Categorie archief: Macht, gezag, massa

“Two Tars”: de vrolijke rit naar het autokerkhof

salonZopas sloot het Brusselse Autosalon zijn deuren, de tweejaarlijkse FEBIAC-hoogmis vol glimmende bolides en schaars geklede dames die mannen ter plekke soms tot masturbatie aanzetten (met eigen ogen gezien tijdens de nocturne, vrijdag). Afgezien van dit laatste ben ik politiek en moreel tegen de auto. Hij vervuilt, rijdt op een egoïstisch-Narcistisch chassis, en doet het slechtste in de mens naar boven komen. Als voetganger en fietser vervloek ik dit chroomstalen universum.

Maar zet mij achter het stuur, en ik transformeer onmiddellijk tot wegpiraat en verkeersgek. Het omdraaien van de contactsleutel is voldoende om de hersenklik te maken. De auto is, samen met de computer, een van de weinige machines die écht tot onmiddellijke gedragsverandering aanleiding geeft. Of misschien wel een persoonsverandering. Hoe kan dat? Wat is er aan dat gestroomlijnd karos dat het alle mannen, zelfs de grootste klunzen, zo stuurvaardig, zo koelbloedig, zo assertief,… zo moorddadig maakt? Alleen de antropologie, moeder van alle wetenschappen, kan die bipolariteit verklaren.

Jagers in de vlakte

Volgens een algemeen aanvaarde hyrallypothese ruilden de hominiden zo’n 3 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika de jungle voor de savanne, een open landschap met hier en daar bosjes en struiken. Ze werden tweevoeters en ontwikkelden jachtstrategieën, mede dankzij de ontwikkeling van de neocortex (de hersenschors, verantwoordelijk voor taal en abstract denken). De rondtrekkende stam wees patrouilles aan van vier mannen die het terrein moesten verkennen op zoek naar beschutting en prooi. Vier bleek het ideale getal: één leider die vooraf ging, twee links en rechts, en eentje dat vooral achteruit moest kijken voor eventuele gevaren in de rug. Vier is ook psychologisch een goed, rustgevend aantal met minimale kansen op conflicten (in tegenstelling tot bv. drie). We vinden dat groepsgetal tot vandaag in allerlei contexten zoals het strijkkwartet, de popband, het kaartspel en… uiteraard de auto met zijn vier zitplaatsen. Al de rest is ballast.

Uiteraard maak ik hier een enorme sprong. Er is nog de verschijning van de ruiter, de uitvinding van het wiel, de kar, de strijdwagen, de koets, de ontploffingsmotor, en de assemblageband voor massaproductie, bedacht door Henry Ford. Er is het oprijzende verkeersnetwerk, de wegcode, er zijn de files. Maar in essentie is de auto de industriële omzetting van die gewapende patrouille in de grasvlakte. De rallywedstrijden en de 4×4-rage herinneren er nog aan: hier heerst het recht van de sterkste. Dit is het universum van de nomadische jager, die het kleinwild (voetgangers en fietsers) wegmaait, maar die zelf belaagd wordt door de mastodonten (vrachtwagens).

Agressie is inherent aan het verkeer. Het is geen uitzondering, het is de regel. Al honderd jaar terroriseert de auto, als modern relict van de prehistorische jager/nomade, het wegennet.

Overigens jagen de zogenaamde zwakke weggebruikers ook elkaar op. De cyclotoeristen terroriseren de gewone fietsers, die op hun beurt de voetgangers de berm inrijden. De voetgangers zijn de absolute underdog: zij dienen, zoals het woord het zegt, zich uit de voeten te maken. Moto’s hebben dan weer de signatuur van reuze-insecten. Tenslotte zijn er nog de aaseters: politie, ambulances, hulpdiensten.

In deze voedselketen spelen vrouwen geen enkele actieve rol, tenzij als decoratie, prikkel om de testosteronproductie te stimuleren, of om het zweet van de jager te betten. De nadrukkelijke aanwezigheid van vrouwelijk schoon op de motorkap is dan ook antropologisch geheel verantwoord. De pit babes om en rond formule-1-wedstrijden beloven seks en bereiden de man voor op de strijd. Voor nog meer ambiance, beluister Wagners Walkürenritt.

De file als burgeroorlog

TwotarsVerkeersagressie is dus helemaal geen abnormaal, pervers verschijnsel maar de essentie van het ding, met de automobiel als absolute trigger. Hoe strenger de wegcode, des te meer domineert de anarchie. Een oerwoud van gebods- en verbodstekens nodigt alleen maar uit tot ontwijken en anticiperen. Sensibiliseringscampagnes rond veilig verkeer hebben nauwelijks succes.

Door de ontwikkeling van die auto tot massaproduct en de exponentiële toename van de verkeersdrukte deed zich echter hetzelfde probleem voor als bij de bevolkingstoename op deze planeet: iedereen liep (of beter: reed) iedereen in de weg, dus werd het drummen.

Het verdwijnen van de open ruimte, de totale verstedelijking en het dichtslibbende verkeer veranderen compleet onze horizon. Men ziet nooit verder dan de voor- en achterligger. Snelheid bestaat alleen nog in F1-wedstrijden, films, reclamespots en games, ze is virtueel geworden. In werkelijkheid overheerst de traagte, het wachten, het bumperen, en het daarmee verbonden walggevoel.

Dikwijls staat alles compleet stil, getoeter alom, in de wegberm ontstaan opstootjes. Men doodt elkaar, letterlijk, voor een parkeerplaats of om een plek op te schuiven in de file.

Zo gaat het dynamische geweld van het snelverkeer over in het statische, stilstaande geweld van de file. In de onvoorstelbaar grappig/baldadige slapstick “Two Tars” (1928) tonen de zeebonken-op-verlof Stan Laurel en Oliver Hardy hoe ze twee deernes aan de haak slaan (pit babes dus, belangrijk voor de testosteronaanmaak), vervolgens tijdens een joy ride in een file terechtkomen, die tenslotte eindigt in een imbroglio waarbij iedereen elkaars auto sloopt. Meesterlijke profetie.

Op die manier klapt het oude jachtritueel in elkaar tot een kannibalistische oorlog-van-allen-tegen-allen. Al decennia piekeren verkeersdeskundigen zich suf over de vraag hoe ze dit in goede banen kunnen leiden, tevergeefs: de overheid, die zogezegd het geweldmonopolie heeft, staat machteloos tegenover deze burgeroorlog van het stilstaand verkeer. Zolang er beweging was, was er hoop. De stilstand echter, daar worden de jagers van weleer pas echt baldadig. Hier produceert het testosteron geen roes meer, maar slechte stress, onlust en walg, die elk moment kunnen overslaan in een jeu de massacre. Tijd voor het derde en laatste bedrijf in deze slapstick:

Het openbaar vervoer

Inderdaad, hoe lost die hopenbaarvervoerilarische file in “Two tars” zich eigenlijk op? Heel merkwaardig: nadat de arm der wet eindelijk is gearriveerd, ontstaat een wilde achtervolging op het olijke duo en rijdt de sliert auto’s, of wat ervan overblijft, pardoes een spoorwegtunnel in. Als een deus-ex-machina komt nu vanuit de tunnel een stoomlocomotief aangestormd die het zootje demobiliseert en opruimt. Einde goed al goed.

Bijna honderd jaar geleden wisten de schrijvers van deze plot haarfijn waar het rijk van de auto eindigt: daar waar de spoorwegen het overnemen. De overheid keert terug, en hoe. Het zijn net de files die een ijzersterk politiek argument aanleverden om het privévervoer op te doeken. De auto heeft zijn houdbaarheidsdatum overschreden, punt gedaan. Vergeet het argument van de CO2-uitstoot en het fijn stof: ook de perfect schone auto is geen lang leven meer beschoren. De postmoderne bureaucratie duldt geen individuele trajecten meer en wil deze herverpakken tot grotere, collectieve trajecten die finaal ook onze individuele horizonten moet bundelen. Zeg maar: ons leven eenvormiger maken.

Het openbaar vervoer is veredeld veetransport. Het is een eindeloze oefening in het wachten. In die gelatenheid ligt zowaar het kleine geluk van de reizigerskudde…

Niet dat daarmee de vrede gewaarborgd is of het geluk vergroot, maar het verhoogt enorm de impact van het systeem op het individu, waardoor de individuele stress en de daarmee verbonden hormonenproductie totaal stilvalt. Er is een vast netwerk, een uniforme uurregeling, een centrale dispatching, en vooral: je zit naast een wildvreemde waarvan je vermoedt dat hij je niet gaat opeten. Dat schept zowaar een wederzijdse band.

Onvermijdelijk roept dit associaties op met deportaties en het vervoer van slachtvee. Terecht: de kudde op weg naar het abattoir is het verzwegen prototype van de nieuwe collectieve mobiliteit. Eindeloos kan de bureaucratie nu malen, oponthoud creëren, sporen wisselen of trajecten wijzigen. Het openbaar vervoer is een eindeloze oefening in het wachten. In die gelatenheid ligt zowaar het kleine geluk van de reiziger. In België rijdt haast nooit een trein op tijd, en dat is psychologisch van belang: ook varkens hebben tijdens hun laatste reis geen flauw benul wanneer ze zullen aankomen. En willen dat ook niet weten.

meisjesO ja, Hoe loopt het nu af met die twee meiden, in het begin van het filmpje door Stan en Oliver opgepikt? Wel, vreemd genoeg laten de scenaristen hen achter in de wegberm, ze zijn niet meer nodig in het verhaal. Hierdoor verlaten ze zonder kleerscheuren de file-oorlog (waarin ze toch nooit meer waren dan supporters), maar ontsnappen ze ook aan de apocalyptische finale waarbij de locomotief het complete autopark opveegt en de mannen ter deportatie opvordert.

Achteraf zouden we die deernen kunnen zien als demonische strijdmaagden die het allemaal in gang hebben gestoken en de vuurtjes aanpoken. Walküren uit de Belle Epoque als het ware. Maar ook dat is een mannelijke fixatie. Misschien is de ultieme moraal gewoon dat heel dat mobiliteitsgedoe tot de waan van deze wereld behoort. En dat het best prettig toeven is in de berm of aan de zijkant. Of gewoon thuisblijven: dat we daar nooit hebben aan gedacht.

