Categorie archief: Mens en dier

Hoe de waarheid wordt uit een leugen

Ja, we stammen van de apen af. En ja, de aap is iets dommer, onhandiger, minder geëvolueerd. En wij dus iets meer. Zo ongenadig Siegmund Freud als pseudo-wetenschapper vandaag wordt afgebrand, zozeer wordt Charles Darwin, bedenker van de evolutietheorie, door de nieuwe lichting wetenschapsfilosofen verheerlijkt. Dat is opmerkelijk, want Darwin was, om in hun terminologie te blijven, een minstens even groot fantast en mythomaan als Freud. Er zijn nog meer gelijkenissen tussen beiden.

Van zoo naar zoölogie

aap

Tommy, London Zoo, ca. 1835

In 1871 verschijnt Darwin’s werk “On the Decent of Man, and Selection in Relation tot Sex”.     Niet alleen de theorie is fascinerend, maar ook de mythevorming is interessant,- mythes die Darwin deels zelf verzon en in stand hield.

Inderdaad, parallel met zijn actuele heiligverklaring komt ook steeds weer de legendarische onderzoeksreis (1831-1836) met het schip de Beagle op de proppen,- een reis waarin Darwin Zuid-Amerika, Australië, het zuiden van Afrika en diverse eilandengroepen in de Grote en Indische Oceaan bezocht. Dààr zouden de ideeën van de evolutietheorie vorm hebben gekregen rondom het provocatieve idee dat “de mens van de aap afstamt”. Daar, tussen de Galapagosschildpadden en de Falklandwolven, zijn de embryo’s van de latere theorieën ontstaan, daar kreeg de wetenschapper zijn geniale flits, voldoende om de rest van zijn levenswerk te voeden.

Jammer genoeg is dat een exotische fabulatie, geïnspireerd op de 16de– en 17de eeuwse ontdekkingsreizen. De waarheid is prozaïscher. Meer dan waarschijnlijk kreeg Charles Darwin de “flits” gewoon in de  door hem druk bezochte Londense Zoological Gardens. Al in 1835 was daar de eerste chimpansee aangekomen, Tommy genaamd. Hij kreeg dadelijk een streepjestrui en zeemanspet opgezet, en werd in een humanoide setting geplaatst, inclusief meubilair en allerlei huishoudelijke toestanden. Best mogelijk dat de oppassers die chimpansee ook min of meer als “menselijk” beschouwden. Met de zebra’s of de pythons beoefenden ze dat soort travestieën in elk geval niet. Tommy werd als huisdier behandeld: een dier dat men per definitie niet opeet of uitbuit, maar dat integendeel cohabiteert met de menselijke “meester”, die er soms zelfs een slaaf van wordt.

Darwin haalde dus de mosterd bij de oppassers van het Londense apenkot…. men dien verstande dat de empathische relatie met het huisdier er voor hem te veel aan was. Dus moest Tommy ingeframed worden in een theorie,- een afstammingstheorie nog wel, van het meer “beschaafde” uit het meer primitieve. Van zoo naar zoölogie dus. Of hoe de waarheid wordt uit een leugen.

Darwin haalde zijn ideeën gewoon bij de oppassers van de Londense Zoo, en fantaseerde zich vervolgens een wetenschappelijke ontdekkingsreis.

Dat doorkruist niet alleen de klassieke Darwin-urban legends, het plaatst ook de evolutieleer in een ander perspectief. Het lijkt erop dat Darwin die geklede aap ook terug wou uitkleden en in een hiërarchisch model plaatsen, waardoor hij een prototype, een primitievere voorvorm werd van de homo sapiens. Dat klopt uiteraard chronologisch, als paleontologie. Maar Darwin, die diepgelovig was, en een aanhanger van de Intelligent Design-doctrine, wou ook wetenschap en geloof verzoenen, vanuit de premis dat de mens de kroon is op de schepping.

Vercammen

Alexandra Vercammen en haar hangbuikzwijn

Darwin heeft Tommy dus uitgekleed en de aap terug verdierlijkt. De aap belandde, als specimen én species, terug op de ladder, ergens onder de homo sapiens. Terwijl de relatie tussen mens en huisdier deze verticale stelling negeert, bevestigt het boek “On the descent of Man…” hem terug. Een verdekte theologische ingreep, me dunkt.

Nog breder genomen, lijkt dit op een usurpatie die men als typisch mannelijk-intellectualistisch-Cartesiaans kan zien. We geven onze kat een rokje en zetten de hond mee aan tafel, maar ergens moet er dan altijd een theoreticus uit de hoek komen die de kat en de hond terug plaatst waar ze thuishoren, namelijk bij de primitievere zoogdieren en onder tafel. Geklede chimpansees horen niet thuis in de taxonomie noch in het evolutiestelsel. Ze verwarren de theoretici en maken het abstracte terug concreet. Meer en meer verschijnt de abstractie zelf als een mannelijk-rationele gewelddaad, om niet te zeggen: een machtsgreep. Ab-stractie, dit woord letterlijk te nemen: ont-trekken. Zoals het hangbuikzwijn, waar Alexandra Vercammen tot 2009 mee samenleefde, ook op gerechtelijk bevel werd afgevoerd.

