Categorie archief: Nieuwe tijden

De EU en de Karolingische grootheidswaanzin

Weldra luiden we het jaar 2014 uit, waarin het begin van de 1ste wereldoorlog werd herdacht. Een mondiaal conflict dat zijn versnelling kreeg vanuit de oerrivaliteit tussen twee tot de tanden bewapende Europese grootmachten: Duitsland en Frankrijk.

VerdragVerdun Om die rivaliteit historisch te duiden, moeten we terug naar het verdrag van Verdun (843), dat het Heilige Roomse Rijk van Karel de Grote, na de dood van diens zoon Lodewijk de Vrome, in drie stukken opdeelde: Lodewijk de Duitser kreeg Oost-Francië (geel: het latere Duitsland), Karel de Kale West-Francië (rose: dat zou Frankrijk worden), en Lotharius het middenrijk Lotharingen (groen, waarin onze gebieden vallen).

Deze drie erfdelen bakenden geen ‘organische’ volksgemeenschappen af, maar waren prototypes van de moderne natiestaat die op onderhandelingstafels vorm krijgt. Sinds die deling ook zouden West- en Oost-Francië nooit iets anders doen dan elkaar de hegemonie betwisten, met het middenrijk als buffer en slagveld. Wij, de lage landen, stonden vanuit beide kanten onder druk: Duitsland met zijn drang naar het Westen en de Noordzee, en vanuit het Zuiden Frankrijk dat de Schelde als natuurlijke grens ambieerde.

De ironie van de geschiedenis heeft gewild dat een goede duizend jaar later nabij hetzelfde stadje Verdun een van de bloedigste slachtingen van die Groote Oorlog zou plaats vinden. Met opnieuw de twee post-Karolingische erfvijanden tegenover elkaar.

Eénmaking als heilige oorlog

kareldegrotegebouwKarel de Grote dus, en zijn twijfelachtige nalatenschap. De Europese Unie eert hem als een patroonheilige. Het gebouw van de Europese Raad te Brussel draagt zijn naam, en elk jaar wordt er in Aken een naar hem genoemde Europese Vredesprijs uitgereikt. Men vergeet echter dat de door Carolus Magnus geforceerde éénmaking zelf druipt van het bloed. Met de goedkeuring van het Vatikaan richtte hij een -zelfs naar de maatstaven van die tijd- niets ontziende slachtpartij aan onder de zogenaamde ‘heidense’ volkeren die zich niet schikten naar zijn megalomane integratieplannen, zoals de Friezen, de Saksen, en de Longobarden.

Het bloedbad in 782, waar zo’n 5000 Saksische opstandelingen een kopje kleiner werden gemaakt, is berucht gebleven. Wat restte, werd gedeporteerd of kwam in een soort kamp terecht,- een methode die tot in de 20ste eeuw navolging zou krijgen. Om duidelijk te maken dat de genocide ook cultureel was, liet hij de mythische levensboom (Irminsul) vernietigen, die het middelpunt van hun religieus leven vormde. Het leverde Karel een pauselijke heiligverklaring op.

Het is veelzeggend dat de Europese Unie zich door de Heilige Oorlog van deze despoot laat inspireren om de Frans-Duitse oervete binnen de perken te houden. Terwijl Karel als éénmaker de eigenlijke oorzaak was van het probleem. Zijn invloed is enorm en weegt loodzwaar op de as Brussel/Straatsburg. Vanuit het Karolingische eenheidsideaal vertrekken zowat alle lijnen die we vandaag nog in de moderne Europese superbureaucratie aantreffen: het centralistische machtsdenken, het eindeloos brouwen van regels en reglementen, het trachten weg te gommen van regionalistische of autonomistische tendensen, het cultiveren van een monumentale retoriek waarin nu en dan ook kunstenaars en intellectuelen rondjes mogen lopen.

De ‘rand van de wereld’

Het democratisch deficit van de Europese Unie heeft dus heel oude wortels. Maar de Saksische reflex is nooit helemaal gedoofd: wat we vandaag her en der zien als regionalistische beweging, streeft eigenlijk naar een terugkeer van de organische entiteiten, de volksgemeenschappen die zich zelfs tijdens de Romeinse periode min of meer wisten te handhaven.

In zijn boek ‘The Edge of the World – How the North Sea made us who we are’ (zopas vertaald als: ‘Aan de rand van de wereld. Hoe de Noordzee ons vormde’) beschrijft historicus en journalist Michael Pye treffend hoe de volkeren aan de Noordzee al in de vroege middeleeuwen sterk op autonomie gesteld waren en er ‘moderne’ opvattingen op na hielden inzake economie, justitie, wetenschap, ethiek, kunst. Ze waren niet achterlijk, maar integendeel vooruitstrevender en fijnzinniger dan de regimes die hen probeerden te onderwerpen. Van de Vikings over de Friezen, de Vlamingen, en jawel, ook de Saksen, de Hanzesteden tot de Watergeuzen in de Spaanse tijd: het culturele hart van Europa ligt niet in het midden maar in de periferie.

Pye besluit,- en dat citaat wil ik u niet onthouden:

‘Als we het vandaag over Europa hebben, komt Karel de Grote vaak ter sprake met zijn gecentraliseerde rijk. Alleen: dat werkte niet. Ik ben niet blij met het centralisme van de Europese Unie: de macht gaat uit van het centrum naar de marge en dat is fundamenteel conservatief. We hebben nood aan de vrijheid en de dynamiek van de randen, aan de energie die voortkomt uit de uitwisseling en botsing van ideeën. We kunnen het beter over het Europa van de regio’s hebben. Waarom zijn we daar zo bang voor?’

Inderdaad, waar zijn we bang voor? Vanwaar die koudwatervrees om te decentraliseren en ‘kleiner’ te gaan? Het autonomisme ontkiemt echter niet alleen als politiek-staatkundige onafhankelijkheidsbeweging in Catalonië, Schotland en Vlaanderen. Misschien sterker en duurzamer nog zijn de collectieven die vandaag ontstaan, in de marge van het systeem, om de relatie tussen mens en natuur te gaan herwaarderen. Terug naar een zekere eenvoud en authenticiteit, meer kringloopbewust denken en leven.

Beeld u hierbij geen Amish-toestanden of sectair gedoe in: hier schuilt geavanceerde technologie achter. Zo hebben de inwoners van Schönau in het Zwarte Woud al sinds de jaren ’90 een eigen energiebedrijf opgericht dat zo’n 150.000 mensen van elektriciteit voorziet, uitsluitend lokaal gewonnen uit zon, wind en biogas. Zelfs de kerkdaken liggen vol zonnepanelen: via deze energiecoöperatieve konden tenslotte de grote elektriciteitsproducenten wandelen gestuurd worden, en kwam het net helemaal in eigen beheer.

