverteerbare verf op een oneetbaar doek. Een misdaad tegen de natuur. In die zin moet dat verhaal van de barbaar uit Turijn, die de geschilderde appels van Gauguin in zijn keuken ophing, gezien worden als een restitutie, een rechtzetting. Een symbolische deconstructie van de nature morte. Zoals ik al zei: appels horen thuis in de keuken, in de compote en daarna in onze maag.

Terecht steigerde het kunst-onkundige gepeupel toen Jan Fabre bij ons met zijn hespenpilaren uitpakte (Gent, “Over The Edges”, 2000). Met eten mors je niet, zegt de volksmond terecht. Voedselkunst is belachelijk en pervers,- dat geldt zelfs voor de haute cuisine en haar neiging om te picturaliseren, eten op het bord te schilderen. Overigens dienden de met ham beklede zuilen van de Gentse universiteitsaula vrij snel verwijderd, wegens schimmelvorming, ondanks de plastic folie. Of hoe moeder Natuur haar gram haalt.

Zeepbelkunst

Men zou dat motief van het kunstwerk als gestolen-gestolde, bevroren natuur, kunnen afdoen als een theoretische discussie, ware het niet dat er met pronkstukken zoals ‘Fruits sur une table” wel degelijk nog wat anders mis is. Of eigenlijk hetzelfde.

De geschatte marktwaarde van 35 miljoen euro is namelijk een abstract cijfer dat op geen enkele manier nog “’realistisch” kan genoemd worden, t.t.z. in redelijke verhouding met de productiekost (materiaal, arbeid, honorarium van de artiest). De kunstmarkt creëert absurde meerwaardes die beleggers aantrekken, eerder dan liefhebbers. Het kunstwerk wordt, in plaats van esthetisch consumptieproduct, een speculatief fetisj. Eerst vervreemdde Gauguin de appels, daarna vervreemden verzamelaars/beleggers nogmaals het schilderij. Werken die in kluizen worden bewaard, zijn niet alleen artistiek waardeloos (wegens publiek ontoegankelijk), ze zorgen ook voor zeepbeleffecten, het aanzuigen van enorme geldmassa’s die niet meer voor normale investeringen beschikbaar zijn. Grof geld dat aan kunst wordt uitgegeven komt niet in het reguliere economische productiecircuit terecht, maar blijft in de speculatieve “bubbel” hangen, om rustig het einde van de depressie af te wachten. Zo maakt kunst vooral een kleine elite nog rijker.

Het kunstwerk wordt, in plaats van esthetisch consumptieproduct, een speculatief fetisj. Eerst vervreemdde Gauguin de appels, daarna vervreemden verzamelaars/beleggers nogmaals het schilderij.

grafiekIn dit pervers mechanisme verschijnen kapitaalkrachtige investeerders uit China, India, Rusland en natuurlijk de Golfstaten als grote spelers. Ze kannibaliseren het economisch systeem en gebruiken kunst als ultieme belegging op het moment dat andere zeepbellen op springen staan.  Bovenstaande grafiek toont hoe de omzetpieken van het kunstveilinghuis Sotheby’s telkens een crash voorspellen (achtereenvolgens het ontploffen van de internetzeepbel in 1999, de ineenstorting van de huizenmarkt in de VS en het failliet van Lehman Brothers in 2008, en de schuldencrisis van 2011). Dat betekent dat de superrijken de crisisbui zien hangen en massaal aandelen dumpen om kunst aan te kopen. Hetgeen de ineenstorting nog versnelt want daarmee wordt de kapitaalmarkt nog krapper en verhoogt nog het zuurtstoftekort voor de economie. Zo wordt de kunstzeepbel tegelijk symptoom en oorzaak van een systeem dat structureel altijd opnieuw moet crashen, en waarbij alleen de superrijken met voorkennis telkens hun vel redden.