Drie vrouwen, drie huisdieren

Mahler

Mahler, Alma en kinderen,

Onthoud alvast dat de abstractor Charles Darwin de huisaap Tommy ont-domesticeerde om in zijn groot plakboek te kunnen opnemen. En dat deze ontvreemding gebaseerd is op een vorm van intellectuele diefstal, toegedekt door een  stoer jongensverhaal, zijnde dat van de Beagle-expeditie. Diefstal, zei u? Ik ben ooit eens begonnen met een inventaris te maken van briljante mannen die op een of andere manier hun schittering ontleenden aan een wellicht nog briljantere vrouw, waarvan het licht uiteraard niet mocht schijnen.

Ik denk bv. aan Martha Bernays. Weinig kans dat de naam u iets zegt. Uit recent ontdekte briefwisseling kan men afleiden dat zij de principes van de psychoanalyse ontdekte, en dat Freud er achteraf wereldberoemd mee werd. Was zij zijn muze, of kunnen we hier gewoon van plagiaat spreken? (Zie ook het boek van Françoise Xenakis: “Zut, on a encore oublié Madame Freud”).   Freud zweeg er in elk geval in alle talen over, tenzij over… “zijn Muze”.

Ik loop even verder tot bij de illustere onbekende Mileva Maric. Ze was een briljant natuurkundige, gehuwd met een zekere Albert Einstein. Men vermoedt recent dat het basisidee van de relativiteitstheorie van haar afkomstig is, wellicht in bed toevertrouwd, en dat Einstein er op voortborduurde, via de erotogene formule E=mc2 , waarbij de massa (m) het vrouwelijk element is en de lichtsnelheid (c) het mannelijke. Een alchemistisch-hermafrodiete formule dus, die als het ware in haar lijf zat. Doch hola, geen energie zonder massa? Geen (mannelijke) wetenschap zonder vrouwelijke intuïtie?  Hij dumpte haar op tijd en hertrouwde. Niemand heeft verder nog iets van Mileva Maric gehoord…

Mileva had de relativiteitstheorie in haar lijf, maar Albert ging met de pluimen lopen: wie schrijft, die blijft.

Hetzelfde geldt, in een nog veel dramatischer vorm, voor een andere zogenaamde muze die anoniem moest blijven: Alma Mahler-Schindler, echtgenote van de componist Gustav Mahler. Ze was zelf een begaafd componiste, maar Mahler verbood haar te componeren. Het was ondenkbaar dat zij, als vrouw van het genie, ook maar één noot op papier zou zetten. Als kers op de taart bezong hij in de bekende Kindertotenlieder (1905) de dood van hun kinderen, tot afgrijzen van Alma. Ik haal deze drie vrouwen als voorbeeld van een veel omvangrijkere reeks, waarin de man zijn geklede apin terug ontkleedt en met de intellectuele buit gaat lopen.

vrouwen

Martha, Mileva en Alma: in de schaduw van het “genie”

Het mannelijk parasitisme is dus niet alleen sociaal-biologisch-familiair, maar vooral ook intellectueel. Men zou heel de geschiedenis van de wetenschap, én de wetenschap zelf, kunnen herschrijven vanuit die anonieme “muze” waarvan de wijsheid in een vertekende, geabstraheerde vorm werd genotuleerd tot theorie, leer, Boek. Vrouwen leven en beleven, mannen schrijven en beschrijven. Maar het leven is er eerst. Dus richt dat beschrijven zich tegen leven zelf én tegen de vrouwen die het be-leven. De geschreven cultuur is een doodscultuur.

De relativiteitstheorie én de psychoanalyse zijn dus maar “extracten” van een diepere kennis. Maar hoe die reconstrueren? Teruggaan naar het origineel, het lijkt ondenkbaar, want noch Martha, noch Mileva, noch Alma lieten enig geschreven spoor na,- dat werd hen uitdrukkelijk verboden door de Meester. Alleszins is het wel een aansporing om vandaag op zoek te gaan naar die sporen van wijsheid die onopgemerkt, anoniem, soms subversief tegen hét geofficialiseerde Weten ingaat. Deze vrouwelijke tegendraad ontdekken we o.m. in de alternatieve geneeskunde en de homeopathie, zgn. “pseudo-wetenschappen” waar de Darwin-apologeten enorm tegen te keer gaan. De cirkel is rond.