Transitienetwerken

Deze autarkische gemeenschapskernen schieten overal in Europa spontaan als paddenstoelen uit de grond. Het kan gaan om straten, wijken, buurten, dorpen, steden, regio’s. Herwinbare energie en een neutrale afvalbalans zijn de technische sleutelbegrippen: niets gaat verloren, vrijwel alles wordt gerecycleerd. Ze beschouwen zich als laboratoria van een nieuw samenlevingsmodel, gebaseerd op duurzaamheid, levenskwaliteit en collectief verantwoordelijkheidsgevoel. Daarom worden ze ook wel Transition Towns genoemd.

Want het gemeenschappelijk beheer van energiebronnen en andere nutsvoorzieningen leidt uiteindelijk ook naar een andere levenswijze, een nieuwe arbeidsverdeling, een micro-economie van de uitwisseling en de ruil, meer aandacht voor wat er echt toe doet, meer tijd voor gezin en vrije tijd, meer zorg en solidariteit, minder stress en onveiligheidsgevoel.

De kernen gedragen zich autonoom maar niet geïsoleerd: ze vormen netwerken die intens informatie, diensten, personen, ideeën, goederen uitwisselen, maar altijd in functie van de kwaliteit, niet de kwantiteit en de groei-om-de-groei.

Op die manier komen we eigenlijk heel dicht bij wat Michael Pye vooropstelt: een Europa dat niet functioneert als een centraal bestuurde eenheidsstaat, maar als een republiek van republieken, een netwerk van autonome leefgemeenschappen met een sterk identitair besef én respect voor de aarde die we delen. Kracht die uitgaat van de marge naar het middelpunt, van de basis naar de top, en niet omgekeerd. Vlaanderen heeft de ideale afmeting om tot zo’n netwerkrepubliek uit te groeien, als deel van het nog grotere Europese netwerk.

Alle ronkende intentieverklaringen ten spijt: daar is het corrupte universum van Juncker en C° moreel niet tegen opgewassen. De anders-Europese beweging zal de oude natiestaten doen oplossen, samen met de betonnen sokkels in Brussel en Straatsburg, en heel het bureaucratische gangenstelsel. De bevrijding van Europa voltrekt zich via de regio’s en de gemeenschappen. De ecologische dimensie daarvan is onweerstaanbaar,- ze verbindt het kleine terug met het grote, de delen met het grote geheel. De levensboom is ooit gekapt, maar de wortels zijn intact gebleven en kunnen een nieuwe bloei van dit continent inluiden.

Advertenties

De tristesse van het schoonschrift

Omtrent boekenwijsheid, kalligrafie, cultuurpessimisme en technofobie

bibliotheekNu de herfst weer in het land is, het seizoen dat door een stel misantropen ooit is uitgeroepen tot de tijd van het boek en van het lezen, wil de ironie van het lot dat een grote Vlaamse uitgeverij de boeken sluit en het filiaal De Slegte in Brugge heel zijn voorraad in de container dumpt. Grote consternatie bij de bibliofielen, én uiteraard bij de broodschrijvers die dakloos dreigen te worden. Waarbij in één moeite heel de humane beschaving tot bedreigd erfgoed wordt uitgeroepen.

Nochtans is en blijft mijn slotsom na een diploma filosofie, een doctoraatsthesis en veertig jaar studie: schrijvers brengen ons geen millimeter verder, integendeel. Hun boeken staan in mijn bibliotheek, als zwijgende praalgraven, gewichtig maar stom, glorieus maar impertinent.

Het Franse warhoofd Jacques Derrida onthulde, wellicht ongewild, een tip van de sluier: schrijvers schrijven om zich schrijver te kunnen voelen. Elke tekst is “pretekst”, voorwendsel vanwege de auteur om zijn eigen bestaan een schijn van nuttigheid te geven. Waardoor hij andermans bestaan intellectueel tiranniseert en usurpeert. De scribent als vampier dus, terwijl de lezer, omgekeerd, in de waan is dat hij zich voedt aan de tekst.

 ‘Misère de la philosophie’

KantDe filosofen zijn met vlag en wimpel de ergste uitbuiters van dit misverstand. Niet alleen presenteren ze zich als ‘zingevers’ in een gevaarlijk, chaotisch universum, maar bovendien slagen ze erin om hun zware mentale handicap, die men vandaag als schizofrenie zou omschrijven, te veredelen tot theorie en wereldbeeld. De onmogelijkheid om zich ruimtelijk te oriënteren, zware apraxie, communicatie-armoede, en het zich opsluiten in de eigen wanen vormen de hoofdkenmerken van dit alibisme.

Ik roetsj even met mijn vingers over de ruggen van de boeken. Voor Plato was de wereld rondom hem maar een schijnwereld die men moest negeren: makkelijke smoes voor een sociopaat. Kant deed als Verlichtingsfilosoof elke dag klokslag vier zijn wandeling alsof de wereld stilstond, en mijmerde over het onkenbare Ding an Sich: zonder twijfel de nagel die hij niet in de muur geklopt kreeg. Kant had gewoon twee linkerhanden en een punthoofd. Had hij dat toch gewoon gezegd en er iemand bij geroepen.

Nietzsche zwierf het liefst rond in de baai van Rapallo, ver van alle werelds gewoel en de miserie in de fabriekswijken. Hij verklaarde de oorlog aan de metafysica, maar kon niet eens zijn eigen schoenveters dicht knopen. Zoals zijn Zarathustra kroop hij dan maar een (ingebeelde) berg op, om er rond 1900 af te tuimelen, compleet tureluut.

Voor de psychopaat René Descartes konden dieren dan weer geen pijn lijden omdat ze een soort mysterieus intellectueel orgaan, dat hij ‘cogito’ doopte, zouden missen. De geest was alles, de materie maar een franje. Hoe wereldvreemd kan men zijn: het cogito was de projectie van zijn eigen autistisch manco.

Het schrijven was om zeep, van zodra het om méér ging dan boodschappenlijstjes. Het denken is een ziekte geworden, van zodra er denkers opstonden.

Ik ga er vlug door, want anders wordt dit zelf weer een les filosofie. Hoe verschillend en tegenstrijdig deze denkers ook waren, ze hadden één talent gemeen: het vermogen om hun paranoia te sublimeren tot wijsheid.

Salomé Ze waren de hoofdfiguur in hun eigen geestelijk theater, en beschouwden zich als soevereine entelechieën, hoog zwevend boven de werktuiglijke realiteit. Niets deden ze met hun handen, behalve schrijven en masturberen, al de rest werd door hun huishoudster gedaan. Deze contactfobie was ook belangrijk om hun geestelijk functioneren te beveiligen en de waan niet te laten besmetten door wat zij zagen als de fysieke en werktuiglijke schemerwereld. Karl Marx benoemde het, naar aanleiding van zijn polemiek met Proudhon, in 1847 “Misère de la philosophie”: de ziekelijke neiging van de menselijke geest om zich te verheffen boven en tegen de materie, waardoor hij compleet verdwaalt in zijn eigen hersenschimmen. Wijsbegeerte, als begeerte om van de wijs te geraken: het is een volksgezegde, maar het is nog waar ook.

