Categorie archief: – Pers, media, communicatie

Zijn de dagen van “de media” geteld?

Telenet produceert een eigen tv-serie, te bekijken achter een betaalmuur. Leuk voor wie daar nog wil voor afdokken. Maar breder beschouwd is ook dit nieuws onder de categorie ‘het verloren gevecht om de kijker’. Ook het Vlaamse publiek wordt stilaan media-zat en zoekt meer autonomie, meer eigen wegen naar informatie en ontspanning. Het web wenkt.  Zenders én providers kunnen, ondanks strategische schaduwgevechten en min of meer creatieve pogingen om de eigen marktposities veilig te stellen, niet om het feit heen: het post-mediatijdperk nadert met rasse schreden.

Doet u het ook, uitgesteld kijken en reclame doorzappen? Dat mag niet van Christian Van Thillo, topman van het Belgisch-Nederlandse mediabedrijf De Persgroep, en o.m. mede-eigenaar van VTM en 2BE. Het doorspoelen van reclameblokken zou namelijk de kijkdichtheid van die blokken schaden en dus de daarmee verbonden inkomsten die dan weer programma’s (‘content’) financieren. There is no such thing as a free lunch, alles kost geld.

Dat is zeker een economische waarheid als een koe, en sindsdien wordt met alle mogelijke middelen getracht om dat ‘zapkijken’ te beteugelen. Tevergeefs: al wie nog niet ei-zo-na hersendood is, heeft lak aan die reclameblokken en zal creatieve middeltjes blijven verzinnen om ze niet te moeten ondergaan. In een krant heb je ook de vrijheid om de publiciteit te bestuderen of niet. Met veel overgave en huisvlijt scheid ik, bij het begin van het weekend, de zinnige krantenbijlagen van de pulp. Ook al vallen ze als één pakket mijn brievenbus binnen.

Newton versus Einstein

Zakenlui als mijnheer Van Thillo begrijpen wellicht niet dat het om veel meer gaat dan een discussie over doorspoelen. De tijd dat de televisie ons kon vertellen hoe en wanneer we wat mogen doen, is namelijk voorbij. De kwestie zit hem al in het simpele feit van de programmering zelf: wil ik nu naar het nieuws kijken, die serie volgen, die documentaire meepikken? Maar neen, de uurtabellen van VRT, VTM, Vier en aanverwanten zullen me worst wezen, ik neem het op en bekijk het wanneer ik er zin in heb. Zappen en doorspoelen (of terugspoelen) inbegrepen.

Dit verdwijnen van het zogenaamd ‘lineair kijken’ en de loskoppeling van het zendschema is een cultuurfilosofische kwestie: de postmoderne burger/mediaconsument volgt geen ‘grote klok’ meer maar organiseert zijn eigen tijd. Sinds Newton zijn model van het heelal ontwierp, zag men de tijd als één homogene tijd, lopend volgens één uurwerk waarop alles synchroon draaide. De klassieke zender volgde die totalitaire logica. Halfacht? Quiz! Acht uur? TV-journaal! Negen uur? Film! Elf uur? Kortnieuws, weerbericht, en dan het bed in!

Zo’n kadaverdiscipline lukt misschien nog in Noord-Korea, maar elders wil men minstens de vrije tijd privatiseren en zelf uitmaken wat en wanneer. Zelfs de arbeid wordt in toenemende mate ‘glijdend’ georganiseerd, niet-lineair, wat het fileprobleem alleen maar kan verkleinen. De media leven eigenlijk nog in dat newtoniaans universum, terwijl de kijker al lang vertoeft in dat van Einstein en de kwantummechanica.

En het Huis van Vertrouwen?

Termen uit televisieland doen vandaag prehistorisch aan. Er is de omroep (van in de tijd toen de belleman het nieuws van de dag op straat ‘omriep’), er zijn de zenders (die de goede boodschap ‘uitzenden’ via reusachtige antennes, de VRT-toren is er een overblijfsel van), en er is dus tele-visie, van de tijd toen de dieren nog spraken en afstand nog iets betekende.

