Categorie archief: Macht, gezag, massa

Algemeen basisloon: lachwekkend of revolutionair?

Stel dat u het groot lot van Win for Life zou winnen: levenslang elke maand 2000 Euro op de rekening. Champagne. Maar zou u de rest van uw tijd in Gran Canaria doorbrengen aan een zwembad?

Even wel, maar niet te lang: een mens is niet gemaakt om te luieren. U zou op de duur toch terug aan de slag gaan, maar dan om een droom te realiseren of werk te kiezen dat u echt ligt. U zou wellicht zelfs veel harder werken dan voorheen. Dat is zowat de filosofie van het algemeen basisinkomen. Een Panoramareportage van 18 december vlooide het uit en liet een aantal verdedigers en critici aan het woord.

Kort komt het erop neer dat elke burger vanaf 18 jaar een basisinkomen krijgt van pakweg 1500 Euro (voor elk minderjarig kind 200 Euro er bovenop), of die nu werkt of niet. Noem het maar een algemeen leefloon. Het klassieke uitkeringsstelsel (pensioenen, kinderbijslag, werkloosheidsvergoeding,…) zou verdwijnen. Wil je toch werken,- want daar rekent het systeem natuurlijk op,- dan heb je natuurlijk een hoger inkomen, weliswaar stevig belast.

In een verloren gat in de Nambische woestijn is het naar ’t schijnt al eens met succes uitgeprobeerd en ontstond er zowaar een florerende micro-economie binnen communeverband. Maar nu wordt het idee in 2016 ook in Zwitserland, hét hart van het Westerse kapitalisme, de inzet van een referendum.

Eén ding is zeker,- de crisis is er niet vreemd aan: het thema leeft ook bij ons enorm. Vreemd genoeg niet in de politieke wereld, noch bij de regeringspartijen (uiteraard niet) noch bij de oppositie. Wel in de sociale media en alle mogelijk discussiefora op het internet. Veeg teken dat de politiek helemaal niet meer op de golflengte van de burger zit, maar vooral met zichzelf bezig is.

Onthaasting

De achterliggende filosofie van heel het idee is niet eens strikt economisch maar wel existentieel. We worden geleefd, consumeren en status hoog houden is de boodschap. Heel het carrièregebeuren lijkt op een genadeloze afvallingskoers. Depressies en burn-outs zijn schering en inslag. België is een trieste koploper wat betreft het gebruik van anti-depressiva en zelfmoorden. De gezondheidskost is enorm. Wie een job heeft, vecht om hem te houden, wie er geen heeft, raakt op de sukkel en drijft af richting OCMW. Eigenlijk is iedereen ongelukkig, behalve de happy few, en dan nog. Daar moet een model van onthaasting en ontmaterialisering tegenover geplaatst worden: opnieuw ruimte voor levenskwaliteit, duurzame ontwikkeling, meer harmonie in de driehoek werk-gezin-vrije tijd. Het basisloon ontlast ons van de dwang om te werken en schenkt ons het recht en het plezier om te werken. Een wereld van verschil.

Opmerking: dit model betekent niet het einde van sociale ongelijkheid. Integendeel: de ongelijkheid moet het systeem financieren. Het basisloon op zich is belastingvrij, het is met wat u en ik er boven op verdienen dat er fiscale inkomsten gegenereerd worden. Verder voorziet het systeem vooral een belasting op consumptie (gemiddeld 25%: basisproducten minder, luxegoederen meer) en op vermogen/meerwaarde. Dat betekent dus allemaal wel dat voldoende mensen zo gek moeten zijn om hard te werken, veel te verdienen, en een groot deel weer af te geven. Dat kan alleen, en daar zijn we weer bij de achillespees, als dat werk echt aantrekkelijk is en zelfs een behoefte op zich wordt. En als er voldoende natuurlijke solidariteit kan opgebracht worden voor deze herverdeling.

Tweede vaststelling: het model elimineert niet de armoede als dusdanig. Er zullen namelijk altijd mensen zijn die vanaf dag één hun maanduitkering verspillen of vergokken. Wat met hen aanvangen? In de goot laten liggen tot de volgende maand? Toch een vangnet? Onlangs bleek uit een studie dat een kwart van onze eersteklassevoetballers, met een gemiddeld netto-maandinkomen van 8.670 Euro, jawel, niet rond komt. Oorzaak: spilzucht, gokken, geld beleggen in dubieuze investeringen. Daar komt dus een portie (her-) opvoeding bij kijken. Waarbij de grijze zone die dit soort ‘slechte huisvaders’ aantrekt, bijna onvermijdelijk is. Het leven zoals het is.

Empowerment

Anders gezegd: het basisloon is geen binnenweg naar het paradijs, er zal net zo goed marginaliteit en criminaliteit bestaan als vandaag. Moeten we daarom treuren? Neen, want anders komen we uit in een Noord-Koreaans model waar een aantal zaken verplicht zijn en de rest verboden. Er moet dus het recht zijn op mislukken, het gaat met vallen en opstaan.

Toch is de pedagogische dimensie van het model een enorme uitdaging: door mensen een maandelijks rugzakje mee te geven, waar ze hun plan mee moeten trekken, ontstaat er een dynamiek van zelfwerkzaamheid, de zin om het lot in eigen handen te nemen, een zaakje op te starten… dat wat men tegenwoordig empowerment noemt.

Heel de zogenaamde onderkant van de samenleving, door mensen als Theodore Dalrymple geringschattend weggezet als het onproductieve restafval dat zijn ongeluk alleen aan zichzelf te danken heeft, wordt geactiveerd tot een stuk middenklasse waar ideeën opborrelen, economische of culturele projecten het licht zien, en spontane netwerken ontstaan.

Politiek-maatschappelijk is dat niet vrijblijvend. Doordat de dwang wegvalt om een job te vinden voor het strikte levensonderhoud, ontstaat er een beter evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Industriële processen zullen overigens in grote mate geautomatiseerd worden, het bandwerk en de routineklussen verdwijnen. Menselijk kapitaal, talent, en clusters van talent bewegen zich autonoom en flexibel binnen een economie die levenskwaliteit doet primeren op winst en groei-om-de-groei.

Het institutionele middenveld (partijen, vakbonden, allerlei met de overheid verstrengelde belangenorganisaties) verdwijnt ten voordele van ad hoc burgerinitiatieven.

Een sterk afgeslankte staat blijft op de achtergrond, als regulator, boekhouder, beheerder van de infrastructuur. Maar het zwaartepunt van de democratie verschuift naar onder, bij de basis, de autonome leefgemeenschappen, comités, buurten, wijken, kantons. Een stelsel van bindende referenda naar Zwitsers model staat borg voor evolutie en gedragen vernieuwing.

Koudwatervrees

Utopie? Ach, het vrouwenstemrecht en de betaalde vakantie werden ook ooit weggelachen. Maar anders dan deze sociale correcties, vormt het algemeen basisloon de hoeksteen én motor van de diepgaande maatschappelijke hervorming die we zo hard nodig hebben. Iedereen is het beu maar niemand weet waar het heen moet. Dit is tenminste een concrete piste, een perspectief dat droom en durf koppelt aan cijferwerk.

Waar de fameuze Panorama-reportage wel angstvallig om heen draait, is de vraag naar de haalbaarheid van het model binnen de Belgische constructie, een inefficiënt en mentale energieverslindend waterhoofd met een half dozijn regeringen en evenveel parlementen, en zonder culturele of taalkundige cohesie. Het idee van ontvetting van het staatsapparaat en van het overheidsestablishment leidt nochtans vanzelf naar de ontbinding van de Belgische constructie, vermits de becijfering van het model in aanzienlijke mate berust op een bestuurlijke vereenvoudiging. Geen van de pleitbezorgers (filosoof Philippe Van Parijs, ex-Vivant-bezieler Roland Duchâtelet, Piratenpartij-woordvoerster Sarah Van Liefferinge) durfde het aan om op deze consequentie te wijzen.

Net omdat het basisloon-idee, en alles wat daar rond hangt, in hoge mate uitgaat van sociale cohesie en burgerzin, is collectieve identiteitsbeleving essentieel. Daarbij komt dan nog het voordeel van de schaalverkleining die het idee van basisdemocratie veel dichter benadert. Kortom: een Vlaamse republiek is een veel meer haalbare kaart om die grote maatschappelijke omwenteling te organiseren dan een Belgische constitutionele monarchie naar 19de eeuws model waar alles draait rond compromissen tussen gemeenschappen, partijen, zuilen en belangengroepen.

Het is eigenlijk vreemd dat die zogenaamde progressieve denkers het republikeinse moment rateren: een koudwatervrees die hun draagvlak en geloofwaardigheid aanzienlijk verkleint. Waardoor hun model juist weer utopisch en virtueel wordt, een natte droom, geen project. Het neo-marxisme van Philippe Van Parijs is overigens al even gedateerd als de neoliberale ideologie die vandaag de wet dicteert. Er valt dus nog wel wat fris, onthecht denkwerk te plegen.

Ondertussen zitten we in Vlaanderen met een armoedepercentage van 12%. Ook de lagere middenklasse heeft nu de OCMW-drempel genomen en de voedselbanken ontdekt.

Eerder dan aan 19de eeuwse liefdadigheid te doen zoals Liesbeth Homans (N-VA) met haar 1 euro-gaarkeukens, is nu het moment gekomen om in Vlaanderen het debat rond het basisloon aan te zwengelen, als aanloop naar een herdenken van onze samenleving en het radicaal durven poneren van de geluksvraag. Ook de taboe’s rond migratie en open grenzen zullen moeten sneuvelen, wat Europa er ook van denkt: men kan geen filosofie van het basisinkomen en een sterke herverdeling ontwikkelen als de draagkracht daarvan ondermijnd wordt door ongebreideld uitkeringstoerisme. Ook daarin wijzen de Zwitsers de weg.

Benieuwd of uit dit debat ook politieke krachten kunnen geboren worden die deze republikeins-progressieve durf uitstralen en de gemiddelde Vlaming weten te verleiden.

Advertenties

“De los toros a los Moros”

Hoe architectuur macht (her)consolideert

Calatrava

Santiago Calatrava: New-York, WTC

In een van mijn acht vorige levens was ik cultuurconsultant bij een groot Vlaams architectenbureau. Dat beroep bestaat natuurlijk niet, ik had het gecreëerd zoals alle andere vorige beroepen, om me als filosoof een schijn van maatschappelijke relevatie te geven en daar zowaar een broodwinning aan over te houden.

Deze inside-ervaring was, zoals weer alle andere, een revelatie. Architecten, en meer nog de grote bureau’s en vedetten à la Frank Gehry, Rem Koolhaas en Santiago Calatrava, gedragen zich als kunstenaars met een roeping, terwijl ze eigenlijk vooral de usurpatie van de publieke ruimte door de macht moeten op muziek zetten.  Ze zijn de hogepriesters van deze tijd. De politiek, wanhopig op zoek naar “draagvlak”, loopt hen achterna en betaalt fortuinen aan gemeenschapsgeld om haar tanende macht alsnog te consolideren.