Plato was zonder twijfel de stamvader van dit metafysisch complex. In 1981 publiceerde neuropsychiater Karel Ringoet de opmerkelijke, maar nu weer vergeten essaybundel “Was Plato schizofreen?”. De titel alleen al was een provocatie. Zijn pleidooi voor de antipsychiatrie is eigenlijk vooral een benadering van de schriftuur, als spoor van een psychose. De filosoof leeft vanuit een breuk tussen geest en materie, subject en object, die eigenlijk nooit hersteld maar steeds weer “afgeschreven” moet worden, verklaard, ontvouwd, gerationaliseerd. Met het publiek als betalende aandeelhouder van deze afdroomfabriek.

Het schrijven was om zeep, van zodra het om méér ging dan boodschappenlijstjes. Het denken is een ziekte geworden, van zodra er denkers opstonden. Hun schrijven maakte de ziekte discreet, verborgen, verwetenschappelijkt, bibliofiel, maar uiteindelijk ook weer manifest, als breinkraker en bezorger van zware hoofdpijnen. In die zin kan men die boeken enkel lezen als documenten, zoals men schilderijen van psychotici gaat bekijken. Sporen van een trauma, die ons kunnen boeien zonder dat we ze zelf gaan mislezen tot verhaal, roman, of, godbetert, veralgemeenbaar wereldbeeld.

De laatste navolgers van Plato moeten dit durven onder ogen zien, en er de stoute conclusies uit trekken: de echte therapie kan niet via het schrijven gebeuren, maar net via het tegendeel, via het ont-schrijven. Zoals het lezen zich moet omkeren tot ont-lezen. Hoe kan dat concreet in zijn werk gaan? En wat wordt filosofie zonder denkers, eens ze erin slaagt om zich van die manuele tic, het schrijfcomplex genoemd, te ontdoen?

Moderniteit , technoforie, metamorfose

schrijfmachineHet antwoord ligt in de ons omringende instrumentele wereld zelf, het ding-an-sich dat Kant verbijsterde maar zich nu helemaal ontvouwt en ons omarmt.  Op de drempel van de 20ste eeuw komen we in een nieuw verhaal terecht, waardoor die klassieke subject/object-scheiding verdampt. Het is niet eens een historische omwenteling maar een antropologische shift die zich technologisch doorzet.

Terwijl de wetenschap zich volop bezint over de vraag of we een nieuw geologisch tijdperk, het antropoceen genaamd, zouden kunnen toevoegen aan de bestaande grondlagen, is het menstijdperk nu al zo goed als afgelopen. Mentaal heeft de menselijke soort opgehouden te bestaan, ergens rond het begin van de 20ste eeuw. In de plaats is er een posthumane, planetaire cultuur gekomen waarin de technologische vernieuwing, en uiteraard de vermarkting daar rond, heel ons doen en laten bepaalt en heel ons bewustzijn voedt. Twee wereldoorlogen hebben het proces versneld en het klassieke mensbeeld versplinterd.

De industriële revolutie heeft een posthumaan wezen gecreëerd, waar Plato en Kant geen flauw vermoeden van konden hebben. Waarom hen dan nog lezen?

robotHet is absurd om de moderniteit ook maar te vergelijken met enige ander historisch tijdvak. De metamorfose naar de over-mens of na-mens is niet éénmalig, maar systemisch, geautomatiseerd, waardoor elke poging om een “tijdvak” af te zonderen of een definitie van onze soort te geven, bij voorbaat zinloos is. Alles verandert constant en tegelijk. De uitvinding van de elektriciteit, de auto, de wasautomaat, de vibrator, en uiteindelijk het internet creëert een dier dat zijn werktuigen niet alleen bedient, maar er zich ook door laat meevoeren, letterlijk. De machine, door het menselijk brein uitgevonden, neemt bezit van ons lichaam, inclusief het brein, en bepaalt het bewustzijn, onze wil, onze doelmatigheid, het libido. Want we willen ook vervoerd worden, de overgave is totaal. Wie de ellenlange rijen voor de Apple-winkels ziet, de dag dat er een nieuwe versie van de Smartphone uitkomt, weet wat ik bedoel. Probeer het ook geen religie te noemen: elk transcendent beginsel is vreemd aan deze technoforie.

Het industriële (en nu post-industriële) materialisme, dat soms met catastrofale nevenverschijnselen à la Tsjernobyl en Fukushima gepaard gaat, verandert onze existentiële horizon grondig. Ze plaats de techniek als zingevend middelpunt van ons bestaan. We rijden niet met de auto, de auto rijdt met ons, we zijn de auto (‘Wir leben Auto’, slagzin van Opel). Veel meer nog geldt dit voor de pc en het internet, later de smartphone en de tablet.

Deze omwenteling verwijst alle filosofen naar de container. De industriële revolutie heeft een posthumaan wezen gecreëerd, waar Plato en Kant geen flauw vermoeden van konden hebben. Waarom hen dan nog lezen? Ze zijn compleet impertinent geworden, als predigitale fossielen. De mentale veranderingsprocessen zijn immers de enige constante in de internetcultuur. De ‘waarheid’ is mee opgenomen in deze spiraal van de permanente metamorfose, ze verandert elke milliseconde. Het begrip traditie heeft vandaag geen enkele betekenis meer. De overdracht gebeurt simultaan en horizontaal, in real time. U leest, u weet, u wist, u vergeet. Daarom is ook de rol van het onderwijs uitgespeeld en worden we allemaal min of meer cyber-autodidacten. We worden meegezogen in een spiraal van de mentale transformatie die niet door boeken maar door de digitaliteit wordt aangedreven. Best mogelijk dat deze technoforische cultuur ooit eindigt in een echte totale uitroeiing, of, ook een typisch SF-motief, een totale hegemonie van de machine op een gerobotiseerde planeet.

 Kalligrafie als rouwneurose 

handschriftIk omschrijf het nu cru en maximalistisch, om te verklaren waarom de weerstand zo groot is tegen dat techno-universum. Er zijn meer schrijvers dan ooit, er worden tonnen boeken per dag gedrukt, net omdat de metafyziekte zich niet zomaar gewonnen geeft. De technische overmens is een nachtmerrie voor de intellectueel, die wegvlucht in de bibliotheek. De dood van de homo sapiens is voor sommigen onder ons onverwerkbaar, dus wordt zijn gebalsemd lijk gecultiveerd in een logorree van leugens en legendes. De literatuur liegt en ontkent, maar met panache. De schriftuur is hyperbolisch geworden, ze wil iets bewijzen waarvan ze weet dat het niet waar is, maar waarmee ze niet kan leven.  Psychoanalytici spreken hier over “objectverlies”, een vorm van rouwneurose die op ontkenning gebaseerd is.