De chronische discussie in Vlaanderen rond zin en onzin van de ‘openbare omroep’ is al evenzeer archaïsch. Want openbaar of niet, elk medium wordt in snel tempo onherroepelijk door het www. Geabsorbeerd, om een webstek te zijn tussen de miljoenen andere. Neem nu de redactie.be, het platform van de VRT-nieuwsdienst. Uitstekend gedocumenteerd, goede opmaak, druk bezocht. In feite vervangt het gaandeweg de uitzendingen zelf, er zal snel een moment komen dat de webstek meer bezoekers genereert dan het journaal kijkers. Maar dat betekent ook dat die webstek, hoe kwalitatief ook, opgenomen wordt in de horizontale architectuur van het internet, tussen uw en mijn blog dus. Ze wordt een nieuwssite onder de nieuwssites. Elke blogger met een videozone is overigens de facto een internetzender, en ik ken wel 200 Vlaamse bloggers die meer te vertellen hebben dan het vaste kransje ‘opiniemakers’ dat de kolommen van dag- en weekbladpers bevolkt.

De bestaande ‘openbare omroep’ zal zijn rol moeten spelen binnen deze blogosfeer en er ook mee in interactie treden. Dat is democratisch een goede zaak: elke burger/blogger wordt gelinkt aan VL3.0, zoals ik de publieke omroep zou herdopen. De nieuwe democratie zal digitaal zijn, of ze zal niet zijn. Uiteraard mag dat publiek nieuwsplatform best wat geld kosten, want reportages maak je niet gratis, maar heel de journalistieke bureaucratie mag dan wel opstappen, samen met de steeds weerkerende vraag naar de politieke signatuur ervan (de VRT als ‘rode burcht’, die nu naar zwartgeel zou opschuiven).

En neen, we hebben dan geen mediaminister meer nodig, minder werk voor Sven Gatz. Wel mag een Europese regulator/ombudsman de echte grote mannen, Google, Facebook en aanverwanten, in het oog houden en zo nodig op het matje roepen. Meer moet dat niet zijn.

Creatieve autonomie

En dan is er Netflix, het uit de VS overgewaaide streamingbedrijf dat vanaf vandaag ook in Vlaanderen via het internet films en series aanbiedt die u om het even wanneer kan bekijken, mits een abonnement uiteraard. Daarop wou Telenet inspelen met zijn eigen serie-op-aanvraag. Doemscenario’s rond zombificatie duiken op: men zou verslaafd geraken en alle 15 afleveringen van een serie achter elkaar willen bekijken.

Eerlijk gezegd denk ik dat dit nogal zal meevallen. Men onderschat het feit dat mensen ook wel graag zelf de hand aan de camera (nu meestal het mobieltje) willen slaan. Tieners kijken nog nauwelijks naar geprefabriceerd materiaal, niet op televisie, maar eigenlijk ook nauwelijks via het web. Het youtube-kanaal is hun medium, de schier oneindige internetvideotheek waar iedereen alles kan uploaden en downloaden. Dat kan tot vervlakking leiden en jawel, extreem geweld en porno zijn binnen handbereik, maar het levert ook nieuwe, creatieve  autonomie op.

Zopas het eerste filmpje van mijn 11-jarige zoon gezien. Met een onooglijk amateurcameraatje gedraaid, iets over nachtdieren in de tuin. Het staat op youtube voor de vrienden, maar speciaal voor zijn prehistorische ouders liet hij het ook eens afspelen op het TV-scherm, met een paar extra kabels. Opeens besefte ik dat Sir David Frederick Attenborough mocht inpakken. Zijn natuurdocumentaires zijn technisch veel beter, maar dit was huisgemaakt en gaat een eigen leven leiden binnen een alternatief netwerk, tot het, wie weet, via de fameuze ‘six degrees of separation’ ook VL3.0 binnensluipt.