Abstractio en dismembratio: het exploot van de TV-kok

HuysentruytIk eindig opnieuw met de zoölogie, ditmaal in een culinair perspectief. Onlangs besloot TV-kok Piet Huysentruyt om de evolutietheorie gastronomisch te verfijnen, en wel door een levende kreeft een voor een de scharen af te breken, in twee te snijden en daarna op een vuur te roosteren. Vooral de triomfantelijke grijns van deze homo sapiens doet terugdenken aan de stelende intellectueel, nu uitgebalanceerd tot beul. Blijkbaar moeten het mannelijk-culinair intellect zichzelf bewijzen via een sadistisch soort machtsvertoon, bij voorkeur uit te werken op dieren die eigenlijk te jong zijn om te slachten. De gesublimeerde kindermoord, merkwaardig, dat Dutroux-trekje. Of het gastronomisch equivalent van de Kindertotenlieder.

Ik doe ook hier even de revue. Zo kan voor Peter Goossens van het Hof van Cleve het vlees niet jong genoeg zijn. “Melklam uit de Pyreneeën”, en Roulade “van een kalf dat nooit buitengelopen heeft” behoren tot zijn favoriete gerechten,- zo lezen we op het menu. Hoger vernoemde Piet Huysentruyt serveert dan weer met graagte “Piepkuiken op grootmoeders wijze”,- minuscule porties babyvlees waarvan er vermoedelijk een hele klad in de pan belanden om de normale honger te stillen. TV-kok en chemieprofessor Herwig Van Hove zag ik ooit eens met een sardonische grijns levende paling villen en in hete olie gooien.

De sadistische TV-kok: nooit was de karikatuur van de evolutietheorie zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

kreeftMaar nu dus Piet. Hij heeft de vrouwen uit de keuken verjaagd en demonstreert waar het mannelijk abstractievermogen toe in staat is. Met de dismembratio van de kreeft verdonkeremaant Piet H. ook deskundig elk spoor van vrouwelijk-empathische attitude tegenover de natuur en het leven. Nooit was de karikatuur van de evolutietheorie, als apologie voor de homo sapiens, zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

Wat daarna in de media volgde, was een fijne academische discussie over de vraag wat zo’n kreeft nu precies voelt. Uiteraard weten wij het niet, we kunnen het niet vragen. De grote filosoof René Descartes geloofde alvast dat geen enkel dier tot lijden in staat is, wat de liefhebbers van vivisectie een paar honderd jaar lang als een vrijbrief hebben gezien voor de meest walgelijke experimenten.

Er is dus reden om te twijfelen aan de evolutietheorie. Niet feitelijk-paleontologisch, zelfs niet moreel of laat staan religieus, maar vooral vanuit de antroposofie,- vreemd, ik heb dat woord nooit eerder gebruikt. Zowel de evolutietheorie, de psychoanalyse als de relativiteitstheorie  lijken maar fantasmen, apocriefe aftreksels van iets veel wezenlijker, waar de mannelijke geest nauwelijks aan kan. Van Darwin tot Huysentruyt, en over alle andere genieën, hangt een zweem van machtsvertoon, opportunisme en leugen-om-bestwil. Blijven zoeken dus naar de verzwegen bron waaruit ze hebben geput.

Advertenties

De cybernetica, een vrolijke wetenschap

WienerDit jaar is het een halve eeuw geleden dat Norbert Wiener (1894-1964) stierf, de vader van de moderne cybernetica. Het ziet er niet naar uit dat dit tot grote festiviteiten aanleiding zal leiden, hoewel deze raamwetenschap, die eigenlijk alle disciplines voedt,  als de apotheose van de natuurkunde moet beschouwd worden.

Norbert Wiener was zijn academische loopbaan gestart als zoöloog, schakelde over op filosofie en eindigde als wiskundige. Interessante wendingen, in het licht van ons verhaal. De titel van zijn sleutelwerk uit 1948, “Cybernetics or Control and Communication in the Animal and the Machine” zegt het al helemaal: er is geen wezenlijk verschil tussen een menselijk lichaam (met temperatuurregeling) en een WC-spoelsysteem (met bewegende vlotter die op een zeker niveau de watertoevoer afsluit). Beiden doen aan processturing en staan in interactie met de omgeving. Er is een input, een verwerking van dat signaal, en een output of terugkoppeling. Met Norbert Wiener wordt eindelijk de (metafysische) scheiding opgeheven tussen levende en dode materie.

De subjectiviteit als kanker

Via dit radicale denkbeeld kan men ook de mens zien als een van sensoren voorziene automaat die signdebatalen verwerkt en feedback geeft aan zijn omgeving. De dood (entropie) treedt op als die kringloop stokt. Communicatie moet zo min mogelijk metaforisch verlopen: de kortste weg is altijd de beste, hoe concreter hoe beter. De cybernetica is dan ook door-en-door prozaisch en weigert elk flou artistique tussen zender en ontvanger.