Met alle Chinezen…

 Over machtsstrategie en seksuele moraal

Vreemde dingen zijn aan de hand in Chinaland. Terwijl schrijvers zoals Wu Wei op de index en onder huisarrefuckingpandasst staan, en de pers zelfs nog wat strakker gemuilkorfd wordt, hebben de machthebbers in Peking het licht op groen gezet voor een seksuele bevrijdingsgolf. Deze uit zich in een fabelachtige explosie van seksshops, naast talloze radio- en TV-programma’s over “hoe doe ik het”, allerlei one-night-datingsites, erotische beurzen, pornofestivals, swingparty’s en sekswedstrijden.

Een en ander werd recent uit de doeken gedaan in een artikelreeks van China-expert Oscar Garschagen in NRC Handelsblad: China maakt een red-light-revolution door. En dat voor een land waar het thema absoluut taboe was: in de optiek van voormalige roerganger Mao Zedong leidde al die erotische poespas immers alleen maar tot verstrooiing en aantasting van de revolutionaire idealen. Elke intieme omgang tussen de Rode Gardisten was not done. Mao was dan ook een fervent voorstander van de sublimatiegedachte: als mensen maar genoeg doordrongen zijn van de juiste leer en daarvoor tot het uiterste willen gaan, is het geüniformeerde lichaam niets meer dan een machine in dienst van de Goede Zaak. Seks dient dan alleen om nieuwe soldaten op de wereld te zetten. De rest is ideologie.

Van communisme naar orgasmocratie

Chinadildo

Vrijheid betekent ook zelfredzaamheid

Maar Mao is passé, een generatie dissidente schrijvers roert zich, en vooral: er is dat vervelende internet waar het gonst van regime-onvriendelijke geluiden. Tian An Men 1989 was niet meer voor herhaling vatbaar. Het volk – of liever: de nieuwe middenklasse- moest met iets anders gepaaid worden. In dat opzicht drong een nieuwe hedonistische strategie zich op: als de Chinezen dan toch op het internet zitten, laat hen dan liever op zoek gaan naar de Hemelse Vrede via pornosites, eerder dan opruiende blogs te lezen.

Zo gezegd zo gedaan, plots rook alles naar glijmiddel. De politiek geprogrammeerde voortplantingsdrift werd, in een land waar je maar één kind mag hebben, perfect gekanaliseerd tot een cultus van de prikkeling en het genot, overgoten met een relatietherapeutische saus. Niet toevallig worden Confucius en de Tao er hier en daar bijgehaald, want China heeft, geloof het of niet, een lange traditie in de liefdeskunst.

De overgang van communisme naar orgasmocratie is dus minder bizar dan het lijkt. De permanente revolutie gaat door, alleen worden er andere snaren bespeeld. De euforische massakoren die eertijds Mao toegalmden, worden nu vervangen door het even toegewijde hijgen en zuchten (Oosterse vrouwen brengen tijdens de daad ook een soort gepiep voort) van koppels en gangs in volle actie.

Wie zou zich in dit hedonistisch paradijs nog willen bezig houden met zure regime- of systeemkritiek?

Geen partner hebben is daarbij geen probleem, zelfbediening is toegelaten en wordt zelfs aangemoedigd: vrijheid betekent ook zelfredzaamheid. Voor de mannen zijn er porno en opblaaspoppen, voor de vrouwen is er de vibrator in al zijn vormen, kleuren en geuren. China was al wereldproducent nr. 1 van dit speelgoed, nu is er eindelijk ook een interne markt.  Opvallend: het nieuwe aanbod van de eromarkt, pornografie en prostitutie inbegrepen, wordt niet echt gelegaliseerd maar wel gedoogd. Dat is handig voor het regime en werkt als een publiek chantagemiddel: mensen met staatsgevaarlijke meningen kunnen dan toch nog opgepakt worden als ze vieze filmpjes bekijken of als ze ergens in een fout etablissement gesignaleerd worden.

Maar zeg nu zelf: wie zou zich in dit hedonistisch paradijs nog willen bezig houden met zure regime- of systeemkritiek? Als alle onlust kan geneutraliseerd worden tot een kortetermijnperspectief van seksuele opwinding en bevrediging, is het uit met de dissidentie.  De Aziatische tijger zal dan helemaal op temperatuur gekomen zijn,- toch een zoete wraak voor het decennia-lange gehoon over Mao en zijn catastrofale “culturele revolutie”.

Mei ’68: het déjà-vu

Beijing

Grote volkstoeloop te Peking bij de aankomst van een lading opblaaspoppen

De partijbonzen bewijzen daarmee andermaal hun kennis van de Westerse moderne geschiedenis en haar klassieken. Was het niet Herbert Marcuse, de cultfilosoof uit de jaren ’60 van vorige eeuw, die de term “repressieve desublimatie” lanceerde? Hij poneerde de stelling dat de teugelloze vrijemeningsuiting én het daaraan gekoppelde seksueel libertinisme paradoxaal genoeg ook het kritisch denken aan banden leggen, omdat ze de mens doen verdrinken in onbenullig gezwets en navelstaarderij.

Vrijheid-blijheid-luizigheid dus. Ongeveer in dezelfde tijd als Marcuse vroeg Albert Camus zich af hoe men in latere eeuwen de moderne mens zal beschrijven. Zijn antwoord: als een neukende krantenlezer. “Je rêve parfois de ce que diront de nous les historiens futurs. Une phrase leur suffira pour l’homme moderne: il forniquait et lisait les journaux. Après cette définition, le sujet sera, si j’ose dire, épuisé” (“La Chute”, 1956).

Ook de Franse filosoof Jean Baudrillard zag die bui aankomen: de “bevrijde” Euro-Amerikaanse mens van de tweede helft van de 20ste eeuw zal hopeloos verslaafd geraken aan de waan en zijn door de markt en de media opgefokte begeertes. De tijd heeft deze pre-digitale profeten gelijk gegeven, kijk maar naar het losgeslagen gadget-consumentisme, het wereldwijd gezever op de blogs, en alle mogelijke feel good-coaching zoals de alomtegenwoordige sekstherapeute Goedele Liekens die bij ons bedrijft.

Dat eindeloos mekkeren over relaties, seks en welbevinden wordt nu dus ook in de Volksrepubliek China beoefend. Kunnen we nog twijfelen aan de voorbedachtheid van wat bij ons in 1968 en nadien gebeurde, één zaak is zeker: de Chinese overheid weet hier perfect wat ze doet en waarom. De bedoeling is om lastpakken zoals Wu Wei compleet irrelevant te maken, door een feel good-cultus te organiseren, gebaseerd op het infantiele Narcisme zoals Sigmund Freud dat zo netjes beschreef.

De dissidenten hoeven dan helemaal niet meer gecensureerd, opgesloten, of geweerd te worden uit de officiële boekenbeurs van Peking (die een paar jaar geleden nog een enthousiaste delegatie Vlaamse schrijvers mocht begroeten o.l.v. David van Reybrouck). Ze zullen gewoon verzuipen tussen de kookboeken en de soft porno.

China heeft de moderniteit niet nodig. Zijn cultuur pendelt al eeuwen lang tussen Confucius en Tao. De eerste houdt zich aan de sociale orde, tucht, familiezin, vaste hiërarchie, strikte monogamie. Het is een doctrine voor barre tijden. De tweede is libertijns, meer ik-gericht, zoekend naar individuele harmonie (ying/yang). Het komt tevoorschijn als er een economisch surplus ontstaat, welvaart en vrijetijd dus.
De twee attitudes, Confucianisme en Taoisme, zijn, met elk hun eigen seksuele moraal, volstrekt complementair. In beide gevallen is de bovenbouw, de politieke en culturele macht, onaantastbaar.
De “seksuele revolutie” die we vandaag in Peking meemaken is niets anders dan een transitie van Confucius naar Tao, van militant-puriteins Maoïsme naar hedonistisch consumptiecommunisme. Wezenlijk verandert er op politiek vlak echter niets, de macht blijft wat ze is.  Zo springt de Chinese KP ineens van een autoritair maatschappijmodel naar de postmoderniteit, zonder de burgerlijke fatsoenscultuur of de moderniteit als tussenstappen te hoeven meemaken. Dat is voor ons onbegrijpelijk. Voor hen is het de evidentie zelf.

Ondertussen in het bevrijde Westen

Merkwaardig genoeg voltrekt zich in Europa de omgekeerde tendens: nadat de seksuele revolutie van ’68computer-crime-21 ons de consumptiemaatschappij deed slikken, de multiculturele utopie en even later het economisch globalisme dat tot de bankencrisis leidde, is alhier de puriteinse contrarevolutie in volle opgang. Terwijl de Chinezen zich suf neuken en masturberen, worden wij verzocht om ons netjes te gedragen, het bij één sekspartner te houden, een condoom aan te trekken en omzichtig met het vervuilde internet om te gaan. Pornografie en prostitutie worden nog gedoogd, maar Big Brother houdt het allemaal in de gaten, vooral dankzij monitoring van het surfgedrag, en nota bene onder gejuich van de feministische beweging.

Let hier weerom op de sturende rol van de overheid: de nieuwe preutsheid komt van bovenuit, al van midden de jaren ’90 is de puriteinse indoctrinatie aan de gang. Het AIDS-gevaar, de Dutroux-affaire, de verslavende invloed van porno, de strijd tegen de pedofilie en seksuele uitbuiting, worden er als kapstokken bijgehaald, maar dat zijn alibi’s: de overheid is niet geïnteresseerd in pedofielen of in mensenhandelaars,- ze zijn slechts nuttige zondebokken om een nieuw vervolgingskader te creëren.