Warmeluchtbakkers

HirstHet kan niet anders, of deze zeepbelkunst in een zeepbeleconomie moet ook zeepbelkunstenaars aantrekken. De Britse kunstcriticus en BBC-journalist Ben Lewis wijdde er een documentaire aan, getiteld “The Great Contemporary Art Bubble”. Hij geeft het voorbeeld van de Britse artiest Damien Hirst, die zich heeft toegelegd op in formol geconserveerde dierenkadavers. Jawel. Hirsch werd “ontdekt” door de steenrijke Britse kunstverzamelaar Charles Saatchi, en produceert uitsluitend in functie van de speculatieve markt, via een artistiek handelsmerk dat zorgvuldig wordt in stand gehouden, mede dankzij gewillige media en critici die allicht een graantje meepikken. Hij is het perfecte voorbeeld van een zeepbelkunstenaar die perfect de beurs in de gaten houdt en zijn prijzen weet op te drijven.

Op 15 september 2008, de dag dat Lehmann Brothers ten onder ging, verkocht Damien Hirst nog snel aan panikerende beleggers voor $ 127 500 000,- aan eigen “werk”. Waarna de crisis toesloeg. Iemand als Hirst moet men beschouwen als een warmeluchtbakker, een gewiekste oplichter die perfect inspeelt op de honger van steenrijke speculanten naar “veilige” beleggingen. In zijn zog opereren onze eigen Vlaamse hypekunstenaars, zoals Fabre, Delvoye, Tuymans en Borremans. Ze beheersen het marktspel compleet en spelen in op conjunctuurschommelingen en de vrees van beleggers voor drastische waardevermindering. Vooral als het economisch bergaf gaat doen ze gouden zaken.

Nutteloos en onterecht maken we ons boos op deze zeepbelkunstenaars: zij zullen stellen dat het traject van het kunstwerk doorheen de wereld deel uit maakt van het artistiek totaalproject. Het kunstwerk is een money-maker of moneytron (J.P. Van Rossem) en verdient als dusdanig ons respect. Of hoe het globalistische totaaldenken alle politieke kritiek wegveegt.

Creatieve industrie

wortelZo krijgen we een bizarre convergentie te zien tussen het kunstwerk als gedenatureerde natuur, en het kunstwerk met een opgepompte marktwaarde. Het is duidelijk dat artiesten net hier een belangrijk statement zouden kunnen maken, tegen het speculatieve kapitalisme.

In dat opzicht kan men de herwaardering bepleiten van zoiets als het kunstambacht, of, meer hedendaags: de creatieve industrie. Daarin wordt de marktwaarde van een kunstwerk enkel bepaald door de reële kost: materiaal, werkuren en –laten we niet krenterig zijn- een creativiteitsbonus. Door de beeldende kunst te integreren in het globale productieproces gaan we het parasitaire karakter tegen van de kunstenaar, maar ook de kannibalistische werking van de kunstmarkt. Een vrij copyright en een doorgedreven techniek van copiëren (“vervalsen”) en reproduceren helpt eveneens als preventie tegen zeepbelkunst en zeepbelkunstenaars. Het kunstwerk wordt vergankelijk als object, waardeloos als handelsgoed, maar oneindig multipliceerbaar. Hoe meer exemplaren van een werk, hoe minder het zich leent tot speculatie. Hoe twijfelachtiger de authenticiteit, hoe concreter (of meer persoonlijk) de waarde van iets wordt.

Daarbuiten wenkt ook de huis-, tuin- en keukenkunst als uiting van post-kapitalistische creativiteit: het nieuwe amateurisme waarin mensen gewoon dingen maken voor hun eigen plezier, en eventueel weggeven of voor een habbekrats verkopen. In deze configuratie koopt iemand dan, precies zoals de Turijnse arbeider, op de markt een schilderijtje voor een appel en een ei om in de keuken te hangen en niet om er zijn vermogen in te consolideren.

Straatkunst en graffiti, per definitie onverhandelbaar, zijn eveneens uitstekende strategieën tegen de vervreemding en de bubbelvorming. Een totale crash van de kunstmarkt kan een heilzame werking hebben op heel het economisch systeem, dat in essentie op ruil en uitwisseling moet gericht zijn, niet op bezit en meerwaarde.