Maar vergis u niet: ook in de 21ste eeuw is de beheerste, deskundig verpakte waanzin een intellectuele macht op zich. De schizo-patiënten gedragen zich als elite en cultureel establishment, en het werkt nog ook. Het boek is hun ultiem object waarin alle ontkenning en rouwmelancholie vervat zit. Het boek treurt, liegt en verkoopt zichzelf als geneesmiddel, terwijl het naar de dood ruikt.

Ik schat dat zo’n 95% van wat wij als “Cultuur” (met hoofdletter) aanzien, zich opwerpt als een soort dam tegen het materialisme en de digitale euforie. Cultuur als bezinning, tegengif, eilandpositie, hang naar zuiverheid, zoektocht naar authenticiteit, terugkeer-naar.  Cultuur is in wezen daarom bijna altijd cultuurpessimistisch, hoewel ze dat dikwijls combineert met modernistische stijlfiguren en een modieus-linkse weldenkendheid. In de recente palavers over subsidies en bezuinigingen in de cultuursector was die ambiguïteit volop aanwezig: een latente nostalgie naar culturele Grandezza, maar anderzijds altijd “progressief”, belerend en humanistisch-moraliserend.

De literatuur cultiveert traagheid en rouwt om een verdwenen mens. De vraag is of wij ons door deze melancholie moeten laten besmetten.

De zieken doen zich voor als geneesheren en vormen een kaste die signeert op boekenbeurzen. Vooral juist de hedendaagse literatuur baadt in de nostalgie “à la recherche du temps perdu”. Het is alsof we iets verloren hebben dat we moeten terugvinden via de schriftuur en de lectuur. Een prachtig verkoopargument. Niet alleen het schrijven, maar vooral ook het lezen van boeken zou dan therapeutisch werken tegen de vluchtige, snelle, hypermaterialistische samenleving. Een weerspannigheid tegen het ont-mensen en de mutatie, angst voor de toekomst, depressie omwille van een voorbije wereld waarin de dingen lokaliseerbaar en benoembaar waren.

HertmansEens de lezer deze zwendel doorheeft, kan het ont-lezen beginnen. Lezen als publieke cultus van het schoonschrift: het klinkt aanlokkelijk, maar het is bij nader inzien een overgave aan een besmettelijke neurose. De literatuur cultiveert traagheid en rouwt om een verdwenen mens. De vraag is of wij in deze melancholie moeten meegaan. Lezen is rouwkost consumeren, maar de schrijver weet het te verpakken als humanistisch-filantrope verzetsdaad. Men noemt dit het “Stefan Hertmans-complex”: de culturo als onvermoeibare ridder van de goede smaak, bewaker van kwaliteit, leverancier van zingeving. Een latente technofobie is vrijwel altijd aanwezig. Droefgeestig scherpt de kalligraaf zijn potloden en bestijgt zijn postkoets.  Lees de interviews met schrijvers, en verbaas u over de trots waarmee ze beweren nog met een pen te schrijven, uit een soort protest tegen de banaliteit, de oppervlakkigheid van de consumptiemaatschappij, het techneutendom, en dies meer.

Uiteindelijk blijft de literatuur, net door haar nostalgisch-reactionaire aard, en ondanks het e-book, zweren bij de typografie, de minuskels en het bedrukt papier, als kon heel die massa boeken, al was het maar voor even, het doembeeld van de mutatie bezweren. De kalligrafie of de kunst van het schoonschrift is daarom synoniem van literatuur tout-court. De schrijver is een schoonschrijver of belletrist die zich Platonisch voortbeweegt als een nostalgisch orakel, aangedreven door een ressentiment tegen de domme, fantasieloze, hoekige wereld rondom hem.

De latente haat van de papierlobby tegen het internet is de hoeksteen van dat cultuurpessimisme. Het boek is reflexief, traag, deugdzaam, solide, engelachtig, ook al gaat het over seks en geweld. De cybersfeer daarentegen is slecht, verward, hyperkinetisch, vormeloos, diabolisch, het zit vol hackers, cybercriminelen en querulanten op schimmige fora. Achter het boek zit een schrijver-kalligraaf, achter de cybertekst zit een blogger (dikwijls onder pseudoniem), of minder nog, een twitteraar of facebookaccount,- in het ergste geval een pornograaf.

Ecriture automatique

computertaalIk kan dit pornogram niet afsluiten zonder de groeten te doen vanwege mijn tekstverwerker. Want al wie dacht, dat ik die teksten zelf schreef vanuit een soort immateriële “inspiratie”, moet ik teleurstellen: ik ben maar twee handen op het azertyklavier. Het is de pc die mijn teksten schrijft, en ze ook uitdenkt, als écriture automatique, en daarmee uit. Het ziet eruit als tekst, maar het is hogere machinetaal. Ich bin mein personal computer. Niet die ene, bepaalde computer,- want dat zou weer een bovenmateriële band suggereren met een fetisj-instrument zoals de violist met zijn viool, maar gewoon elke pc, en liefste het laatste model.

Dit zelfschrijvend, en op die manier ont-schrijvend procédé celebreert de nieuwe eenheid van materie en geest, een fusie die steeds weer werd uitgesteld door de filo-paranoici en de belletristen. Het huwelijk van de 17de eeuwse rekenmachine en de 18de eeuwse schrijfmachine bereidde deze fusie voor.  De informatica verlost ons finaal van de dwang om via het schrijven/lezen altijd opnieuw de breuk te moeten vaststellen tussen het Ik en het Andere. Er is geen breuk meer, geen schisma, geen schizo-tekst. Innerlijk en uiterlijk vallen samen, de wereld is één netwerk waarvan elk individu een knooppunt is en daaruit heel zijn bestaansreden put. Eens een tekst op het internet belandt, is hij werkelijk van niemand meer, hij behoort tot het netwerk. Niet te verbazen dat klassieke letterkundigen, maar ook hun uitgevers en de reguliere pers, enorme moeite hebben met het medium.

Zonder pc zou ik niet kunnen denken, en zonder toetsenbord zou mijn taal die van een zesjarige zijn.

