Categorie archief: Mannen en vrouwen, en daartussen

Villa Politica, of de leegte van het machtsspel

dwvdirupo Nu het ons voor de Belgische verkiezingen duidelijk is gemaakt dat we enkel nog voor of tegen Bart De Wever kunnen stemmen, in casu “tussen het PS-model en het N-VA-model”, kunnen we spreken van een polarisatie, en dat heet goed te zijn voor de kwaliteit van de democratie. Zelf heb ik altijd in polarisatie geloofd, het zijn de uitersten die het politieke debat zinvol maken. Herakleitos (“De oorlog is de vader van alle dingen”) is altijd mijn filosofische Urheber geweest. Maar de laatste tijd heb ik mijn twijfels. Is dit wel een echt duel, of lijkt het meer op een geënsceneerde worstelpartij? En wie ensceneert er dan eigenlijk? Met welk oogmerk? Cui bono? Wie heeft er baat bij?

Het ultieme pre-electoraal essay, dat alle rode potloden wil onscherp maken en alle stemcumputers viraal infecteert.

1.  Plutocratie: de zoektocht naar de onbewogen beweger

parlementDe vraag wie het debat tussen Di Rupo en De Wever, links en rechts, zou winnen, is veel minder essentieel dan de vraag wie het organiseert en bemeestert. De media? Maar wie zit er achter die media? De concerns? Het wereldkapitalisme? De G8? De Bilderberggroep? Een buitenaards dispatchcentrum in de Himalaya?

Deze vraag naar de plutocratie, de (geheime, discrete) macht achter en voorbij het politieke geharrewar, wordt veel te weinig gesteld.  Het vermoeden van een macht-achter-de-macht.  Wat Nietzsche omschreef als de “Wille zur Macht” gaat eigenlijk daarover: we bezitten geen macht, het is de macht zelf die ons bezit. Dus helpt ook het doden van tirannen niet, er komen er steeds weer andere in de plaats. De revolutie is een maat voor niets. En deze crux interesseert me als metapolitiek filosoof mateloos: wie of wat is voor deze herhaling verantwoordelijk?

In die zin is de doorsnee-analyse, dat Bart en Elio elkaar als tegenstrever uitkiezen, omdat hen dat goed uitkomt elk aan hun kant van de taalgrens, absoluut triviaal én veel te flatterend voor beiden. Ten gronde ben ik ervan overtuigd dat ze ook maar marionetten zijn en dat we moeten zoeken naar het subject achter deze oorlog. Of misschien wel achter elke oorlog. Waarom doen ze dit eigenlijk?   Onlangs woonde ik een hanengevecht bij, en dat was een eye-opener: die hanen hebben niets in de pap te brokken. Bij elk gevecht is er ook iemand die toekijkt en regisseert. Hij is de eigenlijke winnaar.

Doorheen het vermoeden dat alle polariteiten doorstoken kaart zijn, kunnen we nu eindelijk de overgeleverde Herakleitos-boutade helemaal tot het uiterste doordenken: de oorlog is de vader van alle dingen, dus is die vader ook de vader van alle oorlogen. Wie geeft dan nog om het kinderachtige duel tussen de zonen? De vraag naar de ultieme Godfather voert ons onmiddellijk naar de omvangrijke literatuur van de complottheorieën, die door geen ernstig mens au serieux worden genomen, en dat maakt ze des te plausibeler.

Ook Bart en Elio zijn maar kleine marionetten in een theater waarvan de regisseur heel moeilijk te benoemen is.

Compleet luidt dat Herakleitos-fragment overigens:

Oorlog is de vader van allen en koning van allen.
Sommigen laat hij goden zijn, anderen mensen.
Sommigen maakt hij tot slaven, anderen vrij.

Vader dus, met of zonder hoofdletter. Een niet-benoemde Koning. Herakleitos (en daarmee zijn voornaamste leerling, Friedrich Nietzsche) maakt de link tussen politieke kritiek, religieuze kritiek en psychoanalyse. Door die Vaderfiguur op te roepen (géén moederfiguur) maakt hij van de oorlog zelf eigenlijk maar een tragikomedie, een theaterstuk dat door Iemand van buiten het universum geschreven, bedacht, gedirigeerd is. Ergens moet er een absolute kracht zijn die, puur voor het plezier van het drijven zelf, al de rest in beweging zet. Onnoemelijke lichtheid en absolute zwaarte, in één formule vervat.  Deze hypothetische onbewogen beweger, noemen we hem Pluto, ensceneert de tegenstellingen… gewoon om zijn macht te bevestigen. Daarachter is er geen antwoord meer op de vraag “cui bono?”.

Elke grote complottheorie, die haast de kracht moet hebben van een scheppingsverhaal (scheppingsverhalen zijn trouwens de oervorm van de complottheorie), gist naar deze “transcendente” figuur, waarbij men moet bedenken dat talloze aardse godfathers als kleine regisseurs een klein vlooientheatertje mogen beheren. Elke dictator is maar een futiele stand-in voor Pluto, alias de Wille zur Macht, alias de Vader van Herakleitos.

De minachting voor het politieke bedrijf komt uit dat inzicht voort. Voor een echte alleenheerser zou ik nog buigen, maar alle dictators zijn slechts plaatsvervangers, stand-ins voor iets groter, onzichtbaar, ongrijpbaar. Om nog maar te zwijgen van verkozen politici. Macht is niet enkelvoudig, ze is gedelegeerd en uitbesteed, maar een criticus kan niet anders dan tenminste proberen het uiteinde van die ketting te vinden.  Een retrograde zoektocht naar de onbewogen beweger en oorsprong van alle tegenstellingen, waarbij men veroordeeld is om alle etappes en tussenpersonen in kaart te brengen. Ook de meest lachwekkende. Niccolò Machiavelli had minstens een vermoeden van die lange ketting. Hij is er halverwege afgevallen.

2. Democratie, of de macht van Niemand

stembureauDe ultieme machtsanalyse, als zoeken naar God via zijn plaatsvervangers: zeer snel worden zowel Elio di Rupo als Bart de Wever onooglijk klein, tot het formaat van dorpspolitici. Zij bespelen het publiek, en worden bespeeld.

Maar ondertussen is er natuurlijk ook de massa van de machtelozen, het publiek. Wat is de rol van het volk in deze enscenering? Pure toeschouwers? Schijn bedriegt, want in een democratie heeft het volk zelf de macht. Hoe kan dat? Hoe dit te rijmen met de complottheorie rond de onbewogen beweger?

Hiervoor moeten we weer uit een nieuw vaatje tappen, en het Nietzscheaanse gezegde “God is dood” toevoegen aan de Plutokratische algebra. We rekenen verder: als God-de-vader de oorlog ensceneert, én als God dood is, wie ensceneert dan de oorlog? Niemand? Inderdaad, de nagel op de kop: Mr. Nobody, alias de naamloze massamens, het andere uiteinde van de ketting. Diegene die geen enkele macht had, erft nu die macht, zonder ook maar enigszins te weten wat ermee aanvangen. Hij stemt dus, kleurt een bolletje rood, brengt de kemphanen in de arena. Lusteloos, volatiel, onvoorspelbaar, ongeïnteresseerd eigenlijk. En dat maakt die mijnheer Niemand, gek genoeg, tot een absolute schemertiran die de politieke klasse verwart en kwelt.

We vinden die omgekeerde slavernij vandaag terug in de politicus die zijn kiezers achterna loopt. Di Rupo en De Wever doen het beiden. Elk zijn ze veroordeeld om hun aanhang, die ze mathematisch vermeerderd willen zien, te behagen en naar de mond te praten. Bang zijn ze van de kiezer, de machteloze macht die willekeurig, haast blindeling zijn potlood laat vallen op het stembiljet.

Uiteindelijk schenkt ons de democratie de bestuurders die we verdienen, en dat zijn de dorpsburgemeesters, met een mix van sluwheid en domheid.

En zo is meteen het antwoord gegeven waarom we dat uiteinde van de machtsketting niet vinden: de Plutokratische logica heeft zich omgekeerd, en loopt van onder naar boven. De democratie is wel degelijk een feit, het volk regeert, maar het theater is er niet beter, schoner, fraaier op geworden. Integendeel. Een beroepsklasse van middelmatige demagogen heeft zijn intrede gedaan, volkspolitici die weten dat ze niets te zeggen hebben en dat ook niet erg vinden, want het is uiteindelijk een broodwinning als een ander. Het zijn sportlui, worstelaars, en spiegelen zich aan de sport, omdat ook hier de vedette leeft van zijn publiek. De sportvedette is de speelbal van de supportersmeute, zelfs zijn charisma bestaat maar bij genade van het publiek. Zo zijn we weer bij de hanengevechten, maar dan zonder Godfather.

Het volk regeert, wedt, kiest, bewondert, schiet af, zonder dat iets van boven uit, een willende macht, nog voor enig tegengewicht zou kunnen zorgen. Niets hindert nu nog de opstoot van het vulgus. Alleen door rond de pot te draaien, en net niet te zeggen waar het over gaat, verwerft de demagoog enig uitstel van executie. De demagoog, niet begrepen als “volksmenner” (dat is een slechte vertaling), maar als antenne die gedoemd is om de “signalen” van het volk op te pikken, wat dus “draagvlak” oplevert.

Anti-democratische cultuurpessimisten kunnen hier nu voluit gaan, en ze hebben gelijk: als de massa regeert, is het einde nabij. Uiteindelijk schenkt ons de democratie de bestuurders die we verdienen, en dat zijn de dorpsburgemeesters, met een mix van sluwheid en domheid. Plato voelde het aankomen, en dacht dat de filosofische koningen de wereld gingen redden. Een staatsgreep die mooi niet doorging: als het ultieme tegengewicht bovenaan verdampt, kan niemand de verticale top-down-ketting nog redden, ook geen verlichte despoot, zelfs niet met de meest edelmoedige en filantropische bedoelingen. De Atheense democratie was toe al geboren, Socrates had de straat al onveilig gemaakt.

3. Zoek de kip: Lysistrata – Xantippe

femenDe dictatuur deugt niet, de democratie nog minder. De machtsstrijd is leeg en wordt daarom steeds theatraler, een spel dat ons gaandeweg degouteert. Proefballonnen, leugentjes-om-bestwil, achterbaks gekonkel in de coulissen: als God niet dood was, viel hij ter plekke omver.

Des te meer wekt het verbazing, dat men vrouwen actief bij dit kinderachtig hanengevecht probeert te betrekken. Of beter: het past perfect in het plaatje, want echte, onzijdige toeschouwers die zich aan het publieke-politieke machtsspel onttrekken,- daar zit de zwakke plek van heel het circus.

Ik vernoemde Socrates –waarvoor Nietzsche een enorme minachting had-, maar eigenlijk wil ik het over Xantippe hebben, zijn vrouw die thuisbleef, zich niet met politiek bemoeide (was in het Athene van toen overigens niet toegestaan), maar hem desalniettemin probleemloos de baas kon. Hoe apolitieker de vrouw, hoe gevaarlijker ze is. Via de keuken bezit ze de macht om te belonen en te bestraffen, zelfs om te vergiftigen. Het verschil in levensverwachting tussen vrouwen en mannen heeft daar allicht mee te maken: er worden meer mannelijke partners geëlimineerd dan de statistieken laten vermoeden.