Leve het lelijk fruit en de misvormde groenten dus, niet bestemd voor een stilleven maar gewoon voor compote. De “fruits sur une table ou nature au petit chien” kunnen op die manier misschien toch nog gered worden van Sotheby’s, als men tot het inzicht zou komen dat Gauguin maar een beetje kon schilderen en dat alles op een misverstand berust. Of misschien lustte hij geen appels. Het doek kan dan in Turijn blijven hangen om te vergelen, te krakeleren en uiteindelijk door beestjes opgepeuzeld te worden. Zoals zijn maker zelf. Cultuurbiologie dus, met de nadruk op het laatste.

 

 

 

 

 

Kassablanka, of de ontembare kracht van onderbuikhumor

   Pleidooi voor meer seksisme en racisme

Aalst

Aalst, 2014, Voil Janetten

Gisteren, 21 maart, vierden ze bij de Verenigde Naties “The International Day for The Elimination of Racial Discrimination”. Uitstekend initiatief. Ware het niet dat onder het mom van antiracisme de vrijemeningsuiting onmerkbaar wordt ingesnoerd. Nu de politieke kruistocht in België tegen racisme en seksisme een nieuwe opstoot beleeft met dank aan Joëlle Milquet, is het veeleer zoeken naar vluchtheuvels waar de taboes nog genegeerd kunnen worden.

Daarbij dient in alle ernst de vraag gesteld worden naar de wortels van heel dat om zich heen grijpende complex van political correctness. Onmerkbaar versmallen de vrijheidsnormen richting de Carnavalsweek. Voor de rest mag niets meer. Via moralistische betogen rond antiracisme en antiseksisme vergroot de overheid haar greep op taal, gedrag en attitude. Het offensief komt zelfs niet in de eerste plaats vanuit conservatief-rechtse middens, maar veeleer vanuit “liberaal”-linksdenkende milieus.

Hoe resistent is de humor in dit alles? Viseren wij echt domme blondjes, negers, Marokkanen, homo’s, joden, of spotten we met het systeem zelf dat die grappen sanctioneert? En wat zijn de consequenties?

Utopisch denken, totalitair handelen, en politieke correctheid

De oorsprong van de teMohammedrm én van het fenomeen “politieke correctheid” liggen, eigenlijk niet verrassend, in het Amerika van de jaren ’70, toen de hippiegeneratie haar ideologie wou omzetten in een maatschappelijk systeem. Vrij snel botste het free speech-principe met de noodzaak tot conflictbeheersing, waarbij steeds maar meer werd geopteerd voor anticiperende politieke maatregelen die groepen, minderheden, enz. moest beschermen tegen de meerderheid (die haast als een fascistisch-totalitair corpus werd beschouwd). Deze minderhedendemocratie ontaardde vervolgens verder in een beteugeling van alle mogelijke gedragspatronen en taaluitingen die de maatschappelijke vrede zouden kunnen verstoren.

Naar de jaren ’80 en ’90 toe zou dit politiek-correcte denken vrijwel heel het politieke en mediatieke discours domineren. Onmerkbaar was men van free speech in full speech control terechtgekomen, en had het post ’68-denken de vorm aangenomen van een discreet totalitarisme, beheerst door een immer uitbreidende reeks taboes en don’ts. Tot op het hilarische af, zie de recente beslissing van het Gentse stadsbestuur om het woord “allochtoon” te schrappen.

Opmerkelijk is de idee van veiligheid en beveiliging achter deze doorgedreven political correctness. Ze spiegelt zich perfect aan de war against terror-doctrine van de rechterzijde, na 2001 en de aanslag op de WTC-torens.   Beide beogen ze de ideale maatschappij, de ene als gedachtepolitie, de andere via de alomtegenwoordige straatcamera en afluisterapparatuur. De veiligheidsobsessie van rechts en de politiek-correcte neurose van links zijn dus als het ware twee verschijningsvormen van dezelfde sociale utopie, die we, met dank aan George Orwell, kunnen ontmaskeren als één en hetzelfde regime van Big Brother.

Zo wordt het individu van twee kanten opgejaagd: enerzijds vanuit het linkse multiculturele harmoniedogma en de daaraan verbonden zelfcensuur (door de tegenstanders gekwalificeerd als “pensée unique”), en anderzijds vanuit het rechtse autoriteitsdenken dat veiligheid wil afdwingen met meer wetten, meer regels, meer repressie.