Iedereen cineast, scenarist, producer. Digitaal uitgeven mag best een vak op school worden. Media zijn, zoals het woord het zegt, doorgeefmiddelen, en die hebben we niet meer nodig. Ik weet niet wat de zogenaamde audiovisuele sector daar tegenover nog kan plaatsen, maar ik heb het gevoel dat dit zelfs kan leiden tot een nuttige ont-mediatisering en de terugkeer naar een eigen, ‘biologische klok’. Want die hebben we toch ook nog allemaal.

Op wereldschaal zes miljard klokken, zes miljard stemmen. Het post-media-tijdperk komt eraan, ook in Vlaanderen. Waar uitgesteld kijken toe kan leiden.

Advertenties

De 9 peperbollen, of de magie van het placebo

Nero3Het is onomstotelijk bewezen: naar Lourdes trekken doet hopeloze gevallen genezen. Waarom? Gewoon omdat de zieken en zuchtigen erin geloven, dat weet men zelfs ginder ter plekke, anders zou de handel in gewijd water er niet zo floreren. Het allergrootste argument pro religie is, dat zelfbedrog ook werkt. Daarmee is niet het bestaan van God bewezen –integendeel zelfs-, maar wel dat geloof een kracht op zich is, in staat om fysiologische processen diepgaand te beïnvloeden.

In de wereld van de farmaca zit men al langer met de handen in het haar over deze kwestie: van sommige geneesmiddelen weet men echt niet meer of ze chemisch werken, dan wel psychologisch, door autosuggestie van de patiënt, een fenomeen dat we kennen als het placebo-effect.

Fraude en fantasie

Dat schept opportuniteiten voor die sector (geen dure research meer nodig, gewoon een pilletje met de juiste kleur en een goed verhaal in de markt zetten), maar opent tegelijk een doos van Pandora. Want als neppillen werken, kan iedereen ze maken, en moet het woord “kwakzalverij” uit het woordenboek gebannen worden.

nero5Niemand weet dat beter dan madame Nero, die in het album “De negen peperbollen” (1956) heel het verhaal door pill    en pakt, haar aangesmeerd door zo’n zogenaamde kwakzalver, opdat haar man huiswaarts zou keren. Nero zit namelijk in Kenia, heeft daar de wonderbare plant met de negen peperbollen bemachtigd, waardoor hij allerlei onwaarschijnlijke exploten uithaalt. Zoals: een paar duizend kilometer naar huis lopen en letterlijk met de deur in huis vallen, aan het einde van het verhaal. Subtiele knipoog van tekenaar Marc Sleen: mevrouw Nero ziet haar wens in vervulling gaan met een placebo, maar ook die negen peperbollen waren waarschijnlijk nep om Nero in zijn kracht te doen geloven, en zo is heel het verhaal een wondermiddel voor de goedgelovige lezer die zichzelf trakteert op een rondje stripplezier. Over de wonderbare kracht van kunst en literatuur, straks meer.

Is het immoreel om te geloven?  Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Eerst nog iets over geneeskunde en de farma. Binnen de pillensector groeit dus het besef dat ook een klassiek geneesmiddel berust op het placebo-effect. Er zijn al complete operaties gedaan met nep-pijnstillers zonder werkzame stoffen. Gekleurde suikerklontjes als het ware, die iemand quasi-compleet gevoelloos maken omdat hij/zij denkt dat het middel verdovend werkt. Leg dat maar eens uit. Klassieke geneeskunde en homeopathie kunnen zich nu met elkaar verzoenen na eeuwen vijandschap: het ging bij die 9 peperbollen toch allemaal om verbeelding, inbeelding en zelfsuggestie. De magie heruitgevonden.