Deze zwarte-weduwe-moorden worden echter doorgaans vervangen door seksuele chantage: het is dikwijls veel leutiger om een man in bed de geneugten te ontzeggen, dan hem simpelweg om te brengen. Mannen hebben vrouwen meer nodig om hun lust te bevredigen, dan vice-versa. Terecht spreekt men van het huwelijk als geïnstitutionaliseerde prostitutie, met dien verstande dat ook hier de echtgenote/concubine de touwtjes in handen heeft door voorwaarden te verbinden aan de penetratie door de echtgenoot/cliënt. Anale seks staat aan de top. Vrouwen hebben er niets aan, maar als pasmunt en drukkingsmiddel is het voor hen een zegen. De dag dat vrouwen gemeenzaam beslissen om op die manier een politieke partij te promoten, zijn de dagen van alle andere partijen geteld.

Het beste wat vrouwen kan overkomen, is het verlies van hun stemrecht. Dan geldt weer de wet van bed en keuken, en daar heeft de man geen verhaal. 

Uiteraard moeten we hier verwijzen naar Lysistrata, de komedie van de Griekse kluchtschrijver Aristofanes, waarin vrouwen zich op een onorthodoxe manier mengen in de Atheens-Spartaanse oorlog (Di Rupo – De Wever?) door de kemphanen aan beide zijden met een seksstaking te confronteren. Tussen de lakens dooft elke politieke machtsstrijd uit. Zie DSK en alle andere fallokraten. Onnodig te zeggen dat daarmee elk hanengevecht snel zijn glans verliest: vrouwen hebben geen politiek nodig, maar omgekeerd des te meer. Noem het de buitenspelval van Lysistrata (letterlijk: “zij die de macht ontbindt”) en Xantippe.

Wellicht daarom werd enkele dagen geleden een campagne opgestart om meer vrouwen in de politiek te krijgen, onder het motto “Let’s make it fifty-fifty”. Evenveel vrouwen als mannen in de regering, luidt het devies, en liefst ook in de administratieve topambten en alle parlementen die dit land rijk is. Een aantal politieke boegbeelden zet er zijn schouders onder. Vreemd genoeg een aantal oude ratten uit de tijd dat de dieren nog spraken en politiek een mannenzaak was, zoals Mark Eyskens, Herman de Croo en Willy Claes. En dat is heel logisch: een politieke recuperatie van het vrouwelijk electoraat is essentieel om een seksstaking – of erger- te vermijden.

Het vrouwelijk stemrecht, én deze “Make it fifty-fifty”-actie, hebben vooral tot doel om deze infra-politieke vrouwelijke subversie te bezweren.  Geef ze status, laat ze ook een petje dragen, en de dreiging van de keuken én het bed neemt af. Zo wordt die stem-vrouw-actie het summum van subtiele macho-strategie.

De conclusie is,- en het is niet de eerste keer dat het hierop uitdraait,- dat alleen buitenpolitieke krachten de machtslogica kunnen doorbreken. Vrouwen, blanco-stemmers, misschien zelfs dieren (die net daarom ook ooit wel stemrecht zullen krijgen, eens ze een “doelgroep” vormen). Het aantal blanco-stemmers en thuisblijvers in België (waar de opkomstplicht geldt) ligt nu rond de 15%. Dat is al de omvang van een middelgrote partij. Met de toenemende leegte van het machtsspel en de holheid van de woorden, wordt ook stemmen zelf een zinloze bezigheid.

Het beste wat vrouwen kan overkomen, is het verlies van hun stemrecht (in België ook een stemplicht). Dan geldt weer de wet van bed en keuken, en daar heeft de man geen verhaal. Dan komen heel andere scenario’s weer aan bod, waarin de oorlog en de kiesstrijd stilvallen wegens privé-problemen. Keuken, haard en bed zijn de drie gevarenzones, door de Grieken gezamenlijk als “oikos” betiteld, als tegenpool van de publieke “polis”, alias de Villa Politica.

Zo komen we eindelijk tot de enige echte oorlog die alle andere in de schaduw stelt, de meest extreme maar ook de meest opwindende: de oorlog tussen de seksen, het echte onderwerp van Aristophanes’ klucht. Met een gerust geweten kunnen we voor elk TV-debat de knop omdraaien en die ene Grote Oorlog voortzetten waar we gestopt waren.

 

 

 

 

 

 

Het racisme is een humanisme

sartre_kopMet deze schandalig ogende titel parafraseer ik, zoals de lettervreters onder u al begrepen hebben, het essay van Jean-Paul Sartre uit 1946   “L’existentialisme est un humanisme”. Het is deze tekst van een lezing, gegeven op 29 oktober 1945 in de Club Maintenant te Parijs, die Sartre tot numero uno in het pantheon van de moderne Franse intellectuelen heeft gehesen. Een opgang die in dat land in die periode slechts met deze van Charles de Gaulle kan vergeleken worden.

Toch kreeg de filosoof met de kikkerogen toen al het verwijt dat hij met die lezingtitel de term “humanisme” tot een stoplap en passe-partout degradeert. Daar is iets van. Men zou dan verder kunnen gaan en boekjes publiceren onder de titel “Het vegetarisme is een humanisme” of “Petanque spelen is een humanisme”.

Iedereen en alles humanist? Het lijkt me een onvermijdelijke preconclusie. Onder het motto “Niets menselijks is me vreemd” van de Latijnse komedieschrijver Terentius, kan het woord “humanisme” inderdaad niets anders dan een containerbegrip zijn, dat wij allemaal met veel vreugde zelf invullen. Er zijn, tot spijt van het Humanistisch Verbond, zoveel humanisten en zoveel definities ervan, als er menselijke specimen op deze aardkluit rondlopen.

Het woord dan maar schrappen? Misschien. Tenzij men het net tot grondslag maakt van een nieuwe antropologie die “de mensheid” deconstrueert tot een kluwen van existenties die hun weg zoeken in een wereld die ze niet gemaakt hebben en die hen ook nauwelijks zal missen als ze verdwijnen.

Dat brengt ons meteen tot de kern van Sartres vertoog, rondom de vraag: wie ben ik en wat doe ik hier? En vooral gij, wat doet gij hier?

Existentie en identiteit: de filosoof kleedt zich uit

Sartre_zeeHoofdmotto van het Sartriaanse existentialisme is het overbekende adagium “De existentie gaat vooraf aan de essentie” (L’existence précède l’essence). Inderdaad,  ideologie, religie, filosofie, cultuur en moraal kunnen als “zingevers” wel mooie praatjes verkondigen en de schijn ophouden, maar uiteindelijk worden we naakt geboren en zijn we op weg van nergens naar nergens.  We zijn allen vreemdelingen, aliens, geworpenen. De zoektocht van het individu naar zichzelf en zijn plaats in de wereld is geen beschouwelijke, academische bezigheid maar een permanent soort individueel activisme dat soms meer weg heeft van gespartel: in het begin is er de daad. Pas in het handelen, en de keuzes die daarmee gepaard gaan, creëren we een “aura”, een individualiteit, een tweede huid, een als zinnig herkenbare levenswandel. Het existentialisme is met andere woorden een identiteitsfilosofie avant-la-lettre.

Dat Sartre de mosterd haalde bij (de onder de nazi’s vlijtig doorwerkende) Martin Heidegger, is algemeen bekend. Deze Duitse filosoof stond aan de verkeerde kant en moest zich in barre tijden uit de slag trekken, wat een verpletterende verantwoordelijkheid oplevert: leven is kiezen, en (meestal) verliezen. Heidegger was dus goed geplaatst om een bom te leggen onder drie millenia Westers denken, door elke metafysica af te zweren en het Dasein, het hier-en-nu van de enkeling, als handelend wezen, wereldverbeteraar, schone mens, smeerlap, collaborateur, of gewoon overlever, als enig geldig uitgangspunt te nemen.

De daad dus, en het er-zijn, be-staan (dit is de filosofie van de streepjescodes). Elke vrijheid heeft haar consequenties en wordt cash betaald, geen enkele daad is vrijblijvend, zomaar. Het weze overigens gezegd dat Heidegger veel radicaler was dan Sartre, en in 1949 zelfs opperde dat diens “humanisme” toch terug het abstracte, Cartesiaanse denken invoert en zich in de aloude ideeëngeschiedenis wil inschrijven. L’ être et le néant is inderdaad voor 99,999% van de mensheid compleet onleesbaar, geschreven in een duizelingwekkend filosofisch jargon, iets wat Heidegger zelf zorgvuldig vermeed. Een filosoof moet zich echt uitkleden, en niet stoppen bij het ondergoed.

De Andere en zijn lijfgeuren

Sartre_beauvoir2De vraag is hoe-dan-ook –en daar trekt Sartre de humanistische schuif open-, wat de betekenis is van de Andere in dit traject van het enkelvoudige Ik. Wel, primair is de andere onmisbaar om het eigen Ik te definiëren. We zijn niet alleen met zes miljard existenties die allemaal willen overleven en daartoe strategieën bedenken, er is ook een spiegelspel aan de gang waarin we toenadering zoeken en afstand nemen. We komen er maar achter wie we zijn, door te vergelijken en het verschil te ontdekken.

Dit gaat dus over sympathie en antipathie. Over emoties, affiniteit, afkeer, allergie. Mensen kiezen voor of tegen mensen, op een instinctmatige basis. De rationaliteit, het alibi, komt maar achteraf.

De erotiek is hier het absolute paradigma. Een man die een vrouw kiest en erop verliefd wordt, kiest tegen alle andere vrouwen. Zij maakt op dat moment het absolute verschil. De liefde is de oervorm van discriminatie, positieve én negatieve. Kiezen is winnen en verliezen, insluiten en uitsluiten. Dat geldt voor individuen en voor groepen. Het hoort bij de menselijke existentie,- naar het schijnt heeft het met feromonen, geurstoffen te maken. “Ik kan hem niet ruiken”, het is in onze taal een gezegde voor iemand niet lusten. Het zit echt in de neus. Zo heb ik het enorm voor bakkersvrouwen, Aziaten en herdershonden. Ik mag homo’s en moslims niet, en dat is heel persoonlijk, en het is ook wederzijds. Ik zou hen nooit als poetshulp aannemen. Met negerinnen zou ik dan weer nooit het bed delen. Soms gaat het helemaal niet om categorieën maar om personen die ik niet kan luchten. Of net wel. Moet ik me daarvoor schamen? Of zijn het facetten van mijn eigen geaardheid? Mijn allerindividueelste perversiteit?

Een man die een vrouw kiest en erop verliefd wordt, kiest tegen alle andere vrouwen. Zij maakt op dat moment het absolute verschil. De liefde is de oervorm van discriminatie.

Liefde en haat houden elkaar in evenwicht, en bepalen de menselijke uitwisselingsprocessen. Deze chemie is het onderwerp van Goethe’s roman Die Wahlverwandtschaften (1809), waarin ratio en instinct tot in het uiterste tegenover elkaar komen te staan. Humanisme dus, maar altijd gespleten, gericht, gepolariseerd. Het criterium is volkomen individueel en willekeurig. De liefde en de seksualiteit zijn proto-vormen van racisme. Misschien heeft het existentialisme wel meer te maken met een Filosofie van de Eros, zoals de Vlaamse Sartriaan (en ooit mijn filosofische mentor) Leopold Flam (1912-1995) ze probeerde te formuleren, dan met algemene mensenrechtenkwesties.

“Anti-racisme”: de (niet meer zo) nieuwe pensée unique

meld We zijn goed een halve eeuw verder. Waar Heidegger voor waarschuwde, is uitgekomen: het humanisme is, alleszins in West-Europa, ontaard tot een ideologie van de totale nivellering. Sartre is na 1968 door politiek-links helemaal opgesabbeld tot een brij van politiek-correcte gemeenpraat die verschillen herleidt tot “diversiteit” en heel de maatschappij ziet als een gedepolariseerde smeltkroes van meningen, ideologieën, culturen, religiën.