In werkelijkheid wordt alles in gereedheid gebracht om, nu ja, hier bij ons net hetzelfde te doen als de Chinese KP: gedoogzones creëren die toelaten om een dubbele seksuele moraal te hanteren en vandaar een juridische schemerzone. De controle op het internet is cruciaal. De brave burger mag verder surfen, maar iemand met een foute mening kan opgepakt worden, niet omwille van die mening maar omwille van “ongewenst seksueel gedrag”. Dat is sociaal veel aanvaardbaarder. Verklikking wordt aangemoedigd, uitlokking behoort tot de mogelijkheden. Eerder haalde ik al het verhaal aan van activist Julian Assange, die in Zweden voor eeuwig als een seksueel delinquent staat geboekstaafd naar aanleiding van een gescheurd condoom tijdens een nachtelijke escapade. Het wordt wellicht een nieuwe, vaste strategie om dissidenten uit te schakelen of minstens in diskrediet de brengen: forensisch onderzoek van hun beddenlakens of hun harde schijf

Zo gaan de Chinese “verlichte dictatuur” en de Westerse quasi-democratie eigenlijk heel goed op elkaar gelijken en komen ze min of meer op dezelfde beheersingsstrategie uit. Tussen Peking, Moskou, Brussel en Washington is één grote, grijze gedoogzone in de maak die alle ruimte laat voor de overheid om te snuffelen en selectief te vervolgen. Iets zegt me dat internetgiganten zoals Google daar best mee kunnen leven. De wereldvrede, ze ligt binnen handbereik.

Sublimeren is de kunst

duivenmelkerOnlangs bereikte ons de tijding dat de Brabantse gemeente Merchtem (bij Brussel) GAS-boetes (“Gemeentelijke Administratieve Sancties”) wil uitdelen aan al wie de lokale duivensport verstoort. Concreet gaat het vooral over spelende kinderen die door hun tumult de prijsduiven van de til weghouden. Daarmee is de discussie rond overlast op een nieuw, hoger peil gekomen: het gaat om de man-met-de-duif die men liever niet in de buurt van kinderen ziet. De vraag is, wie een gevaar vormt voor wie. Een kleine cultuurwandeling.

Colombine-Lolita

NiettegenstaanColombinede de duif een vredessymbool is, zijn duivenmelkers behoorlijk agressieve lui: katten, andere vogels, roofdieren, ze worden zonder pardon vergiftigd als ze in de weg lopen. In de limiet zou dat ook met kinderen kunnen gebeuren, temeer daar er behoorlijk wat geld rolt in deze sport. In die zin is de Merchtemse maatregel zelfs redelijk: het is beter voor de kinderen dat ze niet oog-in-oog met de duivenmelkers staan, je weet maar nooit.

Plots wordt ons ook duidelijk dat die duif, symbool van onschuld, eigenlijk zelf een gesublimeerde versie is van het kind, als prooi en seksueel object. Pardon, de duivenmelker een crypto-pedofiel? Wel, verder grasduinend in de geschiedenis van cultuur en religie stootte ik op de oerpatrones van alle duivenmelkers, namelijk de godin Ištar die 6000 jaar geleden in het Mesopotanische Babylon (het huidige Irak) werd vereerd. Allerminst een doetje: zij was de godin van seks en oorlog, met de duif als voornaamste attribuut en de tempelprostitutie als voornaamste religieuze praxis. Jawel, de duif, als dierlijke metamorfose van het vrouwelijk geslacht, waarvan het secreet (de “melk”) uit de krop kan worden gekieteld, hebt u ‘m. Offeren aan Ištar, dat was pas dolle pret. In het bijbelboek Openbaring wordt ze dan ook de hoer van Babylon genoemd.

Zoveel liederlijkheid, daar moest iets aan gedaan worden. Via de Griekse en Romeinse cultuur, de gnosis, en vooral het Christendom, werd die frivole duif ontsekst tot het symbool van zuiverheid en onschuld, vrede, het bovenzinnelijke, de ziel, de Geest die neerdaalt. Hallelujah.

Blij luiden nu de klokken op zondagmorgen terwijl de duiven in Merchtem naar beneden vallen. Gelet op de Babylonische voorgeschiedenis echter is dit een seksorgie waarbij het lokken van het beestje een hoofdrol speelt. Maar het ergste moet nog komen: door de Christelijke correctie tot symbool-van-onschuld is er een hybride associatie ontstaan. De duif is nog steeds een kut, maar dan in de verkleinvorm, anders gezegd: het ongerepte meisjesgeslacht, in de handen van een gepensioneerde. Tja, wie had dat gedacht. Lolita, Lulu, Lilith, Colombine, de vrouwelijke onschuld bedreigd: gelukkig is het “maar” een duif en vervalt de letterlijke aanklacht van pedofilie.

België, het thuisland van de colombofilie én van de pedofilie: het kan geen toeval zijn. Maar de duivenmelkers hebben zichzelf stevig in de hand en verkiezen de trofee boven de prooi. Ook voor de Merchtemse maagdjes is het een goede zaak: zo lang die oude mannen met duiven bezig zijn, laten ze datgene gerust waar het symbool eigenlijk voor staat.

Sweetie

Dit gaat dus over sublimatie, in de Freudiaanse betekenis: het omzetten van seksuele drift en agresSweetiesie in een meer “onschuldige” en maatschappelijk geaccepteerde bezigheid die we onder de verzamelnaam “cultuur” plaatsen.

Mannen willen eigenlijk alleen maar meisjes en jonge vrouwen. Zoveel mogelijk. Maar door hun lelijkheid en biologische onnut moeten ze een omweg nemen via het verwerven van roem, status, geld, macht, onder het motto “macht erotiseert”. Wat alleszins tijdwinst voor de prooi oplevert.

Ondanks (of net door) de hype van het jeugdige, leven we planetair onder een regime van opa’s (gerontocratie): de grote beslissingen op deze aardkluit worden door 55-plussers genomen. Hun brein is in volle verkalking, hun agenda is verborgen seksueel. Het zijn oude wolven die via macht en status de jonge duifjes trachten in te palmen die normaal voor de jonge mannetjes zijn voorbehouden. Af en toe lukt dat ook, maar de sensatiejournalistiek ligt steeds op de loer, Dominique Strauss-Kahn en Silvio Berlusconi kunnen ervan meespreken. duifje

Het blijft dus meestal bij onschuldig gescharrel. Sublimatie is een efficiënt middel om het geweld te milderen: mannen moeten kunnen spelen. In die zin is die duif met reden een vredessymbool. Maar de begeerte blijft natuurlijk, en de aanranding dreigt altijd.

We zitten hier in een gijzelingszaak waar voor het minste kwaad moet gekozen worden, misschien moeten we zelfs spreken van een veralgemeend Stockholm syndroom. Leve de verkiezingen, leve de regering, leve het parlement. Wij houden van de politiek, we laten de politici hun ding doen, om erger te voorkomen. Hun appetijt moet gaande gehouden worden, zonder dat ze schade kunnen aanrichten. Een subtiele onderhandelingskwestie waarin realiteit en virtualiteit op de duur vervagen.

Onlangs verscheen op het internet een filmpje waarop een 10-jarig Filipijns meisje zich uitnodigend tot mannen richt. Wereldwijd verdrongen de pedofielen zich voor het computerscherm, IP-nrs traceren en hop, inrekenen maar. Belangrijk detail: het kind bestond niet echt, het was een animatie. Waarmee we eigenlijk terugkeren naar het duivenmelkersverhaal en de vraag hoe de seksuele straatroof kan herleid worden tot een onschadelijk substituut, een beeld, een symbool. Pedofilie is ongeneeslijk en van alle tijden: als men het fenomeen niet aanvaardt, kan men dus beter iets in de plaats geven. Ik vraag me zelfs af of die pedofielen niet perfect doorhadden dat Sweetie een animatie was, en er dus in slaagden om ook zichzelf om de tuin te leiden.

En wat als we die perverten zo ver krijgen dat ze hun eigen animaties creëren waarbij ze zich naar hartenlust kunnen aftrekken? Wat als dit nu eens kunst werd, een alsof-gedoe? Is seks met een kinderpopje genaamd Sweetie, zoetje, duifje,  strafbaar? Ik dacht het niet. Zou zoiets niet moeten gesubsidieerd worden, in naam van de volksgezondheid?

“Linkse hobby’s”

De kunstenaar als duivenmelker, de duivenmelker als kunstenaar: de duif landt perfect waar ze msublimatieoest komen. Al jaar en dag pleit ik voor het afschaffen van cultuur- en kunstsubsidies. Onlangs daarover nog een aanvaring gehad met de redactie van het tijdschrift Rekto-Verso. Maar vanuit een colombofiel standpunt moet ik mijn visie bijstellen. Immers, het gaat hier niet meer om l’art pour l’art maar om een therapeutische noodzaak. Gezien naar schatting 80% van de menselijke soort met een of andere afwijking rond loopt, is schadebeperking het devies. Geef een massamoordenaar-in-spe doek en penseel, of leer hem schrijven, en je hebt respectievelijk een kunstschilder en een romancier in de galerij.

Dat de wereld een gekkenhuis is, werd al geconstateerd door humanisten zoals Desiderius Erasmus. Maar ze deden er weinig mee. Terwijl bezigheidstherapie toch grote mogelijkheden biedt om de gekken zo niet te genezen, dan toch aan de praat te houden. Kunst, wetenschap, politiek komen in aanmerking. Ooit haalde ik het geval aan van Adolf Hitler, aan wie de Weense academie beter wél een kunstenaarsdiploma had afgeleverd: het had allicht een wereldoorlog gescheeld. Het voorbeeld is sterk voor veralgemening vatbaar. Kim De Gelder (bekend van zijn raid op een kinderdagverblijf) had een prima straatperformer kunnen worden. Ook de (spoorloze) Bende van Nijvel zie ik als een afgedwaald, mislukt kunstenaarscollectief dat de supermarkten teisterde omdat de musea onbereikbaar waren.

Omgekeerd is deze wereld een nog niet zo slechte plek dankzij het Ministerie van Sublimatie en zijn begunstigingspolitiek. Vandaag is een moderne kleiduifschutter als Jan Fabre duidelijk zo’n geval van een herspoorde, bijgewerkte pervert. Hij maakt katten kreupel door ze de lucht in te gooien, wat de dierenvrienden doet steigeren, maar ondertussen stormt hij geen school binnen met een machinegeweer. En als er bloed vloeit bij Fabre, is het meestal ketchup. Iemand als Herman Brusselmans, de Vlaamse seksliterator bij uitstek, beweert dan weer van zijn jongeheer helemaal niet meer recht te krijgen, zo leuk is het schrijven geworden. Dat is toch prachtig? Wie zou nu durven beweren dat kunst geen maatschappelijk nut heeft?