Vandaag zou men Wiener een autist of een Asperger-patiënt genoemd hebben. Gelukkig bestonden die ziektes toen nog niet en ging hij gewoon door het leven als een eigenzinnige theoreticus die zijn denkbeelden briljant én verbeten uitdroeg. De cybernetica is desondanks nooit populair geworden, en is zelfs vandaag nog altijd een vies begrip, mede dankzij apocalyptische robotfilms.

Toch is de boodschap van de cybernetica ecologisch en zelfs holistisch: heel de kosmos wordt opgevat als een systeem van systemen die in interactie zijn en een evenwicht uitmaken. Het geautomatiseerd karakter van dit proces druist in tegen elke religieuze levensbeschouwing, maar ook tegen de humanistische ethiek, allerhande levensfilosofieën en de zelfaanbidding van de zgn. “creatieve mens”. Er valt namelijk niets te creëren, alles draait op dynamische schablonen, routines en algoritmen die pragmatisch hun nu of onnut bewijzen. Er is geen god, geen almacht, geen leider, geen onbewogen beweger. In die zin is het woord “cybernetica” (stuurmanskunst) zelf een misleidende metafoor, want er is helemaal geen stuurman, de systemen sturen zichzelf.

Uiteraard zijn hier raakpunten met de evolutietheorie, die eveneens uitgaat van “automatische” veranderingsprocessen en aanpassingstrategieën. We zijn rechtop gaan lopen om beter te kunnen zien en we hebben snijtanden omdat we vleeseters zijn. Daar hoeft geen externe bestuurder aan te pas te komen: wat zich niet aanpast sterft af. Het individu speelt de kaart van de soort, en de soort creëert het individu.

De taal corrumpeert de communicatie, creëert het misverstand en blokkeert de feedback.  Het is volstrekt zinloos om onze intelligentie op die manier verder te ontwikkelen…

Maar op een zeker moment geraakt die logica verstoord, net daar waar de mens verschijnt en de herseninhoud gestaag toeneemt. U wil namelijk helemaal geen voertuig van de menselijke soort zijn, geen schakel van een ecosysteem, geen stukje van de evolutie, en zelfs niet van de geschiedenis. U wil gewoon… zichzelf zijn,- en dat is niet persé goed voor u zelf, laat staan voor het menselijk ras. Heel onze moderne samenleving is in dat bedje van het ontaarde subject ziek.  Alles is gericht op persoonlijke ontwikkeling, profilering en zelfverwezenlijking. Het schisma tussen individu en gemeenschap is onoplosbaar en neemt toe, naarmate onze herseninhoud groter wordt. Een fatale dynamiek.

In een bepaald stadium manifesteert die subjectiviteit zich echt als een kanker, een zich uitzaaiende bron van vervuiling en zelfdestructie. U drinkt, u rookt, u twittert, u schrijft gedichten, u valt schietend binnen in een kinderdagverblijf, u pleegt zelfmoord. U luistert naar symfonieën maar u maakt ook kernbommen.  Het Darwinisme geraakt niet uit deze paradox van het intelligente, egoistische dier dat zijn eigen voortbestaan doorlopend hypothekeert. Individueel én collectief.

Daarmee is de evolutieleer zelf passé. En het is de taal, de vergevorderde, symbolische en metaforische mensentaal, die het morbide karakter van ons intellect aantoont. De taal corrumpeert de communicatie, creëert het misverstand en blokkeert de feedback.  Het is volstrekt zinloos om onze intelligentie op die manier verder te ontwikkelen en het subject “literair” te omzwachtelen via allerlei hermetische codes.  Vaagheid en ruis hullen zich in een steeds grotere, dichtere wolk,- een pathologische nevel van privé-signalen die nergens meer uitkomen. Iedereen lult maar wat voor zich uit, in naam van de vrijemeningsuiting, de democratie en de artistieke vrijheid. De entropie is onontkoombaar.

De objectiviteit van het insect

Het bizarre nu is, dat zogezegd “lagere” diersoorten dat probleem helemaal hebben opgelost. Vooratermietenheuvell de insecten, meerbepaald mieren, bijen en wespen, hebben de subjectiviteit geannuleerd en de groepsidentiteit geperfectioneerd tot dé identiteit. Als u een mier ziet lopen, denkt u het met een levend wezen te maken te hebben, terwijl het eigenlijk een fragment is van het echte organisme, zijnde de kolonie. Hun cybernetisch systeem vertoont totaal geen kloof tussen het geheel en de delen. Als een mierenzwerm een rivier oversteekt, vormt ze een levende brug waarbij er wel een paar honderduizend exemplaren verdrinken, zonder dat de kolonie ook maar één moment wordt bedreigd.

Het lijkt een fascistisch denkbeeld om dat op de mens toe te passen: de groep als zwerm, waarin het individu totaal verdwijnt. Toch is de mierenkolonie geen hiërarchische structuur met een leider en een repressiemechanisme, maar een cybernetisch systeem met een immanente orde. Ze is zowat 145 miljoen jaar geleden ontstaan (voordien waren de beestjes wél solitair) en mag eigenlijk als de échte kroon van de evolutie beschouwd worden. Het insect is als het ware een fascinerend model van objectiviteit,- het is ondenkbaar dat een specimen hier zou uitwoekeren tot subject met een eigen agenda.