“Discriminatie” is het woord waarmee elk gevoel van fundamenteel onderscheid wordt ontzenuwd, “racisme” wordt het nieuwe vloekwoord. In België is het “Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding” als overheidsinstantie permanent in de weer om burgers erop te betrappen die andere burgers, nu ja, als “anders” beschouwen. Inclusief meldpunten en kliklijnen. Inclusief afgewezen sollicitanten die de antiracismewet inroepen.

Het is bang afwachten tot een vrouw met een schorre viswijvenstem klacht indient bij het Centrum omdat ze de rol van Salome in de opera niet kreeg.

Uiteindelijk is zelfs zondigen-in-woorden-of-gedachten, het uiten van sympathie of antipathie, het subjectieve moment van de meningsuiting, verdacht en aan politiek-correct censuurschap onderworpen. De gesel van de tolerantie onderdrukt elk voor-oordeel over de Andere. Het existentialisme is daarmee dood, als antidoctrine van de vrije, zelfbewuste, zoekende enkeling. En het zijn vooral de zogenaamde progressieven die deze vrijheid ten grave dragen, om haar te vervangen door een anti-discriminatoire pensée unique die zowel de liefde als de haat, voor- of afkeur voor mensen, groepen, categorieën criminaliseert.

Het nieuwe, postmoderne kosmopolitisme wordt de vlag van dit ontaarde humanisme. Alle grenzen worden gesloopd, alle tegenstellingen weggevlakt. Het vreemde fenomeen doet zich dan voor dat links, in naam van de gelijkheid en de emancipatie, vrolijk meehuppelt met het neoliberale globalisme van de wereldmarkt, waarin multinationals de wet dicteren. De Europese Unie, met haar “vrij verkeer van personen, goederen en diensten”, wordt al evenzeer op handen gedragen door de linkerzijde. Terwijl het hier toch gaat om een homogenisering van de markt, in dienst van het grootkapitaal. Zo ontmoeten het wereldkapitalisme, het linkse internationalisme, en het door de overheid opgelegde gelijkheidsdenken, elkaar in een griezelig project van de ont-individualisering. Sartre, of wat er van rest, draait zich om in zijn graf.

Finkielkraut, of de banaan op het voetbalveld

banaanAls belangrijkste klokkenluider omtrent die kaalslag op identiteit geldt vandaag de Franse filosoof-columnist Alain Finkielkraut (°1949). Hij beschouwt het anti-racisme als dé ideologie van de 21ste eeuw, die de Andere en hét Andere reduceert tot een object in de veelkleurige etalage van de diversiteit. Net daardoor worden alle onverenigbaarheden bij voorbaat geannuleerd als immoreel, en krijgt “identiteit” iets satanisch. Men moet zichzelf leren haten en het eigene ontwaarderen als iets onrechtmatig toegeëigend, gestolen (“oikofobie”). Vanaf dan is de vervreemding totaal, het Ik een puur statistisch gegeven, en het Wij een apolair massagegeven, eventueel in nuttige doelgroepen opgesplitst.

Eigenlijk is Finkielkraut een Sartriaan van het zuiverste pompwater, en herbront hij het existentialisme vanuit de oertegenstelling tussen het Ik en de Andere. Het algehele discriminatieverbod dat de overheden vandaag in West-Europa willen opleggen, is doorgeschoten tot een verbod op antipathie, dat eigenlijk ook een verbod inhoudt op het tegengestelde, de sympathie, de liefde dus.  De overheid, de staat, het systeem, werkt vandaag als een identiteitsberovend mechanisme, hetgeen de kritische massa aanzienlijk doet zakken, wat voor een systeem altijd goed uitkomt. De macht fragmenteert én homogeniseert. De keuzevrijheid wordt daarom van dag tot dag onbenulliger: we kunnen kiezen uit 100 zenders op de kabel, die echter allemaal hetzelfde doen, uit 30 yoghourtmerken die allemaal hetzelfde smaken en overigens allemaal door één concern worden gefabriceerd, en uit een dozijn politieke partijen die allemaal ongeveer hetzelfde zeggen. Straks zult u de kleur van uw belastingsformulier kunnen kiezen, maar niet waarvoor u belastingen betaalt.

In zo’n feitelijke eenheidsmaatschappij is het benadrukken van verschillen een Satriaans gebaar, en is het zogenaamde racisme een verzetsdaad. Vandaar de titel van mijn stukje: het racisme is een humanisme. Een noodzakelijke antithese tegen een systeem dat de antithese heeft afgeschaft en dat als inhumaan moet bestempeld worden.

Het algehele discriminatieverbod is doorgeschoten tot een verbod op antipathie, dat eigenlijk ook een verbod inhoudt op het tegengestelde, de sympathie, de liefde dus.

Ik denk aan de supporter die een banaan gooit naar een gekleurde speler van de tegenpartij. Mag niet van de voetbalbond. Terwijl het niet eens om “racisme” in de letterlijke zin gaat (gebaseerd op raskenmerken dus), want hij gooit die banaan niet naar een neger van de eigen ploeg. Het gaat dus om een rudimentaire vorm van collectieve identiteitsbeleving, waar o.m. voetbal en sport vandaag hoofdzakelijk om draait.

Hier en daar wordt er dus nog gevloekt, met een banaan gegooid, en wordt de Andere nog echt benoemd, als anders, als vreemd en onbekend gekwalificeerd. De vreemdeling dus, die we sowieso voor elkaar zijn. Weinigen durven het woord nog gebruiken. Er is de “racistische” komiek Dieudonné M’bala M’bala. Er zijn Le Pen, Wilders, bij ons het Vlaams Belang,- blaffende honden die polariseren, het multiculfeestje bederven en het identitaire denken stuitend, soms ranzig, propageren. Allen zijn ze antiglobalistisch, nationalistisch dus, en tegen de EU. Allen staan ze in de marge van het politiek-maatschappelijk fatsoen en zijn ze ei-zo-na illegaal. Wat zou de politiek saai zijn zonder hen.

Web-democratie, subculturen en nieuwe identiteitsconstructies

FBToch is het twijfelachtig of die bananengooiers het nog lang zullen uitzingen. De sociale sancties zijn te sterk, de druk te groot. De angst voor de eenzaamheid en het isolement weegt. Voor een existentialistisch réveil zie ik veeleer mogelijkheden in de nieuwe “sociale” media, de mogelijkheid van autonome (zij het virtuele) gemeenschappen te creëren die zich wél afzetten tegen de Andere. Groepen die door positieve en negatieve discriminatie, insluiting en uitsluiting, op een of andere manier het verschil cultiveren en een identiteit construeren. We zijn allemaal elkaars racist, zowel in vriendschap als in vijandschap. Laat de vreemdeling vreemdeling zijn, de Andere die niét tot mijn levenssfeer behoort. En er ligt zelfs een geluk in het uitgesloten worden, omdat dit de meest extreme confrontatie is met de eigen identiteit, wat dan weer aanleiding kan geven tot nieuwe subculturen van refusés.

Zowel de Neurenberger rassenwetten onder de nazi’s als de hedendaagse anti-racismewetten zijn erop gericht om de mens zijn eigen reukorgaan te ontnemen. 

Dus ja aan de homo’s en de hetero’s, de lesbiennes en de travestieten, de SM-clubs, hun geheime protocollen, hun inwijdingsrituelen, hun exclusieven. Via het web kunnen deze verboden gemeenschappen overleven en territoria creëren. De vreemdeling als uitzondering, exoot en nomade gedijt in dezelfde cybersfeer. Een racist voor iedereen, het lid van de éénmansvereniging met onnoemelijk strenge toelatingsvoorwaarden. Zo maximaal moet democratie kunnen gaan: naar singletons en republieken die maar één of een paar bewoners tellen.

Hoe minder het politiek systeem zich met die nieuwe identiteitsconstructies bezig houdt, hoe beter. Zowel de Neurenberger rassenwetten onder de nazi’s als de hedendaagse antiracismewetten zijn erop gericht om de mens zijn eigen reukorgaan te ontnemen.  Het subjectief en pluriform “racisme”, begrepen als existentieel discriminatiedenken, het onderscheiden en durven benoemen van de Andere, is duizenden malen minder erg dan het veralgemeende en uniforme anti-racisme, begrepen als weg naar de identiteitloze massacultuur. Het is een gedachte die door filosoof-jurist Matthias Storme al in 2005 werd geopperd, en wel in zijn Molinarilezing bij de ontvangst van de “Prijs voor de vrijheid”: discrimineren is een recht, een mensenrecht dat men niet aan de overheid moet uitbesteden.

grafEn dan is er, ten laatsten male, nog weerom de liefde. Het koppel sluit de wereld uit en heeft genoeg aan zichzelf. Bekijk de humanistische tortelduiven Jean-Paul en Simone, voor eeuwig verenigd. Daar, in deze copulatie, en nergens anders is het sexistentialisme ontstaan. Alleen oog voor elkaar hebben ze, enfin, zij toch voor hem.  Niets gunnen ze de rest, geen liefkozing, geen troetelwoord, nog geen banaan. Echte racisten zijn het.

 

 

Hoe de waarheid wordt uit een leugen

Ja, we stammen van de apen af. En ja, de aap is iets dommer, onhandiger, minder geëvolueerd. En wij dus iets meer. Zo ongenadig Siegmund Freud als pseudo-wetenschapper vandaag wordt afgebrand, zozeer wordt Charles Darwin, bedenker van de evolutietheorie, door de nieuwe lichting wetenschapsfilosofen verheerlijkt. Dat is opmerkelijk, want Darwin was, om in hun terminologie te blijven, een minstens even groot fantast en mythomaan als Freud. Er zijn nog meer gelijkenissen tussen beiden.

Van zoo naar zoölogie

aap

Tommy, London Zoo, ca. 1835

In 1871 verschijnt Darwin’s werk “On the Decent of Man, and Selection in Relation tot Sex”.     Niet alleen de theorie is fascinerend, maar ook de mythevorming is interessant,- mythes die Darwin deels zelf verzon en in stand hield.

Inderdaad, parallel met zijn actuele heiligverklaring komt ook steeds weer de legendarische onderzoeksreis (1831-1836) met het schip de Beagle op de proppen,- een reis waarin Darwin Zuid-Amerika, Australië, het zuiden van Afrika en diverse eilandengroepen in de Grote en Indische Oceaan bezocht. Dààr zouden de ideeën van de evolutietheorie vorm hebben gekregen rondom het provocatieve idee dat “de mens van de aap afstamt”. Daar, tussen de Galapagosschildpadden en de Falklandwolven, zijn de embryo’s van de latere theorieën ontstaan, daar kreeg de wetenschapper zijn geniale flits, voldoende om de rest van zijn levenswerk te voeden.

Jammer genoeg is dat een exotische fabulatie, geïnspireerd op de 16de– en 17de eeuwse ontdekkingsreizen. De waarheid is prozaïscher. Meer dan waarschijnlijk kreeg Charles Darwin de “flits” gewoon in de  door hem druk bezochte Londense Zoological Gardens. Al in 1835 was daar de eerste chimpansee aangekomen, Tommy genaamd. Hij kreeg dadelijk een streepjestrui en zeemanspet opgezet, en werd in een humanoide setting geplaatst, inclusief meubilair en allerlei huishoudelijke toestanden. Best mogelijk dat de oppassers die chimpansee ook min of meer als “menselijk” beschouwden. Met de zebra’s of de pythons beoefenden ze dat soort travestieën in elk geval niet. Tommy werd als huisdier behandeld: een dier dat men per definitie niet opeet of uitbuit, maar dat integendeel cohabiteert met de menselijke “meester”, die er soms zelfs een slaaf van wordt.