Linkse politieke correctheid en rechtse veiligheidsobsessie leiden beide tot hetzelfde Big Brother-syndroom. Humor is daar een antwoord op.

Met het oprukkende moslimfundamentalisme in Europa is die dubbele omsingeling van het individu in een nieuwe fase gekomen. Aan de politiek-correcte (“vrouwelijke”) kant ontaarde ze in een regelrecht Stockholm-syndroom, de affectie van de gijzelaar voor de gijzelnemer. Voortdurend wordt de vrijemeningsuiting ingeperkt en opgeofferd aan de eis van één groep om niet beledigd te worden, denken we bv. aan heel de soap rond de Deense Mohammed-cartoons in 2006. Aan de (“mannelijke”) rechterkant van de samenleving resulteert het fenomeen in een behoefte aan nog meer preventie en controle. Niemand stelt de straatcamera’s nog in vraag, ze zijn er gewoon… voor uw en mijn veiligheid.

In zo’n totalitaire veiligheidsdemocratie kan de subversiviteit nog maar van één kant komen: vanuit het in-dividu dat grenzen aftast, het gevaar zoekt en de macht uitdaagt. In twee opzichten, weerom: door de regels van de “goede smaak” te negeren, zelfs voorbij het wettelijke, en door zich ook echt als schietschijf op te stellen. Hier komt de humor in beeld. Niet deze van de kalendermoppen, maar de stoute, overtredende humor, gericht tegen de dubbele politieke dwangbuis.

Het is in dat Don Quixotte-achtig perspectief dat men het optreden moet zien van bijvoorbeeld de Franse komiek Dieudonné M’Bala M’Bala, wiens show  “Le mur” werd verboden, vanwege het antisemitisme. Mede dankzij de fameuze quenelle, het postmoderne fuck-you-gebaar dat door de censurerende overheid als een omgekeerde Hitlergroet wordt aanzien, overtreedt Dieudonné bewust alle regels van de politieke correctheid, maar ook van het wettelijk kader zelf. Het zijn echter niet de Joden die geviseerd worden: de Jodenmop is maar een middel om de taboemaatschappij zelf uit te dagen.

Humor en lichaamsvochten

KassablankaStill4

Guy Lee Thys: “Kassablanka” (2002)

Dieudonné bevindt zich daarbij in goed gezelschap. In 1905 publiceerde Sigmund Freud zijn studie “Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten”. Daarin wordt de mop ontleed als een uitbarsting van verdrongen drift. Hij onderscheidt daarin gradaties van subversiviteit. De goede, brave humor spreekt in metaforen, vermijdt conflicten en schikt zich naar de taboes. Sarcastische, scherpe, wrange humor anderzijds volgt uit een bruuske botsing tussen id en super ego, het onbewuste/driftmatige en het regelgevende. Het politiek-correcte kunnen we hier zonder meer gelijk stellen met dat super-ego,- datgene wat het plezier bederft en de lust onderdrukt. De associatie tussen humor (Latijn voor “vocht”) en de seksualiteit ligt dan voor de hand: de vertelde mop is een versluierde geslachtsdaad, liefst met een duidelijk en niet te lang uitblijvend hoogtepunt voor de man, terwijl vrouwen eerder een lange aanloop verkiezen, eventueel zonder “pointe”.

Humor kan dus eigenlijk maar ontstaan als tegenkracht in een min of meer repressieve omgeving, hetgeen overigens ook geldt voor cultuur en kunst an sich. Het verbod creëert de overtreding. Dat is eigenlijk exact wat Alain Finkielkraut zegt over het door de staat opgelegde antiracisme: het roept het racisme op, als krachtterm en stijlfiguur in het sociale theater. In de lagere regionen dus, bij het gepeupel alias de domme meerderheid welteverstaan. Op het internet en de zogenaamd ranzige fora. En in de voetbalstadions, waar de “racistische spreekkoren” verboden zijn en men vooral geen bananen naar donkerkleurige spelers van de tegenpartij mag gooien. Terwijl zoiets toch deel uitmaakt van het volkstheater, en het betaald voetbal daar een geschikte scène voor vormt, waartoe dient het anders.