De bioloog Mark Moffet bestudeerde het intern communicatiesysteem van de mierenkolonie, gebaseerd op de uitwisseling van feromonen ofte geursignalen. Geen enkel flou is hier mogelijk: deze “taal” is volstrekt ruisvrij en te vergelijken met de intercellulaire communicatie binnen een gezond lichaam. Verwar dit fenomeen vooral niet met antropomorfe begrippen zoals “solidariteit” of sociale cohesie in de menselijke samenleving: hier is geen communicatiewetenschap nodig, er moet hier geen individualiteit getemperd worden, geen egoïsme beteugeld, geen democratie gereguleerd, omdat het individu gewoon niets betekent. Daardoor is ook de dood onbestaande, de kolonie sterft nooit.

Het moderne verkeer is een tragikomische illustratie van onze onmogelijkheid om insect te worden: een chaotisch gewriemel van subjecten zonder doelmatigheid.

En raar maar waar: het houdt niet op bij de perfecte architectuur van de termietenheuvel en de volmaakte groepsobjectiviteit. Recente studies hebben uitgewezen dat deze heuvels volgens een welbepaald patroon worden opgetrokken, die een maximale output oplevert voor het ecosysteem van de Afrikaanse savanne: verluchting en bemesting van de bodem, aantrekken van micro-organismen, stimulering en versterking van de voedselketen. Ze zijn niet alleen gericht op de instandhouding van de eigen populatie, ze zijn ook nog eens landschapsarchitecten en integrale tuiniers van het savanne-biotoop. Anders gezegd: de termieten creëren zowel op micro- als op macrovlak de beste van alle mogelijke werelden.

Nu pas blijkt in wat voor eFRANCE-TRAFFIC-HOLIDAYSen inferno wij zijn terecht gekomen: een wriemelende massa die constant overhoop ligt met zichzelf, met een toenemende repressie als enig alternatief. L’enfer, c’est les autres. Het moderne verkeer is een tragikomische illustratie van onze onmogelijkheid om insect te worden: er is wel de massa, de chaos van individuen (kevers), maar er is geen objectieve doelmatigheid die hen uit dat individu-zijn ontheft. Er zijn regels (nu weer over het ritsen), maar ze worden nog het liefst genegeerd. Er zijn wegwijzers, markeringen, flitspalen, agenten, terwijl de oorlog van allen tegen allen toch blijft voortduren. Niet omdat we zo oorlogszuchtig zijn, maar gewoon… omdat de ego-pathologie, het primaat van de individuele existentie, ons parten speelt.

Biobot x drone: de kosmische libelle

Zo bekeken zit onze tijd erop, we kunnen de evolutie niet meer terugdraaien. Om het echter niet simpelweg aan de mieren, wespen, bijen, sprinkhanen en kakkerlakken over te lbiobot2aten,  zouden we met een ultieme, allerlaatste krachtinspanning van de ratio nog onze opvolger kunnen vormgeven, met de natuur als model. Een kunstinsect dus? Zoiets, ja.

Na jarenlang hun tijd verknoeid te hebben met een mistige zoektocht naar het Higgs-boson, zijn ze op de Harvard-universiteit (waar ook ene Norbert Wiener gedoctoreerd had, de cirkel is rond) eindelijk tot het inzicht gekomen dat het menselijk kennisproject zijn afscheidsfeestje mag vieren via de ontwikkeling van een robotpopulatie die compleet als een termietenkolonie werkt. Deze biobots zijn in staat om een kathedraal te bouwen zonder plan of architect. Ze gebruiken wat ze kunnen vinden, lopen elkaar nooit in de weg, en communiceren volgens een simpele binaire code. Het toevoegen of verwijderen van een aantal van deze biobots verandert niets aan de programmatuur, het zal alleen wat sneller of trager gaan.

Als mega-kolonie van vliegende kunst-insecten zullen ze een superidentiteit vormen die wellicht zelfs interplanetaire bruggen kan leggen…

Onderschat deze artificiële insecten niet. Dankzij de ‘intelligentie van de zwerm’ kunnen de biobots hun constructie flexibel aanpassen aan de situatie ter plaatse, ook al is die niet op voorhand gekend. Ze merken ook wanneer het fout begint te gaan, en breken het foute deel dan weer af, en dit zonder centrale planning. Deze verzoening van biologie en cybernetica maakt de plaats vrij voor de eindelijke geboorte van het menselijk insect, niet vanuit de biologische evolutie maar als ultiem, onbaatzuchtig product van het menselijk brein.