Darwin haalde dus de mosterd bij de oppassers van het Londense apenkot…. men dien verstande dat de empathische relatie met het huisdier er voor hem te veel aan was. Dus moest Tommy ingeframed worden in een theorie,- een afstammingstheorie nog wel, van het meer “beschaafde” uit het meer primitieve. Van zoo naar zoölogie dus. Of hoe de waarheid wordt uit een leugen.

Darwin haalde zijn ideeën gewoon bij de oppassers van de Londense Zoo, en fantaseerde zich vervolgens een wetenschappelijke ontdekkingsreis.

Dat doorkruist niet alleen de klassieke Darwin-urban legends, het plaatst ook de evolutieleer in een ander perspectief. Het lijkt erop dat Darwin die geklede aap ook terug wou uitkleden en in een hiërarchisch model plaatsen, waardoor hij een prototype, een primitievere voorvorm werd van de homo sapiens. Dat klopt uiteraard chronologisch, als paleontologie. Maar Darwin, die diepgelovig was, en een aanhanger van de Intelligent Design-doctrine, wou ook wetenschap en geloof verzoenen, vanuit de premis dat de mens de kroon is op de schepping.

Vercammen

Alexandra Vercammen en haar hangbuikzwijn

Darwin heeft Tommy dus uitgekleed en de aap terug verdierlijkt. De aap belandde, als specimen én species, terug op de ladder, ergens onder de homo sapiens. Terwijl de relatie tussen mens en huisdier deze verticale stelling negeert, bevestigt het boek “On the descent of Man…” hem terug. Een verdekte theologische ingreep, me dunkt.

Nog breder genomen, lijkt dit op een usurpatie die men als typisch mannelijk-intellectualistisch-Cartesiaans kan zien. We geven onze kat een rokje en zetten de hond mee aan tafel, maar ergens moet er dan altijd een theoreticus uit de hoek komen die de kat en de hond terug plaatst waar ze thuishoren, namelijk bij de primitievere zoogdieren en onder tafel. Geklede chimpansees horen niet thuis in de taxonomie noch in het evolutiestelsel. Ze verwarren de theoretici en maken het abstracte terug concreet. Meer en meer verschijnt de abstractie zelf als een mannelijk-rationele gewelddaad, om niet te zeggen: een machtsgreep. Ab-stractie, dit woord letterlijk te nemen: ont-trekken. Zoals het hangbuikzwijn, waar Alexandra Vercammen tot 2009 mee samenleefde, ook op gerechtelijk bevel werd afgevoerd.

Drie vrouwen, drie huisdieren

Mahler

Mahler, Alma en kinderen,

Onthoud alvast dat de abstractor Charles Darwin de huisaap Tommy ont-domesticeerde om in zijn groot plakboek te kunnen opnemen. En dat deze ontvreemding gebaseerd is op een vorm van intellectuele diefstal, toegedekt door een  stoer jongensverhaal, zijnde dat van de Beagle-expeditie. Diefstal, zei u? Ik ben ooit eens begonnen met een inventaris te maken van briljante mannen die op een of andere manier hun schittering ontleenden aan een wellicht nog briljantere vrouw, waarvan het licht uiteraard niet mocht schijnen.

Ik denk bv. aan Martha Bernays. Weinig kans dat de naam u iets zegt. Uit recent ontdekte briefwisseling kan men afleiden dat zij de principes van de psychoanalyse ontdekte, en dat Freud er achteraf wereldberoemd mee werd. Was zij zijn muze, of kunnen we hier gewoon van plagiaat spreken? (Zie ook het boek van Françoise Xenakis: “Zut, on a encore oublié Madame Freud”).   Freud zweeg er in elk geval in alle talen over, tenzij over… “zijn Muze”.

Ik loop even verder tot bij de illustere onbekende Mileva Maric. Ze was een briljant natuurkundige, gehuwd met een zekere Albert Einstein. Men vermoedt recent dat het basisidee van de relativiteitstheorie van haar afkomstig is, wellicht in bed toevertrouwd, en dat Einstein er op voortborduurde, via de erotogene formule E=mc2 , waarbij de massa (m) het vrouwelijk element is en de lichtsnelheid (c) het mannelijke. Een alchemistisch-hermafrodiete formule dus, die als het ware in haar lijf zat. Doch hola, geen energie zonder massa? Geen (mannelijke) wetenschap zonder vrouwelijke intuïtie?  Hij dumpte haar op tijd en hertrouwde. Niemand heeft verder nog iets van Mileva Maric gehoord…

Mileva had de relativiteitstheorie in haar lijf, maar Albert ging met de pluimen lopen: wie schrijft, die blijft.

Hetzelfde geldt, in een nog veel dramatischer vorm, voor een andere zogenaamde muze die anoniem moest blijven: Alma Mahler-Schindler, echtgenote van de componist Gustav Mahler. Ze was zelf een begaafd componiste, maar Mahler verbood haar te componeren. Het was ondenkbaar dat zij, als vrouw van het genie, ook maar één noot op papier zou zetten. Als kers op de taart bezong hij in de bekende Kindertotenlieder (1905) de dood van hun kinderen, tot afgrijzen van Alma. Ik haal deze drie vrouwen als voorbeeld van een veel omvangrijkere reeks, waarin de man zijn geklede apin terug ontkleedt en met de intellectuele buit gaat lopen.

vrouwen

Martha, Mileva en Alma: in de schaduw van het “genie”

Het mannelijk parasitisme is dus niet alleen sociaal-biologisch-familiair, maar vooral ook intellectueel. Men zou heel de geschiedenis van de wetenschap, én de wetenschap zelf, kunnen herschrijven vanuit die anonieme “muze” waarvan de wijsheid in een vertekende, geabstraheerde vorm werd genotuleerd tot theorie, leer, Boek. Vrouwen leven en beleven, mannen schrijven en beschrijven. Maar het leven is er eerst. Dus richt dat beschrijven zich tegen leven zelf én tegen de vrouwen die het be-leven. De geschreven cultuur is een doodscultuur.

De relativiteitstheorie én de psychoanalyse zijn dus maar “extracten” van een diepere kennis. Maar hoe die reconstrueren? Teruggaan naar het origineel, het lijkt ondenkbaar, want noch Martha, noch Mileva, noch Alma lieten enig geschreven spoor na,- dat werd hen uitdrukkelijk verboden door de Meester. Alleszins is het wel een aansporing om vandaag op zoek te gaan naar die sporen van wijsheid die onopgemerkt, anoniem, soms subversief tegen hét geofficialiseerde Weten ingaat. Deze vrouwelijke tegendraad ontdekken we o.m. in de alternatieve geneeskunde en de homeopathie, zgn. “pseudo-wetenschappen” waar de Darwin-apologeten enorm tegen te keer gaan. De cirkel is rond.

Abstractio en dismembratio: het exploot van de TV-kok

HuysentruytIk eindig opnieuw met de zoölogie, ditmaal in een culinair perspectief. Onlangs besloot TV-kok Piet Huysentruyt om de evolutietheorie gastronomisch te verfijnen, en wel door een levende kreeft een voor een de scharen af te breken, in twee te snijden en daarna op een vuur te roosteren. Vooral de triomfantelijke grijns van deze homo sapiens doet terugdenken aan de stelende intellectueel, nu uitgebalanceerd tot beul. Blijkbaar moeten het mannelijk-culinair intellect zichzelf bewijzen via een sadistisch soort machtsvertoon, bij voorkeur uit te werken op dieren die eigenlijk te jong zijn om te slachten. De gesublimeerde kindermoord, merkwaardig, dat Dutroux-trekje. Of het gastronomisch equivalent van de Kindertotenlieder.

Ik doe ook hier even de revue. Zo kan voor Peter Goossens van het Hof van Cleve het vlees niet jong genoeg zijn. “Melklam uit de Pyreneeën”, en Roulade “van een kalf dat nooit buitengelopen heeft” behoren tot zijn favoriete gerechten,- zo lezen we op het menu. Hoger vernoemde Piet Huysentruyt serveert dan weer met graagte “Piepkuiken op grootmoeders wijze”,- minuscule porties babyvlees waarvan er vermoedelijk een hele klad in de pan belanden om de normale honger te stillen. TV-kok en chemieprofessor Herwig Van Hove zag ik ooit eens met een sardonische grijns levende paling villen en in hete olie gooien.

De sadistische TV-kok: nooit was de karikatuur van de evolutietheorie zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

kreeftMaar nu dus Piet. Hij heeft de vrouwen uit de keuken verjaagd en demonstreert waar het mannelijk abstractievermogen toe in staat is. Met de dismembratio van de kreeft verdonkeremaant Piet H. ook deskundig elk spoor van vrouwelijk-empathische attitude tegenover de natuur en het leven. Nooit was de karikatuur van de evolutietheorie, als apologie voor de homo sapiens, zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

Wat daarna in de media volgde, was een fijne academische discussie over de vraag wat zo’n kreeft nu precies voelt. Uiteraard weten wij het niet, we kunnen het niet vragen. De grote filosoof René Descartes geloofde alvast dat geen enkel dier tot lijden in staat is, wat de liefhebbers van vivisectie een paar honderd jaar lang als een vrijbrief hebben gezien voor de meest walgelijke experimenten.

Er is dus reden om te twijfelen aan de evolutietheorie. Niet feitelijk-paleontologisch, zelfs niet moreel of laat staan religieus, maar vooral vanuit de antroposofie,- vreemd, ik heb dat woord nooit eerder gebruikt. Zowel de evolutietheorie, de psychoanalyse als de relativiteitstheorie  lijken maar fantasmen, apocriefe aftreksels van iets veel wezenlijker, waar de mannelijke geest nauwelijks aan kan. Van Darwin tot Huysentruyt, en over alle andere genieën, hangt een zweem van machtsvertoon, opportunisme en leugen-om-bestwil. Blijven zoeken dus naar de verzwegen bron waaruit ze hebben geput.

Samen-leven als perfecte (zelf)moord

Criminologen en liefhebbers van misdaadromans kunnen dagenlang doorbomen over de manier hoe een perfecte moord zou kunnen gepleegd worden. De regels die altijd terugkomen zijn: geen naspeurbaar motief en ook geen duidelijke oorzaak.  In de limiet zou er van moord zelfs helemaal geen sprake zijn en houdt men het bij een “natuurlijk overlijden”.

Hier wordt het ook voor een filosoof interessant. Hoeveel “natuurlijke overlijdens” in ons midden zouden wel helemaal niét natuurlijk zijn? Het blijft giswerk en speculatie uiteraard. Er wordt overal en overvloedig gestorven, maar het aanwijzen van een dader en een motief blijft een zeer marginale uitzondering. Toch zou men, met een beetje paranoia, de zaken kunnen omkeren en het natuurlijk overlijden als een uitzondering beschouwen op een veel bredere, meer impliciete regel dat we allemaal elkaar om zeep helpen.  Een inleiding tot de crimisofie.