Cultuur, zei u, met een grote C? Er zijn maar weinig kunstenaars die zich durven wagen aan het overschrijden van de politiek-correcte tabulatuur, vermits ze grotendeels in het systeem zijn ingekapseld. Men moet haast in de underground en de porno gaan om racisme en seksisme artistiek voluit te zien affirmeren. Schandaleuze cultcineasten zoals Lars von Trier maken er een handelsmerk van, echter altijd met het risico dat zijn jodenmoppen eindigen in een regelrecht Berufsverbot. Gedaan dan met lachen.

Er zijn maar weinig kunstenaars die zich durven wagen aan het overschrijden van de politiek-correcte tabulatuur, vermits ze grotendeels in het systeem zijn ingekapseld.

Dichter bij huis is er de film “Kassablanka” (2002) van de Antwerpenaar Guy Lee Thys, een groteske sociale satire, waarin een Vlaams rondneukend dom blondje, dochter van een verzuurde Vlaams-Blok-stemmer en zus van een neo-nazi-skinhead, het aanlegt met een Marokkaanse drugverslaafde homo, zoon van een wereldvreemde moslimpatriarch. Bimbo laat zich anaal pakken door makak. Een meer hilarische karikatuur van het multiculturele sprookje is moeilijk denkbaar. De film functioneert als één anekdotisch uitgedeinde racistische én sekistische mop die alle klassieke clichés door elkaar weeft, maar op zo’n manier dat de humor eigenlijk vooral het systeem uitdaagt, samen met de hegemonie van de cultureel-politieke elite die ons de politiek-correcte codes oplegt.

Dyab Abou Jahjah noemde de film niettemin een “belediging van de Arabische cultuur”, en dat was blijkbaar voldoende voor de collega’s van G.L. Thys om vooral niét in zijn voetsporen te treden, zeker niet na de moord op filmmaker Theo van Gogh in 2004. Het is dan ook niet vreemd dat het bij dit uniek experiment is gebleven. Er zijn me geen Vlaamse films bekend die het verder aandurfden om via Ensoriaanse humor de grenzen van de politieke correctheid te overschrijden. Met de hilarische satire “Camping Cosmos” (1996) van Jan Bucquoy leek nochtans een trend gezet, maar blijkbaar was vooral het viseren van de multiculturele samenleving een absoluut taboe. De schrik voor juridische vervolging ook, via het in 1993 opgerichte Centrum voor Gelijke Kansen en Antiracisme, deed schrijvers, kunstenaars en cineasten wel twee keer nadenken voor ze eraan begonnen.

Aus met de Witz

Pussy

Pussy Riot, Moskou, 2012

Het weze dus duidelijk: het probleem is niet de negermop, en zelfs niet de humorloze neger, maar vooral het systeem dat onze taal en denkpatronen tracht te stroomlijnen. In de optiek van Freud zal de subversieve humor net gedijen dankzij deze maatschappelijk-politieke onderdrukking. De vraag is alleen hoe rekbaar dit antagonisme is, en hoe lang Dieudonné M’Bala M’Bala nog vrij zal rondlopen. En of er nog een vervolg op Kassablanka komt. Als het sarcasme boven een bepaalde drempel uitstijgt, zullen de klachten wegens racisme onvermijdelijk worden en mag Dieudonné in de gevangenis moppen gaan vertellen, zo simpel is het.  Dat is dan de grap van de grap: humor die tegenstand voelt, neigt naar overdrijving en provocatie, om te eindigen tussen vier muren. Zie de onvergetelijke maar éénmalige act van Pussy Riot in de  Christus Verlosserkathedraal te Moskou.

Het ordinaire laarzenfascisme komt pas tevoorschijn als de humor dat groteske peil bereikt. In geen enkele periode werd er zo gelachen als tijdens de Weimar-republiek in het Duitsland van de jaren ’20. Tot de nazi’s zelf de politiek-correcte humor begon te introduceren met films als “Jud Süss”. Wie laatst lacht, best lacht. Hoewel, veel later circuleerde in kringen van Joden, die het overleefd hadden, volgende mop: “Weet je waar ‘Auschwitz’ vandaan komt? Het is aus met de Witz!”.

Lachen gebeurt altijd in het heden. Zoals seks overigens.