Van zodra ook hun voortplantingssysteem op punt staat (aseksueel, door cloning, zoals bij de “modernste” mierensoorten), kan het menselijk ras echt ophouden te bestaan. Ze werkdroneen op zonne-energie en bestaan uit bio-afbreekbare massa. Ik zie ook nog wel vleugels komen aan dat finale kunstinsect. Niet toevallig loopt de biobot-research in Harvard parallel met de ontwikkeling van de drones, kleine onbemande vliegtuigjes of helikopters. Momenteel is het nog ijzertuig, vooral ingezet voor militaire doeleinden, maar het lijdt geen twijfel dat ze snel zullen verburgerlijken en een huwelijk met de biobottechnologie zullen aangaan. Vergeet het gestuntel van Panamarenko en zijn veredeld schroot: hier komen de echte Batopillo’s. Als mega-kolonie van vliegende kunstinsecten, ietwat gelijkend op de reuzenlibellen uit het carboon, zullen ze een superidentiteit vormen die wellicht zelfs interplanetaire bruggen kan leggen, iets waar wij zelfs niet van kunnen dromen.

Daarmee opent de cybernetica –eindelijk- terug een oneindigheidsperspectief: de onsterfelijkheid van de kolonie en de uitgestrektheid van het heelal doen denken aan de filosofisch-dichterlijke luchtkastelen van weleer, maar dan zonder het filosofische, het dichterlijke en de luchtkastelen.

Norbert Wiener formuleert de melancholie van de menselijke intelligentie, maar heft ze meteen ook op in een vrolijke wetenschap, een ode aan het perfecte dier dat na ons komt. De menselijke geest die een kosmische libelle baart,- ruik ik daar zowaar toch een gnostisch verlossingsmotief? De Joodse afkomst van de atheïst Norbert Wiener is er misschien niet vreemd aan…

Dierenliefde en kynisme: het verlangen om (terug) beest te worden

Hoe zou het nog zijn met Alexandra Vercammen? In 2009 kwam deze vrouw in het nieuws oflurkmdat ze er op haar sociaal appartementje in Mechelen een hangbuikzwijn op na hield als levensgezel. Na burenklachten kreeg ze een proces aan haar been, dat ermee eindigde dat Flurk (zo heette het beest) een dodelijk spuitje kreeg toegediend. Ze belandde nadien in een zware depressie. Ik heb haar nog een tijdje op facebook gevolgd, nu is ze helemaal van de radar verdwenen.

Het verhaal van Alexandra en haar Flurk leest voor mij als een liefdesdrama, waarin, meer nog dan de vervolging, de quasi-onmogelijke vereniging van mens en dier centraal staat. Biologisch hachelijk, sociaal gesanctioneerd, hygiënisch onverantwoord. Wat trekt ons emotioneel zo aan in wezens die lager staan in de hiërarchie, en normaal enkel in aanmerking komen voor consumptie, dressuur of decoratie?

De lokroep van de straat

De domesticatie van de wolf, vermoedelijk zo’n 15.000 jaar geleden, is een keerpunt in de menbedelaarmethondtale ontwikkeling van de homo sapiens. Als concurrent in de jacht én als prooi was de wolf een oervijand en een deel van onze maaltijd. Als hond werd hij echter een bondgenoot en gezel, met als voornaamste kenmerk dat hij niet meer in de pot belandde. Het huisdier werd een huisvriend, een waak- en gezelschapshond, en uiteindelijk belandde hij zelfs op de sofa. Maar vergis u niet: achter de schijnbare menswording van het dier (Neroke van Carmen) steekt een omgekeerde metamorfose: de verdierlijking van de mens, die daarmee zijn evolutionaire bonus opgeeft.

En inderdaad: hondenliefhebbers nemen het hondengedrag over, ik ben er zelf een en weet waarover ik spreek. Echte hondenvrienden zijn in de limiet verbasterde wolven of weerwolven. Mij leerden ze blaffen, likken, bijten, janken. Nu ik in mijn kattenperiode ben, neig ik eerder naar spinnen, blazen, krabben. Pas morgen, met de goudvis, zal de harmonie compleet zijn.

Al vanaf het einde van de prehistorie, helemaal aan de dageraad van de menselijke “beschaving”, was er dus al een verlangen om terug dier te worden. Vreemd voor een wezen dat als “kroon op de schepping” of “toppunt van de evolutie” geklasseerd staat, en voorbestemd was om symfonieën te schrijven en atoombommen te produceren.

Vreemd is ook dat, ondanks de alarmerende berichten over uitstervende diersoorten, sommige soorten het nu heel goed doen en zich opmaken om als halfwild stadsdier de antroposfeer binnen te dringen. Zo komt de steenmarter onze autokabels opvreten en zal het mogelijk tot sch(r)ootmarter brengen. Een beest dat rubber eet, misschien vriendschap in de plaats geeft, maar, belangrijker nog, ons misschien ook rubber leert eten wat een enorm afvalprobleem zou oplossen. Het biologisch universum verrijkt, het breidt kwalitatief uit, ook al jammeren eco-fundamentalisten bij elke leeuw of neushoorn die de laatste adem uitblaast.