De artistieke hybris van iets dat in wezen maar een ambacht is, loopt perfect parallel met de noodzaak van de macht om zich ruimtelijk te legitimeren en te consolideren. Twee criteria zijn daarbij essentieel: het architecturaal kunstwerk moet opvallen én duurzaam, quasi-eeuwig zijn. Het zijn twee criteria voor monumentaliteit. Eens het er staat, zal het er altijd staan. Dingen die vergaan en verdwijnen zijn vrouwelijk, organisch, horizontaal en cyclisch. Ik ken geen enkele vrouwelijke architecte met enige naam of faam. Het komt er op aan het levend weefsel te kristalliseren tot een mannelijke, vertikale, lineaire en  onvergankelijke megaliet. De stad ruikt altijd naar de dood, ze is altijd nekropolis.

Architecten zijn de hogepriesters van deze tijd. De politiek, wanhopig op zoek naar “draagvlak”, loopt hen achterna en betaalt fortuinen aan gemeenschapsgeld om haar tanende macht alsnog te consolideren.

Daaruit volgt ook een derde vereiste: publieke architectuur moét geld kosten.  De eeuwigheid is nooit in aanbieding. De vedette-architecten vragen extravagante erelonen en verdubbelen minstens het initieel voorziene budget. Steden zijn er al quasi bankroet aan gegaan.

Het opvallend, haast uitdagend karakter van grote moderne architectuur is eveneens een kenmerk van discrete, versluierde macht: terwijl gebouwen van dictatoriale regimes saai en grijs ogen, pakt de democratie uit met flamboyante “landmarks” en oogverblindende constructies. De architectuur neemt zo de despotische retoriek van de macht over, en tiranniseert de ruimte met bouwsels die mensen eigenlijk niet kunnen “lezen”, maar waar ze zich ook geen vragen horen over te stellen.

La Monumental, of de arena herlezen tot moskee

arenaDe stad is dus de plek waarin de macht de burger gijzelt, in en doorheen de publieke architectuur. Elk gebouw, elke rotonde, elke brug, elk plein, vormt een dam tegen verandering en mentale mobiliteit.  Uiteindelijk is de stad, als bouwwerk, de objectieve vijand van de bewoner, en wordt het politieke forum de confrontatie, niet tussen politieke fracties onderling, maar tussen bovenbouw en onderlaag, macht/architectuur/netwerk enerzijds en civiele massa anderzijds. De eindeloos aanslepende discussie in Antwerpen over het BAM-tracé en het Lange-Wapper-Viaduct is in wezen een verhaal van bewonersverzet tegen een architecturaal overstatement waarmee de bouwheer, de stad en het Vlaams Gewest, zijn macht duurzaam wil verankeren en op een hoger symbolisch niveau brengen, zelfs over de machts- en coalitiewissels heen. Maar de Antwerpenaar lust het Calatrava-achtige viaduct niet en verkiest de onzichtbare ondergrondse pijpen waar politiek geen eer mee te halen valt.

Vandaag woedt in de Antwerpse zusterstad Barcelona een discussie over wat er met de oude stierenvechtersarena La Monumental (let op de naam) moet gebeuren. Dit bakstenen gebouw uit 1924 was een van de cultplekken waarin de Madrileense cultuur, verbonden met de stierengevechten, zich in Catalonië had ingeplant. Vandaag echter, met het groeiende Catalaans onafhankelijkheidsbewustzijn en het ressentiment tegen Madrid en zijn centralisme, zijn stierengevechten not done, en wordt de arena gelezen als de representatie van een bezettingsmacht.

Op zich is dat een democratisch topmoment: officiële, apologetische architectuur die gecontesteerd wordt en waarvan de symboliek zelfs de volkswoede oproept. Op dat moment wordt het monument of cultplek gedeconstrueerd tot een document of leesbaar, bekritiseerbaar object,- begrippen die de Franse filosoof Michel Foucault introduceerde.

De herbestemming van matador-arena tot moskee is uiteindelijk een middel om de stad, sowieso cultureel al sterk geformaliseerd, definitief aan de burger te onttrekken.

Logischerwijze zou het gecontesteerde monument dan moeten gedynamitteerd worden, maar dat gebeurt in Barcelona niet. Het gebouw staat er en men aarzelt, juist om redenen van duurzaamheid, om het af te breken. Er werd naar een herbestemming gezocht, en die vond men in het project van een grote stadsmoskee, nota bene te financieren met Quatarees geld.

De macht leest haar monumenten dus anders: als de symbolische inhoud van een bouwwerk dreigt teloor te gaan, wordt er gezocht naar een andere inhoud zonder dat het bouwwerk “ontheiligd” wordt. Een fatale dynamiek: de politiek-culturele terreur van de stierenvechtersarena wordt vervangen door een terreur van een nog grotere orde, namelijk die van een moslimtempel, en dat in een land dat er eeuwen over heeft gedaan om de Arabieren terug te dringen. Moskeeën zijn niet meer voor ontheiliging vatbaar, de Koran voorziet er zelfs geen procedure voor. Het stadsbestuur van Barcelona beseft in haar multiculturele weldenkendheid niet wat voor een hypotheek op de toekomst dat betekent: een voor “heidenen” verboden plek die nooit meer kan teruggevorderd worden.  In feite bevestigt de architectuur daarmee haar hegemonie en haar oerfunctie van gecondenseerde macht, de macht die de levende polis in bedwang houdt.

LuccaDe opwaardering (upcycling) van arena naar moskee is het omgekeerde van wat politiek-democratisch had moeten gebeuren ter vervanging van de sloping: men had het gebouw moeten ontwaarden (downcycling) tot gewoon sportcomplex, winkelcentrum, supermarkt, of eventueel zelfs een woonblok. Dat laatste, de private toeëigening, is trouwens kenmerkend voor de manier hoe amfitheatersteden zoals Arles, Nîmes en Lucca (foto) ontstaan zijn: letterlijk door een privatisering van het oude Romeinse amfitheater tot wooncellen rondom het centrale speelplein.

De transformatie echter van arena tot moskee echter herconsolideert macht, investeert opnieuw in symboliek en dogmatiek, van een hoger, religieus-monotheïstisch niveau. In het geval van de arena van Barcelona is de herbestemming tot moskee uiteindelijk een middel om de stad, sowieso al sterk geformaliseerd, definitief aan de burger te onttrekken. De islamitische kathedraal wordt een no-go-zone voor autochtonen. Toeristen kunnen er zich nog aan de buitenkant aan vergapen, maar voor de bewoners is dit een onteigende, te mijden plek. Het Moorse verleden van Spanje en het multicultureel cosmopolitisme worden daarbij, vreemd genoeg, als argument gebruikt. De status van internationale cultuurstad, door de massale input van moderne architectuur bevorderd, dwingt tot dit soort evacuatie en maakt de stad uiteindelijk zelfs onleefbaar. De hersacralisatie en monumentalisering van deze metropolen is op die manier het sluitstuk van een nieuw, postmodern bevoogdingsproces waarin macht moeiteloos een matadorcultuur uitwisselt tegen een sharia-regime.  “De toros zijn weg, de Moros komen”, grinnikt de Barcelonees cynisch. In het Vlaams: “Van de regen in de drop”.

Aldo Rossi en de vloeibare tegen-stad

Rossi1

Aldo Rossi: “Het kabinet van Pinocchio” (1989)

Zo wordt de burger een gevangene in eigen stad, een bewoner met een enkelband, die wel enig soelaas vindt in koopcentra of pretparken, vluchtheuvels en Foucault-achtige heterotopieën, maar voor de rest geprangd zit tussen publieke functies die architecturaal gesigneerd zijn als machtselementen. Ik denk aan stations, bibliotheken, cultuurcentra, (uiteraard) stadhuizen,- en dus nu de moskeeën.

In zo’n urbane kolonie kan men zich alleen binnenhuis verstoppen en de buitenwereld vergeten, tenzij men voor een andere optie kiest: het half-klandestien opbouwen van de tegen-stad die een mobiele, drijvende of rijdende stad is. Het nieuwe nomadisme dus, binnen en buiten het stedelijk netwerk, maar altijd onderweg en tamelijk autonoom. Anders gezegd: zet wielen onder uw huis en migreer constant. De privé-architectuur zal het dissident gebaar moeten stellen.

De tent, of beter nog, de woon-wagen, wordt het nieuwe woonmodel van de 21ste en de 22ste eeuw. Eén enkele vedette-architect zag die stadsvlucht-binnen-de-stad aankomen, namelijk de  Milanese architect Aldo Rossi (1931-1997). Ik heb met zijn bureau samengewerkt, hetgeen resulteerde in het boek “Passione Urbana, de droom van Aldo Rossi ontrafeld”.

Rossi hoort in het rijtje thuis van Gehry, Calatrava en Koolhaas, met dat verschil dat hij in zijn vrije tijd aan anti-architectuur deed: hij tekende woonwagens en droomde van een mobiele stad, die als een volkstheater fungeerde waarin niet de macht maar wel de vlottende burger de toon zet. Deze Pinocchio-figuur hoort tot een post-civiele samenleving waarin de stad niet meer dirigeert, centraliseert, kanaliseert, maar een loutere vrijhaven wordt voor semi-nomaden. Ongezien hoe een ster-architect zijn eigen status deconstrueert.

De private architectuur zal het dissident gebaar moeten stellen. De tent, of beter nog, de woon-wagen, wordt het nieuwe woonmodel van de 21ste en de 22ste eeuw.

Er wordt zelden bij stilgestaan dat wij, ondanks 10000 jaar sedentaire cultuur, meestal onderweg zijn. De woning is een slaapwoning, overdag zijn we meestal elders. Maar ook tijdens vakanties trekken we erop uit en ontstaan groteske migraties, reusachtige files op weg naar overbevolkte stranden: het massatoerisme imiteert de grote volksverhuizingen uit de vroege middeleeuwen. Mobiliteit is niet rationeel, het is instinctief. Alle pogingen om haar te plannen mislukken. De vraag blijft trouwens waarom we, eens we een dak boven het hoofd hebben, daar ook zo snel mogelijk van onderuit willen. Zelfs mensen die een huis hebben gebouwd, proberen datzelfde jaar nog op vakantie te gaan. Waarom? Gewoon om de buren te imponeren? Een overblijfsel van prehistorische Wanderlust? Zij we allemaal nog ergens zigeuners die men in permanente asielcentra poogt onder te brengen? Misschien ligt een nieuwe bron van bescheidenheid voor de architectuur wel in het inzicht dat ze het leven niet meer sedentair kan vatten of insluiten, en dat ze hooguit schuilplaatsen (shelters, abris) of aanlegsteigers kan aanleveren.

Rossi2

Aldo Rossi: “Stad op stelten” (1981)

Uiteindelijk is de stedelijke camping de plek waar heel het architecturaal machtscomplex onzeker en broos wordt. De burger-nomade wisselt van verblijfplaats, van levenswijze, van netwerk, mogelijk zelfs van identiteit. Communiceren, zich documenteren en alle administratieve afwikkelingen doet hij via de cyberruimte, niet via de fysieke landmarks.