Als publicist-blogger kan ik dan ook niet anders dan de lof zingen van de informatica-technologie. En dit zonder de minste ironie. Het internet, Facebook en Microsoft hebben mij gemaakt tot wie ik ben, ik durf daar gerust voor uitkomen. Zonder pc zou ik niet kunnen denken, en zonder toetsenbord zou mijn taal die van een zesjarige zijn. Mijn eigenlijke handschrift is trouwens onleesbaar, het manuele schrijven eindigde vroeger altijd in geklodder. Lezers moeten dit bedenken als ze veronderstellen dat ik min of meer autonoom functioneer als filosoof,- een woord dat quasi onbruikbaar is geworden omdat het herinneringen oproept aan het pre-digitaal tijdperk.

De schone letteren, de kalligrafie, de typografie en de boekdrukkunst zullen het nog wel een tijdje uitzingen. Er is altijd plaats voor wat nostalgie en werkelijkheidsvlucht. De steile opgang van de kookboeken echter, veruit bovenaan de bestsellerslijst, toont de echte vermolming van dit medium aan. Het begon in 1455 met bijbels, en het eindigt met kookboeken. Alles wat daar tussen zit, de roman én het essay, moet als vervreemding en hysterie beschouwd worden. Wanhopig verzet van Don Quichotte-achtige cultuurridders tegen de opkomende homo digitalis. Het internet en de informatica kwamen net op tijd, om ons van het boek te redden zonder opnieuw analfabeet te worden.

En nu ga ik bovenstaande tekst lezen, die mijn vingers (digits) zonet uit de pc haalden. Gezien u tot hier geraakt bent, loont het vast de moeite.

 

 

Laat vallen wat valt

De mensheid, een tamelijk hilarische voetnoot in de geschiedenis van de planeet aarde

LaurelEen paar jaar geleden kwam prof. Etienne Vermeersch ons met zijn gekende bulderstem vertellen dat deze planeet demografisch op springen staat. Straks zijn we met 9 miljard, en het absoluut armste land ter wereld –Niger- heeft het hoogste vruchtbaarheidscijfer. Op geen enkele manier staat de bevolkingstoename nog in verhouding tot de beschikbare woonruimte, landbouwoppervlakte, grondstoffen, energie. De roofbouw is dusdanig, dat de uitputting van de planeet nabij is, en dan is het gewoon gedaan. Niet alleen met de menselijke soort, maar mogelijk met alle leven op aarde, bijvoorbeeld door een wereldwijde kernramp.

Zo’n uitdoving is geen uniek feit, zo leert enig opzoekwerk: ze behoort tot een natuurlijk geologisch ritme. Sinds het Cambriumtijdperk (circa 500 miljoen jaar geleden, waar vermoedelijk de eerste levende organismen ontstonden) zijn er al vijf totale “extincties” geweest. Momenten dus waar alle leven op aarde verdween en er terug van vooraf aan te beginnen viel.

Gezien het cyclisch karakter van die uitdoving, is de vraag waar wij staan in dit verhaal. Kunnen wij het einde tegenhouden? En hoeft het eigenlijk wel? Wordt collectieve overlevingsdrang op een bepaald moment niet lachwekkend en zelfs psychotisch?

Vertigo

Vinci3Sinds de industriële revolutie in de 18de eeuw, maar eigenlijk al sinds 1500 en de homo universalis van Leonardo Da Vinci, is het geloof in de mens als heerser van de aarde onwrikbaar. Techniek en wetenschap zouden ons verder van de natuur vervreemden, maar dan in de positieve zin, namelijk van de totale maakbaarheid van mens, wereld en samenleving. De vliegende constructen die Da Vinci verzon geven, meer dan welke ontwerpen ook, die droom weer: door in de lucht te blijven en niét te vallen, zou de mens uiteindelijk de zuigkracht van de aarde kunnen negeren en de dood overwinnen.

Na twee wereldoorlogen, Hiroshima en Tsjernobyl is de droom een nachtmerrie geworden, en is het pre-apocalyptische denken haast standaard. Dat gaat gepaard met een soort duizeling, een vertigo die opkomt als men een afgrond in kijkt. Het wetenschappelijk discours is, naar het einde van de 20ste eeuw toe, vrij snel omgeslagen van optimisme naar regelrechte alarmkretologie. Van het rapport van de Club van Rome (1972) over Kyoto tot Al Gore,- overal wordt de alarmklok geslagen en wordt het idee gepropageerd dat alleen een drastische ommekeer de mensheid nog voor de ondergang kan behoeden.

De angst voor de dood heeft zich meester gemaakt van onze planetaire cultuur waardoor, paradoxaal genoeg, de globale levenskwaliteit zienderogen verslechtert. Want dit ecohumanisme zal eindigen in een nieuwe totalitaire wereldorde die de individuele vrijheid geheel ondergeschikt maakt aan een collectief overlevingsprogramma. We moeten minder kindjes kopen, minder vlees eten, minder reizen, minder ademen, minder uitscheiden. Dat zijn uiteraard groepsegoïstische strategieën die voortkomen uit een onvermogen om met de eindigheid te leven, en de mens als een tijdelijk verschijnsel op deze aardkluit te accepteren.

Icarus

IcarusEr zijn nochtans andere manieren om met de ondergang om te gaan. Niets is namelijk blijvend, en maar goed ook. Een mens leeft met wat geluk 80 jaar, het geslacht homo 2 miljoen jaar. Binnen 900 miljoen jaar ontploft de zon (het leven op aarde zal al veel eerder onmogelijk zijn), binnen 100 miljard jaar klapt het heelal ineen. Al deze eindigheden maken ook de menselijke beschaving tot iets betrekkelijk, om niet te zeggen futiel. Van daaruit ontstaat iets dat de mens pas echt groot maakt: het vermogen om met alles te kunnen lachen, ook met zichzelf. Ook en vooral dus met zijn eigen gespartel op de roetsjbaan. Dag in, dag uit.

Niemand heeft het komisch-esthetisch karakter van de val treffender gestalte gegeven dan Pieter Brueghel in zijn “Val van Icarus” (1558): een mythologisch drama dat herleid wordt tot de afmeting van een been dat uit de zee steekt (rode cirkel). Sisyphus, Prometheus en Icarus, alle drie in één beweging belachelijk geworden. Voor de rest ploegt de boer verder en is er quasi-niets gebeurd. Grandioos.

Sindsdien is Icarus ontelbare malen geparodieerd, terwijl hij zelf al een clowneske figuur was. Zo zijn er filmpjes bewaard gebleven van “luchtvaartpioniers” die met een zelfgemaakt vliegtuig een bergwand afspringen en genadeloos crashen. Ze zweefden niet even, het ging gewoon vertikaal naar beneden. Een valversnelling die onzacht eindigt. Boem-knots, applaus, gelach.

Het bestaan, als één lange val in slow motion: pas als men dààr het komische van inziet, is men klaar voor het echte leven.