Hoe kritisch is kritiek?

Een stadsoorlog in Kiev, een omsingeling van de Krim-kazernes. Het zijn hoogdagen voor leerlingen in de politieke en militaire strategie. List en bedrog sluipen in dit verhaal: politiescherpschutters die rebellen blijken, krijgers in onherkenbare uniformen.

Veel meer nochtans dan deze ouverture tot een nieuwe Europese oorlog, intrigeerde me dMartine getuigenis van Abby Martin in de studio’s van de Poetingezinde propagandazender ”Russia Today”. Het nieuwsanker stak er zowaar een tirade af tegen Vladimir Poetin en de bezetting van de Krim. Nóg verrassender was de reactie van het regime: helemaal niets. Geen sanctie, geen ontslag, geen Siberisch werkkamp: ze kreeg nog net geen felicitaties. Na Pussy Riot is het blijkbaar tijd voor een nieuwe aanpak van Russische dissidenten, onder het motto: “Laat ze begaan”. Meteen was dit niet alleen de zoveelste gril van de nieuwe tsaar, maar ook een onthutsend spiegelbeeld van wat in onze eigen Westerse “vrije” samenleving gaande is.

Verlicht despotisme

Vladimir Putin

Poetin als judoka

Iemand moet Poetin duidelijk gemaakt hebben dat een kritische stem, toegekend aan de juiste persoon op een goed gekozen plek en tijdstip, meer bewegingsruimte voor een totalitair regime kan creëren. Die adviseur verdient zonder meer een medaille: hier is filosofische lectuur aan vooraf gegaan.

De Florentijnse filosoof-dichter Niccolò Machiavelli wees er in zijn “Il Principe” (1513) al op dat potentaten die zich alleen met vleiers omringen, hun ondergang tegemoet gaan. Er bestaat een soort entropiewet die zegt dat geïsoleerde macht, die enkel nog hoort wat hij wil horen, zijn greep op de dingen verliest en eindigt zoals Hitler in de Berlijnse bunker, mei 1945. Kritiekloze vleiers en ja-knikkers zijn de grootste bedreiging voor een heerser, ze dienen zonder meer gelikwideerd. Hitler besefte dat niet, Stalin evenmin (toen men hem wekte om te zeggen dat Duitsland Polen was binnengevallen, ontstak hij naar het schijnt in woede… tegen de leugenaar die hem die boodschap bracht).

De intelligente heerser luistert en gebruik kritiek als een hefboom voor zijn eigen macht. In dat opzicht getuigt het idee van de onbekende Poetin-raadgever om de rebel Abby Martin haar gang te laten gaan, van groot inzicht: allicht is hier de repressieve tolerantie terug uitgevonden.  Elke tegenstand is een hefboom naar méér macht (Poetin heeft niet voor niets een zwarte gordel judo). Dat maakt, bizar genoeg echter, ook de vranke journaliste tot een objectieve bondgenoot van het regime, om niet te zeggen een werktuig. Zelfs Pussy Riot en Femen kunnen op die manier gerecupereerd worden. Dat is interessant en verhelderend voor de manier hoe onze eigen vrijemeningscultuur functioneert. Hoe kritisch kan kritiek zijn?

De beruchte “vriendschap” tussen Frederik II van Pruisen en de revolutionaire filosoof VoltaireVoltaire geeft een verdere inkijk op deze synergie tussen macht en intellect. Frederik gebruikte Voltaire om slim te worden en op de hoogte te blijven van de tijdsgeest, terwijl Voltaire tussendoor spionneerde voor de Franse koning. Twee deugnieten waren het, elkaar waard. Ik wil het dan nog niet hebben over de minachting van Voltaire voor negers en zijn antisemitisme in illo tempore non suspecto. Voltaires legendarische subversiviteit, die hem tot op vandaag tot icoon van het kritisch denken en schrijven maakt, was voor een groot deel verweven met zijn positie van steuntrekker aan het hof van de Pruisische vorst. Deze was, in tegenstelling tot Louis XV, wél slim genoeg om een rebel aan zijn borst te koesteren en zich te laten voorlichten. De filosoof genoot van die status: eindelijk een machthebber die zijn teksten niet alleen leest maar ook wil toepassen. Het paringsritueel kon beginnen.