De manier anderzijds hoe de Vlaamse regering de zgn. woonbonus in stand tracht te houden (subsidies bij aankoop van een huis), en daarmee zelfs de vastgoedprijzen de hoogte injaagt, illustreert hoe sterk het systeem gericht is op verankering. De mobiliteit van de huurder, die ook gepaard gaat met een sociale en zelfs culturele mobiliteit, moet gefnuikt worden ten voordele van een sedentair kadaster, dat in de limiet eindigt in de suburbane verkaveling of de fermette, levenslang af te betalen door volgzame werknemers die ook op professioneel vlak niet durven migreren.

Aldo Rossi wijst een heel andere weg: terwijl hij overdag monumenten tekent, breekt hij ze ’s nachts af en vervangt ze door de gedroomde, vloeibare theaterstad op wielen. Misschien is de kermis een goede metafoor: ze verplaatst zich niet van stad tot stad, ze is zelf een reizende stad. De klassieke architectuur, als spiegeling van de macht, wordt daarmee betekenisloos en leeg. De stad wordt eindelijk zoals het leven zelf: elke dag af te breken en herop te bouwen. Telkens nieuw, telkens anders.

Johan Sanctorum: “Passione Urbana: de droom van Aldo Rossi ontrafeld” (Roularta, 2006)

In het Engels vertaald: “Passione Urbana, unravelling Aldo Rossi’s dream”

 

 

 

 

Villa Politica, of de leegte van het machtsspel

dwvdirupo Nu het ons voor de Belgische verkiezingen duidelijk is gemaakt dat we enkel nog voor of tegen Bart De Wever kunnen stemmen, in casu “tussen het PS-model en het N-VA-model”, kunnen we spreken van een polarisatie, en dat heet goed te zijn voor de kwaliteit van de democratie. Zelf heb ik altijd in polarisatie geloofd, het zijn de uitersten die het politieke debat zinvol maken. Herakleitos (“De oorlog is de vader van alle dingen”) is altijd mijn filosofische Urheber geweest. Maar de laatste tijd heb ik mijn twijfels. Is dit wel een echt duel, of lijkt het meer op een geënsceneerde worstelpartij? En wie ensceneert er dan eigenlijk? Met welk oogmerk? Cui bono? Wie heeft er baat bij?

Het ultieme pre-electoraal essay, dat alle rode potloden wil onscherp maken en alle stemcumputers viraal infecteert.

1.  Plutocratie: de zoektocht naar de onbewogen beweger

parlementDe vraag wie het debat tussen Di Rupo en De Wever, links en rechts, zou winnen, is veel minder essentieel dan de vraag wie het organiseert en bemeestert. De media? Maar wie zit er achter die media? De concerns? Het wereldkapitalisme? De G8? De Bilderberggroep? Een buitenaards dispatchcentrum in de Himalaya?

Deze vraag naar de plutocratie, de (geheime, discrete) macht achter en voorbij het politieke geharrewar, wordt veel te weinig gesteld.  Het vermoeden van een macht-achter-de-macht.  Wat Nietzsche omschreef als de “Wille zur Macht” gaat eigenlijk daarover: we bezitten geen macht, het is de macht zelf die ons bezit. Dus helpt ook het doden van tirannen niet, er komen er steeds weer andere in de plaats. De revolutie is een maat voor niets. En deze crux interesseert me als metapolitiek filosoof mateloos: wie of wat is voor deze herhaling verantwoordelijk?

In die zin is de doorsnee-analyse, dat Bart en Elio elkaar als tegenstrever uitkiezen, omdat hen dat goed uitkomt elk aan hun kant van de taalgrens, absoluut triviaal én veel te flatterend voor beiden. Ten gronde ben ik ervan overtuigd dat ze ook maar marionetten zijn en dat we moeten zoeken naar het subject achter deze oorlog. Of misschien wel achter elke oorlog. Waarom doen ze dit eigenlijk?   Onlangs woonde ik een hanengevecht bij, en dat was een eye-opener: die hanen hebben niets in de pap te brokken. Bij elk gevecht is er ook iemand die toekijkt en regisseert. Hij is de eigenlijke winnaar.

Doorheen het vermoeden dat alle polariteiten doorstoken kaart zijn, kunnen we nu eindelijk de overgeleverde Herakleitos-boutade helemaal tot het uiterste doordenken: de oorlog is de vader van alle dingen, dus is die vader ook de vader van alle oorlogen. Wie geeft dan nog om het kinderachtige duel tussen de zonen? De vraag naar de ultieme Godfather voert ons onmiddellijk naar de omvangrijke literatuur van de complottheorieën, die door geen ernstig mens au serieux worden genomen, en dat maakt ze des te plausibeler.

Ook Bart en Elio zijn maar kleine marionetten in een theater waarvan de regisseur heel moeilijk te benoemen is.

Compleet luidt dat Herakleitos-fragment overigens:

Oorlog is de vader van allen en koning van allen.
Sommigen laat hij goden zijn, anderen mensen.
Sommigen maakt hij tot slaven, anderen vrij.

Vader dus, met of zonder hoofdletter. Een niet-benoemde Koning. Herakleitos (en daarmee zijn voornaamste leerling, Friedrich Nietzsche) maakt de link tussen politieke kritiek, religieuze kritiek en psychoanalyse. Door die Vaderfiguur op te roepen (géén moederfiguur) maakt hij van de oorlog zelf eigenlijk maar een tragikomedie, een theaterstuk dat door Iemand van buiten het universum geschreven, bedacht, gedirigeerd is. Ergens moet er een absolute kracht zijn die, puur voor het plezier van het drijven zelf, al de rest in beweging zet. Onnoemelijke lichtheid en absolute zwaarte, in één formule vervat.  Deze hypothetische onbewogen beweger, noemen we hem Pluto, ensceneert de tegenstellingen… gewoon om zijn macht te bevestigen. Daarachter is er geen antwoord meer op de vraag “cui bono?”.

Elke grote complottheorie, die haast de kracht moet hebben van een scheppingsverhaal (scheppingsverhalen zijn trouwens de oervorm van de complottheorie), gist naar deze “transcendente” figuur, waarbij men moet bedenken dat talloze aardse godfathers als kleine regisseurs een klein vlooientheatertje mogen beheren. Elke dictator is maar een futiele stand-in voor Pluto, alias de Wille zur Macht, alias de Vader van Herakleitos.

De minachting voor het politieke bedrijf komt uit dat inzicht voort. Voor een echte alleenheerser zou ik nog buigen, maar alle dictators zijn slechts plaatsvervangers, stand-ins voor iets groter, onzichtbaar, ongrijpbaar. Om nog maar te zwijgen van verkozen politici. Macht is niet enkelvoudig, ze is gedelegeerd en uitbesteed, maar een criticus kan niet anders dan tenminste proberen het uiteinde van die ketting te vinden.  Een retrograde zoektocht naar de onbewogen beweger en oorsprong van alle tegenstellingen, waarbij men veroordeeld is om alle etappes en tussenpersonen in kaart te brengen. Ook de meest lachwekkende. Niccolò Machiavelli had minstens een vermoeden van die lange ketting. Hij is er halverwege afgevallen.

2. Democratie, of de macht van Niemand

stembureauDe ultieme machtsanalyse, als zoeken naar God via zijn plaatsvervangers: zeer snel worden zowel Elio di Rupo als Bart de Wever onooglijk klein, tot het formaat van dorpspolitici. Zij bespelen het publiek, en worden bespeeld.

Maar ondertussen is er natuurlijk ook de massa van de machtelozen, het publiek. Wat is de rol van het volk in deze enscenering? Pure toeschouwers? Schijn bedriegt, want in een democratie heeft het volk zelf de macht. Hoe kan dat? Hoe dit te rijmen met de complottheorie rond de onbewogen beweger?

Hiervoor moeten we weer uit een nieuw vaatje tappen, en het Nietzscheaanse gezegde “God is dood” toevoegen aan de Plutokratische algebra. We rekenen verder: als God-de-vader de oorlog ensceneert, én als God dood is, wie ensceneert dan de oorlog? Niemand? Inderdaad, de nagel op de kop: Mr. Nobody, alias de naamloze massamens, het andere uiteinde van de ketting. Diegene die geen enkele macht had, erft nu die macht, zonder ook maar enigszins te weten wat ermee aanvangen. Hij stemt dus, kleurt een bolletje rood, brengt de kemphanen in de arena. Lusteloos, volatiel, onvoorspelbaar, ongeïnteresseerd eigenlijk. En dat maakt die mijnheer Niemand, gek genoeg, tot een absolute schemertiran die de politieke klasse verwart en kwelt.

We vinden die omgekeerde slavernij vandaag terug in de politicus die zijn kiezers achterna loopt. Di Rupo en De Wever doen het beiden. Elk zijn ze veroordeeld om hun aanhang, die ze mathematisch vermeerderd willen zien, te behagen en naar de mond te praten. Bang zijn ze van de kiezer, de machteloze macht die willekeurig, haast blindeling zijn potlood laat vallen op het stembiljet.

Uiteindelijk schenkt ons de democratie de bestuurders die we verdienen, en dat zijn de dorpsburgemeesters, met een mix van sluwheid en domheid.

En zo is meteen het antwoord gegeven waarom we dat uiteinde van de machtsketting niet vinden: de Plutokratische logica heeft zich omgekeerd, en loopt van onder naar boven. De democratie is wel degelijk een feit, het volk regeert, maar het theater is er niet beter, schoner, fraaier op geworden. Integendeel. Een beroepsklasse van middelmatige demagogen heeft zijn intrede gedaan, volkspolitici die weten dat ze niets te zeggen hebben en dat ook niet erg vinden, want het is uiteindelijk een broodwinning als een ander. Het zijn sportlui, worstelaars, en spiegelen zich aan de sport, omdat ook hier de vedette leeft van zijn publiek. De sportvedette is de speelbal van de supportersmeute, zelfs zijn charisma bestaat maar bij genade van het publiek. Zo zijn we weer bij de hanengevechten, maar dan zonder Godfather.

Het volk regeert, wedt, kiest, bewondert, schiet af, zonder dat iets van boven uit, een willende macht, nog voor enig tegengewicht zou kunnen zorgen. Niets hindert nu nog de opstoot van het vulgus. Alleen door rond de pot te draaien, en net niet te zeggen waar het over gaat, verwerft de demagoog enig uitstel van executie. De demagoog, niet begrepen als “volksmenner” (dat is een slechte vertaling), maar als antenne die gedoemd is om de “signalen” van het volk op te pikken, wat dus “draagvlak” oplevert.

Anti-democratische cultuurpessimisten kunnen hier nu voluit gaan, en ze hebben gelijk: als de massa regeert, is het einde nabij. Uiteindelijk schenkt ons de democratie de bestuurders die we verdienen, en dat zijn de dorpsburgemeesters, met een mix van sluwheid en domheid. Plato voelde het aankomen, en dacht dat de filosofische koningen de wereld gingen redden. Een staatsgreep die mooi niet doorging: als het ultieme tegengewicht bovenaan verdampt, kan niemand de verticale top-down-ketting nog redden, ook geen verlichte despoot, zelfs niet met de meest edelmoedige en filantropische bedoelingen. De Atheense democratie was toe al geboren, Socrates had de straat al onveilig gemaakt.