Stress en sociale homicide

etrangleur  “Gij zijt de nagel van mijn doodskist”, zei mijn grootmoeder altijd, toen ik weer eens de verkeerde krant uit de winkel had meegebracht. Per ongeluk, maar toch. En gelijk had ze: wellicht heb ik haar leven met maanden verkort door telkens weer die cholerieke stress uit te lokken, die gepaard gaat met een verhoging van de cortisolspiegels in het bloed, wat op langere termijn leidt tot een afbraak van het immuunsysteem.  Rekening houdend met het feit dat in ons dichtbevolkt universum iedereen iedereen regelmatig op de zenuwen werkt, zou men dus kunnen spreken van een langzame, onzichtbare slachtpartij. We doden elkaar, uit verveling, uit ergernis, of gewoon… per ongeluk. Niet met mes of pistool, maar via het traagwerkend gif, geproduceerd door de sociale interactie zelf.

In een intensere mate kan het dan gaan om pesten of stalking, die het slachtoffer tot zelfmoord aanzetten, zie de recente facebookmoorden. Maar dat hoeft eigenlijk helemaal niet. Moreel veel geruststellender is het om alles binnen de normale perken te houden en de modale druk op de omgeving aan te houden,- waarbij u uiteraard moet bedenken dat uzelf ook het mikpunt bent van die stille agressie.

We hoeven dus elkaar helemaal niet op te eten. Er voor elkaar zijn is al erg genoeg, zoals Sartre ons meedeelde: L’enfer, c’est les autres. Wat op zijn beurt dan weer te maken heeft met overpopulatie, te dicht op elkaar leven, te afhankelijk zijn van elkaar, én van een alles regulerende overheid.

Verstrooidheid, onverschilligheid, alle vormen van tactloosheid zijn goed om de stresshormonen bij anderen op te wekken die ook mijn grootmoeder finaal hebben genekt.

Men mag stellen dat, ondanks de vooruitgang van de medische wetenschap en de daarmee verbonden verlenging van de levensverwachting, dit effect minstens voor de helft terug geneutraliseerd wordt door de sociale homicide en de sluipende vormen van zelfvergiftiging in en door de omgang. De charade van het assisenhof toont ons dan enkel de abnormale, compleet uit de hand gelopen gevallen van doding. Voor de rest verloopt alle sociaal geweld heel banaal, discreet, gewoon, doodgewoon.  Er zijn duizend manieren om stress op te roepen. Iemand negeren, of juist overbevragen. De sloddervos uithangen bij een netheidsmaniak. Te hete soep opdienen, iemand lang laten wachten, met een doofstomme een gesprek over Mozart beginnen. Verstrooidheid, onverschilligheid, alle vormen van tactloosheid zijn goed om de stresshormonen bij anderen op te wekken die ook mijn grootmoeder finaal hebben genekt.

Blijft dan natuurlijk nog de vraag naar de intentie: willen we echt de dood van de andere? Neen, allicht niet, of toch wel, en hier komt Freud ons gelukkig te hulp. Want gezien de moraal ons dat soort moordplannen verbiedt, hebben we hen verdrongen in de diepere lagen van ons onderbewustzijn. Niemand wil/mag dus nog een moordenaar zijn, maar iedereen doodt en lokt een “natuurlijk overlijden” uit, het ene na het andere, tot men zelf aan de beurt is.

Daarmee hebben we zowel motief, gelegenheid als middel voor de perfecte moord. En die heet: samen-leven. Meer moet dat niet zijn.

Death Nurse: dialectiek van de zorg

verpleegsterMet de moraal zijn we uiteraard nog niet klaar. Want wat doen we met begrippen als altruïsme, empathie, solidariteit… liefde? Juist, laat ik een extreem geval nemen.

Onlangs is een vriend van me gestorven die er vrij warmpjes inzat. Hij laat een treurende weduwe na, een stuk jonger dan hij. Iedereen is altijd vol lof over haar geweest, hoe ze hem vertroetelde, heerlijk kon koken, niets was te veel. Van dag tot dag zagen we hem ronder en blijer worden. Ook in bed was het heel druk, naar hij me ooit toevertrouwde: elke dag meerdere keren feest. Uiteindelijk is hij aan een infarct gestorven, te wijten aan overgewicht van al dat lekkers en, tja, vermoedelijk toch ook wegens de overmatige seksuele inspanningen waar ze hem toe dreef.

Natuurlijk kan men de weduwe niets verwijten, en alle geruchten over het uitzicht op de erfenis zijn pure laster. Dus houden we het misschien bij vertroetelen en vetmesten als… de perfecte moord. Niets aan de hand. Idem dito voor papa en mama die hun kinderen wekelijks verwennen met een McDonalds-menu: hamburgerrestaurants danken een groot deel van hun omzet aan dit soort ouderliefde. Toch gaat het, zoals iedereen ondertussen weet, om caloriebommen, doordrenkt in suiker en vet, die obesitas en diabetes veroorzaken. Puur vergif dus. Ongemakkelijk moeten we hier weerom Freud als joker bovenhalen: mogelijk speelt er bij die liefdevolle ouders een onderbewuste drang om van de kinderlast af te geraken, ook wel het Glaukos-complex genoemd, naar de Griekse mythe van koning Minos wiens zoontje in een honingvat verdronk.

Het verwennen is dus een tamelijk morbide bezigheid: het is agressie die eruit ziet als empathie. In alle mogelijke sociale activiteiten zou, onder de dekmantel van bezorgdheid en menslievendheid, minstens een component kunnen sluimeren die net in de andere richting wijst. De mantelzorg, vaak gezien als een extreme vorm van naastenliefde, heeft een binnenzak met een eigen, kleine, zwarte agenda. De hoogbejaarde oma en opa in huis nemen bijvoorbeeld: kinderen kunnen hen tot een hel worden en de stress-hormonen de pan laten uitspringen, wat de oudjes uiteraard nooit zullen toegeven. Elke reddende hand uit het moeras is ook een duwende hand. Elke omhelzing is de aanzet tot een wurggreep.

Ook liefde en naastenliefde kunnen knellen, verstikken, doden. Al dan niet met voorbedachte rade.

Zo krijgt die veel geroemde menselijke eigenschap van mede-lijden een dubbele bodem. Waarom voelt iemand met u mee? Wanneer wordt empathie plakkerig en drukkend? Wat kan die injectienaald allemaal bevatten? Het archetype van de verpleegster is samengesteld uit dat van de reddende engel en dat van de doodsbode. Met de regelmaat van een klok lezen we van bejaardenverzorgsters die hun patiënten doden. Soms voor de erfenis, of uit stress, maar soms ook, nu ja, uit menslievendheid. De liefde van het verstikkende kussen. Heel het euthanasiedebat is een afgeleide van deze ambiguïteit, cirkelend rond de vaststelling dat ook het doden uit medelijden de koelbloedigheid van een moordenaar vereist.

De dialectiek van de zorg slaat tenslotte zelfs op het brede fenomeen van de moderne verzorgingsstaat en de sociaaldemocratie. De discussie in de VS rond Obamacare, het nieuwe sociale zekerheidsstelsel dat door de huidige president in de steigers is gezet, gaat over die problematiek van het “verstikkende kussen”: iemand helpen is tegelijk iemand verzwakken, inkapselen, doden.  Heel het complexe apparaat van de zorgsector is tegelijk levensbevorderend én (eu-)thanatisch: de overheid als death nurse. Er is geen goede kant aan barmhartigheid: beoefent men haar, dan doodt men. Beoefent me haar niet, dan doodt men ook. We beseffen dat wel, ergens in ons binnenste, en proberen het idee te verdringen.

Net daarom blijft de verzorgingsstaat in Europa overeind: het is het enige middel om moreel-correct iets aan de groeiende populatie van niet-actieven te doen. We kunnen de ouderen en de zwakkeren niet laten omkomen van de honger, maar hen doodknuffelen, laten verdrinken in de honing, waarom niet. Zeer snel inderdaad takelen bejaarden af, eens ze in een RVT (Rust- en VerzorgingsTehuis) zijn terecht gekomen, ook al krijgen ze de beste zorgen, of juist daardoor. Mishandeling of verwaarlozing zijn uit den boze. Het nietsdoen, de slome saaiheid en de zoete doodsgeur die sowieso altijd in die instellingen hangt, zijn op zich de ideale elementen van een stervensbegeleiding.

Don Juan, of de esthetica van de uitzondering

SMWelke levensles kunnen we nu trekken uit dit verhaal, waar we elkaar allemaal op een of andere manier naar de andere wereld willen helpen, hetzij uit rivaliteit, hetzij uit filantropie? Kortweg: geen. Het geweld is overal, het zit in ons en het komt op ons af. Hoogstens kunnen uitzonderingstoestanden ontstaan, waarin het genot en het plezier tijdelijk de overhand nemen op de machtslogica’s. Er ontstaat dan een esthetische dimensie die in de seksualiteit wordt beleefd, ook en vooral de extreme seks zoals S.M. Alle geweld staat hier in dienst van de lust, waardoor de dood zelf, en zijn strategie van de perfecte moord, even tussen haakjes komt te staan. Ik denk aan mijn overleden vriend en zijn genotsmomenten aan tafel en in bed: ook al beraamde zijn vrouw een snood plannetje, in de aanloop naar en tijdens het orgasme heeft dat weinig belang. Wie zou zo niet willen gaan?

Voor de filosoof Søren Kierkegaard was Don Juan de belichaming van deze esthetische visie. Hij is geen banale verleider maar een gedreven zoeker naar topmomenten, singulariteiten waarin het universeel jeu de massacre even tot stilstand lijkt te komen.  Don Juan vervolgt en wordt vervolgd, alles ademt geweld uit, ook in de opera van Mozart. Maar tegelijk staan al zijn esbattementen, zowel het wapengekletter als die van de verleiding en het honingvat, in dienst van de pure lust, die zich tegenover de moraal stelt.

Uiteindelijk is het creatieve eveneens ingegeven door het lustprincipe, iets dat men doet voor het plezier, zonder sociale implicaties. Een gedicht schrijven of een taart bakken,- het zijn esthetische daden zonder agenda, zonder strategie.

De pure consumptie ervan, als genotsmiddel, evenzeer. Zelfs al is de taart vergiftigd, onze smaakpapillen vertellen het niet, en dat is het enige wat er op zo’n moment toe doet. De SM-seks is hier een sterke metafoor: in die toestand van opwinding ontpopt de death nurse zich, al is het maar heel even, tot echte liefdesgodin. Een uitzonderingsmoment dat zich helemaal buiten de samen-leving stelt.

Dat neemt noch de dood, noch het sterven, noch de homicide weg. Don Juan gaat er zelfs betrekkelijk snel aan ten onder, want ook voor de estheet wordt de sociale druk enorm naarmate zijn schuldregister vol geraakt. Toch is hij, in al zijn immoraliteit, een icoon geworden van het geweld dat zijn vervulling niet zoekt in de dood maar in de lust. En dat is dan ook de enige plek waar het leven zich aan de hel van de anderen onttrekt.

“Two Tars”: de vrolijke rit naar het autokerkhof

salonZopas sloot het Brusselse Autosalon zijn deuren, de tweejaarlijkse FEBIAC-hoogmis vol glimmende bolides en schaars geklede dames die mannen ter plekke soms tot masturbatie aanzetten (met eigen ogen gezien tijdens de nocturne, vrijdag). Afgezien van dit laatste ben ik politiek en moreel tegen de auto. Hij vervuilt, rijdt op een egoïstisch-Narcistisch chassis, en doet het slechtste in de mens naar boven komen. Als voetganger en fietser vervloek ik dit chroomstalen universum.