Macht zoekt intellect, en intellect zoekt macht. Het samengaan van die twee zou men cultuur kunnen noemen, daarbuiten bestaat er niets.

Het “Centrum van de Verlichting” zoals Voltaire (de enige van het revolutionaire gezelschap die een schuilnaam gebruikte, ook interessant) al in die tijd werd genoemd, kneedde zijn aristocratische intimus intellectueel én emotioneel tot de status van “verlicht despoot”,- een dictator dus die niét lijdt aan een bunkervisie en elke revolutie kan overleven. Hun briefwisseling, die bijna het karakter krijgt van liefdesproza, suggereert een homo-erotische band tussen raadgever een heerser. Aldus Voltaire aan zijn beschermheer: “Wij zijn geboren met een hart dat dorst naar hartstochten en waaraan wij moeten voldoen zonder ons door die verlangens te laten beheersen. Een van de grootste zegeningen die wij de mensheid kunnen brengen is bijgeloof en fanatisme uitroeien, de machthebbers beletten degenen te vervolgen die anders denken”.

Macht zoekt intellect, en intellect zoekt macht. Het samengaan van die twee zou men “cultuur” kunnen noemen, er bestaat geen alternatief. Frederik is de leerling die onderwezen en geadviseerd wordt. Omgekeerd levert de filosoof zijn (op zich steriele, krachteloze) kennis  uit aan de wilskrachtige monarch die de theorie in praktijk kan omzetten, de potentie in act. Zo worden vijanden vrienden, mogelijk zelfs minnaars. Wat zou deze intieme evenwichtsoefening beter kunnen uitdrukken dan het beeld van twee in elkaar verstrengelde worstelaars? Andermaal: hoe kritisch is kritiek?

En om nu terug te keren naar Poetin: toen hij de superrebel Edward Snowden in 2013 asiel gaf, moet er bij die erudiete klokkenluider toch een belletje zijn afgegaan. Voltaire in Potsdam? Snowden in Moskou? Les extrêmes se touchent? Hebben rebellen en dictators meer gemeen dan verbetenheid? Is de postmoderniteit toch ouder dan we dachten?

Enfant terrible

De term “verlichte despoot” moet dan ook gezien worden als een eufemisme: het gaat gewoon over intelligente dictators en een tactische recuperatie van intellect. De fascinatie vSartrean linkse intellectuelen voor dat verlicht absolutisme is algemener dan men denkt, ze schijnen elkaar echt aan te trekken. Exemplarisch is de reis gebleven van Jean-Paul Sartre in 1954 naar de Sovjet-Unie, waarna hij in Libération de onbeteugelde vrijheid van mening bezong in dat land. Goelags? Nooit van gehoord. Later zou de Chinese dictator Mao-Tse-Toeng de nieuwe held van links in het Westen worden.

Een en ander doet ons uiteindelijk, in het zog van Theodor “Adorno (“Dialektik der Aufklärung”, 1947), twijfelen aan dat onding zelf, “Verlichting genoemd. Wie of wat wordt er verlicht? En waartoe? Mogelijk ging het heel de tijd, vanaf Machiavelli, al om een bereidheid van kritisch intellect om de macht op te zoeken, eerst als antithese, die langzamerhand in synthese overgaat. Anders gezegd: machthebber en dissident hebben elkaar nodig, hun agenda’s convergeren,- ze delen dezelfde instrumentele rede, zoals Adorno zou zeggen. Het gepeupel kijkt gewoon toe en applaudisseert.

Democratie als façadedemocratie: ze zal heel deze planeet veroveren. De free-speechcultuur is een meer geslaagde voortzetting van het verlichte despotisme uit de 18de eeuw.

Dat brengt ons naadloos bij het groot maatschappelijk debat, als apotheose van de Westerse democratie. Olalala, wat gaat het er heerlijk luidruchtig aan toe op facebook en twitter. Wat genieten we toch met volle teugen van de free speech-cultuur. Het is echter niét zo dat in de meningencultuur alle meningen even belangrijk zijn. Het zijn de zgn. opiniemakers, het zootje columnisten, die zich opwerpen als actieve performanten van de vrijemeningscultuur. De rest is decor. Het hysterisch-theatraal karakter van hun prominent ideeënliberalisme fungeert echter dikwijls als alibi en dekmantel voor een inbedding in de machtsstructuren.