3. Zoek de kip: Lysistrata – Xantippe

femenDe dictatuur deugt niet, de democratie nog minder. De machtsstrijd is leeg en wordt daarom steeds theatraler, een spel dat ons gaandeweg degouteert. Proefballonnen, leugentjes-om-bestwil, achterbaks gekonkel in de coulissen: als God niet dood was, viel hij ter plekke omver.

Des te meer wekt het verbazing, dat men vrouwen actief bij dit kinderachtig hanengevecht probeert te betrekken. Of beter: het past perfect in het plaatje, want echte, onzijdige toeschouwers die zich aan het publieke-politieke machtsspel onttrekken,- daar zit de zwakke plek van heel het circus.

Ik vernoemde Socrates –waarvoor Nietzsche een enorme minachting had-, maar eigenlijk wil ik het over Xantippe hebben, zijn vrouw die thuisbleef, zich niet met politiek bemoeide (was in het Athene van toen overigens niet toegestaan), maar hem desalniettemin probleemloos de baas kon. Hoe apolitieker de vrouw, hoe gevaarlijker ze is. Via de keuken bezit ze de macht om te belonen en te bestraffen, zelfs om te vergiftigen. Het verschil in levensverwachting tussen vrouwen en mannen heeft daar allicht mee te maken: er worden meer mannelijke partners geëlimineerd dan de statistieken laten vermoeden.

Deze zwarte-weduwe-moorden worden echter doorgaans vervangen door seksuele chantage: het is dikwijls veel leutiger om een man in bed de geneugten te ontzeggen, dan hem simpelweg om te brengen. Mannen hebben vrouwen meer nodig om hun lust te bevredigen, dan vice-versa. Terecht spreekt men van het huwelijk als geïnstitutionaliseerde prostitutie, met dien verstande dat ook hier de echtgenote/concubine de touwtjes in handen heeft door voorwaarden te verbinden aan de penetratie door de echtgenoot/cliënt. Anale seks staat aan de top. Vrouwen hebben er niets aan, maar als pasmunt en drukkingsmiddel is het voor hen een zegen. De dag dat vrouwen gemeenzaam beslissen om op die manier een politieke partij te promoten, zijn de dagen van alle andere partijen geteld.

Het beste wat vrouwen kan overkomen, is het verlies van hun stemrecht. Dan geldt weer de wet van bed en keuken, en daar heeft de man geen verhaal. 

Uiteraard moeten we hier verwijzen naar Lysistrata, de komedie van de Griekse kluchtschrijver Aristofanes, waarin vrouwen zich op een onorthodoxe manier mengen in de Atheens-Spartaanse oorlog (Di Rupo – De Wever?) door de kemphanen aan beide zijden met een seksstaking te confronteren. Tussen de lakens dooft elke politieke machtsstrijd uit. Zie DSK en alle andere fallokraten. Onnodig te zeggen dat daarmee elk hanengevecht snel zijn glans verliest: vrouwen hebben geen politiek nodig, maar omgekeerd des te meer. Noem het de buitenspelval van Lysistrata (letterlijk: “zij die de macht ontbindt”) en Xantippe.

Wellicht daarom werd enkele dagen geleden een campagne opgestart om meer vrouwen in de politiek te krijgen, onder het motto “Let’s make it fifty-fifty”. Evenveel vrouwen als mannen in de regering, luidt het devies, en liefst ook in de administratieve topambten en alle parlementen die dit land rijk is. Een aantal politieke boegbeelden zet er zijn schouders onder. Vreemd genoeg een aantal oude ratten uit de tijd dat de dieren nog spraken en politiek een mannenzaak was, zoals Mark Eyskens, Herman de Croo en Willy Claes. En dat is heel logisch: een politieke recuperatie van het vrouwelijk electoraat is essentieel om een seksstaking – of erger- te vermijden.

Het vrouwelijk stemrecht, én deze “Make it fifty-fifty”-actie, hebben vooral tot doel om deze infra-politieke vrouwelijke subversie te bezweren.  Geef ze status, laat ze ook een petje dragen, en de dreiging van de keuken én het bed neemt af. Zo wordt die stem-vrouw-actie het summum van subtiele macho-strategie.

De conclusie is,- en het is niet de eerste keer dat het hierop uitdraait,- dat alleen buitenpolitieke krachten de machtslogica kunnen doorbreken. Vrouwen, blanco-stemmers, misschien zelfs dieren (die net daarom ook ooit wel stemrecht zullen krijgen, eens ze een “doelgroep” vormen). Het aantal blanco-stemmers en thuisblijvers in België (waar de opkomstplicht geldt) ligt nu rond de 15%. Dat is al de omvang van een middelgrote partij. Met de toenemende leegte van het machtsspel en de holheid van de woorden, wordt ook stemmen zelf een zinloze bezigheid.

Het beste wat vrouwen kan overkomen, is het verlies van hun stemrecht (in België ook een stemplicht). Dan geldt weer de wet van bed en keuken, en daar heeft de man geen verhaal. Dan komen heel andere scenario’s weer aan bod, waarin de oorlog en de kiesstrijd stilvallen wegens privé-problemen. Keuken, haard en bed zijn de drie gevarenzones, door de Grieken gezamenlijk als “oikos” betiteld, als tegenpool van de publieke “polis”, alias de Villa Politica.

Zo komen we eindelijk tot de enige echte oorlog die alle andere in de schaduw stelt, de meest extreme maar ook de meest opwindende: de oorlog tussen de seksen, het echte onderwerp van Aristophanes’ klucht. Met een gerust geweten kunnen we voor elk TV-debat de knop omdraaien en die ene Grote Oorlog voortzetten waar we gestopt waren.

 

 

 

 

 

 

Samen-leven als perfecte (zelf)moord

Criminologen en liefhebbers van misdaadromans kunnen dagenlang doorbomen over de manier hoe een perfecte moord zou kunnen gepleegd worden. De regels die altijd terugkomen zijn: geen naspeurbaar motief en ook geen duidelijke oorzaak.  In de limiet zou er van moord zelfs helemaal geen sprake zijn en houdt men het bij een “natuurlijk overlijden”.

Hier wordt het ook voor een filosoof interessant. Hoeveel “natuurlijke overlijdens” in ons midden zouden wel helemaal niét natuurlijk zijn? Het blijft giswerk en speculatie uiteraard. Er wordt overal en overvloedig gestorven, maar het aanwijzen van een dader en een motief blijft een zeer marginale uitzondering. Toch zou men, met een beetje paranoia, de zaken kunnen omkeren en het natuurlijk overlijden als een uitzondering beschouwen op een veel bredere, meer impliciete regel dat we allemaal elkaar om zeep helpen.  Een inleiding tot de crimisofie.

Stress en sociale homicide

etrangleur  “Gij zijt de nagel van mijn doodskist”, zei mijn grootmoeder altijd, toen ik weer eens de verkeerde krant uit de winkel had meegebracht. Per ongeluk, maar toch. En gelijk had ze: wellicht heb ik haar leven met maanden verkort door telkens weer die cholerieke stress uit te lokken, die gepaard gaat met een verhoging van de cortisolspiegels in het bloed, wat op langere termijn leidt tot een afbraak van het immuunsysteem.  Rekening houdend met het feit dat in ons dichtbevolkt universum iedereen iedereen regelmatig op de zenuwen werkt, zou men dus kunnen spreken van een langzame, onzichtbare slachtpartij. We doden elkaar, uit verveling, uit ergernis, of gewoon… per ongeluk. Niet met mes of pistool, maar via het traagwerkend gif, geproduceerd door de sociale interactie zelf.

In een intensere mate kan het dan gaan om pesten of stalking, die het slachtoffer tot zelfmoord aanzetten, zie de recente facebookmoorden. Maar dat hoeft eigenlijk helemaal niet. Moreel veel geruststellender is het om alles binnen de normale perken te houden en de modale druk op de omgeving aan te houden,- waarbij u uiteraard moet bedenken dat uzelf ook het mikpunt bent van die stille agressie.

We hoeven dus elkaar helemaal niet op te eten. Er voor elkaar zijn is al erg genoeg, zoals Sartre ons meedeelde: L’enfer, c’est les autres. Wat op zijn beurt dan weer te maken heeft met overpopulatie, te dicht op elkaar leven, te afhankelijk zijn van elkaar, én van een alles regulerende overheid.

Verstrooidheid, onverschilligheid, alle vormen van tactloosheid zijn goed om de stresshormonen bij anderen op te wekken die ook mijn grootmoeder finaal hebben genekt.

Men mag stellen dat, ondanks de vooruitgang van de medische wetenschap en de daarmee verbonden verlenging van de levensverwachting, dit effect minstens voor de helft terug geneutraliseerd wordt door de sociale homicide en de sluipende vormen van zelfvergiftiging in en door de omgang. De charade van het assisenhof toont ons dan enkel de abnormale, compleet uit de hand gelopen gevallen van doding. Voor de rest verloopt alle sociaal geweld heel banaal, discreet, gewoon, doodgewoon.  Er zijn duizend manieren om stress op te roepen. Iemand negeren, of juist overbevragen. De sloddervos uithangen bij een netheidsmaniak. Te hete soep opdienen, iemand lang laten wachten, met een doofstomme een gesprek over Mozart beginnen. Verstrooidheid, onverschilligheid, alle vormen van tactloosheid zijn goed om de stresshormonen bij anderen op te wekken die ook mijn grootmoeder finaal hebben genekt.

Blijft dan natuurlijk nog de vraag naar de intentie: willen we echt de dood van de andere? Neen, allicht niet, of toch wel, en hier komt Freud ons gelukkig te hulp. Want gezien de moraal ons dat soort moordplannen verbiedt, hebben we hen verdrongen in de diepere lagen van ons onderbewustzijn. Niemand wil/mag dus nog een moordenaar zijn, maar iedereen doodt en lokt een “natuurlijk overlijden” uit, het ene na het andere, tot men zelf aan de beurt is.

Daarmee hebben we zowel motief, gelegenheid als middel voor de perfecte moord. En die heet: samen-leven. Meer moet dat niet zijn.

Death Nurse: dialectiek van de zorg

verpleegsterMet de moraal zijn we uiteraard nog niet klaar. Want wat doen we met begrippen als altruïsme, empathie, solidariteit… liefde? Juist, laat ik een extreem geval nemen.

Onlangs is een vriend van me gestorven die er vrij warmpjes inzat. Hij laat een treurende weduwe na, een stuk jonger dan hij. Iedereen is altijd vol lof over haar geweest, hoe ze hem vertroetelde, heerlijk kon koken, niets was te veel. Van dag tot dag zagen we hem ronder en blijer worden. Ook in bed was het heel druk, naar hij me ooit toevertrouwde: elke dag meerdere keren feest. Uiteindelijk is hij aan een infarct gestorven, te wijten aan overgewicht van al dat lekkers en, tja, vermoedelijk toch ook wegens de overmatige seksuele inspanningen waar ze hem toe dreef.