Dus ja aan het subsidiëren en ondersteunen van wat Wilders ooit linkse hobby’s noemde. Het probleem is uiteraard dat we er de boodschap gratis bij krijgen, de ruis is onvermijdelijk Terwijl de duivenmelkers alleen maar met duiven spelen, moet heel dat therapeutisch kunsteninstituut ons zo nodig ook nog eens verblijden met de diepere betekenis en zin die in hun sublimatie-oefeningen schuilgaat. Elke dag weer, overal, in alle kranten, legt de schrijver zich uit of laat zich uitleggen. Dat zouden we nog moeten kunnen indijken. Het kan, bijvoorbeeld met een boekenprogramma op TV waar toch niemand naar kijkt. Ingenieus de waanzin afkopen door haar een vrijplek te geven: als dat geen duivenwijsheid is.

De democratie is dood, leve de soevereiniteit

Pleidooi voor ontburgering

Ik heb het nu echt wel gehad: opnieuw gaat een Georgische gangster vrijuit wegens een “procedurefout”. De arme man had in België geen vast adres, kon niet op domicilie gedagvaard worden, en ontsnapt dus ook aan vervolging. Een paar dagen geleden haalden de advocaten van ene prins Henri de Croÿ-Solre, in eerste aanleg veroordeeld wegens miljoenenfraude, een gelijkaardige truc uit de kast: procedurefoutje, sorry mijnheer, gaat u maar. De gewilligheid waarmee het gerecht en de advocatuur solidair dit blind formalisme blijven toepassen, tegen elk gezond verstand in, bewijst dat we in een systeem leven dat zichzelf ondergraaft. De democratie is op sterven na dood, de vraag is wat dit maximaal kan opleveren voor u en ik.

Geen zoveelste politieke theorie, wel een oefening in utopisch denken.

Uitschrijven aub

Uit recent onderzoek bleek dat meer dan 20% van de kiesgerechtigden niet geldig deelnam aan de Bstembuselgische gemeenteraadsverkiezingen van 2012: blanco of ongeldig gestemd, biljet beschadigd, …maar het merendeel bleef gewoon thuis. Dat is eigenlijk een enorm percentage voor een land waar niet gaan stemmen strafbaar is. In landen waar die stemplicht niet bestaat, komt hooguit nog de helft opdagen. Ook al is het fenomeen het meest frappant in de grootsteden met sterke migrantenconcentraties (41% niet-stemmers in Brussel!), toch lijkt er meer aan de hand: de onderdaan is zich gewoon aan het uitschrijven.

Groot alarm in het politiek establishment, vooral gedreven door overlevingsdrang: hoe die dijkbreuk dichten? Eerder dan hier nog eens een “democratisch alternatief” tegen aan te gooien, genre de G-1000 van wereldverbeteraar David Van Reybrouck, of nog maar eens een politieke partij op te richten, is het zinvoller om de realiteit onder ogen te zien en het misschien zelfs als een positieve evolutie te appreciëren: de kieskudde dunt uit en wandelt weg in alle richtingen behalve die van het stemhokje.  Zelfs de zgn. foert- of protestpartijen hebben afgedaan, de polis wordt als sociale container gewoon niet meer aanvaard. Europa heeft dat proces nog versneld: in een panische reactie om de ontburgering tegen te gaan, greep men naar een nog grotere schaal die nog meer aversie opwekt. Rien ne va plus. Het mystieke begrip “burger” (letterlijk: diegene die geborgen is door de ommuurde stad) wordt vandaag hoe langer hoe meer een lege huls. Wie voelt zich nu nog burger, behalve de plakken gehakt tussen een broodje?

Macht en massa

Altijd een leuke verpozing om nog eens antropologisch te recapituleren. Waar komt dparlementie staat, zijnde een georganiseerde natie met een territorium, een wettenstelsel, een infrastructuur, een systeem van machtsuitoefening en een fiscaal systeem, vandaan?

De hypothese van de Amerikaanse antropoloog Robert Carneiro is nog altijd interessant en geloofwaardig: ooit werd de aarde bevolkt door oergemeenschappen, “clans” van maximaal 200 leden. Dat getal zit ingebakken in onze hersenen: het is de bovengrens van wat wij sociaal en communicatief aankunnen. Tot op vandaag zoeken we onbewust nog steeds soelaas in zo’n kleine groep van mensen die we min of meer kennen: de familie, de vereniging, de stamtafel, het facebookprofiel…

In ruil voor veiligheid en bescherming diende het individu zich uit te leveren aan een systeem waarvan hij de omvang niet meer overzag of de logica nauwelijks nog kon vatten…

Maar door toename van de bevolkingsdichtheid en de daarmee gepaard gaande clanoorlogen drong zich een schaalvergroting op: men sloot allianties en kwam tot gemeenschappen van 1000 à 10000 stuks. Het ontstaan van de landbouw, na de laatste ijstijd, heeft zeker ook een rol gespeeld. Vanuit de eerste grootsteden in Mesopotamië ontwikkelde zich een centraal en hiërarchisch bestuurd rijk, gebaseerd op onderdrukking en een geweldmonopolie van het gezag zelf. In ruil voor veiligheid en bescherming diende het individu zich uit te leveren aan een systeem waarvan hij de omvang niet meer overzag of de logica nauwelijks nog kon vatten. Religie (liefst monotheïstisch) en cultuur (liefst zo participatief mogelijk) moesten deze vervreemding enigszins verzachten.

Edoch, vanaf dat moment zitten we in een dynamiek van massa, macht, manipulatie, controle: de staat was geboren, met alle ziekteverschijnselen van dien, zoals massificatie, aliënatie, vereenzaming van het individu, en anderzijds corruptie en machtsmisbruik vanwege de oligarchen. Want die waren er van meet af aan, en ze zijn er gebleven tot op vandaag: een elite van bestuurders en hun mandarijnen die de polis beheren vanuit een persoonlijke agenda.

Het is vanuit dat inzicht dat we het actuele politieke spel en de zogenaamde democratie (“macht van het volk”) van vandaag moeten begrijpen: als theatrale constructies, waarbij het individu eigenlijk niets in de pap te brokken heeft, maar toch die illusie moet blijven koesteren dankzij verkiezingen, inspraaksessies, lezersbrieven naar kranten, blogs en andere vormen van bezigheidstherapie.

Soevereiniteit

In de 20ste eeuw was “participatie” het toverwoord: iedereen moest aan alles deelnemen, zich inschrijven in de wereldcultuur en de wereldmarkt. In de 21ste eeuw zal het aloudeBoeddha begrip soevereiniteit heruitgevonden worden: zoals ooit staten hun soevereiniteit opeisten, is het nu aan het individu om zichzelf te definiëren als een onafhankelijk wezen, een staatloze niet-burger die vervolgens zelf op zoek gaat naar vrijwillig aangegane nieuwe samenlevingsverbanden. Of niet. Het is een totale deconstructie, een fragmentarisering die, zelfs voorbij de 200-regel van Carneiro, het bestaansrecht van het individu as such boven alles stelt. Bepaalde meditatieve verdiepingstechnieken gaan in die richting. Vrijwillige de-nationalisering is het logisch gevolg. Ze bestaat al praktisch, bijvoorbeeld door het absenteïsme tijdens verkiezingen, maar ze zou ook kunnen bezegeld worden in een individuele soevereiniteitsverklaring. Een Acte van Verlating dus, een beetje zoals men zich laat ont-dopen uit de kerk.

Wie dit als enige doet, zal snel in de gevangenis of het gekkenhuis terecht komen. Tien stuks zullen als een staatsvijandige bende, honderd of duizend zullen als een sekte beschouwd worden,- ook daar weet het systeem raad mee. Maar een miljoen? En het ergste: die uitgeschrevenen verenigen zich niet in een nieuwe tegennatie of “gemeenschap” –vooral niet-, maar blijven zich een autonoom statuut toeëigenen van zelfredzaamheid. Uiteraard kunnen praktische aangelegenheden onder hen gezamenlijk geregeld worden: openbaar vervoer, energie, onderwijs, sociale zorg, infrastructuur,- maar deze post-civiele res publica  blijft voorwaardelijk en bindt niemand, zeker niet binnen een “collectieve identiteit”.

Zoals ooit staten hun soevereiniteit opeisten, is het nu aan het individu om zichzelf te definiëren als een onafhankelijk wezen, een staatloze niet-burger…

Niet alleen juridisch, maar ook cultureel en moreel wordt dit een absoluut breekpunt met de gevestigde codes. Vandaag wordt de statenloosheid voorgesteld als een fundamenteel gebrek, zelfs een mensonwaardige situatie.  Artikel A5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt dat “eenieder recht heeft op een nationaliteit”. Maar ook achter dit filantroop decreet gaat een stuk opportunisme en monopolistisch zelfbeschermingsgedrag schuil: de statenloze behoort tot geen natie, dus ook niet tot de Verenigde Naties, waardoor hij als een politieke anomalie op deze planeet zou vertoeven, niet-onderhevig aan enig wettenstelsel of machtsuitoefening. U bent dus VN-burger, of u dat wilt of niet. Uitschrijven, het blijft een hachelijke onderneming.

Het kan vreemd lijken dat, in een tijd waar sukkelaars op gammele bootjes Europa trachten binnen te geraken en een moord zouden plegen voor een Westers paspoort, de bezitters van zo’n paspoort het als een vodje papier zouden weggooien. Toch moeten we de zaak durven omkeren en futuristisch op zijn poten zetten: als er geen groepen of gemeenschappen meer zijn, zullen er ook geen massabewegingen meer plaats grijpen. Migratie is een haast epidemisch-viraal verschijnsel dat opduikt waar het individueel richtingsgevoel het heeft opgegeven, zoals het gedrum in een tunnel waarbij men elkaar verplettert.