Hoet

Jan Hoet, rebel en lakei?

Journalisten, schrijvers, kunstenaars, kunstpausen, heel de academische reutemeut, traditioneel left-wing, allen stellen ze zich aan als grote en kleine Voltaires in Potsdam. Hoe meer deze enfants terribles orakelen, gesticuleren en bekritiseren, hoe beter voor het systeem. Cultuursubsidies allerhande maken de reflux nog vloeibaarder. De klassieke én nieuwe (sociale) media fungeren als verbindingskanaal tussen de intellectuele wereld en het politieke universum, dat de kritiek verwerkt als feedbackinformatie, “advies” dus. Iets gelijkaardigs merkt men met een consumentenorganisatie zoals Test-Aankoop: als “kritische” observatoren leveren ze de markt waardevolle indices over productontwikkeling en bevorderen heel het winstgevende spel van behoeftencreatie en – bevrediging.

Tal van ombudsdiensten tenslotte perfectioneren die recuperatieve relatie tussen kritiek en systeem: de ombudsman, doorgaans betaald door de instelling aan wie de kritiek is gericht, kanaliseert het ongenoegen en rapporteert aan zijn broodheer. Zelfs een “kwaliteitskrant” als De Standaard heeft nu een ombudsman/pispaal in dienst: veel handelbaarder dan externe mediakritiek. De ombudsman is de nar uit de middeleeuwen: een aanzuigpunt van hekel en spot, waardoor de druk van de ketel gaat en het systeem geïnformeerd blijft. Democratie als façadedemocratie: er bestaat geen ander. De free-speech-cultuur is een meer geslaagde voortzetting van het verlichte despotisme.

Underground

Al deze voortzettingen van de lijn Machiavelli-Voltaire doen me ernstig twijfelen aan de mogelijkheid om een systeem, een maatschappijstructuur, echt te ondermijnen. De kritiek is voorbestemd om met zijn onderwerp te fusioneren. Niet één keer, maar telkens opnieuw.

Poetin kan nog afgezet worden (en vervangen door een andere al dan niet verlichte despoot), maar wie of wat kunnen wij nog afzetten? De democratie is per definitie het optimum (Churchill: “het minst slechte systeem”), dus zal elk politiek stelsel, waar dan ook ter wereld, evolueren naar een democratie waarin… de vrijemeningsuiting perfect is afgestemd op de continuïteit van de macht. Achter de politieke macht zit uiteraard de economische macht, de geglobaliseerde vrijemarkteconomie van de beurs en de bankensector, die als zelfbesturend mechanisme niet meer vatbaar is voor omverwerping.

De underground, het vrijwillig verzaken van media-aandacht en dus systeemrecuperatie, is het enige wat ons van de corruptie kan redden.

De existentiële afgrond van de dissident is dan onvermijdelijk. De idee dat de
staatsveiligheid mijn politiek-incorrecte geschriften tolereert, niet om me te
vervolgen maar om ze als “input” te gebruiken ter versterking van het regime,
maakt elke pen bij voorbaat corrupt. Waartoe nog spreken, schrijven, agiteren, als de gedoogcultuur universeel wordt? Met deze annulering van de revolutie, en de vaststelling dat kritiek alleen maar het tegendeel oplevert, namelijk meer van hetzelfde of een variatie erop, kunnen echte dwarsliggers maar één ding doen: recht naar de hel vertrekken. Er is nog één ding erger dan een Siberisch strafkamp, en dat is de intellectuele harem.

De underground, het vrijwillig verzaken van media-aandacht en dus systeemrecuperatie, is het enige wat ons van de corruptie kan redden. Verdwijnen in de absolute marge en ophouden met intellectuele consumptie-artikelen af te leveren. De vraag is, of dit mollenwerk dan nog cultuur kan genoemd worden. De diepbetreurde rebel én intimus van het Belgische vorstenhuis Jan Hoet zou dit met klem ontkend hebben.