Dat noopt tot een herziening van de geschiedenis. Nadat wielrenner Lance Armstrong door heel de wereld verketterd werd als dopinggebruiker, en hem zijn zeven tourtitels werden ontnomen, komt nu ene Michele Ferrarri, Italiaans sportarts en dopingexpert, met de revolutionaire theorie af dat de dosissen die Armstrong nam te klein waren om enig fysiologisch effect te hebben. En dat ze als nep- en pepmiddelen moeten beschouwd worden, iets om hem een goed gevoel te geven en fluitend de Mont Ventoux te laten  oprijden. Lance Armstrong geloofde in het placebo en won. Een straf staaltje psychokinese. Gezien zijn wonderbaarlijke genezing van teeltbalkanker, niet eens zo’n gekke theorie. Sportlui zijn overigens buitengewoon bijgelovig. Voetballers die het slipje van hun vrouw of lief in hun broekzak steken, wielrenners die absoluut eerst hun rechterschoen moeten aandoen, een tattoo, een masquotte, men kan het zo gek niet bedenken. Doping of zelfsuggestie?

En geloof het of niet: al in 1956 won stripheld Nero, dankzij een van die negen zogezegd “magische” peperbollen,…een zware bergrit in de Tour de France met 38 minuten voorsprong. Waarmee Marc Sleen het exploot van Armstrong, een halve eeuw later, voorspelt, maar hem ook definitief vrijpleit. Doping? Nepdoping? Is het immoreel om te geloven? Is een fraudeur die in zijn eigen leugens gelooft en ze realiseert, een fraudeur? Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Het simulacrum

armstrongU begrijpt dat dit niet over pillen of sport gaat, maar stilaan een ontologische kwestie wordt. De positivisten zitten hier met een enorm probleem: het causaliteitsprincipe wordt genadeloos aangevreten, en, erger nog,- de schijn bestaat niet. Waarheid en geloof vallen samen, dankzij de psychosomatische wisselwerking tussen lichaam en geest, en de kracht van de autosuggestie. Geef iemand een pil die hem gewichtloos maakt, en het zal werken, als hij er maar hard genoeg in gelooft.

Het is via dat inzicht dat Jean Baudrillard (1929-2007), protestfilosoof uit de jaren ’60 en ’70 van vorige eeuw, zijn afschuw tegenover het simulacrum (de schijnwerkelijkheid die zich tegenover de echte werkelijkheid opdringt, vooral dankzij de massamedia) opgeeft, om uiteindelijk de universaliteit ervan te erkennen. We kunnen ons overgeven aan de schijn, omdat ze geen schijn meer is, ze hercreëert onze werkelijkheid en verandert uiteindelijk de wereld, ze bepaalt de geschiedenis,- in de eerste plaats de kracht van het mentale en de ontgrenzing van ons eigen lichaam. Het is een van die simpele wijsheden waar de jongens en meisjes van SKEPP compleet naast kijken:

Het zijn net de dingen die niét werken, die ons eigen systeem aan het werk zetten. Alles is suggestie.

Dat is perfect van toepassing op Lance Armstrong, maar uiteindelijk wellicht zelfs op elke vorm van “tekst” (discours, verhaal, mythologie) die ons leven vorm geeft. We kopen niet de naakte auto, maar vooral het verhaal rond avontuur, vrouwen, snelheid. Waardoor zelfs de file een virtuele race wordt, mede dankzij de autoradio en andere mobilotica. Het geluk wordt gecreëerd door de belofte erop. “Placebo” betekent uiteindelijk “Ik zal behagen” of “Ik zal gelukkig maken”. En belofte maakt schuld.

Het placebo is met andere woorden overal,- het kan natuurlijk ook omslaan in zijn tegendeel, namelijk het nocebo (ziek worden of sterven door iets te geloven), zoals bij een roker die zoveel doodskoppen op zijn sigarettenpakje heeft gezien dat hij echt kanker krijgt,- de moderne versie van de “vervloeking”. Buiten die twee is er haast niets meer dat ons psychisch en sociaal functioneren als consument, mediagebruiker, kiezer bepaalt. Baudrillard sluit het tijdperk van de metafysica definitief af, maar opent dat van de postmoderne magie en de nieuwe religiositeit, gebaseerd op een dialectiek van de schijn.

Cultuur, geluk, bewustzijn.