Daarnaast is er nog de stadsmeeuw die floreert, het oprukkende everzwijn (!), en niet te vergeten de vos, nu alvossen een trouwe bezoeker van de stedelijke vuilnisbelten. Deze stadsfauna is niet zomaar parasitair: ze ontbindt het sociologisch hopeloos verrotte stadsweefsel en nodigt de stedeling uit tot alternatieve hergroepering rond de zwerm, de roedel, de clan. Anders gaan leven dus.

Misschien leidt die dierwording zelfs tot een nieuw nomadisch bestaan, en is de zwerver-met-hond geen marginale sociopaat maar een visionair of een praktisch filosoof,- iemand met een visie op de stad die wij vandaag niet kunnen begrijpen of aanvaarden. Namelijk de stad als een zoösfeer, een complex van dierlijke biotopen waarin de mens allerlei cohabitaties met de stadsfauna uitprobeert. De man die zijn hond uitlaat is dus wellicht maar een voorvorm van de bedelaar die met zijn hond slaapt. En geef toe: uit het beeld van een dakloze-met-hond spreekt dikwijls meer empathie en intimiteit dan uit het troosteloze beeld van een hondenasiel.

Cultuurpessimisme

Over praktische filosofeDiogenesn gesproken: de bekendste hond-mens, Diogenes van Sinope (404 – 323 v.Chr.), was wellicht de eerste stedeling die zijn dierwording als een project opvatte, een voorbeeld voor de ont-civilisering van de beschaving, de Griekse, die hij als decadent en neurotisch beschouwde. Nota bene in de tijd van Plato en Aristoteles. Hij leefde op straat als een kynos (hond), wat de filosoof Peter Sloterdijk veel later zou inspireren tot zijn “Kritik der zynischen Vernunft“ (1983), een tegen de Verlichtingsideologie en de humanistische zelfgenoegzaamheid gericht pamflet.

Want ach ja, dat humanisme en dat humanitaire getoeter, ze zijn vervuld van morele hypocrisie en culturele eigenwaan, waar ook de technologische verdwazing uit voortkomt. De kynische mensenhond van Sloterdijk, die we vandaag als bedelaar en stadszwerver ontwaren, is er het antwoord op.  Walg en misantropie houden hem in leven. Hij is radicaal mensonvriendelijk, tactloos, schofterig zelfs. Dierenvrienden zijn geen mensenvrienden, integendeel. Onze neiging om dicht bij het dier te leven, het te koesteren, ermee te communiceren, misschien er ons zelfs fysiek mee te verenigen en een tussensoort te kweken, kan niet los gezien worden van een afkeer tegenover de mensenwereld en de beschaving. We zijn het menszijn beu, we zijn onszelf als soort beu. Wat hebben we ervan gebakken? Niets. Het is zoeken naar de exit.

Dit cultuurpessimisme verwerpt heel de geschiedenis als één grote dwaling, te beginnen met het moment waarin we op twee benen gingen lopen en ons beschaafd gingen gedragen.metamorfose

Voor de kynicus is heel de beschaving een onprettig amalgaam van geluiden,- zoals honden het ervaren. Vooral de muziek onthult een bizar mengsel van verhevenheid en barbarij. Wat het humanisme ook mag peroreren, de 9de van Beethoven en Auschwitz zijn niet wezenlijk van elkaar verschillend. Ze gebruiken een andere taal, andere pretexten, ze hebben sociaal, cultureel én politiek een totaal andere gevoelswaarde. De 9de is de hemel, Auschwitz is de hel,- zo wordt ons geleerd. Niettemin zou een boosaardige cineast als Lars von Trier die twee perfect kunnen doen overlappen, en aantonen dat ze elkaars dubbel vormen. Het schone verbergt het verschrikkelijke, en omgekeerd.

Onze neiging om dicht bij het dier te leven, het te koesteren, misschien er ons zelfs fysiek mee te verenigen, kan niet los gezien worden van een walg tegenover de mensenwereld en de beschaving.

De evolutietheorie brokkelt hier af, niet omdat ze wetenschappelijk onjuist is, maar omdat ze gevoelsmatig en instinctief niet vol te houden valt. Ze maakt ons ziek, depressief en ongelukkig,- net omdat we voelen dat die menselijke soort, als “triomf van de evolutie”, de afgrond tegemoet ijlt. Dus is de involutie het alternatieve spoor. We zijn te ver gegaan en moeten terug. Deze terugkeer gaat niet langs besmette paden van de historische kritiek (“Hitler was een slechterik”), die immers niets meer zou bieden dat een kaleidoscoop van de menselijke perversiteit, maar langs antropologische en uiteindelijke biologische exits. Terugkeer naar het primitieve, “animaliseren”, met het huisdier als ultieme pedagoog en therapeutisch medium. De filosoof Jean-Jacques Rousseau is levenslang door dat idee gefascineerd gebleven. Het heeft hem onsterfelijk belachelijk gemaakt binnen de humanistisch-humanitaire kringen.