De lucht- en ruimtevaart moet men dan ook veeleer zien als parafrases op het vallen dan op het stijgen. De ontploffing van de LZ129 Hindenburg in 1937 (een reusachtige sigaar, gevuld met super-explosief waterstof!), de explosie van de Challenger in 1986,- het zijn maar een paar momenten in een techno-komedie waarvan men niet weet wat het eigenlijk het echte doeleinde was: in de lucht blijven of neerstorten. De pioniersperiode van de luchtvaart en de bloeitijd van de slapstick overlappen elkaar overigens perfect, ik spreek van de periode tussen 1900 en 1930. Het ziet ernaar uit dat de ene zich in de andere spiegelde, en dat het gooi- en smijtwerk van Buster Keaton en Laurel & Hardy de Icarus-mythe parodieerde, als voorsmaakje van de grote crash.

Pisa

PisaHet vallen, wat we doen sinds we kunnen lopen, is niet alleen een accident-de-parcours maar ook een oefening in het mislukken, het sterven en het uitsterven. Dat klinkt natuurlijk heel raar voor moeders die hun kinderen leren lopen, terwijl ze nochtans heel goed weten dat ook voor kinderen de foute, fatale trajecten veel aantrekkelijker zijn dan de veilige.

Eens de druk wegvalt om zoveel mogelijk menselijke biomassa te conserveren en deze beschaving, die er toch geen meer is, zo lang mogelijk te rekken, zou men eindelijk de schoonheid kunnen inzien van een natuurlijke orde die ook de homo sapiens op zijn plaats zet, en tot een tamelijk onbenullig-komisch intermezzo herleidt. Niet eens een voetnoot in de geschiedenis van de planeet aarde, die overigens veel beter af is zonder de menselijke soort. Er zijn dus redenen genoeg om de lichte paniek van milieubeweging niét te delen: als het mensdom verdwijnt, eventueel met heel de schepping erop en eraan, dan kan het verhaal herbeginnen, hopelijk niet met dezelfde plot. Comoedia finita est, zoals Desiderius Erasmus op zijn sterfbed zei.

Existentieel opent dit de weg naar de esthetische levensbeaming: het is vooral kwestie om traag te vallen, een quasi-zweefvlucht dus. Niet de zwaartekracht negeren, maar ermee te flirten in een dansende para-chute. Icarus, maar dan duizend keer trager. Misschien is dat wel de ultieme zin van kunst: het ver-val verder verfijnen.

Met scherts en gelach moet zo’n trage val gepaard gaan: rond de toren van Pisa, die toch tot neerstorten gedoemd is, heerst niets dan leut. 

In de limiet is elke constructie, elk gebouw een ruïne, vanaf dag één. Weinig architecten kunnen met die ironische gedachte om. Tegen alle principes van stabiliteit in, regeert en schittert de overbekende toren van Pisa als een monument van de vergankelijkheid: een bouwsel dat steeds schever zakt, door de drassigheid van de ondergrond,- een misrekening van de architect dus. De kromheid waarmee men de inclinatie wou corrigeren, en waardoor de toren een soort banaanvorm krijgt, vergroot nog het komisch effect. Alle vertigo is hier verdwenen. Ondanks stabilisatie- en restauratiewerken is en blijft deze toren een landmark door zijn gebrek, en door het duurzaam vooruitzicht van de instorting. Ooit zal dit natuurlijk gebeuren, en het zou een moment kunnen zijn om naar uit te kijken, een feest. Met scherts en kermistoestanden moet zo’n trage val gepaard gaan: rond de toren van Pisa, die toch tot neerstorten gedoemd is, heerst niets dan leut. De collaps wordt hier niet meer als verschrikking ervaren, maar als de bekroning van een trage valbeweging. Het is zelfs niet nodig om torens te doorboren, zoals Bin Laden dacht: ze slopen zichzelf. Zoals elk leven dat ook doet. En net daaruit zijn zin put.

Star trek

star trekDit maar om te zeggen dat ik me terug verzoend heb met de homo sapiens, en zelfs met heel de technisch-wetenschappelijke industrie, net door het onophoudelijk falen. Uiteindelijk blijft de mens een sympathieke knoeier, wiens technologisch vernunft slechts schijnbaar in dienst staat van de vooruitgang. Veel fundamenteler is de onbewuste inbouw van het defect, de misrekening, de bug, waardoor kerncentrales barsten en vliegtuigen van de radar verdwijnen.

Het enige wat men met vertwijfelde doempredikers en overlevingshumanisten à la Vermeersch zou kunnen doen, is hen op een ruimtetuig zetten, in de hoop dat de menselijke beschaving via hun excellente genen een buitenaards verlengstuk krijgt. Maar is een mens buiten de aarde nog een mens? Is ons aardse kompas vervangbaar door een ander? En vooral: wat hebben wij, zelfmoordpiloten, het universum aan te bieden?

Volgens bepaalde complottheorieën wordt alleszins de buitenaardse exodus voorbereid, in de grootste discretie, door een elite die zich momenteel verzamelt in geheimzinnige clubs zoals de Bilderberg-groep, de Cercle de Lorraine, de loges, of de Marnixring. Sommigen willen zich na hun dood laten invriezen, om alsnog op de kosmische trein te kunnen springen. Via een interplanetair vehikel zou een ultieme keur van menselijke genen,- een selectie waarvoor hogervermelde professor, in tegenstelling tot u en ik, zeker een kans maakt,- ergens in de kosmos kunnen neerstrijken om de post-terrestrale Ubermensch te laten floreren.

We zijn de risée van het heelal, hooguit figureren wij ooit als stof voor een intergalactische sitcom.

Het latente isolationisme van schrijvers, geleerden, Nobelprijswinnaars, is gericht op die hypothetische ontsnappingsroute, een idee dat er ergens op een kritiek moment een ruimteschip zal klaarstaan om hen op te pikken. Na de bijbelse Ark en de Christelijke apokalyps, twee religieuze procédés om de uitverkorenen te selecteren, bestaat er nu een ook atheïstische heilsverwachting, die des te sterker is, omdat ze tot een ongeschreven code behoort. Wie schrijft die blijft, en krijgt een ticket. Plaats noch tijdstip van vertrek staan vast, maar men moet zich klaar houden, en oefenen in het afscheid, via contemplatie en goed uitkijken naar geschikte startplaatsen voor de ten-hemel-opneming.

Het klinkt hilarisch, en dat is het ook. Vijf minuten common sense volstaan immers om door te hebben dat ook het geheime ontsnappingsproject van de ingewijden nu al tot de betere slapstickhumor mag gerekend worden. Captain Kirk, Doctor Spock en hun Enterprise zullen de Hindenburg en de Challenger achterna vliegen, tenzij ze niet eens van de grond komen.  De kosmos is geen optie, de ruimtevaart zal ons niet redden. Want laat ons eerlijk zijn: om écht de zwaartekracht te overwinnen en van deze aardkluit te springen, zijn we gewoon veel te dom.