Vergeet het atheïsme en de vrijdenkerij, het mensdom is nog nooit zo bijgelovig geweest. Maken de iPasalond en de iPhone ons gelukkig, doet een verblijf op een all-in-resort op Tenerife ons op krachten komen? Jazeker, want de reclame belooft het ons. Men kan hier niet zomaar spreken van bedrog of indoctrinatie, want het “werkt” echt, het gaat om hypnotische rituelen die ons aanspreken en waaraan we ons willen onderwerpen. Tussen het product en de consument staat de tekst (bijvoorbeeld de reclame, de bijsluiter) die de waarheid herschept. De metatekst dus, over het product. Zo zal de bijsluiter van het medisch placebo meegaan in de illusie, en zo de (zelf)genezing uitlokken.

Grappig is dat die logica van de self-fulfilling prophecy ook werkt in de wereld van de Cultuur met een grote C. Vooral juist daar. De nieuwste roman van Dimitri Verhulst, de Oscargenomineerde film ‘The Broken Circle Breakdown’, de Nationale Gedichtendag, Alphavillle,…. ze verhogen mijn gelukscoëfficiënt, ze maken me slim, innerlijk rijk, bewust, omdat het protocol (het geheel van begeleidende teksten, catalogi, programmaboekjes, achterflappen,…) dat wil. Ze zijn cultuurplacebo’s in de ware zin van het woord. Ze creëren waarheid en bewustzijn daar rond, zingeving, zelfverheffing, vanuit een promotionele omlijsting. Het werkt, ik kan het u verzekeren. Ooit stuurde ik voor De Standaard (waar mijn naam sinds jaar en dag zorgvuldig wordt geweerd) een kritisch opiniestukje over Jan Fabre in, onder een vrouwelijk pseudoniem. Niet alleen werd het dadelijk gepubliceerd, ook de VRT-nieuwsredactie ging ijverig op zoek naar de auteur van die opzienbare bijdrage. Waardoor de echte schrijver werd betrapt. Ik, Lance Armstrong?

Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was.

Aan Marc Sleen en zijn peperbollenverhaal moest ik denken, toen iemand me vertelde dat hij naRosas een opvoering van de dansproductie “Eight Lines” (Anne Teresa De Keersmaeker) “als herboren naar buiten kwam”. Ik geloof hem: de krantenrecensies, heel het toeleven naar de voorstelling, de prijs van het ticket, de verplaatsing, de investering in tijd, energie en Euro’s,… schept een zodanig verwachtingspatroon dat men de euforie zelf creëert. De prijs draagt bij tot de autosuggestie. Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was. Kritiek is hoe langer hoe minder een maatstaf. Het veroorzaakt alleen maar wrevel, ongemak, frustratie, ongeluk.

Vooral bij De Keersmaeker heb ik altijd de indruk gehad dat de metatekst over het ding, de naam, de status, het programma, belangrijker is dan het ding zelf. Bedoel ik nu dat de schoonheid van “Eight Lines” op bedrog berust? Neen, net niet,- de vermarkting van het artistiek product maakt gewoon de kwaliteit en zijn pragmatische doeltreffendheid uit. De media spelen een sleutelrol in het fabriceren van de metatekst, en tonen daarmee aan dat een dansvoorstelling in se niet verschillend is van een wasproduct of een GSM of een auto.

Baudrillard eindigt dus met te zeggen: neem en consumeer dit alles, creëer de illusies zelf, wees uw eigen homeopathische therapeut.

Alles zit tussen de twee oren, de rest hangt er maar bij

breinZo wordt dit, zoals alles, weer een aangelegenheid van het menselijk brein. Vergeet de filosofie en alle andere wetenschappen: alleen de hersenfysiologie doet ertoe. Maar de onmogelijkheid van het brein om zijn eigen criticus te zijn, maakt juist dat het zelfbedrog alomtegenwoordig is, en dat we de wereld creëren volgens onze eigen voorstelling. De hallucinatie voorbij. En daartoe is wil, aandrift, begeerte, energie nodig. Veel meer dan zomaar intelligentie. Meerbepaald de wil om endorfine (chemisch verwant aan morfine) aan te maken, de stof geproduceerd door de hypofyse, die verantwoordelijk is voor het geluksgevoel. Natuurlijk wil het geluk zichzelf vereeuwigen, hoe zou u zelf zijn.