Maar zet mij achter het stuur, en ik transformeer onmiddellijk tot wegpiraat en verkeersgek. Het omdraaien van de contactsleutel is voldoende om de hersenklik te maken. De auto is, samen met de computer, een van de weinige machines die écht tot onmiddellijke gedragsverandering aanleiding geeft. Of misschien wel een persoonsverandering. Hoe kan dat? Wat is er aan dat gestroomlijnd karos dat het alle mannen, zelfs de grootste klunzen, zo stuurvaardig, zo koelbloedig, zo assertief,… zo moorddadig maakt? Alleen de antropologie, moeder van alle wetenschappen, kan die bipolariteit verklaren.

Jagers in de vlakte

Volgens een algemeen aanvaarde hyrallypothese ruilden de hominiden zo’n 3 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika de jungle voor de savanne, een open landschap met hier en daar bosjes en struiken. Ze werden tweevoeters en ontwikkelden jachtstrategieën, mede dankzij de ontwikkeling van de neocortex (de hersenschors, verantwoordelijk voor taal en abstract denken). De rondtrekkende stam wees patrouilles aan van vier mannen die het terrein moesten verkennen op zoek naar beschutting en prooi. Vier bleek het ideale getal: één leider die vooraf ging, twee links en rechts, en eentje dat vooral achteruit moest kijken voor eventuele gevaren in de rug. Vier is ook psychologisch een goed, rustgevend aantal met minimale kansen op conflicten (in tegenstelling tot bv. drie). We vinden dat groepsgetal tot vandaag in allerlei contexten zoals het strijkkwartet, de popband, het kaartspel en… uiteraard de auto met zijn vier zitplaatsen. Al de rest is ballast.

Uiteraard maak ik hier een enorme sprong. Er is nog de verschijning van de ruiter, de uitvinding van het wiel, de kar, de strijdwagen, de koets, de ontploffingsmotor, en de assemblageband voor massaproductie, bedacht door Henry Ford. Er is het oprijzende verkeersnetwerk, de wegcode, er zijn de files. Maar in essentie is de auto de industriële omzetting van die gewapende patrouille in de grasvlakte. De rallywedstrijden en de 4×4-rage herinneren er nog aan: hier heerst het recht van de sterkste. Dit is het universum van de nomadische jager, die het kleinwild (voetgangers en fietsers) wegmaait, maar die zelf belaagd wordt door de mastodonten (vrachtwagens).

Agressie is inherent aan het verkeer. Het is geen uitzondering, het is de regel. Al honderd jaar terroriseert de auto, als modern relict van de prehistorische jager/nomade, het wegennet.

Overigens jagen de zogenaamde zwakke weggebruikers ook elkaar op. De cyclotoeristen terroriseren de gewone fietsers, die op hun beurt de voetgangers de berm inrijden. De voetgangers zijn de absolute underdog: zij dienen, zoals het woord het zegt, zich uit de voeten te maken. Moto’s hebben dan weer de signatuur van reuze-insecten. Tenslotte zijn er nog de aaseters: politie, ambulances, hulpdiensten.

In deze voedselketen spelen vrouwen geen enkele actieve rol, tenzij als decoratie, prikkel om de testosteronproductie te stimuleren, of om het zweet van de jager te betten. De nadrukkelijke aanwezigheid van vrouwelijk schoon op de motorkap is dan ook antropologisch geheel verantwoord. De pit babes om en rond formule-1-wedstrijden beloven seks en bereiden de man voor op de strijd. Voor nog meer ambiance, beluister Wagners Walkürenritt.

De file als burgeroorlog

TwotarsVerkeersagressie is dus helemaal geen abnormaal, pervers verschijnsel maar de essentie van het ding, met de automobiel als absolute trigger. Hoe strenger de wegcode, des te meer domineert de anarchie. Een oerwoud van gebods- en verbodstekens nodigt alleen maar uit tot ontwijken en anticiperen. Sensibiliseringscampagnes rond veilig verkeer hebben nauwelijks succes.

Door de ontwikkeling van die auto tot massaproduct en de exponentiële toename van de verkeersdrukte deed zich echter hetzelfde probleem voor als bij de bevolkingstoename op deze planeet: iedereen liep (of beter: reed) iedereen in de weg, dus werd het drummen.

Het verdwijnen van de open ruimte, de totale verstedelijking en het dichtslibbende verkeer veranderen compleet onze horizon. Men ziet nooit verder dan de voor- en achterligger. Snelheid bestaat alleen nog in F1-wedstrijden, films, reclamespots en games, ze is virtueel geworden. In werkelijkheid overheerst de traagte, het wachten, het bumperen, en het daarmee verbonden walggevoel.

Dikwijls staat alles compleet stil, getoeter alom, in de wegberm ontstaan opstootjes. Men doodt elkaar, letterlijk, voor een parkeerplaats of om een plek op te schuiven in de file.

Zo gaat het dynamische geweld van het snelverkeer over in het statische, stilstaande geweld van de file. In de onvoorstelbaar grappig/baldadige slapstick “Two Tars” (1928) tonen de zeebonken-op-verlof Stan Laurel en Oliver Hardy hoe ze twee deernes aan de haak slaan (pit babes dus, belangrijk voor de testosteronaanmaak), vervolgens tijdens een joy ride in een file terechtkomen, die tenslotte eindigt in een imbroglio waarbij iedereen elkaars auto sloopt. Meesterlijke profetie.

Op die manier klapt het oude jachtritueel in elkaar tot een kannibalistische oorlog-van-allen-tegen-allen. Al decennia piekeren verkeersdeskundigen zich suf over de vraag hoe ze dit in goede banen kunnen leiden, tevergeefs: de overheid, die zogezegd het geweldmonopolie heeft, staat machteloos tegenover deze burgeroorlog van het stilstaand verkeer. Zolang er beweging was, was er hoop. De stilstand echter, daar worden de jagers van weleer pas echt baldadig. Hier produceert het testosteron geen roes meer, maar slechte stress, onlust en walg, die elk moment kunnen overslaan in een jeu de massacre. Tijd voor het derde en laatste bedrijf in deze slapstick:

Het openbaar vervoer

Inderdaad, hoe lost die hopenbaarvervoerilarische file in “Two tars” zich eigenlijk op? Heel merkwaardig: nadat de arm der wet eindelijk is gearriveerd, ontstaat een wilde achtervolging op het olijke duo en rijdt de sliert auto’s, of wat ervan overblijft, pardoes een spoorwegtunnel in. Als een deus-ex-machina komt nu vanuit de tunnel een stoomlocomotief aangestormd die het zootje demobiliseert en opruimt. Einde goed al goed.

Bijna honderd jaar geleden wisten de schrijvers van deze plot haarfijn waar het rijk van de auto eindigt: daar waar de spoorwegen het overnemen. De overheid keert terug, en hoe. Het zijn net de files die een ijzersterk politiek argument aanleverden om het privévervoer op te doeken. De auto heeft zijn houdbaarheidsdatum overschreden, punt gedaan. Vergeet het argument van de CO2-uitstoot en het fijn stof: ook de perfect schone auto is geen lang leven meer beschoren. De postmoderne bureaucratie duldt geen individuele trajecten meer en wil deze herverpakken tot grotere, collectieve trajecten die finaal ook onze individuele horizonten moet bundelen. Zeg maar: ons leven eenvormiger maken.

Het openbaar vervoer is veredeld veetransport. Het is een eindeloze oefening in het wachten. In die gelatenheid ligt zowaar het kleine geluk van de reizigerskudde…

Niet dat daarmee de vrede gewaarborgd is of het geluk vergroot, maar het verhoogt enorm de impact van het systeem op het individu, waardoor de individuele stress en de daarmee verbonden hormonenproductie totaal stilvalt. Er is een vast netwerk, een uniforme uurregeling, een centrale dispatching, en vooral: je zit naast een wildvreemde waarvan je vermoedt dat hij je niet gaat opeten. Dat schept zowaar een wederzijdse band.

Onvermijdelijk roept dit associaties op met deportaties en het vervoer van slachtvee. Terecht: de kudde op weg naar het abattoir is het verzwegen prototype van de nieuwe collectieve mobiliteit. Eindeloos kan de bureaucratie nu malen, oponthoud creëren, sporen wisselen of trajecten wijzigen. Het openbaar vervoer is een eindeloze oefening in het wachten. In die gelatenheid ligt zowaar het kleine geluk van de reiziger. In België rijdt haast nooit een trein op tijd, en dat is psychologisch van belang: ook varkens hebben tijdens hun laatste reis geen flauw benul wanneer ze zullen aankomen. En willen dat ook niet weten.

meisjesO ja, Hoe loopt het nu af met die twee meiden, in het begin van het filmpje door Stan en Oliver opgepikt? Wel, vreemd genoeg laten de scenaristen hen achter in de wegberm, ze zijn niet meer nodig in het verhaal. Hierdoor verlaten ze zonder kleerscheuren de file-oorlog (waarin ze toch nooit meer waren dan supporters), maar ontsnappen ze ook aan de apocalyptische finale waarbij de locomotief het complete autopark opveegt en de mannen ter deportatie opvordert.

Achteraf zouden we die deernen kunnen zien als demonische strijdmaagden die het allemaal in gang hebben gestoken en de vuurtjes aanpoken. Walküren uit de Belle Epoque als het ware. Maar ook dat is een mannelijke fixatie. Misschien is de ultieme moraal gewoon dat heel dat mobiliteitsgedoe tot de waan van deze wereld behoort. En dat het best prettig toeven is in de berm of aan de zijkant. Of gewoon thuisblijven: dat we daar nooit hebben aan gedacht.

Optimisme als mannelijke hysterie

wallstreet

Wall Street, 1922

Koop aandelen! Haal dat spaarvarken boven, verdomme! Consumeer, laat het geld rollen! Niemand heeft er zin in, want het ergste moet nog komen, zo voelen we aan onze dikke teen. Het straffe is dat de economen dat zelf ook weten: ze denken namelijk zonder uitzondering allemaal in curves, op en neerwaartse bewegingen. En het gaat dus nog altijd fameus bergaf in de wereldeconomie, hou u vast aan uw bretellen.

Als vader van dat cyclisch denken geldt de Russische econoom Nikolai Kondratieff (1892-1938), adviseur van Lenin maar uiteindelijk in opdracht van Stalin gefusiljeerd. Niet geheel ten onrechte overigens: Kondratieff stond als pragmatische communist een voorzichtige invoering van het kapitalisme voor, net omdat het cyclisch in elkaar zit onder het motto “na regen komt zonneschijn”. Veel makkelijker dan alsmaar die vijfjarenplannen te fabriceren die toch nooit wat worden. En het geeft de armoezaaier een perspectief. Wie vandaag met 900 Euro per maand moet rondkomen, gelieve geduld te hebben en het leven van de zonnige kant te bekijken: beterschap is op komst, op voorwaarde dat je er écht in gelooft. Snel uitgeven dus, die 900 Euro, en dan maar pinnen op de poef.

De winter tegemoet

curve   Grosso modo duurt één cyclus bij Kondratieff 50 jaar, waarbij telkens een technologisch innovatieve sector heel de zaak trekt. Zo zitten wij midden in de 5de cyclus, het informatietijdperk, in gang geschoten rond 1980, in 2008 (net voor de bankencrisis) op zijn toppunt, en nu dalwaarts gaande, ergens 2030 tegemoet. Dan is zowat iedereen platzak behalve dat ene percent superrijken. Milieu-doemdenkers gaan ervan uit dat we tegen dan ook allemaal stikken in het fijn stof en dat er sowieso geen vervolg meer aan dit verhaal komt, maar zij kennen niets van economie.