Natuurlijk kan men de weduwe niets verwijten, en alle geruchten over het uitzicht op de erfenis zijn pure laster. Dus houden we het misschien bij vertroetelen en vetmesten als… de perfecte moord. Niets aan de hand. Idem dito voor papa en mama die hun kinderen wekelijks verwennen met een McDonalds-menu: hamburgerrestaurants danken een groot deel van hun omzet aan dit soort ouderliefde. Toch gaat het, zoals iedereen ondertussen weet, om caloriebommen, doordrenkt in suiker en vet, die obesitas en diabetes veroorzaken. Puur vergif dus. Ongemakkelijk moeten we hier weerom Freud als joker bovenhalen: mogelijk speelt er bij die liefdevolle ouders een onderbewuste drang om van de kinderlast af te geraken, ook wel het Glaukos-complex genoemd, naar de Griekse mythe van koning Minos wiens zoontje in een honingvat verdronk.

Het verwennen is dus een tamelijk morbide bezigheid: het is agressie die eruit ziet als empathie. In alle mogelijke sociale activiteiten zou, onder de dekmantel van bezorgdheid en menslievendheid, minstens een component kunnen sluimeren die net in de andere richting wijst. De mantelzorg, vaak gezien als een extreme vorm van naastenliefde, heeft een binnenzak met een eigen, kleine, zwarte agenda. De hoogbejaarde oma en opa in huis nemen bijvoorbeeld: kinderen kunnen hen tot een hel worden en de stress-hormonen de pan laten uitspringen, wat de oudjes uiteraard nooit zullen toegeven. Elke reddende hand uit het moeras is ook een duwende hand. Elke omhelzing is de aanzet tot een wurggreep.

Ook liefde en naastenliefde kunnen knellen, verstikken, doden. Al dan niet met voorbedachte rade.

Zo krijgt die veel geroemde menselijke eigenschap van mede-lijden een dubbele bodem. Waarom voelt iemand met u mee? Wanneer wordt empathie plakkerig en drukkend? Wat kan die injectienaald allemaal bevatten? Het archetype van de verpleegster is samengesteld uit dat van de reddende engel en dat van de doodsbode. Met de regelmaat van een klok lezen we van bejaardenverzorgsters die hun patiënten doden. Soms voor de erfenis, of uit stress, maar soms ook, nu ja, uit menslievendheid. De liefde van het verstikkende kussen. Heel het euthanasiedebat is een afgeleide van deze ambiguïteit, cirkelend rond de vaststelling dat ook het doden uit medelijden de koelbloedigheid van een moordenaar vereist.

De dialectiek van de zorg slaat tenslotte zelfs op het brede fenomeen van de moderne verzorgingsstaat en de sociaaldemocratie. De discussie in de VS rond Obamacare, het nieuwe sociale zekerheidsstelsel dat door de huidige president in de steigers is gezet, gaat over die problematiek van het “verstikkende kussen”: iemand helpen is tegelijk iemand verzwakken, inkapselen, doden.  Heel het complexe apparaat van de zorgsector is tegelijk levensbevorderend én (eu-)thanatisch: de overheid als death nurse. Er is geen goede kant aan barmhartigheid: beoefent men haar, dan doodt men. Beoefent me haar niet, dan doodt men ook. We beseffen dat wel, ergens in ons binnenste, en proberen het idee te verdringen.

Net daarom blijft de verzorgingsstaat in Europa overeind: het is het enige middel om moreel-correct iets aan de groeiende populatie van niet-actieven te doen. We kunnen de ouderen en de zwakkeren niet laten omkomen van de honger, maar hen doodknuffelen, laten verdrinken in de honing, waarom niet. Zeer snel inderdaad takelen bejaarden af, eens ze in een RVT (Rust- en VerzorgingsTehuis) zijn terecht gekomen, ook al krijgen ze de beste zorgen, of juist daardoor. Mishandeling of verwaarlozing zijn uit den boze. Het nietsdoen, de slome saaiheid en de zoete doodsgeur die sowieso altijd in die instellingen hangt, zijn op zich de ideale elementen van een stervensbegeleiding.

Don Juan, of de esthetica van de uitzondering

SMWelke levensles kunnen we nu trekken uit dit verhaal, waar we elkaar allemaal op een of andere manier naar de andere wereld willen helpen, hetzij uit rivaliteit, hetzij uit filantropie? Kortweg: geen. Het geweld is overal, het zit in ons en het komt op ons af. Hoogstens kunnen uitzonderingstoestanden ontstaan, waarin het genot en het plezier tijdelijk de overhand nemen op de machtslogica’s. Er ontstaat dan een esthetische dimensie die in de seksualiteit wordt beleefd, ook en vooral de extreme seks zoals S.M. Alle geweld staat hier in dienst van de lust, waardoor de dood zelf, en zijn strategie van de perfecte moord, even tussen haakjes komt te staan. Ik denk aan mijn overleden vriend en zijn genotsmomenten aan tafel en in bed: ook al beraamde zijn vrouw een snood plannetje, in de aanloop naar en tijdens het orgasme heeft dat weinig belang. Wie zou zo niet willen gaan?

Voor de filosoof Søren Kierkegaard was Don Juan de belichaming van deze esthetische visie. Hij is geen banale verleider maar een gedreven zoeker naar topmomenten, singulariteiten waarin het universeel jeu de massacre even tot stilstand lijkt te komen.  Don Juan vervolgt en wordt vervolgd, alles ademt geweld uit, ook in de opera van Mozart. Maar tegelijk staan al zijn esbattementen, zowel het wapengekletter als die van de verleiding en het honingvat, in dienst van de pure lust, die zich tegenover de moraal stelt.

Uiteindelijk is het creatieve eveneens ingegeven door het lustprincipe, iets dat men doet voor het plezier, zonder sociale implicaties. Een gedicht schrijven of een taart bakken,- het zijn esthetische daden zonder agenda, zonder strategie.

De pure consumptie ervan, als genotsmiddel, evenzeer. Zelfs al is de taart vergiftigd, onze smaakpapillen vertellen het niet, en dat is het enige wat er op zo’n moment toe doet. De SM-seks is hier een sterke metafoor: in die toestand van opwinding ontpopt de death nurse zich, al is het maar heel even, tot echte liefdesgodin. Een uitzonderingsmoment dat zich helemaal buiten de samen-leving stelt.

Dat neemt noch de dood, noch het sterven, noch de homicide weg. Don Juan gaat er zelfs betrekkelijk snel aan ten onder, want ook voor de estheet wordt de sociale druk enorm naarmate zijn schuldregister vol geraakt. Toch is hij, in al zijn immoraliteit, een icoon geworden van het geweld dat zijn vervulling niet zoekt in de dood maar in de lust. En dat is dan ook de enige plek waar het leven zich aan de hel van de anderen onttrekt.

Kassablanka, of de ontembare kracht van onderbuikhumor

   Pleidooi voor meer seksisme en racisme

Aalst

Aalst, 2014, Voil Janetten

Gisteren, 21 maart, vierden ze bij de Verenigde Naties “The International Day for The Elimination of Racial Discrimination”. Uitstekend initiatief. Ware het niet dat onder het mom van antiracisme de vrijemeningsuiting onmerkbaar wordt ingesnoerd. Nu de politieke kruistocht in België tegen racisme en seksisme een nieuwe opstoot beleeft met dank aan Joëlle Milquet, is het veeleer zoeken naar vluchtheuvels waar de taboes nog genegeerd kunnen worden.

Daarbij dient in alle ernst de vraag gesteld worden naar de wortels van heel dat om zich heen grijpende complex van political correctness. Onmerkbaar versmallen de vrijheidsnormen richting de Carnavalsweek. Voor de rest mag niets meer. Via moralistische betogen rond antiracisme en antiseksisme vergroot de overheid haar greep op taal, gedrag en attitude. Het offensief komt zelfs niet in de eerste plaats vanuit conservatief-rechtse middens, maar veeleer vanuit “liberaal”-linksdenkende milieus.

Hoe resistent is de humor in dit alles? Viseren wij echt domme blondjes, negers, Marokkanen, homo’s, joden, of spotten we met het systeem zelf dat die grappen sanctioneert? En wat zijn de consequenties?

Utopisch denken, totalitair handelen, en politieke correctheid

De oorsprong van de teMohammedrm én van het fenomeen “politieke correctheid” liggen, eigenlijk niet verrassend, in het Amerika van de jaren ’70, toen de hippiegeneratie haar ideologie wou omzetten in een maatschappelijk systeem. Vrij snel botste het free speech-principe met de noodzaak tot conflictbeheersing, waarbij steeds maar meer werd geopteerd voor anticiperende politieke maatregelen die groepen, minderheden, enz. moest beschermen tegen de meerderheid (die haast als een fascistisch-totalitair corpus werd beschouwd). Deze minderhedendemocratie ontaardde vervolgens verder in een beteugeling van alle mogelijke gedragspatronen en taaluitingen die de maatschappelijke vrede zouden kunnen verstoren.

Naar de jaren ’80 en ’90 toe zou dit politiek-correcte denken vrijwel heel het politieke en mediatieke discours domineren. Onmerkbaar was men van free speech in full speech control terechtgekomen, en had het post ’68-denken de vorm aangenomen van een discreet totalitarisme, beheerst door een immer uitbreidende reeks taboes en don’ts. Tot op het hilarische af, zie de recente beslissing van het Gentse stadsbestuur om het woord “allochtoon” te schrappen.

Opmerkelijk is de idee van veiligheid en beveiliging achter deze doorgedreven political correctness. Ze spiegelt zich perfect aan de war against terror-doctrine van de rechterzijde, na 2001 en de aanslag op de WTC-torens.   Beide beogen ze de ideale maatschappij, de ene als gedachtepolitie, de andere via de alomtegenwoordige straatcamera en afluisterapparatuur. De veiligheidsobsessie van rechts en de politiek-correcte neurose van links zijn dus als het ware twee verschijningsvormen van dezelfde sociale utopie, die we, met dank aan George Orwell, kunnen ontmaskeren als één en hetzelfde regime van Big Brother.

Zo wordt het individu van twee kanten opgejaagd: enerzijds vanuit het linkse multiculturele harmoniedogma en de daaraan verbonden zelfcensuur (door de tegenstanders gekwalificeerd als “pensée unique”), en anderzijds vanuit het rechtse autoriteitsdenken dat veiligheid wil afdwingen met meer wetten, meer regels, meer repressie.

Linkse politieke correctheid en rechtse veiligheidsobsessie leiden beide tot hetzelfde Big Brother-syndroom. Humor is daar een antwoord op.