Bunkerfase

De kieshokjes staan er zinloos bij, de macht vereenzaamt. Vandaag zitten we in de bunkerfase: door het leeglopcameraen van de burgerstaat ontpopt de macht zich in toenemende mate als een wereldwijd, totalitair, technologisch omspannen controlenetwerk van de 21ste eeuw, waarvan de camera’s allemaal met een centrale dispatch verbonden zijn, die het GSM- en internetverkeer “om veiligheidsredenen” afluistert, die via satelliettechnologie op elk moment weet waar iedereen zich bevindt, die via Facebook al uw interesses haarfijn catalogeert, die met drones het instantrecht laat geschieden, en die en passant via het bankenconsortium heel uw privé-boekhouding beheert. Vergeet de staatsmacht: het planetair, digitaal gestuurd directorium is in aantocht.

Maar hoe ver reikt de macht van deze Big Brother echt, als individuen geen populatie meer vormen, als er nauwelijks nog iets statistisch kan geëxtrapoleerd worden?  Hoe ver reikt een schrikbewind, als iedereen anders is, als niemand schrik heeft, en als er geen bewind kan worden gevoerd? Allicht wordt de bunker dan de ultieme speelkamer van Big Brother, die verbijsterd aankijkt tegen onderdanen die niets meer gemeen hebben, en zelfs de humane wetenschap perplex achterlaten.

Uiteindelijk zou de niet-burger een niet-mens kunnen worden, een vreemdsoortige alien waar de macht geen greep meer op heeft…

Dat brengt ons onvermijdelijk weer op het motief van de transhumaniteit: wezens die aan het mensdom ontsnappen hebben het (klein)burgerdom en de polis niet nodig. De toekomst is aan de hybriden. Denk aan de blade runner die ik in een vorige column ten tonele voerde: half mens, half sprinkhaan, is dit on-specimen het biologisch vehikel van de ontburgering. Dit leidt tot een fysieke en breinmatige mutatie waarbij we allen aliens worden, uitzonderingstoestanden. De anomalie wordt de regel. Tegen dit soort procedurefouten is geen enkel regime bestand.

Het is vandaag pure futurologie, maar ik denk echt dat het post-civiele, post-politieke universum finaal ook een niet-mens zal opleveren, Nietzscheanen mogen spreken van de Uebermensch. Een niet-medeburger en niet-soortgenoot die louter zichzelf is en zich niet wil vergelijken met de anderen, noch biologisch, noch sociaal. Dat elimineert alvast een hoop geduw en gekrakeel: naarmate het verschil groter wordt, neemt de competitie af. Als iedereen iets anders wil, is er geen schaarste en geen concurrentie. Dus hoeft ook het verkeer niet geregeld te worden.

Zo wordt, wat begon als een kiesstaking, toch weer metapolitieke science-fiction. Het kan ook niet anders, of dacht u dat het miljoen thuisblijvende luiaards, in slaap vallend voor hun TV-toestel, op zich een bedreiging zouden vormen voor om het even welk systeem.

Eros

Toch gaat dit niet over politiek erosof (tegen-)cultuur, of een of andere vorm van revolutie, of, godbetert, een postmoderne religie. Het finale, fascinerende perspectief van de totale ontburgering en individuatie is, dat het weerom plaats maakt voor een Platonisch universum waarin er maar één echte energie van tel is: de kracht die twee van elkaar gescheiden helften naar hereniging doet zoeken. Het is de uitzondering op de uitzondering: twee aliens waarvan de codes miraculeus in elkaar passen. Plato laat het kluchtschrijver Aristophanes vertellen in zijn Symposium, haast als een mop, maar het is de clou van heel het verhaal. Pas als iedereen totaal anders is, wordt overeenstemming (harmonie) een catastrofe, in de zin van een onvoorspelbaar, heerlijk accident, zoals het ontstaan van die kosmos zelf.

De politieke stelsels hebben de mens vervormd, en daarmee ook zijn seksuele potentie misleid en afgeleid. De geslachtloosheid van het socialisme en de polymorfe hyperseksualiteit van het kapitalisme zijn beide karikaturen.  De ene ontkent de drift, de andere exploiteert haar tot in het absurde. De ene breekt het individu onder de noemer “solidariteit”, de andere doet datzelfde individu exploderen tot een slaaf van zijn begeerte.

De Eros komt na de Polis. Zo achterlijk en reactionair Plato’s visie op de staat was, zo visionair was zijn filosofie van de eros. Het opbreken van heel de politieke zoölogie tot kosmos van soevereine bio-planeten, die onverwachts en catastrofaal elkaars baan kunnen kruisen, onttrekt de liefde aan het saaie verhaal van voortplanting, soortbehoud en kindergeld. Met deze Big Bang is meteen ook de uittocht naar het buitenaardse begonnen, zoals ooit het leven hier begon vanuit een ingeslagen meteoriet. Aliens zijn we geweest, aliens zullen we worden. Alles wat daartussen lag, was maar een middelmatig intermezzo.

Een snelkookpan met spijkers

Boston Marathon ExplosionsTwee ogenschijnlijk los van elkaar staande gebeurtenissen van de voorbije week trokken mijn aandacht. Enerzijds de aanslag op de marathon van Boston, waarbij twee obscure Tsjetsjenen drie doden, een hoop afgerukte ledematen en andere rommel veroorzaakten, met behulp van een ordinaire snelkookpan en nog wat keukengerei. Wetenschap en technologie voor iedereen, zowaar: iedereen kan zo’n splinterbom maken, volgens aanwijzingen die vlot op het internet te vinden zijn. Vergeet Al Quaeda en aanverwanten: niet meer dan twee mafkezen en een snelkookpan zijn nodig om een stad op haar kop te zetten.

Het andere feit voltrok zich dichter bij huis: een handvol misnoegde Antwerpenaren trokken naar de rechter om de Sinksenfoor te laten verbieden die al sinds mensenheugenis op de gedempte Zuiderdokken staat. En ze haalden verdorie hun slag thuis! Men kan dat de triomf noemen van de rechtstaat en de democratie, maar men kan het ook anders lezen: als vijf mensen een kermis, waar toch duizenden bezoekers op afkomen, kunnen platleggen, dan hebben we hier te maken met een triomferende minderheid die een meerderheid gijzelt. Terrorisme dus.

De analogie met Boston ligt dan open: niet het getal is van belang, wel de aanwezigheid van kleine, middelpuntvliedende kernen die complete systemen kunnen ontwrichten. Na de emancipatie van de burger, opgestart in de 18de eeuwse Verlichting, tijdens twee daaropvolgende eeuwen getemperd door politieke stelsels variërend van dictatuur tot parlementaire democratie, is een nieuwe tijdperk aangebroken: dat van de terreur van het individu.

De aanslag

Individuele en quasi-anonieme tussenkomsten in de geschiedenis zijn uiteraard van alle tijden. Denken Sarajevowe bv. aan de moord op Frans Ferdinand van Oostenrijk in Sarajevo op 28 juni 1914, algemeen beschouwd als de aanleiding tot de 1ste wereldoorlog. Uiteraard was de tijd rijp voor een oorlog en was de situatie in Europa explosief. Toch blijft er het naakte feit dat de obscure Bosnische activist Gavrilo Princip op zijn dooie eentje een pistool trok en zo de 1ste wereldoorlog in gang schoot.  We hebben hier te maken met een enorme kortsluiting in de geschiedenis, waarbij de microbiologie en de toevallige levensloop van een of een paar personen, een enorme amplitude krijgt. De neurologische activiteit in de hersenen van Gavrilo Princip, toen, die middag van 28 juni, vormde de eigenlijke kracht die de geschiedenis van de 20ste eeuw zou bepalen. Een ontzettende vaststelling. Voor de liefhebbers van sociale pschologie is er dan weer het biografische gegeven dat Princip wegens zijn kleine en tengere gestalte niet werd toegelaten in het Servische leger, en daar onder gebukt ging. Vandaar dus die aanslag. Het minderwaarheidscomplex: een goudmijn voor schrijvers, politici-met-ambitie, en terroristen.

Uiteraard kan men zo ad infinitum teruggaan, en de geschiedenis vaststellen als een amalgaam van omstandigheden, botsingen, collusies. Telkens kan men zich dan de hypothetische, maar voor de rest volstrekt impertinente vraag stellen, hoe de geschiedenis er had uitgezien als bijvoorbeeld Gavrilo Princip zich op 28 juni 1914 zou overslapen hebben.

In een eerder essay werkte ik die “wat als”-redenering uit, met Adolf Hitler als prototype. Wat als de Weense Kunstacademie hem wél had aangenomen? Geen Auschwitz? En ook geen Israël? Of is het allemaal de schuld van Hitlers verwekkers? Wat als de wip tijdens die zonnige junidag, daar op de Oostenrijke keukentafel, niet had doorgegaan?

Zoals Shakespare al wist: de geschiedenis is een dronkemansverhaal. Men kan de aanslag als de apotheose zien van een tragikomische ketting van ongelukken en ontsporingen. Opeens neemt iemand een pistool en legt een wereldleider neer. Verontwaardiging, rouw, vervolging en straf zijn dan de normale afwikkelingen, maar nader beschouwd is de ingreep van het individu in de geschiedenis misschien wel het meest wezenlijke van die menselijke geschiedenis zelf. De moord op Willem de Zwijger, op John F. Kennedy of op Yitzhak Rabin,- ze hebben de loop van de geschiedenis drastisch veranderd, maar de uitvoerders, respectievelijk Balthasar Gerards, Lee Harvey Oswald en Yigal Amir, blijven het echte mysterie, ook al worden er ideologische alibi’s naar voor geschoven.

De kwetsbaarheid van het menselijk lichaam, ook van politieke leiders en iconen, blijft de Achillespees van het historisch bewustzijn, dat op een of andere manier gelooft in een logische afwikkeling ten goede. De guerilla wint het op de legerdivisies, de microbiologie triomfeert op de macrostrategie van enorme systemen, door hackers moeiteloos platgelegd, gewoon om de fun. Vergeet dus de systemen en hun logica. Hou het toeval in het oog. Waarom nog geschiedenis leren, waarom haar nog analyseren, als twee Tsetsjenen met een snelkookpan over haar loop kunnen beslissen? Terecht staat de afschaffing van het klassieke geschiedenisonderwijs voor de deur.