Kondratieff verdeelde zijn cyclussen nog eens in vier perioden die hij aanduidde met de seizoensnamen. De lente zag hij als opbouwfase, de zomer als consolidatiefase, de herfst als plateau- of stabilisatiefase en tot slot de winter als liquidatie of afbraakfase. Wij zitten, anno 2014, dus in volle herfst.

Deze verwijzing naar de landbouw en de natuur is psychologisch knap bekeken: het neutraliseert de doemdenkers (zie hoger), en het maakt de economie tot een zelfregulerend mechanisme, zoals de natuur, waar een slimmerik zijn voordeel mee kan doen, terwijl de sukkels mogen wachten op de lente die toch komt. Zij het binnen twintig jaar.

De kapitalistische economie is een manisch-depressieve fantasmagorie die alles en iedereen opzuigt. Ze heeft alle kenmerken van een epidemische verslaving…

Er is bovendien iets gek aan die curve: hij bestaat omdat economen, financiële experts en uiteindelijk heel het systeem er zich ook naar gedragen. Een geval van self-fullfilling prophecy dus, of noemen we het gewoon moderne religie. Het is als een scheve toren die onvermijdelijk na een tijd omvalt als je hem maar hoog genoeg maakt. De meesten komen onder het puin terecht, alleen de ingewijden en de zieners maken zich op tijd uit de voeten. Waarna het spel herbegint.

Zo blijkt Kondratieff niet alleen de geestelijke vader van de economische curve, maar ook een zielenknijper die ons met crisissen moet verzoenen en de pechvogels onder ons aanspoort tot… optimisme. “Crisissen zijn uitdagingen”, en meer van dat soort peptalk: het stamt uit het constructivistische Rusland van de jaren ’20.

De zwarte tulp

beursWie de binnenkant van een beursgebouw al eens heeft gezien, krijgt een idee van de hysterie die het systeem draaiend houdt: nu eens euforisch, dan weer disforisch, creëert ze waarde of verlies, zonder ook maar één ogenblik uit de mallemolen te stappen. Het heeft alle kenmerken van een epidemische verslaving. De kapitalistische economie is een manisch-depressieve fantasmagorie die alles en iedereen opzuigt. Er ontstaat tussen New-York, Frankfurt en Tokio een parallelle wereld van de waan waaraan niemand nog ontsnapt.

De beurs is tegelijk tempel, theater, markt en casino. Ze is deterministisch, voluntaristisch en aleatorisch tegelijk. Er zijn wetmatigheden (de curves!), duizenden analisten zwermen rond (die zich overigens steeds weer misrekenen), terwijl tegelijk het anarchisme van de vrije markt heerst en, vooral, de begeerte om rijkdom zichzelf te laten vermeerderen. Ingebeelde rijkdom grotendeels, want de transacties laten nauwelijks nog toe dat er ook echt geconsumeerd wordt.

Binnen dat universum is werkelijk alles mogelijk. Het ingebeelde wordt waar, het waardeloze wordt rijkdom, en het gekke is: de kunst is om mee te gaan met de waan. De reële, “natuurlijke” waarde van de dingen wordt vervangen door hun speculatieve waarde, gebaseerd op het gerucht en imitatiegedrag (opeens wil iedereen hetzelfde), leidend tot een hausse, onvermijdelijk gevolgd door een baisse.

Hét klassieke voorbeeld is de tulpengekte uit het Holland van de 17de eeuw. Kort na 1600 begonnen de prijzen van tulpenbollen in de lage landen te stijgen, omdat een paar Franse dames zo’n tulp in hun decolleté droegen (Cherchez la femme!). In 1637 werd in Amsterdam één zwarte tulp geveild voor 6000 gulden, toen de prijs van een sjiek herenhuis in het stadscentrum. Een paar maanden later was ze niets meer waard en stortte de markt in, met een paar winnaars en vooral veel verliezers. Die zich een paar maanden later op een nieuwe rage stortten.

De zwarte tulp, is er een sterker symbool denkbaar van de ontaarding? Het maakt de waan tot drijvende motor van een proces waarin mensen, ook complete leken, denken dat ze via de beurs slapend rijk gaan worden, bubbels zich steeds weer vullen, tot ze uiteenspatten, iedereen kniezend afdruipt, om tenslotte weer recht te krabbelen en te herbeginnen. Gadgets, kunst, antiek, goud, onroerend goed, luxewaren, maar ook grondstoffen en levensnoodzakelijke producten zoals rijst, olie, suiker volgen deze speculatieve cyclus.

Kraft durch Freude

Het optimisme functioneert in heel dat verhaal als een emotionele zweep, een drug die de EwigeVerhofstadt Wiederkehr des Gleichen veroorzaakt, zoals een gokverslaafde ook steeds weer herbegint. De euforie, nodig om een hausse te creëren, is gebaseerd op een bewustzijnsvernauwing die men als typisch mannelijk moet zien, het adrenalinemoment van de jager tegenover zijn prooi. Anderzijds is elke tegenslag een aansporing om te herbeginnen. Finaal maakt dit optimisme zich los van elke realiteit. Het gebral dat de toekomst aan ons is, en dat het steeds beter wordt, is noodzakelijk om de eigen angst te onderdrukken. Alle negatieve signalen worden genegeerd, positieve worden uitvergroot: het optimisme is de sociaal meest aanvaardbare vorm van domheid. Het maakt de kern uit van vele politieke demagogie, maar ook van allerlei feel good– en gelukstherapieën, die mensen wijs maken dat alles beter wordt, “als je er maar in gelooft”.

Het ordewoord om het optimisme blindelings te promoten behoort tot de kern van het Westerse kapitalisme en het vooruitgangsdenken.

De burgermanifesten van Guy Verhofstadt, geschreven tussen 1989 en 2006, vertolken weergaloos deze vorm van zelfhypnose. Niet toevallig doken ze op in de “lente” van de economische curve. Verhofstadt’s lofzang aan de techniek, het industrieel apparaat en de vooruitgang liegt er niet om: het verstand op nul en de blik op oneindig, is de boodschap. In wezen is dit een restant van de vroeg-20ste eeuwse macho-lyriek, beoefend door die andere manifestenschrijver, Filippo Tommaso Marinetti, peetvader van het artistieke futurisme en huisvriend van Benito Mussolini.

“Kraft durch Freude”, heette dat in de nazipropaganda. Vandaag vinden we die verplichte hoera-stemming terug in allerlei TV-formats (lachsalvo’s om de halve minuut), de strijd tegen de verzuring en ‘de morele plicht om positief te denken’, nog zo’n Verhofstadt-mantra, geïnspireerd op het bekende devies van de filosoof Karl Popper (1902-1994) “Optimism as a moral duty”. U moét meegaan in de euforie, anders stokt de waarde van het aandeel. Want daarop wordt de conjunctuur beoordeeld: niet op het goede leven of het geluk dat wordt geproduceerd, maar de waarde van de aandelen, uitgedrukt in de beursindex.

Optimisme werkt altijd. In goede tijden leeft men naar de hausse toe, in slechte tijden van de baisse weg. Enig negationisme omtrent crisis en armoede is gewenst (Geert Roelens, topman van de Beaulieu-groep: “Ik wil het woord ‘crisis’ niet meer horen!”) Zo blijkt die goede Karl Popper, de peetvader van het moderne liberalisme, een vermomde Kondratieff-adept, met alle manische trekjes vandien. Door het optimisme als een “plicht” op te vatten, wordt de beurs, als psychotisch mechanisme, als het ware moreel gefundeerd. Tijd om uit die carroussel van de mannelijke waan (want dat is het) te stappen.

4. Oikos, of de moeder van de porseleinenwinkel

Lagrange

Hestia gegijzeld? (Christine Lagarde, topvrouw van het IMF)

Het ordewoord om het optimisme te promoten behoort tot de kern van het Westerse kapitalisme en het vooruitgangsdenken. Heel de cultuur van de waan volgt in haar zog, zowel de beurs, de media-industrie, de consumptiemarkt als de bloeiende sector van de mental coaching, allerlei goeroes en therapeuten die ons via tegelwijsheden de eeuwige glimlach verkopen onder het motto “Always look on the bright side of life”. Graag citeren ze ook filosofen, vooral Nietzsche met zijn Uebermenschfantasie en zijn Zarathustra-gedaas.

Het pessimisme wordt anderzijds beschouwd als iets toxisch, overeenkomstig de klassieke visie op de melancholie als zwart-galligheid. Maar misschien is heel die karikaturale kijk op de melancholie en de depressie wel zelf een neurotische poging om onze fysieke, mentale en sociale realiteit te verdoezelen.

Dat is alvast de stelling van de feministische biologe Barbara Ehrenreich. Ze kreeg zelf met die peptherapieën te maken, toen ze borstkanker kreeg en iedereen haar wilde laten geloven dat ze vooral steeds opgewekt moest zijn, blijven lachen, want dat was het begin van de genezing. Het werd haar zo gortig dat ze er een essay over schreef,Smile or Die: How Positive Thinking Fooled America And The World” (2010), waarin ze heel dat mannelijk-militaristisch vocabularium van het obligate optimisme in een bredere context stelt. Politiek, economisch, cultureel.

De enorme toevloed van feel-good-therapieën zijn volgens Ehrenreich het gevolg van het hyperindividualisme, het materialisme en het daarmee gepaard gaande inkrimpende collectieve verantwoordelijkheidsgevoel, het zorgend principe, dat men als pessimistisch moet beschouwen, voorzien op de worst case (“Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinenwinkel”).

De zuinige zorgzaamheid van moeder-de-vrouw Hestia is niet interessant voor de consumptiemaatschappij en dus ook niet voor de beurs.

Daarmee raakt ze iets aan dat fundamenteel tegenover de hysterie van de beurs staat: de no-nonsense-realiteit van de haard, door de Grieken de oikos genoemd, het huishouden, de zorg (voor het vuur) en de voorzienigheid, beheerd door de godin Hestia. De vrouw-aan-de-haard, jawel. Zij weigert de schuim van het optimisme en gaat voor een holistisch realisme, onze plaats in het grote geheel. Het idee dat men zijn borstkanker kan weglachen is vals, en staat tegenover het besef dat die borstkanker kadert in een breder verhaal van o.m. een falende milieuzorg, de economisch pletwals en het gebrek aan langetermijndenken.

Gezond conservatisme

Vrouwen blijken dus veel miHestiander last te hebben van die tulpenbollenstress, ook al ondergaan ze natuurlijk net zo goed de consumptiemaatschappij. Men voelt hier de tegenstelling tussen het mannelijke en het vrouwelijke universum: het woord “economie” komt van dat Griekse woord “oikos”, maar het is gekaapt, het is een nomos geworden, een wetenschap. Dus moet Hestia misschien wel op haar rechtmatige plek gerestaureerd worden. En uiteraard niet kosmetisch, op de manier zoals Christine Lagarde de IMF-club mag voorzitten, als een soort masquotte.

Barbara Ehrenreich pleit eigenlijk, als progressief-linkse publiciste, voor een gezond conservatisme, dat de curven van de waan opnieuw vervangt door de natuurlijke cycli, de echte seizoenen dus, niet de spookseizoenen van Kondratieff, en door de wetten van het gezond verstand.