Met het oprukkende moslimfundamentalisme in Europa is die dubbele omsingeling van het individu in een nieuwe fase gekomen. Aan de politiek-correcte (“vrouwelijke”) kant ontaarde ze in een regelrecht Stockholm-syndroom, de affectie van de gijzelaar voor de gijzelnemer. Voortdurend wordt de vrijemeningsuiting ingeperkt en opgeofferd aan de eis van één groep om niet beledigd te worden, denken we bv. aan heel de soap rond de Deense Mohammed-cartoons in 2006. Aan de (“mannelijke”) rechterkant van de samenleving resulteert het fenomeen in een behoefte aan nog meer preventie en controle. Niemand stelt de straatcamera’s nog in vraag, ze zijn er gewoon… voor uw en mijn veiligheid.

In zo’n totalitaire veiligheidsdemocratie kan de subversiviteit nog maar van één kant komen: vanuit het in-dividu dat grenzen aftast, het gevaar zoekt en de macht uitdaagt. In twee opzichten, weerom: door de regels van de “goede smaak” te negeren, zelfs voorbij het wettelijke, en door zich ook echt als schietschijf op te stellen. Hier komt de humor in beeld. Niet deze van de kalendermoppen, maar de stoute, overtredende humor, gericht tegen de dubbele politieke dwangbuis.

Het is in dat Don Quixotte-achtig perspectief dat men het optreden moet zien van bijvoorbeeld de Franse komiek Dieudonné M’Bala M’Bala, wiens show  “Le mur” werd verboden, vanwege het antisemitisme. Mede dankzij de fameuze quenelle, het postmoderne fuck-you-gebaar dat door de censurerende overheid als een omgekeerde Hitlergroet wordt aanzien, overtreedt Dieudonné bewust alle regels van de politieke correctheid, maar ook van het wettelijk kader zelf. Het zijn echter niet de Joden die geviseerd worden: de Jodenmop is maar een middel om de taboemaatschappij zelf uit te dagen.

Humor en lichaamsvochten

KassablankaStill4

Guy Lee Thys: “Kassablanka” (2002)

Dieudonné bevindt zich daarbij in goed gezelschap. In 1905 publiceerde Sigmund Freud zijn studie “Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten”. Daarin wordt de mop ontleed als een uitbarsting van verdrongen drift. Hij onderscheidt daarin gradaties van subversiviteit. De goede, brave humor spreekt in metaforen, vermijdt conflicten en schikt zich naar de taboes. Sarcastische, scherpe, wrange humor anderzijds volgt uit een bruuske botsing tussen id en super ego, het onbewuste/driftmatige en het regelgevende. Het politiek-correcte kunnen we hier zonder meer gelijk stellen met dat super-ego,- datgene wat het plezier bederft en de lust onderdrukt. De associatie tussen humor (Latijn voor “vocht”) en de seksualiteit ligt dan voor de hand: de vertelde mop is een versluierde geslachtsdaad, liefst met een duidelijk en niet te lang uitblijvend hoogtepunt voor de man, terwijl vrouwen eerder een lange aanloop verkiezen, eventueel zonder “pointe”.

Humor kan dus eigenlijk maar ontstaan als tegenkracht in een min of meer repressieve omgeving, hetgeen overigens ook geldt voor cultuur en kunst an sich. Het verbod creëert de overtreding. Dat is eigenlijk exact wat Alain Finkielkraut zegt over het door de staat opgelegde antiracisme: het roept het racisme op, als krachtterm en stijlfiguur in het sociale theater. In de lagere regionen dus, bij het gepeupel alias de domme meerderheid welteverstaan. Op het internet en de zogenaamd ranzige fora. En in de voetbalstadions, waar de “racistische spreekkoren” verboden zijn en men vooral geen bananen naar donkerkleurige spelers van de tegenpartij mag gooien. Terwijl zoiets toch deel uitmaakt van het volkstheater, en het betaald voetbal daar een geschikte scène voor vormt, waartoe dient het anders.

Cultuur, zei u, met een grote C? Er zijn maar weinig kunstenaars die zich durven wagen aan het overschrijden van de politiek-correcte tabulatuur, vermits ze grotendeels in het systeem zijn ingekapseld. Men moet haast in de underground en de porno gaan om racisme en seksisme artistiek voluit te zien affirmeren. Schandaleuze cultcineasten zoals Lars von Trier maken er een handelsmerk van, echter altijd met het risico dat zijn jodenmoppen eindigen in een regelrecht Berufsverbot. Gedaan dan met lachen.

Er zijn maar weinig kunstenaars die zich durven wagen aan het overschrijden van de politiek-correcte tabulatuur, vermits ze grotendeels in het systeem zijn ingekapseld.

Dichter bij huis is er de film “Kassablanka” (2002) van de Antwerpenaar Guy Lee Thys, een groteske sociale satire, waarin een Vlaams rondneukend dom blondje, dochter van een verzuurde Vlaams-Blok-stemmer en zus van een neo-nazi-skinhead, het aanlegt met een Marokkaanse drugverslaafde homo, zoon van een wereldvreemde moslimpatriarch. Bimbo laat zich anaal pakken door makak. Een meer hilarische karikatuur van het multiculturele sprookje is moeilijk denkbaar. De film functioneert als één anekdotisch uitgedeinde racistische én sekistische mop die alle klassieke clichés door elkaar weeft, maar op zo’n manier dat de humor eigenlijk vooral het systeem uitdaagt, samen met de hegemonie van de cultureel-politieke elite die ons de politiek-correcte codes oplegt.

Dyab Abou Jahjah noemde de film niettemin een “belediging van de Arabische cultuur”, en dat was blijkbaar voldoende voor de collega’s van G.L. Thys om vooral niét in zijn voetsporen te treden, zeker niet na de moord op filmmaker Theo van Gogh in 2004. Het is dan ook niet vreemd dat het bij dit uniek experiment is gebleven. Er zijn me geen Vlaamse films bekend die het verder aandurfden om via Ensoriaanse humor de grenzen van de politieke correctheid te overschrijden. Met de hilarische satire “Camping Cosmos” (1996) van Jan Bucquoy leek nochtans een trend gezet, maar blijkbaar was vooral het viseren van de multiculturele samenleving een absoluut taboe. De schrik voor juridische vervolging ook, via het in 1993 opgerichte Centrum voor Gelijke Kansen en Antiracisme, deed schrijvers, kunstenaars en cineasten wel twee keer nadenken voor ze eraan begonnen.

Aus met de Witz

Pussy

Pussy Riot, Moskou, 2012

Het weze dus duidelijk: het probleem is niet de negermop, en zelfs niet de humorloze neger, maar vooral het systeem dat onze taal en denkpatronen tracht te stroomlijnen. In de optiek van Freud zal de subversieve humor net gedijen dankzij deze maatschappelijk-politieke onderdrukking. De vraag is alleen hoe rekbaar dit antagonisme is, en hoe lang Dieudonné M’Bala M’Bala nog vrij zal rondlopen. En of er nog een vervolg op Kassablanka komt. Als het sarcasme boven een bepaalde drempel uitstijgt, zullen de klachten wegens racisme onvermijdelijk worden en mag Dieudonné in de gevangenis moppen gaan vertellen, zo simpel is het.  Dat is dan de grap van de grap: humor die tegenstand voelt, neigt naar overdrijving en provocatie, om te eindigen tussen vier muren. Zie de onvergetelijke maar éénmalige act van Pussy Riot in de  Christus Verlosserkathedraal te Moskou.

Het ordinaire laarzenfascisme komt pas tevoorschijn als de humor dat groteske peil bereikt. In geen enkele periode werd er zo gelachen als tijdens de Weimar-republiek in het Duitsland van de jaren ’20. Tot de nazi’s zelf de politiek-correcte humor begon te introduceren met films als “Jud Süss”. Wie laatst lacht, best lacht. Hoewel, veel later circuleerde in kringen van Joden, die het overleefd hadden, volgende mop: “Weet je waar ‘Auschwitz’ vandaan komt? Het is aus met de Witz!”.

Lachen gebeurt altijd in het heden. Zoals seks overigens.

Hoe kritisch is kritiek?

Een stadsoorlog in Kiev, een omsingeling van de Krim-kazernes. Het zijn hoogdagen voor leerlingen in de politieke en militaire strategie. List en bedrog sluipen in dit verhaal: politiescherpschutters die rebellen blijken, krijgers in onherkenbare uniformen.

Veel meer nochtans dan deze ouverture tot een nieuwe Europese oorlog, intrigeerde me dMartine getuigenis van Abby Martin in de studio’s van de Poetingezinde propagandazender ”Russia Today”. Het nieuwsanker stak er zowaar een tirade af tegen Vladimir Poetin en de bezetting van de Krim. Nóg verrassender was de reactie van het regime: helemaal niets. Geen sanctie, geen ontslag, geen Siberisch werkkamp: ze kreeg nog net geen felicitaties. Na Pussy Riot is het blijkbaar tijd voor een nieuwe aanpak van Russische dissidenten, onder het motto: “Laat ze begaan”. Meteen was dit niet alleen de zoveelste gril van de nieuwe tsaar, maar ook een onthutsend spiegelbeeld van wat in onze eigen Westerse “vrije” samenleving gaande is.

Verlicht despotisme

Vladimir Putin

Poetin als judoka

Iemand moet Poetin duidelijk gemaakt hebben dat een kritische stem, toegekend aan de juiste persoon op een goed gekozen plek en tijdstip, meer bewegingsruimte voor een totalitair regime kan creëren. Die adviseur verdient zonder meer een medaille: hier is filosofische lectuur aan vooraf gegaan.

De Florentijnse filosoof-dichter Niccolò Machiavelli wees er in zijn “Il Principe” (1513) al op dat potentaten die zich alleen met vleiers omringen, hun ondergang tegemoet gaan. Er bestaat een soort entropiewet die zegt dat geïsoleerde macht, die enkel nog hoort wat hij wil horen, zijn greep op de dingen verliest en eindigt zoals Hitler in de Berlijnse bunker, mei 1945. Kritiekloze vleiers en ja-knikkers zijn de grootste bedreiging voor een heerser, ze dienen zonder meer gelikwideerd. Hitler besefte dat niet, Stalin evenmin (toen men hem wekte om te zeggen dat Duitsland Polen was binnengevallen, ontstak hij naar het schijnt in woede… tegen de leugenaar die hem die boodschap bracht).

De intelligente heerser luistert en gebruik kritiek als een hefboom voor zijn eigen macht. In dat opzicht getuigt het idee van de onbekende Poetin-raadgever om de rebel Abby Martin haar gang te laten gaan, van groot inzicht: allicht is hier de repressieve tolerantie terug uitgevonden.  Elke tegenstand is een hefboom naar méér macht (Poetin heeft niet voor niets een zwarte gordel judo). Dat maakt, bizar genoeg echter, ook de vranke journaliste tot een objectieve bondgenoot van het regime, om niet te zeggen een werktuig. Zelfs Pussy Riot en Femen kunnen op die manier gerecupereerd worden. Dat is interessant en verhelderend voor de manier hoe onze eigen vrijemeningscultuur functioneert. Hoe kritisch kan kritiek zijn?