Veiligheid

De veiligheidsobsessie die zich vandaag doorzet, is een rechtstreeks gevolg van die historische collapsafetys, het besef dat alles kan door een minimale ingreep van één enkele knutselaar, onder het motto “How to Make a Bomb in the Kitchen of Your Mom” . In de middenloop van de menselijke geschiedenis hebben politieke systemen hebben met hun veiligheidsapparaat altijd preventief de terreur van de enkeling proberen te bezweren. De ideologie, de moraal en het recht leverden daarbij de argumenten om de aanslag niet te plegen. Het verbod om te moorden (Mozes’ vijfde gebod “Gij zult niet doden”) was in dat opzicht vooral een voorzorgsmaatregel ter bescherming van het establishment, tegen de terreur van het individu.

Maar met de gezagscrisis, en in het toenemende Ik-tijdperk, wordt deze preventie hachelijk en steeds draconischer. De individuele vrijheid, als religie op zich, die vooral op het internet en in de blogosfeer hoogtij viert (free speech), tot op het hysterische af, maakt van het hyperdemocratische Westen één grote hinderlaag voor al wie zijn kop boven het maaiveld verheft. Elk anoniem individu kan zich op elk moment fataal manifesteren, in woorden én in daden, om te doen wat volgens hem moet gedaan worden.

Nemen we het geval Bart De Wever. Net zijn nadrukkelijke aanwezigheid in de media en zijn populariteit maken hem kwetsbaar. Het idee dat De Wever België op zijn grondvesten doet schudden, is een uitnodiging om in te grijpen in de geschiedenis. Dit is dan ook een waarschuwing (géén bedreiging): Bart, uw dagen zijn geteld. Statistisch gezien is het zeer waarschijnlijk dat iemand deze cultfiguur binnen korte termijn naar de andere wereld helpt, gewoonweg omdat het een hoop mensen goed zou uitkomen (wat uiteraard niemand met zoveel woorden wil gezegd hebben). Men beseft dat ook binnen de éénmanspartij die de N-VA nog altijd is. Politiebewaking zal aan dat veiligheidsprobleem niets veranderen, integendeel, ze trekt zelfs nog meer de aandacht op de schietschijf.

Vergeet de systemen en hun logica. Hou het toeval in het oog. Waarom nog de geschiedenis proberen te begrijpen, als twee Tsetsjenen met een snelkookpan over haar loop kunnen beslissen?

Binnen de publieke opinie voltrekt zich dan een bizar, paradoxaal psychodrama: men polariseert, mediatiseert, discussieert, scheldt, terwijl men tegelijk overal het gevaar ontwaart en de maatschappij wil beschermen tegen extremen. De individualistische vrijheidsreligie en de aan paniek grenzende veiligheidsobsessie zijn dus, vreemd genoeg, twee kanten van één medaille: door het wegvallen van alle normatieve hinderpalen voor het geweld, neemt de angst voor dat geweld evenredig toe. De actuele discussie in de VS rond het wapenbezit is daar een typisch uitvloeisel van. Achter elke hoek van de straat loert het gevaar, omdat we zelf ook het gevaar voor de andere vormen.

Deze cumulatieve kringloop eindigt altijd in een executie. De Wille zur Macht, door Nietzsche en Schopenhauer voorspeld, krijgt pas een concrete invulling dankzij de instructies op het internet om een splinterbom te maken. Het terrorisme is de voltooiing van en de parodie op de democratische vrijheidsgedachte. Een leven is niets waard, en dat van de elites nog het minst, want het ressentiment in de lagere sociale regionen is enorm. De betogingen tegen “zinloos geweld”, telkens een maniak zijn pistool of mes bovenhaalt, zijn dan ook volstrekt hypocriet: het is de democratie zelf, overlopend in een cultus van de enkeling, die het zogenaamd zinloos geweld aanstuurt. En het zijn de media die de paradoxale eenheid van linksdraaiend libertarisme en rechtsdraaiend angstgevoel opfokken.

Het complot

De enige vraag die we ons nog kunnen stellen is: “Wie of wat drijft die enkeling?”. Vandaar het succes van de neurologie, de hersenchirurgie en de microbiologie. Abosonlles zit in ons lichaam, en heel de logica van de geschiedenis plooit terug tot een kwestie van zenuwelektriciteit en hormonale processen.

Daarom is anderzijds het complotdenken zo verleidelijk: stel dat er toch ergens, diep in de Himalaya, een wereldbestuur in permanent conclaaf huist, van waaruit alle directieven vertrekken om leiders in of uit het zadel te lichten. De complottheorie verbindt alles (religere) wat uit elkaar was gevallen. Het is een zinnige hypothese, die in feite het religieuze denken restaureert, want God is uiteraard de onbewogen beweger die alles ingang zette, zo leert ons de bijbel. Moest een extreme intelligentie aan het begin der tijden inderdaad zo’n “eerste stoot” hebben gegeven, met incalculering van alle volgende, zoals een schaker 40 zetten vooruit kan denken, dan zijn we uit de problemen: alles wat gebeurt, moét gewoon gebeuren!

Het determinisme, religieus of wetenschappelijk, is de enige attitude die ons dan kan redden uit de libertaire paniek. Doe gewoon gerust het een of het andere, het is toch voorbeschikt. Zet een snelkookpan onder het spreekgestoelte van politicus X, of doe het niet: vanaf de eerste gebeurtenis in het heelal stond uw beslissing toch al vast, feel free.

Dit goddelijk complot hebben we in een essay, getiteld “Die Kunst der Fuge” , zelfs ooit eens omgekeerd, door een extreem intelligente beschaving aan te nemen, helemaal aan het uiteinde van de tijdsas. Deze beschaving zou in staat zijn, terug te keren in de tijd en het verleden (ons heden dus) te manipuleren, waardoor ze zichzelf herconstrueert. Moeilijk om voor te stellen, maar bijvoorbeeld de onvindbaarheid van het fameuze Higgsboson, waardoor de kosmos in eer reusachtig zwart gat zou verdwijnen, leek me een leuk argument om het bestaan van deze toekomstdirectie aan te nemen.

In deze visie (die me plausibeler lijkt dan de klassieke religieuze tijdsas vanuit de schepping) doen we dus ook maar wat moet gedaan worden om de toekomst te realiseren, die toch al vast staat. De drie doden van Boston waren dan wellicht, zonder dat ze het ook maar beseften, obstakels in een afwikkeling die een beschaving ver na ons uittekent.

Het besef dat menselijke verantwoordelijkheid niet bestaat, en dus evenmin de schuld, kan een nihilistisch antwoord op de systeemcrisis lijken, maar ze zou wel tot een nieuw soort levensbeaming kunnen  leiden, onder het motto “Carpe diem”.

Voor de media zou dat slecht nieuws zijn: een posthistorische chaos die toch maar een tot in alle details uitgedokterd scenario zou volgen, waaraan niemand ook maar één komma kan veranderen. Wat kunnen media daar nog toe bijdragen? Gedaan de debatten, de analyses, het eindeloos geneuzel, de uitzichtloze polemieken.

En gedaan ook de veiligheidsobsessie: als uw dag niet gekomen is, mag u gerust de Grand Canyon op een slappe koord over wandelen, er zal niets gebeuren.

En neen, ik was niet op de Marathon van Boston, en zal ook niet aanwezig zijn op de Antwerpse Ten Miles. Niet uit angst, maar vanuit een ware doodsverachting. Thuis gebeuren immers de meeste ongelukken. Zelfs een snelkookpan zonder spijkers werd me al bijna fataal. Ooit moet het gebeuren, we zien wel wanneer.

Chokri, Zouzou, en het groot Vlaams pardon

Ook Gent heeft nu zijn Waarheidscommissie

Allicht doet het woord Waarheidscommissie bij u een belletje rinkelen: o.m. in Argentinië, EVillagel Salvador, Peru, en Guatemala, waar duizenden mensen gewoon in het niets oplosten onder de militaire dictatuur, drong een onderzoek zich op naar de ware toedracht. Een volk moet afrekenen met zijn verleden en de schuldigen aan massamoord ter verantwoording roepen.

Dat is ook de mening van Chokri en Zouzou Ben Chikha, twee lolbroeken van allochtone komaf (sorry, mag ik niet zeggen: verboden woord in het Gentse), die zich in uitermate knullig Nederlands uitdrukken over allerlei kwesties, ook de Vlaamse, en net daaraan hun hoge aaibaarheidsfactor ontlenen. Noem het maar positieve discriminatie: de heren zijn uit de media niet weg te branden.

Wat is hun case? Geen wrede dictatuur, geen genocide, geen doodstraffen of afgehakte handen (vandaag vooral te vinden in moslimlanden, minder langs Vlaamse wegen), maar de Wereldtentoonstelling van 1913 te Gent, waar een groep Senegalezen in een ”Village Sénégalais” figureerde. Ook een stel Filippijnen, ronddollend in hun natuurlijke habitat, vormde er een vermakelijk curiosum, het was dan ook een Wereldtentoonstelling.

De charme van de wilde dus. Al werkte het vermoedelijk toen al dubbel, en keken die mensen evenzeer naar ons als wij naar hen, en moeten we dit als een voorvorm van het sociaal toerisme beschouwen, uiteraard vermengd met het typische koloniale sfeertje van die tijd. Maar zo denken de broers Ben Chikha er niet over: op hun webstek gewagen ze van een hallucinant, racistisch en mensonterend evenement dat dus euh… een Waarheidscommissie verdient. Honderd jaar na datum.

Zo gezegd zo gedaan: raar maar waar, ze bestaat echt, het is blijkbaar geen late Aprilgrap. Het oude Gentse gerechtsgebouw doet dienst als decor. Weinig kans dat ook maar één modale Gentenaar wakker ligt van het schertstribunaal, maar daar gaat het niet om. Dit slecht theater blijkt namelijk maar een voorprogramma te zijn van een optreden van de Gentse burgemeester.