Het is anderzijds ondenkbaar dat buitenaardse beschavingen zich met deze tot uitsterven gedoemde planeet zouden moeien. Waarom zouden ze? Best mogelijk dat er ergens een troepje uitverkorenen met hun koffers staat te wachten, maar er zal niets uit de lucht vallen, tenzij het eigen schroot. We zijn de risée van het heelal, hooguit figureren wij ooit als stof voor een intergalactische sitcom.

En ja, ik beken: ook ik heb daar als ambitieuze jongeman in geloofd,- in het idee dat de besten zullen overleven, dat “iets” op ons wacht. Na menig bananenschil heb ik het komische daarvan echter ingezien, en zijn de koffers allang terug uitgepakt. Terug van nooit weg geweest. Ach, we vallen en mislukken heel ons leven lang, dat is toch grandioos. Ik kan nu met een gerust geweten mijn energie verbranden, mijn woorden verspreiden en mijn zaad verspillen, in het besef dat de (d)evolutie haar gang moet gaan en dat vluchten geen optie is. En onsterfelijkheid geen perspectief. En dus de overlevingsstrategie geen dogma. Het doemdenken voorbij. Boem, paukeslag, laat het feest beginnen!

 

Het zwart gat, genaamd “geschiedenis”

BeerDe dood van Regine Beer (1920-2014), een van de laatste Joodse overlevenden van het uitroeiingskamp Auschwitz-Birkenau, betekent meteen ook dat Auschwitz en gelijkaardige verdoemde plekken uit die tijd dra echt tot de geschiedenis zullen behoren. Regine gaf tot op het laatste moment lezingen in scholen, verenigingen, e.d., om de herinnering levendig te houden en de jeugd te waarschuwen voor het fascisme. Maar onherroepelijk verdwijnen de getuigen en gaat ook Auschwitz tot de inventaris van jaartallen, plaatsnamen en feiten behoren. De geschiedenis van de geschiedenisboekjes dus. Dat zal een schok betekenen voor de nabestaanden, zeker voor de Joodse gemeenschap die de Holocaust een absolute en onherleidbare, mythische betekenis geeft, kwalitatief verschillend van alle andere genocides die onze beschaving telt. Waardoor het fenomeen ook onvermijdelijk in de greep kwam van de zionistische propaganda en de expansionistische retoriek van de staat Israël. Zie ook de perikelen rond het Mechelse Holocaustmuseum, onder druk van een bepaalde lobby uiteindelijk toch weer hertekend tot Joods memoriaal, en de kritiek daaromtrent van historicus Gie van den Berghe.

Stuitend maar geheel logisch is de terugslag van revisionistische en negationistische theorieën die de gaskamers naar het rijk der fabelen verwijzen. Robert Faurisson (° 1929) geldt als de stamvader van dat negationisme, dat overigens in de meeste Europese landen strafbaar is. De Holocaustontkenning, die op geen enkele empirische argumentatie steunt, is m.a.w. het pervers neveneffect van de Holocaustindustrie (een term van de Amerikaans-Joodse politicoloog Norman Finkelstein) die het fenomeen historisch isoleert en politiek instrumentaliseert. Beiden sluiten elkaar uit en houden elkaar in stand. Met dat verschil dat laatstgenoemde het recht van de overwinnaar uitoefent om sowieso geschiedenis te mogen schrijven. Hét groot verhaal dus, dat tot lering strekt.

Losgeslagen chimpansees

Auschwitz2

Auschwitz, 1945

De vraag is echter of die historische reconstructie iets anders kan zijn dan een karikatuur van zichzelf, omdat het verhaal jammer genoeg van meet af aan twee kanten heeft. Opnieuw moet ik Gie van den Berghe citeren, die stelt dat de waarheid van de slachtoffers ook altijd een andere, parallelle waarheid van de daders (en dus de beulen) impliceert. Wie waren ze, wat dreef hen, hoe kwamen ze daartoe? Waren de slachtoffers dan op het verkeerde moment op de verkeerde plaats?

Dat is een vraag die Regine Beer zich niet kon en ook niet hoefde te stellen, maar die wel lonkt vanuit dat zwart gat “geschiedenis” genaamd. Enig Schopenhaueriaans pessimisme is hier gewettigd. Het menselijk sadisme lijkt een habitus te zijn die overal zijn weg zoekt: we zijn gewoon wreedaardig, zoals onze naaste biologische verwanten, de chimpansees. Sterker nog: intelligentie en empathisch vermogen lijken de voorwaarde tot wreedheid, zijnde het gewild en bewust doen lijden van de andere. Wreedheid is gewoon negatieve empathie, die op een zeker moment zelfs met lustgevoelens bij de dader gepaard gaat.

De verwisselbaarheid van slachtoffer en beul maakt zelfs een hel als Auschwitz tot een historisch dubieus gegeven.

Ik verwijs naar het fameuze Milgram-experiment uit 1961 (niet toevallig het moment waarop Adolf Eichmann in Israël terecht stond) aan de universiteit van Yale. Daarin werden proefpersonen gevraagd om ondervraagden die een fout antwoord gaven, te bestraffen met electroshocks. Dat deden ze ook probleemloos, tot 450 Volt en onder luid geschreeuw van de slachtoffers. De “daders” waren geen nazi’s maar brave studenten die gewoon deden wat van hen verwacht werd. En die allicht toch ook enig plezier hadden in de hen toegekende macht over de andere.

De verwisselbaarheid van slachtoffer en beul maakt zelfs een hel als Auschwitz tot een historisch dubieus gegeven. We zijn allen losgeslagen chimpansees. Hoezeer de moraal zich ook inspant om goed en kwaad ondubbelzinnig te identificeren: ja, wij, weldenkende lieden, hadden in de juiste omstandigheden ook wel die kampbewaker kunnen zijn. Een gedachte die ik vroeger reeds als morele strikvraag stelde, toegepast op de Belgische volksvijand nr. 1: “Wat had u gedaan moest u Marc Dutroux zijn geweest?” Het enige logische antwoord is uiteraard: “Net hetzelfde, anders was ik Dutroux niet!”

ruanda

Ruanda, 1994

Wat de Joodse filosofe Hannah Arendt (1906-1975), net in verband met de Holocaust, de “banaliteit van het kwaad” heeft genoemd, namelijk het feit dat al die nazi’s gewoon deden wat van hen verwacht werd, ook de kampcommandant, is nog een understatement. De werkelijkheid is nog confronterender: er is helemaal geen goed of kwaad, er zijn alleen situaties en reflexen, belangen en drijfveren die tot dramatische collusies leiden. Net de fascistische methodes die de staat Israël er vandaag op nahoudt, naar eigen zeggen nodig voor het voortbestaan, bewijzen hoe snel de “good guy” een “bad guy” kan worden, ook weer gebonden uiteraard aan een ideologische lezing van de feiten.