De beruchte “vriendschap” tussen Frederik II van Pruisen en de revolutionaire filosoof VoltaireVoltaire geeft een verdere inkijk op deze synergie tussen macht en intellect. Frederik gebruikte Voltaire om slim te worden en op de hoogte te blijven van de tijdsgeest, terwijl Voltaire tussendoor spionneerde voor de Franse koning. Twee deugnieten waren het, elkaar waard. Ik wil het dan nog niet hebben over de minachting van Voltaire voor negers en zijn antisemitisme in illo tempore non suspecto. Voltaires legendarische subversiviteit, die hem tot op vandaag tot icoon van het kritisch denken en schrijven maakt, was voor een groot deel verweven met zijn positie van steuntrekker aan het hof van de Pruisische vorst. Deze was, in tegenstelling tot Louis XV, wél slim genoeg om een rebel aan zijn borst te koesteren en zich te laten voorlichten. De filosoof genoot van die status: eindelijk een machthebber die zijn teksten niet alleen leest maar ook wil toepassen. Het paringsritueel kon beginnen.

Macht zoekt intellect, en intellect zoekt macht. Het samengaan van die twee zou men cultuur kunnen noemen, daarbuiten bestaat er niets.

Het “Centrum van de Verlichting” zoals Voltaire (de enige van het revolutionaire gezelschap die een schuilnaam gebruikte, ook interessant) al in die tijd werd genoemd, kneedde zijn aristocratische intimus intellectueel én emotioneel tot de status van “verlicht despoot”,- een dictator dus die niét lijdt aan een bunkervisie en elke revolutie kan overleven. Hun briefwisseling, die bijna het karakter krijgt van liefdesproza, suggereert een homo-erotische band tussen raadgever een heerser. Aldus Voltaire aan zijn beschermheer: “Wij zijn geboren met een hart dat dorst naar hartstochten en waaraan wij moeten voldoen zonder ons door die verlangens te laten beheersen. Een van de grootste zegeningen die wij de mensheid kunnen brengen is bijgeloof en fanatisme uitroeien, de machthebbers beletten degenen te vervolgen die anders denken”.

Macht zoekt intellect, en intellect zoekt macht. Het samengaan van die twee zou men “cultuur” kunnen noemen, er bestaat geen alternatief. Frederik is de leerling die onderwezen en geadviseerd wordt. Omgekeerd levert de filosoof zijn (op zich steriele, krachteloze) kennis  uit aan de wilskrachtige monarch die de theorie in praktijk kan omzetten, de potentie in act. Zo worden vijanden vrienden, mogelijk zelfs minnaars. Wat zou deze intieme evenwichtsoefening beter kunnen uitdrukken dan het beeld van twee in elkaar verstrengelde worstelaars? Andermaal: hoe kritisch is kritiek?

En om nu terug te keren naar Poetin: toen hij de superrebel Edward Snowden in 2013 asiel gaf, moet er bij die erudiete klokkenluider toch een belletje zijn afgegaan. Voltaire in Potsdam? Snowden in Moskou? Les extrêmes se touchent? Hebben rebellen en dictators meer gemeen dan verbetenheid? Is de postmoderniteit toch ouder dan we dachten?

Enfant terrible

De term “verlichte despoot” moet dan ook gezien worden als een eufemisme: het gaat gewoon over intelligente dictators en een tactische recuperatie van intellect. De fascinatie vSartrean linkse intellectuelen voor dat verlicht absolutisme is algemener dan men denkt, ze schijnen elkaar echt aan te trekken. Exemplarisch is de reis gebleven van Jean-Paul Sartre in 1954 naar de Sovjet-Unie, waarna hij in Libération de onbeteugelde vrijheid van mening bezong in dat land. Goelags? Nooit van gehoord. Later zou de Chinese dictator Mao-Tse-Toeng de nieuwe held van links in het Westen worden.

Een en ander doet ons uiteindelijk, in het zog van Theodor “Adorno (“Dialektik der Aufklärung”, 1947), twijfelen aan dat onding zelf, “Verlichting genoemd. Wie of wat wordt er verlicht? En waartoe? Mogelijk ging het heel de tijd, vanaf Machiavelli, al om een bereidheid van kritisch intellect om de macht op te zoeken, eerst als antithese, die langzamerhand in synthese overgaat. Anders gezegd: machthebber en dissident hebben elkaar nodig, hun agenda’s convergeren,- ze delen dezelfde instrumentele rede, zoals Adorno zou zeggen. Het gepeupel kijkt gewoon toe en applaudisseert.

Democratie als façadedemocratie: ze zal heel deze planeet veroveren. De free-speechcultuur is een meer geslaagde voortzetting van het verlichte despotisme uit de 18de eeuw.

Dat brengt ons naadloos bij het groot maatschappelijk debat, als apotheose van de Westerse democratie. Olalala, wat gaat het er heerlijk luidruchtig aan toe op facebook en twitter. Wat genieten we toch met volle teugen van de free speech-cultuur. Het is echter niét zo dat in de meningencultuur alle meningen even belangrijk zijn. Het zijn de zgn. opiniemakers, het zootje columnisten, die zich opwerpen als actieve performanten van de vrijemeningscultuur. De rest is decor. Het hysterisch-theatraal karakter van hun prominent ideeënliberalisme fungeert echter dikwijls als alibi en dekmantel voor een inbedding in de machtsstructuren.

Hoet

Jan Hoet, rebel en lakei?

Journalisten, schrijvers, kunstenaars, kunstpausen, heel de academische reutemeut, traditioneel left-wing, allen stellen ze zich aan als grote en kleine Voltaires in Potsdam. Hoe meer deze enfants terribles orakelen, gesticuleren en bekritiseren, hoe beter voor het systeem. Cultuursubsidies allerhande maken de reflux nog vloeibaarder. De klassieke én nieuwe (sociale) media fungeren als verbindingskanaal tussen de intellectuele wereld en het politieke universum, dat de kritiek verwerkt als feedbackinformatie, “advies” dus. Iets gelijkaardigs merkt men met een consumentenorganisatie zoals Test-Aankoop: als “kritische” observatoren leveren ze de markt waardevolle indices over productontwikkeling en bevorderen heel het winstgevende spel van behoeftencreatie en – bevrediging.

Tal van ombudsdiensten tenslotte perfectioneren die recuperatieve relatie tussen kritiek en systeem: de ombudsman, doorgaans betaald door de instelling aan wie de kritiek is gericht, kanaliseert het ongenoegen en rapporteert aan zijn broodheer. Zelfs een “kwaliteitskrant” als De Standaard heeft nu een ombudsman/pispaal in dienst: veel handelbaarder dan externe mediakritiek. De ombudsman is de nar uit de middeleeuwen: een aanzuigpunt van hekel en spot, waardoor de druk van de ketel gaat en het systeem geïnformeerd blijft. Democratie als façadedemocratie: er bestaat geen ander. De free-speech-cultuur is een meer geslaagde voortzetting van het verlichte despotisme.

Underground

Al deze voortzettingen van de lijn Machiavelli-Voltaire doen me ernstig twijfelen aan de mogelijkheid om een systeem, een maatschappijstructuur, echt te ondermijnen. De kritiek is voorbestemd om met zijn onderwerp te fusioneren. Niet één keer, maar telkens opnieuw.

Poetin kan nog afgezet worden (en vervangen door een andere al dan niet verlichte despoot), maar wie of wat kunnen wij nog afzetten? De democratie is per definitie het optimum (Churchill: “het minst slechte systeem”), dus zal elk politiek stelsel, waar dan ook ter wereld, evolueren naar een democratie waarin… de vrijemeningsuiting perfect is afgestemd op de continuïteit van de macht. Achter de politieke macht zit uiteraard de economische macht, de geglobaliseerde vrijemarkteconomie van de beurs en de bankensector, die als zelfbesturend mechanisme niet meer vatbaar is voor omverwerping.

De underground, het vrijwillig verzaken van media-aandacht en dus systeemrecuperatie, is het enige wat ons van de corruptie kan redden.

De existentiële afgrond van de dissident is dan onvermijdelijk. De idee dat de
staatsveiligheid mijn politiek-incorrecte geschriften tolereert, niet om me te
vervolgen maar om ze als “input” te gebruiken ter versterking van het regime,
maakt elke pen bij voorbaat corrupt. Waartoe nog spreken, schrijven, agiteren, als de gedoogcultuur universeel wordt? Met deze annulering van de revolutie, en de vaststelling dat kritiek alleen maar het tegendeel oplevert, namelijk meer van hetzelfde of een variatie erop, kunnen echte dwarsliggers maar één ding doen: recht naar de hel vertrekken. Er is nog één ding erger dan een Siberisch strafkamp, en dat is de intellectuele harem.

De underground, het vrijwillig verzaken van media-aandacht en dus systeemrecuperatie, is het enige wat ons van de corruptie kan redden. Verdwijnen in de absolute marge en ophouden met intellectuele consumptie-artikelen af te leveren. De vraag is, of dit mollenwerk dan nog cultuur kan genoemd worden. De diepbetreurde rebel én intimus van het Belgische vorstenhuis Jan Hoet zou dit met klem ontkend hebben.

De allolalie van Natalia en het Vlaamse anti-establishment-gevoel

NataliaDe uitreiking van de Music Industry Awards, kortweg MIA’s, is een van die fatale nevenproducten van de kruisbestuiving tussen televisie en amusementsindustrie waaraan ik graag wil voorbijgaan. Te mijden, tenzij in geval van hersendood. Maar wat hadden we die zaterdag 8 februari ongelijk om weg te zappen van VRT-1! De glitterceremonie werd aaneengepraat door zangeres Natalia Druyts uit Geel, in een ongegeneerd Kempisch dialect (“Seg, mageekik da naa is oanrake want ik hem zo’n flauw vermoede dat ik vanoavond mè niks nor huis gon”), hetgeen zowaar politiek ongenoegen uitlokte, vooral in N-VA-middens, waar ene Wilfried Vandaele de stormklok luidde. Het AN bedreigd, de Vlaamse cultuur verkracht. Door een ingehuurde charmezangeres met een spraakgebrek.

Aantwaarps

Nu is die cultus van het Algemeen Nederlands in flamingante middens klassiek: de Vlamingen zouden hun culturele identiteit gastonleo1_vtmmoeten verdedigen door de taal te spreken van de VRT-nieuwslezers, vice-minister-president Geert Bourgeois, en de Vlaamse Academie voor Letterkunde.

Een absoluut misverstand: de Vlamingen hebben geen taal omdat ze geen cultuur hebben, en ze hebben geen cultuur omdat ze zich politiek in een eeuwig vacuüm bevinden. Wat het Frans is voor Frankrijk, het Duits voor Duitsland, het Engels voor Engeland en, jawel, het Nederlands voor Nederland, namelijk de status van cultuurtaal, zijnde de voertaal én omgangstaal van een “cultuurnatie”, ontbreekt in Vlaams België compleet. Door het mankeren van politieke zelfbeschikking bestaat er geen referentiecultuur, geen gemeenschapsvormende bovenlaag, alleen een verzameling subculturen en bijbehorende tussentaaltjes. Natalia demonstreerde weergaloos hoe de kleine Vlaming zich in dat vacuüm beweegt: met gebral en voor buitenstaanders quasi-onverstaanbaar gekwetter.