Iets wat Arthur Schopenhauer (1788-1860) in zijn hoofdwerk “Die Welt als Wille und Vorstellung” al poneerde, zij het dat Arthur aan de kunst nog een apart plaatsje toebedeelde, als zou die aan het nuttige zelfbedrog ontsnappen. We weten ondertussen beter.

Voor de rationalisten, en al wie nog in de menselijke rede gelooft, is dat een onoverkomelijk probleem:

Blijkbaar houdt de menselijke geest ervan om zichzelf voor de gek te houden. De leugen zit diep in de kern van ons brein, als een zelfstimulerende mentale G-spot.

Alleen daardoor is het mogelijk dat seksuologen aan de universiteit van Texas 237 redenen kunnen verzinnen om seks te hebben, en dat als wetenschap verkopen. Waarna het ook een echte handleiding wordt om van bil te gaan, en ons leven beter, zinniger, bewustvoller maakt.

Langzamerhand wordt heel het verhaal van geloof, weten, kennis, willen, bewustzijn, dat van een slang die in haar eigen staart bijt. Het menselijk brein verschalkt zijn eigen waarheidsobsessie grandioos, net door de leugen te hanteren als iets dat waarheid creëert: “Ik weet dat het een placebo is, dus dat het niet werkt, maar toch gebruik ik het, omdat ik weet dat het werkt als ik erin geloof”. Verdomde breinkraker, nemen, die vergulde pil!

De toekomst is dus aan de gebedsgenezers, de goeroes, de duiveluitdrijvers, de Zarathustra’s, de seksuologen, de voorlichters, de charlatans en fraudeurs, de verkopers van alle mogelijke drankjes, poedertjes en elexirs. Zij zijn de begeleiders van ons zelfhypnotisch vermogen. Ze smeren ons rommel aan, maar net dat geeft ons brein de kans om zichzelf in de maling te nemen en de rommel te opwaarderen tot drug en elexir. Geen enkele diersoort is daartoe in staat. Het heeft geen zin de charlatans te verbannen, want dan houden we niets over, alleen bittere desillusie en wanhoop.

En daar heeft de natuur ons niet voor gemaakt. Althans, dat wil ik graag geloven.

Schrijvers in de bres voor privacy… of voor zichzelf?

Reybrouck Zopas publiceerden vijfhonderd schrijvers uit de hele wereld een open brief in de kranten waarin ze hun bezorgdheid uiten over onze privacy. Onder de titel “Bevrijd de bespioneerde mens” wordt de alarmklok geluid over de overheid die zijn burgers bespioneert, en over internetbedrijven (Google, Facebook, Microsoft, AOL, Twitter, Linkedin,…) die privé-informatie van gebruikers doorverkopen. Alles wordt op één grote hoop gegooid, het document blinkt niet uit in analytische helderheid.

Deze zin is bijvoorbeeld om bij te wenen: De overheid kan moeiteloos uw mobiele toestellen raadplegen, uw e-mail, uw sociale netwerken en uw opzoekingen op het internet. Ze kan uw politieke sympathieën en activiteiten in de gaten houden. Met de hulp van de internetbedrijven verzamelt en bewaart ze uw gegevens, zodat ze uw consumptie en gedrag kan voorspellen.” Overheidsspionnage en het business model van de sociale media, dat zijn uiteraard twee verschillende zaken. De overheid wil controleren, de sociale media willen winst maken. Google en C° liggen zelfs op hun beurt in de clinch met de overheden, omdat ze hun bestanden het liefst afschermen voor eigen financieel gewin, en geen pottenkijkers dulden.

Maar goed, de schrijvers zijn wereldwijd verontrust over ons te grabbel gegooid privé-leven, en dat siert hen. Of is het toch allemaal niet zo loepzuiver en glashelder? Hoor ik hier en daar een pen krassen of een inktpot omvallen? Even verder die brief tegen het licht houden en terloops het privacy-verhaal wat deconstrueren.