De glazen bol van Termont

Over de zin en onzin van historische excuses is er op deze webstek al veelvuldig gebakkeleid. MeestaTermontl gaat het om plat politiek stuntwerk, afgedekt door een stevige scheut moralistische aanstellerij. In dit geval met burgemeester Daniël Termont in de glansrol, die al eerder besliste om het Nederlands woordenboek van enkele onwelvoeglijke termen zoals “allochtoon” te ontdoen.

Ach, zich vergapen aan exoten, het is des Menschen, meer dan Chokri en Zouzou willen toegeven. We doen het allemaal op reis, we zijn allemaal Kuifjes in de Sovjet-Unie, nieuwsgierige en verwaande voyeurs die persé op de foto willen met die negerin (pardon) die haar kroeshoofd als een bagagerek vermag te gebruiken. Omgekeerd zijn de Bruggelingen én Gentenaars in hun Vlaams Madurodam voor al die Japanners ongelooflijk grappig en menig kiekje waard. Lachen geblazen thuis.  Om nog maar te zwijgen van de vrolijke vitrines aan de Kortrijkse Steenweg, waar de fijne vleeswaren uit de Filippijnen, Senegal, en Oost-Europa dagelijks in alle maten en gewichten worden aangeboden.

Desalniettemin vragen Chokri en Zouzou zich bezorgd af, of de denigrerende uitstalling van dat negerdorp op de Gentse expo anno 1913 toch niet iets met de Vlaamse identiteit te maken heeft. Daarop kunnen wij enkel bevestigend antwoorden: jawel, de stront aan onze klompen, die ongeneeslijke vieze adem die opwalmt als we onze donkerbruine gedachten aan de toog ventileren, dat lachen met foute moppen, het steeds maar weer voor de verkeerde partij stemmen, het zit in ons, en de Waarheidscommissie zal het eruit pulken.

Meer nog: niet alleen de Gentenaar, de Vlaming, maar meteen ook de Vlaamsche cultuur zal hier terechtstaan. Zo zal het Cyriel Buyssegenootschap zich plaatsvervangend moeten verantwoorden voor het woord “neger” dat door deze Vlaamse romancier (1859-1932) in illo tempore werd gebezigd. “De commissie moet een ondergesneeuwd en controversieel element van de Gentse geschiedenis blootleggen, en de commissie moet die bekommernis projecteren naar de toekomst toe“, aldus ene Annelies Verdoolaege, Afrikaniste aan de UGent.  Het ziet er dus naar uit dat Buysse in de nabije toekomst uit de rekken zal gehaald worden, tenzij men systematisch het woord “neger” overplakt. Met Afrikanologistische groeten.

Gewezen provinciegouverneur Herman Balthazar (S.PA), nog zo’n nobele weldenker, patroneert dit grootscheeps gewetensonderzoek, dat onvermijdelijk zal eindigen in een massaal mea culpa en een zelfgeseling van alle Vlamingen omwille van deze misdaad tegen de menselijkheid. Er was nochtans één bijdehandse jongen die het verdict niet afwachtte: terwijl de bizarre alliantie van artistieke mistspuiters en Gentse academici ijverig de stoelen klaarzette voor de zittingen van de Waarheidscommissie, leek burgemeester Termont (ook S.PA: zal het u verbazen) de uitslag al in zijn glazen bol te hebben gezien. Hij bood maar meteen, namens alle Gentenaren en voor de opgetrommelde media, zijn excuses aan tegenover heel de beschaafde wereld. ‘U kan er van op aan dat de samenleving die de stad Gent is, een heel andere samenleving is die dat vandaag niet meer zou doen’, aldus de burgervader.    De voorzet van Chokri en Zouzou recht in doel gekopt, jawel, zij het dat de match nog niet eens begonnen was.

Het leven en de werken van Leopold II

De in snelheid gepakte Commissie stond even voor gek: “we moeten het in een bredere context zien, alLeopoldIIs kritiek op het kolonialisme”, zo klonk het bedremmeld. Maar ondertussen was wel duidelijk geworden dat de milde steun van de stad Gent aan het project niet vrijblijvend was: dit moest en zou een Termont-show worden tijdens de Paaskomkommertijd. Met dank aan Action Zoo Humain, de subsidiefuik van Chokri en Zouzou, en de nuttige idioten van de Ugent.

Wat in deze kolder inderdaad nog meest in het oog springt, is de ranzigheid van het academisch establishment, dat probleemloos meehuppelt in de groteske mix van middelmatig allochtonentheater en politiek opportunisme. Kan men de fratsen van Chokri en Zouzou nog opvatten als bezigheidsterapie en een geslaagde vorm van tewerkstelling in de socio-culturele sector, en kan men nog enig begrip opbrengen voor de profileringsdrang van Daniël Termont die vóór zijn beurt in het beeld kwam lopen, dan zijn de “wetenschappelijke” uitgangspunten van deze Waarheidscommissie op zijn minst dubieus en tendentieus. Temeer omdat het hier helemaal niet gaat om de Vlaamse identiteit en onze vermeende racistische inborst, maar om het kolonialisme in zijn globaliteit, waar de Gentenaar van vroeger en nu zich helemaal niet hoeft voor te excuseren.

Er zijn nochtans duistere bladzijden uit de Belgische geschiedenis genoeg, die wél een Waarheidscommissie waard zijn. Om in de koloniale sfeer te blijven: de moord op Patrice Lumumba bijvoorbeeld, de eerste premier van het onafhankelijke Congo,- een door de CIA beraamde executie, met instemming van Boudewijn I en op aansturen van het Belgische grootkapitaal. De daartoe opgerichte parlementaire onderzoekscommissie in 2002 was weinig meer dan een doofpotoperatie waar uiteindelijk niemand met de vinger werd gewezen. Steek daar misschien eens uw tijd in, historici van de UGent. Tenzij daar vaderlandslievende bezwaren tegen zijn…

Over de wandaden van Leopold II in Congo is bij ons weten zelfs helemaal géén officieel onderzoek gevoerd,- afgezien van het nep-onderzoekje dat de vorst zelf beval, onder druk van de aanzwellende kritiek op de onmenselijke omstandigheden in de rubberindustrie, de dwangarbeid, het gijzelen van vrouwen en kinderen, het platbranden van dorpen die hun quota niet haalden, het afhakken van handen en voeten.  Men schat dat Leopolds regime tien miljoen Congolezen het leven heeft gekost. Hugo Claus schreef er ooit een toneelstuk over, dat stante pede werd verboden. Onder druk van het Koninklijk Hof, zo wordt verteld.

In het licht van deze reële historische hangijzers is de Gentse “Waarheidscommissie” over de expo van 1913, evenals het groot pardon van Daniël Termont, van een lachwekkende onnozelheid. Als pure theaterbedoening had ik er geen woord aan vuil gemaakt, leve de artistieke vrijheid (al kost het ons ook geld). Maar dat deze charade in de blubber van de lokale politiek dobbert, en, godbetert, wetenschappelijke ondersteuning krijgt vanuit de academische sector, is de schaamte voorbij.

Politieke correctheid en taalepuratie: het mysterie van de verdwenen allochtoon

Tot een van de bloedigste regimes sinds de tweede wereldoorlog kan dat van de Rode Khmer gerekend worden, de militaire tak van de Communistische Partij van Democratisch Kampuchea (nu Cambodja). Hun bezieler en leider, Pol Pot, had het plan opgevat om de stedelijke beschaving, en eigenlijk de beschaving tout court, af te schaffen via massale deportaties naar het platteland. Men schat dat tussen 1975 en 1979 2 à 3 miljoen Cambodjanen (op een totaal van 7 miljoen) zijn omgekomen.

Behalve in wreedheid overtrof Pol Pot zijn leermeesters Stalin en Mao ook inzake de totale beslaglegging op het sociale verkeer en het privé-leven. Slapen, ontlasting, eten en drinken: het moest allemaal collectief gebeuren. Alles wat naar cultuur, expressie en individualiteit verwees, werd verboden, op straffe van executie: eigendom (uiteraard), naast kleding en uiting van persoonlijke smaak (iedereen liep in het zwart), boeken (behalve dan de reguliere communistische literatuur), het dragen van een bril (te intellectueel!), kennis van een vreemde taal (gevaar voor imperialistische smetten), maar ook vriendschappen en familiale banden die konden leiden tot groepsvorming buiten de cellulaire staatsstructuur. Allemaal fout, weg ermee.

Opmerkelijk is ook het belang dat de Khmers in hun ijver hechtten aan een juist taalgebruik. Daartoe moest er grote schoonmaak gehouden worden, niet alleen in de politieke terminologie. Woorden als vader of moeder waren taboe wegens niet conform de communistische gemeenschapszin, naast een hele resem andere vervuilde woorden uit de omgangstaal. Deze opkuis vereenvoudigde het leven aanzienlijk, en zou leiden tot de ideale maatschappij, zo meenden de Khmers oprecht: hun insteek was, hoe schandalig we dat nu ook vinden, idealistisch, op het maakbaarheidsprincipe gebaseerd, en, tja, in die zin zelfs politiek-correct.

Uiteindelijk werden de Khmers verjaagd door de Vietnamezen, die hen ook eerst in het zadel hadden geholpen. Waarna de indoctrinatie gewoon doorging. Tot daar de recente geschiedenis.

Newspeak

animalfarmDe verhouding tussen politieke macht en taalcontrole was het stokpaardje van de Engelse schrijver-filosoof George Orwell. Al in 1945 publiceerde hij zijn legendarisch geworden Animal Farm, een grotesk-satirische allegorie over een boerderij waar de varkens het hebben overgenomen en een welzijnsstaat creëerden volgens hoger beschreven Stalinistische principes. Maar de wreedheid is nagenoeg afwezig: de propaganda en de indoctrinatie hebben de vrijheidsberoving en de fysieke liquidatie grotendeels overbodig gemaakt. Iedereen is gelukkig omdat… het woord ongeluk gewoon is afgeschaft, meer moet dat niet zijn!