De schuldvraag is dan uiteraard evenzeer gebonden aan partijdigheid. Een proces is een therapeutisch ritueel voor de samenleving, een duiveluitdrijving, maar geen waarheidsonderzoek. Op het Neurenbergproces in 1945-1946 bleek een groot deel van de beklaagden zich helemaal niet te realiseren dat ze een misdaad hadden begaan, laat staan één tegen de menselijkheid.  Ook Adolf Eichmann pleitte tijdens zijn proces onschuldig. Ik denk zelfs niet dat het puur om een tactisch manoeuvre ging om aan de doodstraf te ontsnappen: ze voelden zich echt als de proefpersonen in bovenstaand wetenschappelijk experiment, namelijk ingebed in een scenario, een ernstig spel met regels die moesten gevolgd worden.

Een situationistische lezing van de geschiedenis laat van die geschiedenis geen spaander heel. We kunnen net zo goed een roman lezen. Later verklaarde de nazi-jager Simon Wiesenthal dat Eichmann in een andere context net zo goed roodharigen had kunnen laten ombrengen, of alle mensen waarvan de familienaam met een K begon. Als ik die gedachtegang verder zet, had hij ook een gedreven missionaris in Afrika kunnen zijn, een sloppenwijkwerker in Brazilië, of een vrijheidsstrijder, misschien zelfs een Nobelprijswinnaar. Een weergaloze Jodenmop die eigenlijk heel het principe van de historische kritiek genadeloos om zeep helpt.

Een verhaal, verteld door een gek

Waterloo

Slag bij Waterloo, reenactment.

Welke lessen vallen er dan uit de geschiedenis te trekken? Kortweg: geen. Toch geen nuttige lessen om de toekomst te bepalen. Dat we ontaarde mensapen zijn wisten we al, verder bewijsmateriaal is niet nodig. Wie het niet zelf heeft meegemaakt, kan dus niet anders dan afstand nemen van de geschiedenis. De zogenaamde onverschilligheid/onwetendheid van de niet-betrokken generatie komt allicht voort uit dat ontnuchterend besef. De verplichte schoolbezoeken aan de Mechelse Dossin-kazerne, nu dus Holocaustmuseum, kunnen niet verhinderen dat een discrete ironie zich meester maakt van jonge bezoekers. Een ironie die de geschiedenis eerder bekijkt als “a tale, told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing”, zoals Shakespeare in Macbeth het leven kenschetst, dan als een consistent verhaal waar iets mee aan te vangen valt.

Voor historisch geconditioneerde humanisten is dat een ontzettende vaststelling. Er groeit vandaag een jeugd op voor wie Hitler een nobele onbekende is, en die W.O.I en W.O.II amper uit elkaar kan houden. Met de 100-jarige herdenking van het begin van de eerste wereldoorlog zijn de schooluitstappen niet te tellen, en komt er een heuse toeristische loopgravenhype op gang. Allen daarheen, er wordt gelachen en gespeeld, en waar er ingetogenheid heerst is ze opgelegd. Amateurgroepen komen in reenactments de Slag bij Passendale naspelen (in 1917 goed voor 500.000 échte doden) en vallen vrolijk voor dood neer, zonder dat iemand dit smakeloos of respectloos vindt. 1914-1918 is definitief geschiedenis. Vermaak en scherts duwen het drama weg. Voor wanneer een Auschwitz-komedie?

Terecht wijst de jeugd die onmogelijke opdracht af, om vanuit het verleden een maakbare toekomst te destilleren.

Deze onvermijdelijke transitie van individueel trauma naar collectief geheugen en zo naar het geschiedenisboek, tot aan de reenactment als parodie, maakt het vergeten mogelijk. Iets wat nu net al die Holocaustmusea ter wereld willen vermijden, maar toch: men kan niet leven en ageren vanuit een emotioneel en moreel bezwaarde overvolle geheugenschijf die het heden overschaduwt. We kunnen niet anders dan vergeten, bagatelliseren, dat wat in se onherroepelijk is en ons ook niets wijzer maakt. Daardoor is bv. ook de slachtpartij die Karel de Grote liet uitvoeren onder de Saksen in 782 vandaag maar een onbelangrijke voetnoot, terwijl er toen ook getormenteerde Regine Beers-en rondliepen die het probeerden na te vertellen. Het Dagboek van Anne Frank is een ontroerend document, maar welke lessen vallen er verder uit te trekken?

"Allo, allo", Britse parodie op het verzetsdrama

Ondertussen zijn Sabra/Shatila (1982), Ruanda (1994) en Srebrenica (1995) al gepasseerd. Niet altijd qua schaal en methodes vergelijkbaar met Auschwitz, maar dat is het net: de Holocaust gaat verder, ondanks de geschiedenis, hij heeft altijd een andere naam en eigenlijk is alles altijd anders, behalve de dood en het lijden. Terecht wijst de jeugd die onmogelijke opdracht af, om vanuit het verleden een maakbare toekomst te destilleren. Het is absurd om jongeren te confronteren met een vijfduizend jaar oude lijst van misdaden tegen de menselijkheid, inclusief een soort morele verantwoordelijkheid daarvoor, én tegelijk met de onveranderbaarheid van de menselijke natuur, zie nogmaals bovenstaand experiment. Het vergeten is dan geen vergetelheid, maar een actieve verwerping van een gemythologiseerde historiografie die men ons oplegt en die ons dwingt om zin te halen uit het verleden, als handboek en richtsnoer. Het feit dat we niets bijleren en amper wat onthouden deprimeert en lucht op tegelijk.

Misschien zit er helemaal geen logica in Auschwitz, geen transcendente waarheid, geen ultieme les, behalve dan de biologische waarheid van de mensaap en de verzamelde trajecten van elke deelnemer, slachtoffer of dader, gecollapst tot één absurde realiteit. Daar kan dan een film- en boekenindustrie van leven (een Holocaustindustrie op zich), het kan boeiende fictie, horror of moraliteiten opleveren, of historische reconstructies ten velde, of grappige persiflages, doch perspectief levert het niet op. Ik weet dat dit schandalig klinkt, maar het is nodig om de geschiedenis te demythologiseren, ten einde het heden te ontlasten.

Wat overblijft, is de daad op het moment zelf, en het momentane bewustzijn, in het enkelvoud: waarom doe ik dit? Wie of wat drijft me ertoe, hier en nu? Het teruggeworpen worden in het heden is de enige uitweg. Zonder de geschiedenis als alibi. Misschien is dat wel een ontsnappingsroute uit die tale, told by an idiot. Het lijkt me alleszins de enige mogelijke redding van het begrip “vrijheid”.