Het standaard-Nederlands in Vlaanderen is dus een spooktaal: iets voor hogere ambtenaren, mediafiguren en literatoren,- allemaal leden van een kaste die het politiek status-quo verdedigen van de Belgische (nu geconfederaliseerde) constructie. Het “schoon” Nederlands is in Noord-België de taal van de intelligentsia en de culturele elite, die tot op vandaag in hoge mate met de Belgische monarchie sympathiseert.

De gewone man/vrouw voelt zich in die bestuurstaal niet thuis. Het Algemeen Nederlands is voor ons plat, ééndimensioneel en anorganisch. Het is het Esperanto van de Vlaamse elite.

Het dialect daarentegen distantieert zich van de mandarijnentaal en meteen van het establishment dat die taal als standaard oplegt. Het is een uitdrukking van politieke dakloosheid of misschien wel statenloosheid,- zeg maar: een fuck-you-gebaar naar het regime én naar de gesubsieerde cultuurbureaucratie.

Het idiosyncratisch verzet in Vlaanderen is zelfs veel ouder dan de Belgische staat zelf, en dateert waarschijnlijk van de Val van Antwerpen in 1585, toen de Noordelijke Nederlanden zich van de Spaanse voogdij ontdeden en het Zuiden, zeker na de leegloop van de intellectuele bovenlaag, in grote mentale ontreddering achterbleef. Vanaf dan ook is het Aantwaarps als schuttingtaal haast de subculturele norm geworden. Vulgair, vuilgebekt, cynisch. De taal van Gaston en Leo en C°. Het Kempisch is er een rurale variant van.

De Literatuur met hoofdletter, deze dus van Lanoye, Hemmerechts en Mortier, staat er machteloos tegenover: ze heeft geen greep op het Vlaamse idioom met zijn 50 verschillende woorden voor “schommel”, naargelang streek en plaats. Ook in het sterk geïndustrialiseerde, hoogontwikkelde en dichtbevolkte Vlaanderen van de 21ste eeuw zijn tussentaal en dialect de abnorm. Hooguit probeert iemand als Brusselmans zich als volksmens te vermommen door tijdens TV-interviews ook een soort tussentaal te gebruiken, en regelmatig in roddelbladen als Dag Allemaal op te duiken. Tevergeefs. Schrijvers, kunstenaars en intellectuelen tout-court blijven iets van een andere orde, iets uit de bovenwereld.

Dulle_Griet_detail01

Pieter Brueghel: Dulle Griet (detail)

Foorwijf

De waarheid is dus dat de mayonaise van de Cultuurtaal bij ons gewoon niet pakt. Frankrijk heeft de eeuwige Sartre en Camus, Nederland W.F. Hermans en Mülisch, wij hebben enkel een stel praalhansen. En Gaston en Leo. Schrijvers worden, met hun keurig AN, beschouwd als lakeien (dat zijn ze ook, want een koninklijk lintje of adellijke titel is bij velen van hen nog altijd een levenswens). Ook dat zat verborgen in het idioom en de lichaamstaal van Natalia-de-waanzinnige: de afkeer van dit milieu. Radiopresentator Luc Janssen karakteriseerde haar als een “topfoorwijf”, en dat is verbazingwekkend accuraat: het vulgaire, het lelijke en het ranzige, de vuilbekkerij en het vloeken, zijn vormen van protest daar waar de politieke macht er een Gramsciaanse esthetica op nahoudt.

Waanzinnig, zei u? Jawel, er zit waanzin in Natalias’ systeem, en omgekeerd. Haar geboorteplaats Geel is daar uiteraard niet vreemd aan. Het verlaten van de standaardtaal en het spreken in “vreemde” (niet-geautoriseerde) talen werd in de middeleeuwen gezien als een symptoom van bezetenheid, een Satanisch kenmerk waarbij de persoon in kwestie zich helemaal te buiten gaat aan blasfemie. Het foorwijf tart de goegemeente en steelt het spektakel. Pieter Brueghel beeldt haar uit als de Dulle Griet, een ongelooflijk lawaaierig schilderij waarin men bij het eerste gehoor al Antwerpse en Kempische schetterklanken ontwaart. Pijn en hitte drijven dit Sinksenfoorwijf doorheen haar inferno. Het Antwerps kan men nog best vergelijken met een spraakstoornis na een beroerte. Niet-Sinjoren kunnen het, zo zegt de volkshumor, enkel spreken met een hete aardappel in de mond.

Zindelijk is het allemaal niet, tot afgrijzen van de ceremoniemeesters. Natalia kotst tijdens een uitreikingsplechtigheid op haar nette avondjurk en vervult de zaal met een solferachtige gele walm. Terecht protesteert de fatsoenspartij N-VA tegen deze blasfemie. De aanwezigheid van de duivel in deze logorrhee corrigeert de misvatting als zou het dialect een landelijke, bucolische of kleinsteedse charme in zich bergen. Integendeel, het is kenmerkend voor het (vrouwelijk) register van de hysterie. In het psychopathologisch jargon spreekt men van allolalie, een prachtig woord waarmee het uitkramen van wartaal wordt bedoeld.  Het uitbrengen van dierlijke geluiden, spasmen, het braken, het deponeren van vuil, uitwerpselen, spuug, menstruatiebloed, en allerlei secreten behoort evenzeer tot die fenomenologie van de bezetenheid.

Wartaal dus. Satan is overal, behalve in het Juiste Woord (eu-vangelion). Vandaag moeten we met de Franse filosoof Michel Foucault erkennen dat de kerk hier politieke dissidentie, vervat in het “anders zijn”, kwalificeerde als een bezetenheid van het Kwaad, waarna de exorcisten hun gang konden gaan.

Anarchitectuur

Dat brengt ons naadloos bij een tweede aspect van de subcultuur van de lelijkheid.   Sinds de 2de wereldoorlog is dit land wereldvermaard voor zijn ruimtelijke wanorde. De sluikbouwBoom, de koterij, de privé-architectuur van villa’s, huizen, huisjes en fermettes ademen anarchie en vervreemding uit, chaos. Alles staat schots en scheef, onder, tussen, boven en op elkaar. De consensus en de standaard lijken totaal afwezig, er is geen patroon tenzij de afwezigheid van regelmaat en planning. Het is een ruimtelijke cacofonie waar geen enkele administratie ooit greep op krijgt. Af en toe valt er wel eens iets onder de slopershamer, maar veel sneller neemt de chaos toe, naarmate de ruimte volgebouwd geraakt.

Buitenlanders kijken ernaar met enige vertedering, zich niet bewust van de politieke dimensie van die wanstaltigheid. Fotograaf Herman van den Boom, geboren in het grensplaatsje Essen, heeft er zich op toegelegd om die Belgische gekte in beeld te brengen. Zo in het fotoboek “Neighbours” (2011), waar het onsamenhangende centraal staat, combinaties van huizen en koten die zich zoveel mogelijk tegen elkaar proberen af te zetten, hoe dicht ze ook bij elkaar staan. Alles vloekt met elkaar, zelfs binnen één construct ontbreekt de eenheid en woekert de verstrooiing.

Er is hier evenwel een klein misverstand: de architecturale anarchie is, weerom, een typisch Vlaams fenomeen, geen Belgisch. Wallonië is, ook met zijn industriële rommel uit de 19de eeuw, best schattig, en Brussel is decennia lang verkeerstechnisch mismeesterd, politiek geüsurpeerd door betonbaronnen, doch echte koterij vindt men er weinig.    Maar Vlaanderen! Het Natalia-effect van de vuilgebekte subcultuur heeft zich doorgezet en getransformeerd tot een hyperindividualistische bouwtrant die via de lintbebouwing en de verkavelingsplanologie heeft geleid tot een onwaarschijnlijke stapelvorm van bakstenen graffiti. Dit is geen architectuur meer, dit is anarchitectuur.

Het lelijkste land ter wereld is ook het land met een ingebakken wantrouwen tegen de overheid en de bureaucratie. Bouwen op zich wordt een incivieke daad…

Het woord “eclectisme“ is hier een understatement: het gaat zonder meer om iconoklasme, beeldenstormerij, het intuïtief verbreken van regelmaat en het affirmeren van een hyperindividueel stijldialect, vloekend met de rest van de rij. Het ontbreken van een collectieve culturele identiteit is ook hier de bepalende factor: de Vlaming bouwt zijn huis van binnen naar buiten, tot hij ergens tegen de grens van de buur aanstoot. Deze buur blijft een vreemde, waarmee er dikwijls een haatrelatie ontstaat, want in bezet gebied is de vijand overal. Achterdocht is de fundering van de Vlaamse woontraditie.

Boom2Het lelijkste land ter wereld is dus ook het land met een ingebakken wantrouwen tegen de overheid en de bureaucratie. De straat is het raakpunt met de openbare orde waarop het huis onvermijdelijk aansluit, het regime dat de netwerken beheert. Aan de toevallige passant biedt die straat echter een horribele aanblik van particuliere non-stijlen die samen de regulerende overheid negeren, uitlachen, vervloeken. Dat is uiteraard een infra-politiek statement, gelijklopend met het verkavelingsvlaams van Natalia: de Vlaming drukt er zijn incivieke walg in uit.

En dat is meteen ook de reden van het gedoogbeleid tegenover de lelijkheid. De overheid laat begaan, omdat de wanorde uiteindelijk het systeem niet in gevaar brengt, integendeel zelfs. Vermits het een onderbuikfenomeen is, het aspect van een subversieve onderstroom, organiseert de anarchie zich nooit en blijft het bij hyperindividualistisch knutselwerk. De Vlaming verschanst zich, is alleen en verwerkt zacht vloekend zijn verkavelingsverdriet. Zo werkt ook de democratie in Vlaanderen: als een pispaal en schijtluik. Een opgeheven middenvinger, een idiosyncratisch manifest, maar ook niets meer. De Vlaming stemt op protestpartijen waaraan hij zijn onmacht delegeert: de revolutie als een gezamenlijk statement is niet meer aan de orde. Er rest alleen nog het vloeken en het braken. Men zou in die zin de Vlaamse koterij eveneens als “obsessioneel” kunnen bestempelen, of, in theologische termen, “bezeten”: een spasmodische uitdrukking van abnormaliteit die ergens wortelt in een onoplosbaar socio-politiek trauma.

Zo, dit ter attentie van onze Hollandse vrienden die Vlaanderen nog altijd als een “Boergondisch” luilekkerland zien. Vergeet het. Achter de kanten gordijntjes en de sanseviera’s puilen zwarte ogen vol zwijgzame achterdocht. De wijk is een verstild inferno. Elke tuinkabouter, elke karrewiel bedekt een hinderlaag voor de indringer. Op elke barbecue kan een waanzinnige buurvrouw roet in het eten gooien. Ja, Dulle Griet is van ons,- misschien wel het enige dat we delen. De waanzin dus.