Nymfomanie en zoöfilie

Faun

Atelier van P.P. Rubens: “Faun en nimf” (+ 1610)

Terwijl de hondmens de stad gaandeweg overneemt, komt er ook beweging achter de vensterbanken. In Nederland bestaat er een Partij voor de Dieren, momenteel goed voor twee Kamerzetels. Ten onrechte doet men er lacherig over en wordt ze als een one-issue-partijtje van geschifte groenen bekeken. Terwijl ze eigenlijk filosofisch voortbouwt op Diogenes, Rousseau en Sloterdijk, uitkijkend op de biologische hereniging met de dierlijke status.

We lezen in de beginselverklaring van de partij:

“De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vormt samen met de Verklaring van de Rechten van het Dier en het Handvest van de Aarde het practische uitgangspunt voor de wijze waarop mensen met elkaar, met de dieren en met de natuur behoren om te gaan.”

Dat is een gewaagd devies. Vanzelfsprekend heeft een dier geen rechten, tenzij we ons ermee durven gelijkschakelen en compleet horizontaal gaan, de menselijke status opgeven. De missie die achter de Dierenpartij schuilt is allerminst politieke folklore. Het gaat om niets minder dan een evolutie- en beschavingskritiek. Zelf noemen ze zich een getuigenispartij, een nogal protestants aandoend wThiemeoord voor wat wij in Vlaanderen kennen als een zweeppartij: het zijn formaties die wel meedoen aan verkiezingen en soms zelfs zetels halen, maar er een meta-politieke agenda op nahouden. Niet zoveel mogelijk stemmen halen of de macht veroveren is het doel, wel de aanwezigheid op zich van een Fremdkörper binnen een universum dat tot verdwijnen gedoemd is.

Bezielster in Nederland is de activiste Marianne Louise Thieme (°1972), wat meteen een vrouwelijke laag onthult in heel dat dierwordingsverhaal. Bekijk ze met haar poes. Ook vandaag nog wordt ze in brede Hollandse kringen als een gekkin beschouwd. Achter Marianne’s fotogeniek uiterlijk zitten echter tendensen verborgen van dierenliefde die neigt naar zoöfilie, en jawel, dus ook weer vanuit een misantrope afkeer van de mensencultuur.

Was de kynische stadshond een mannelijke verschijning, dan gaan we nu even de gynaecologische toer op. Het zijn inderdaad de vrouwen die in het Christendom eeuwenlang werden gezien als dierlijker, natuurlijker, en meer vatbaar voor terugval naar een “lager” biologisch stadium. ‘s Nachincubots werden zij besprongen door incubi, bestiomorfe demonen, zo ging het gerucht, waaruit dan monsterlijke individuen zouden ontstaan. Deze one-night-stands ruiken dan weer naar rituelen uit voor-Christelijke natuurgodsdiensten, de Dionysoscultus, de mythologie van saters en faunen, en hun gewenste intimiteiten met vrouwelijke passanten. Helemaal onterecht was de vrees van de godvrezenden dus niet: vrouwen hebben wel degelijk wat met dieren, zie ons verhaal aan de inleiding van dit stukje. Ongeacht het feit of ze seks hebben met hun kat of hond of paard, gaat de relatie ver voorbij het instrumentele en zelfs de juridische norm rond “dierenrechten”. De seksuele aantrekkingskracht die negers op vrouwen uitoefenen, zou eveneens in verband kunnen gebracht worden met nymfomanie en het zoeken naar voor-menselijke faunen. Daarom ook mag een man voor een vrouw lelijk zijn, als hij maar enige aaibaarheid bezit.

Ook mevrouw Thieme heeft het dus niet zomaar over de ruimte voor legbatterijkippen of de behandeling van circuspaarden –dan had ze haar partij wel “Partij voor de Dierenvrienden” genoemd-, maar over een Handvest van de Aarde waarin het biologisch evenwicht hersteld wordt en de mens zich terugplooit tot het stadium van dierlijk wezen. Helemaal tegengesteld aan het wetenschappelijk-technologisch project van de synthetische robot-mens, is de vrouw nog steeds de ontvangende kracht voor de bestiomorfose, de her-inbedding in het dierenrijk.

Biologisch en cultureel is de fusie van mens en dier perfect realiseerbaar, niet via het laboratorium maar via de straat, het park, de tuin, de huiskamer en de concrete interactie. De omgekeerde domesticatie dus.

Geen duizend reglementen rond dierenbescherming zullen kunnen beletten dat mensen ook echt met hun huisdier in bed gaan kruipen. Tenslotte zitten we sowieso vol met beestjes, en zij met ons. Wie is de gastheer/gastvrouw, wie de gast? In de liefde heeft dat geen belang.