Orwell had vooral de Stalin-dictatuur voor ogen –in die zin was hij zelfs een pleitbezorger van de Koude Oorlog-, maar de eigenlijke visionaire dimensie van zijn distopische roman reikte verder: hij zag al de “perfecte democratie” opdoemen, waar macht en controle over het discours, in al zijn aspecten, samenvalt. Daartoe is dus geen dictatuur nodig, integendeel: hoe groter het gepalaver, hoe groter de verwarring, des te beter voor het systeem.

De moderne macht is niet meer repressief, ze grijpt in op het niveau van de taal, de betekenissen, de tekst. Ze organiseert de democratie en de publieke opinie op zo’n manier, dat de free speech alleen nog een variatie is op de legitieme thema’s, in een vast verbaal stramien.  Alles wat daar buiten valt, wordt gekwalificeerd als ongeoorloofd, nefast, grof, extreem.

Het systeem dat vandaag spreekwoordelijk als “Orwelliaans” wordt gekarakteriseerd, drijft daarom voornamelijk op taalmanipulatie en massapsychologie, met de communicatiewetenschap als sleuteldiscipline. Zowel de simplifiërende on-liner als het omgekeerde, de quasi-onbegrijpelijke woordenbrij, behoren tot het retorisch arsenaal van de macht.

De moderne macht is niet meer repressief, ze grijpt in op het niveau van de taal, de betekenissen, de tekst.

Het ingrijpen in de woordenschat is daarvan een essentieel aspect: termen worden gedumpt, andere worden uitgevonden. De nieuwe termen zijn nooit helder of éénduidig,- ze zijn veeleer wollig en mistig, om de contradicties van het systeem zelf toe te dekken. In een weinig bekend essay van 1946, getiteld “Politics an the English Language”, doet George Orwell die newspeak haarfijn uit de doeken. Macht berust op verwarring en ondoorzichtigheid, en daartoe moeten er verbale mistgordijnen geschapen worden. Dat gebeurt op alle niveau’s. We kennen allemaal het fenomeen van de informaticatechneut die u om de oren slaat met vakjargon, en zo zijn autoriteit bevestigt: het is jammer genoeg schering en inslag.

Zowel systemen als individuen ontlenen hun autoriteit aan een complex taalgebruik, een groteske overdaad aan woorden, frasen, alinea’s en voetnoten, die op de duur alleen nog naar elkaar verwijzen. Het euvel komt voor bij wetenschappers, technici, kunstenaars, en zeker ook politici. Er ontstaan dan kasten van specialisten die elkaar afschermen via een jargon dat zogezegd noodzakelijk is om ingewikkelde knopen te ontwarren, terwijl ze de knopen juist nog dikker maken. (→ meer hierover: “Eilanden van gezond verstand”).

Op het politieke vlak wordt de verloren gegane legitimiteit (“wie gelooft die mensen nog?”) ruimschoots gecompenseerd door de professionele inbreng van spindoctors en communicatiestrategen allerhande. Woorden worden gecreëerd, gecombineerd, gedumpt, helemaal conform hun inwerking op de publieke opinie. Met de media uiteraard als noodzakelijke sluis, en het academisch-cultureel establishment als aangever.

Allo-wat?

TermontIk moest dan ook voortdurend aan Orwell denken, toen steden zoals Amsterdam en Gent aankondigden dat ze het woord “allochtoon” zouden schrappen.

Het woord werd ons ooit opgedrongen als hallucinant staaltje newspeak (omdat men niet over vreemdelingen, migranten of mensen-van-buitenlandse-origine mocht spreken), en nu wordt het dus door diezelfde taalpolitie weer afgevoerd. Verre van dit met het Rode Khmer-regime te willen vergelijken, stelt men toch vast dat hier een gelijkaardig politiek-correct voluntarisme aan het werk is: het idee dat problemen zich oplossen door de taal te fatsoeneren. Terwijl het net andersom is: de taal is een weerspiegeling van de sociale realiteit, die niet homogeen is, maar heterogeen en conflictueus.

De ontkenningsstrategie die erachter schuilt is perfide en lachwekkend tegelijk. Ooit stelde Steve Stevaert, nu actief als havenbaas in Vietnam, voor om de term “Vlaams Belang” niet meer uit te spreken, en enkel nog de afkorting “VB” te gebruiken (wat dan evengoed op “Vuile Bruinzakken” of “Vunzige Bastaards” kon slaan, kies zelf maar). Daarmee zou het probleem volgens hem wel van de baan geraken. Het was ook de tijd dat de zo slimme professor Etienne Vermeersch in de media elke vraag over die verboden partij beantwoordde met een lakoniek “Wie?”, in dezelfde optimistische veronderstelling dat het probleem zo zichzelf zou oplossen.

In het kader van een permanente goed-nieuws-show wordt de realiteit geregisseerd en verbaal uitgefilterd,- iets waar de media overigens voluit aan meedoen.

Dit taalkundig proberen te overrulen van de realiteit is typerend voor een maakbaarheidsideologie die au fond niet geïnteresseerd is in het werkelijke maatschappelijke spanningsveld: in het kader van een permanente goed-nieuws-show wordt de realiteit geregisseerd en uitgefilterd,- iets waar de media overigens voluit aan meedoen. De quasi-ethische omlijsting van het woordverbod (“onzuiver taalgebruik” wordt meteen ook “immoreel taalgebruik”) is kenmerkend voor een bovenbouw die wanhopig op zoek is naar legitimatie: Gent en Amsterdam, redders van het correcte Nederlands, en hoeders van de beschaving!

Op zich totaal betekenisloos geworden stoplappen als “racistisch” en “(on-) democratisch” fungeren als sleutelwoorden in deze epuratie, die ver voorbij de strikt politieke sfeer gaat. De manier bv. hoe kreupelen, steeds vanuit de bemoeizucht van de sociale sector, invaliden werden, dan gehandicapten, daarna mindervaliden, nog later andersvaliden, om voorlopig te eindigen als personen-met-een-beperking,- is tekenend voor de fascinatie van de socio-politieke sector voor labelling en semantische inkapseling.

We denken ook aan de systematische kruistocht van de reguliere media die afgeven op het “racistische”, “vunzige”, “barbaarse” taalgebruik op het internet, en de filters die worden toegepast op de eigen publieksfora.  Op die manier proberen de elites taalkundig greep te krijgen op de massa, via een progressief-ethisch alibi, met zelfs esthetische parfums van “goede smaak”. De missionarishouding dus. Het is nog maar een kwestie van tijd, voor ze bij de UNESCO er achter komen wat de term “voil Janet” precies betekent, en dan krijgt het Aalsters carnaval zijn genadeslag…

Tentensletje

vuilzakConclusie? De overheid moet zich niet moeien met taalkundige epuratie. Als ze de treinen op tijd laat rijden en sneeuw ruimt ben ik al heel tevreden. Taal is iets levend, en baart constant nieuw materiaal dat van onderuit ontstaat, als vulkanische lava. Elk jaar neemt de Dikke Van Dale zo’n 1500 woorden op die tot de omgangstaal zijn gaan behoren. Het zijn woorden die soms door individuen worden verzonnen, schrijvers of journalisten, maar dikwijls ook uit de volksverbeelding zelf voortkomen. Vooral de jeugd- en jongerentaal is een vruchtbare bron, denk aan het tentensletje van de editie 2010.

In essentie loopt het woordenboek dus steeds de feiten achterna. Dat kan ook niet anders: de officiële taal, het AN, is maar een schaduw van de levende taal. Maar de Orwelliaanse krachten in het bestel willen op de feiten vooroplopen en de maatschappij kneden via het plichtlexicon, het Groene of het Rode boekje, het geadministreerde discours.

Toen een brave academische borst recent meende dat het woord “makak” moest geschrapt worden, wees Peter de Roover er fijntjes op dat dit woord vrijwel enkel nog gebruikt wordt… als scheldwoord door Marokkaanse allochtonen onderling. Ook het woord “neger” is in onbruik geraakt, niet bij decreet maar spontaan. Het woord boerka maakt in de volksmond dan weer opgang als vuilzak voor gemengd huishoudelijk afval. De etymologie is dikwijls complex en verrassend, het gebruik onorthodox. Zo is het woord “bougnoul” van oorsprong een Arabische term die… “neger” betekent.  Verbieden dan maar?

De enige autonomie die mensen nog rest, en waar ze fanatiek aan moeten houden, is de vrijheid om hun woorden te kiezen, vanuit de onderbuik, niet alleen vanuit het hoofd.

Het verzet tegen de standaard- en plichttaal is fundamenteel, en gelukkig springlevend. Om die reden maak ik me, zoals de lezer al heeft kunnen vaststellen, ook niet al te druk over de spellingregels, uitgedokterd door een clubje taalgeleerden ergens in den Haag. Nog veel minder maak ik me bezorgd over de door puristen zo gehate chat- en SMS-taal, of andere idiomen en tussentalen. Integendeel, ze vormen een vitaal tegengewicht voor de opgelegde new speak, de bureaucratische sluiers en het abrakadabra van de systeemtechnici.

Deze stille –en soms luidruchtige- strijd tussen spontane idiomen en cultuurtaal is, is veel belangrijker dan de immer verwaterende politieke tegenstelling. Het is dé nieuwe conflictzone van de postmoderne democratie, waar alles draait rond retoriek, taalspelen, demagogie en massamanipulatie.

De enige autonomie die mensen nog rest, en waar ze fanatiek aan moeten houden, is de vrijheid om hun woorden te kiezen, vanuit de onderbuik, niet alleen vanuit het hoofd. En er desnoods nieuwe te verzinnen als het vocabularium niet volstaat.

De schutting- en straattaal, samen met het kernproza dat op het internet floreert, is geen verbale restfractie maar vormt, integendeel, de stamcellen van het spraakweefsel. In ons geval het Nederlands. Als containerbegrip, niet als standaard. De vitale kern van een taal bestaat uit schimpscheuten en krachttermen, niet uit blabla.

Daar kan de Gentse burgemeester Termont, goede leerling van Stevaert, niets aan veranderen. Gelukkig maar, dedju.