Deze wetten vertellen ons bijvoorbeeld dat men in tijden van voorspoed moet sparen en in crisistijden elke cent drie keer moet omdraaien. Zuinigheid dus. De knip op de beurs. Precies het tegendeel van wat de economen ons aanbevelen. De zorgzaamheid van moeder-de-vrouw Hestia is niet interessant voor de consumptiemaatschappij en dus ook niet voor de beurs. Aan haar verdienen de beleggersfondsen niets. Ze kan de schaarste beheren, ze maakt geen schulden en laat het geld niet rollen, ook niet als ze het heeft. Ze kweekt zelf groenten in haar tuin, heeft geen VISA-kaart en stelt een weekmenu op waardoor de impulsaankopen tot een minimum wordt beperkt.

In 1668, dertig jaar na de tulpenbubbel, levert de Franse toneelschrijver Jean-Baptiste Poquelin, beter bekend als Molière, zijn karikatuur af van dat vrouwelijk voorzorgsprincipe en de zuinigheid, in de figuur van L’avare (“De vrek”). Mensen die het geld op hun spaarboekje laten staan zijn gierigaards die het spel niet willen meespelen. Ze kijken de kat uit de boom, blijven in hun eigen oikos en verzaken dé economie waaraan ze hun (toekomstige) rijkdom te danken hebben. Aan de schandpaal ermee.

Daarmee was de wereld klaar voor een nieuwe bubbel en voor de eerste industriële revolutie. Weg met de vrekken, laat het geld rollen. Faites vos jeux, lach, speel, verlies, en herbegin. We weten tot op vandaag, en in het vooruitzicht van een nieuwe bankencrisis, waar deze euforie ons heen leidt. De recente Wall-Street-demonstraties tonen hoe diep de afkeer zit. Allemaal niet goed voor de economie, dat gejank.

Sublimeren is de kunst

duivenmelkerOnlangs bereikte ons de tijding dat de Brabantse gemeente Merchtem (bij Brussel) GAS-boetes (“Gemeentelijke Administratieve Sancties”) wil uitdelen aan al wie de lokale duivensport verstoort. Concreet gaat het vooral over spelende kinderen die door hun tumult de prijsduiven van de til weghouden. Daarmee is de discussie rond overlast op een nieuw, hoger peil gekomen: het gaat om de man-met-de-duif die men liever niet in de buurt van kinderen ziet. De vraag is, wie een gevaar vormt voor wie. Een kleine cultuurwandeling.

Colombine-Lolita

NiettegenstaanColombinede de duif een vredessymbool is, zijn duivenmelkers behoorlijk agressieve lui: katten, andere vogels, roofdieren, ze worden zonder pardon vergiftigd als ze in de weg lopen. In de limiet zou dat ook met kinderen kunnen gebeuren, temeer daar er behoorlijk wat geld rolt in deze sport. In die zin is de Merchtemse maatregel zelfs redelijk: het is beter voor de kinderen dat ze niet oog-in-oog met de duivenmelkers staan, je weet maar nooit.

Plots wordt ons ook duidelijk dat die duif, symbool van onschuld, eigenlijk zelf een gesublimeerde versie is van het kind, als prooi en seksueel object. Pardon, de duivenmelker een crypto-pedofiel? Wel, verder grasduinend in de geschiedenis van cultuur en religie stootte ik op de oerpatrones van alle duivenmelkers, namelijk de godin Ištar die 6000 jaar geleden in het Mesopotanische Babylon (het huidige Irak) werd vereerd. Allerminst een doetje: zij was de godin van seks en oorlog, met de duif als voornaamste attribuut en de tempelprostitutie als voornaamste religieuze praxis. Jawel, de duif, als dierlijke metamorfose van het vrouwelijk geslacht, waarvan het secreet (de “melk”) uit de krop kan worden gekieteld, hebt u ‘m. Offeren aan Ištar, dat was pas dolle pret. In het bijbelboek Openbaring wordt ze dan ook de hoer van Babylon genoemd.

Zoveel liederlijkheid, daar moest iets aan gedaan worden. Via de Griekse en Romeinse cultuur, de gnosis, en vooral het Christendom, werd die frivole duif ontsekst tot het symbool van zuiverheid en onschuld, vrede, het bovenzinnelijke, de ziel, de Geest die neerdaalt. Hallelujah.

Blij luiden nu de klokken op zondagmorgen terwijl de duiven in Merchtem naar beneden vallen. Gelet op de Babylonische voorgeschiedenis echter is dit een seksorgie waarbij het lokken van het beestje een hoofdrol speelt. Maar het ergste moet nog komen: door de Christelijke correctie tot symbool-van-onschuld is er een hybride associatie ontstaan. De duif is nog steeds een kut, maar dan in de verkleinvorm, anders gezegd: het ongerepte meisjesgeslacht, in de handen van een gepensioneerde. Tja, wie had dat gedacht. Lolita, Lulu, Lilith, Colombine, de vrouwelijke onschuld bedreigd: gelukkig is het “maar” een duif en vervalt de letterlijke aanklacht van pedofilie.

België, het thuisland van de colombofilie én van de pedofilie: het kan geen toeval zijn. Maar de duivenmelkers hebben zichzelf stevig in de hand en verkiezen de trofee boven de prooi. Ook voor de Merchtemse maagdjes is het een goede zaak: zo lang die oude mannen met duiven bezig zijn, laten ze datgene gerust waar het symbool eigenlijk voor staat.

Sweetie

Dit gaat dus over sublimatie, in de Freudiaanse betekenis: het omzetten van seksuele drift en agresSweetiesie in een meer “onschuldige” en maatschappelijk geaccepteerde bezigheid die we onder de verzamelnaam “cultuur” plaatsen.

Mannen willen eigenlijk alleen maar meisjes en jonge vrouwen. Zoveel mogelijk. Maar door hun lelijkheid en biologische onnut moeten ze een omweg nemen via het verwerven van roem, status, geld, macht, onder het motto “macht erotiseert”. Wat alleszins tijdwinst voor de prooi oplevert.

Ondanks (of net door) de hype van het jeugdige, leven we planetair onder een regime van opa’s (gerontocratie): de grote beslissingen op deze aardkluit worden door 55-plussers genomen. Hun brein is in volle verkalking, hun agenda is verborgen seksueel. Het zijn oude wolven die via macht en status de jonge duifjes trachten in te palmen die normaal voor de jonge mannetjes zijn voorbehouden. Af en toe lukt dat ook, maar de sensatiejournalistiek ligt steeds op de loer, Dominique Strauss-Kahn en Silvio Berlusconi kunnen ervan meespreken. duifje

Het blijft dus meestal bij onschuldig gescharrel. Sublimatie is een efficiënt middel om het geweld te milderen: mannen moeten kunnen spelen. In die zin is die duif met reden een vredessymbool. Maar de begeerte blijft natuurlijk, en de aanranding dreigt altijd.

We zitten hier in een gijzelingszaak waar voor het minste kwaad moet gekozen worden, misschien moeten we zelfs spreken van een veralgemeend Stockholm syndroom. Leve de verkiezingen, leve de regering, leve het parlement. Wij houden van de politiek, we laten de politici hun ding doen, om erger te voorkomen. Hun appetijt moet gaande gehouden worden, zonder dat ze schade kunnen aanrichten. Een subtiele onderhandelingskwestie waarin realiteit en virtualiteit op de duur vervagen.

Onlangs verscheen op het internet een filmpje waarop een 10-jarig Filipijns meisje zich uitnodigend tot mannen richt. Wereldwijd verdrongen de pedofielen zich voor het computerscherm, IP-nrs traceren en hop, inrekenen maar. Belangrijk detail: het kind bestond niet echt, het was een animatie. Waarmee we eigenlijk terugkeren naar het duivenmelkersverhaal en de vraag hoe de seksuele straatroof kan herleid worden tot een onschadelijk substituut, een beeld, een symbool. Pedofilie is ongeneeslijk en van alle tijden: als men het fenomeen niet aanvaardt, kan men dus beter iets in de plaats geven. Ik vraag me zelfs af of die pedofielen niet perfect doorhadden dat Sweetie een animatie was, en er dus in slaagden om ook zichzelf om de tuin te leiden.

En wat als we die perverten zo ver krijgen dat ze hun eigen animaties creëren waarbij ze zich naar hartenlust kunnen aftrekken? Wat als dit nu eens kunst werd, een alsof-gedoe? Is seks met een kinderpopje genaamd Sweetie, zoetje, duifje,  strafbaar? Ik dacht het niet. Zou zoiets niet moeten gesubsidieerd worden, in naam van de volksgezondheid?

“Linkse hobby’s”

De kunstenaar als duivenmelker, de duivenmelker als kunstenaar: de duif landt perfect waar ze msublimatieoest komen. Al jaar en dag pleit ik voor het afschaffen van cultuur- en kunstsubsidies. Onlangs daarover nog een aanvaring gehad met de redactie van het tijdschrift Rekto-Verso. Maar vanuit een colombofiel standpunt moet ik mijn visie bijstellen. Immers, het gaat hier niet meer om l’art pour l’art maar om een therapeutische noodzaak. Gezien naar schatting 80% van de menselijke soort met een of andere afwijking rond loopt, is schadebeperking het devies. Geef een massamoordenaar-in-spe doek en penseel, of leer hem schrijven, en je hebt respectievelijk een kunstschilder en een romancier in de galerij.

Dat de wereld een gekkenhuis is, werd al geconstateerd door humanisten zoals Desiderius Erasmus. Maar ze deden er weinig mee. Terwijl bezigheidstherapie toch grote mogelijkheden biedt om de gekken zo niet te genezen, dan toch aan de praat te houden. Kunst, wetenschap, politiek komen in aanmerking. Ooit haalde ik het geval aan van Adolf Hitler, aan wie de Weense academie beter wél een kunstenaarsdiploma had afgeleverd: het had allicht een wereldoorlog gescheeld. Het voorbeeld is sterk voor veralgemening vatbaar. Kim De Gelder (bekend van zijn raid op een kinderdagverblijf) had een prima straatperformer kunnen worden. Ook de (spoorloze) Bende van Nijvel zie ik als een afgedwaald, mislukt kunstenaarscollectief dat de supermarkten teisterde omdat de musea onbereikbaar waren.

Omgekeerd is deze wereld een nog niet zo slechte plek dankzij het Ministerie van Sublimatie en zijn begunstigingspolitiek. Vandaag is een moderne kleiduifschutter als Jan Fabre duidelijk zo’n geval van een herspoorde, bijgewerkte pervert. Hij maakt katten kreupel door ze de lucht in te gooien, wat de dierenvrienden doet steigeren, maar ondertussen stormt hij geen school binnen met een machinegeweer. En als er bloed vloeit bij Fabre, is het meestal ketchup. Iemand als Herman Brusselmans, de Vlaamse seksliterator bij uitstek, beweert dan weer van zijn jongeheer helemaal niet meer recht te krijgen, zo leuk is het schrijven geworden. Dat is toch prachtig? Wie zou nu durven beweren dat kunst geen maatschappelijk nut heeft?

Dus ja aan het subsidiëren en ondersteunen van wat Wilders ooit linkse hobby’s noemde. Het probleem is uiteraard dat we er de boodschap gratis bij krijgen, de ruis is onvermijdelijk Terwijl de duivenmelkers alleen maar met duiven spelen, moet heel dat therapeutisch kunsteninstituut ons zo nodig ook nog eens verblijden met de diepere betekenis en zin die in hun sublimatie-oefeningen schuilgaat. Elke dag weer, overal, in alle kranten, legt de schrijver zich uit of laat zich uitleggen. Dat zouden we nog moeten kunnen indijken. Het kan, bijvoorbeeld met een boekenprogramma op TV waar toch niemand naar kijkt. Ingenieus de waanzin afkopen door haar een vrijplek te geven: als dat geen duivenwijsheid is.