Nostalgisch ressentiment

Het is om te beginnen vreemd dat de schrijvers nergens gewag maken van het vrijwillig opgeven van de privacy: via Facebook en Youtube gooien massa’s mensen hun privéleven te grabbel, met foto’s en filmpjes en al, zonder dat iemand hen daar toe verplichtdecoster. De reden is simpel: mensen zijn hun eigen biograaf geworden en gieten dat ook in een soort “kunst”, die weliswaar die naam niet krijgt, maar toch het klassieke literaire bedrijf op de helling zet.

Was de romanschrijver of dichter ooit een god in het diepst van zijn gedachten, die zich via het boek openbaarde naar een publiek, dan is vandaag iedereen die god. “Het publiek” bestaat niet meer. Dat betekent ook dat de privacy niet meer bestaat: we werpen haar zelf weg als een oude huid.  Dat is eigenlijk prachtig: het internet maakt iedereen tot publiek persoon, tot schrijver/kunstenaar/cineast en verwijst het boek, als fetisj en cultuurindustrieel product, naar de prullenmand.

Zou het kunnen dat de petitionisten zich, in een corporatistische reflex om het eigen beroepsbelang te beschermen, over die radicaal-democratische ontwikkeling zorgen maken? Iedereen schrijver, dat maakt dé schrijver compleet overbodig. Iedereen blogger, dan mogen de columnisten wel opkramen. Om dan nog maar te zwijgen over de ineenstorting van het auteursrecht die zich via het web genadeloos voltrekt.

“Voor een deel is dit een probleem van typografen die maar node het Gutenbergtijdperk achter zich kunnen laten…”

Een korte opzoeking op Facebook leert ons overigens dat de verontruste schrijvers zelf op dat medium actief zijn.  Alle in de pers geciteerde Vlaamse ondertekenaars van de petitie (Luuk Gruwez, Bart Moeyaert, David van Reybroeck, Elvis Peeters, Annelies Verbeke, Walter Van den Broeck, Paul Verhaeghe, Joke van Leeuwen) facebooken er dapper op los en maken er luidkeels reclame voor zichzelf. Zo verzoekt Saskia De Coster haar fans dringend om voor haar te stemmen in een door De Morgen georganiseerde poll.

Zonder het te beseffen begeven ze zich daarmee in de digitale afgrond waar ze juist tegen fulmineren: de belletrie heeft papier nodig, drukinkt, drukkers en uitgevers om te beletten dat iedereen zomaar aan het schrijven slaat. Het simpele feit anderzijds dat een bedrijf als Facebook zijn “gratis” diensten maar kan aanbieden omdat het daardoor verkoopbare privé-informatie kan verzamelen, ontgaat hen blijkbaar ook. Of denken ze echt dat Mark Zuckerberg een filantroop is?

Voor een deel onthult deze petitie dus een literair, “papieren” probleem. Of juister: een probleem van literatoren die maar node het Gutenbergtijdperk achter zich kunnen laten, waar schrijvers nog een stem hadden en zwijgzame lezers. Heel de petitie drijft op tekstfetisjisme en nostalgisch ressentiment van typografen. Het punt is gewoon dat er met Facebook, Youtube en tutti quanti best te leven valt, als men die media intelligent en scrupuleloos tot eigen communicatie-instrumenten omsmeedt. Jawel, Mark Zuckerberg bedot ons, maar wij hem ook. Elke dag weer. Wie hier wint, tja, dat is dan uiteindelijk de vraag wie hier de slimste is.

Cyberoorlog

En dan de zaak van de overheidsspionage, de controle op het GSM-verkeer enz., het Big-Brother-is-watchiBRITAIN-ECUADOR-SWEDEN-DIPLOMACY-JUSTICE-WIKILEAKSng-you-syndroom. In een eerder artikel heb ik me hier al eens bipolair opgesteld: ik wil niet dat de staatsveiligheid in mijn e-mails neust, en ja, ik steun Edward Snowden als klokkenluider. Zeker ’s morgens en in de voormiddag doe ik dat, als mijn rebelse knie jeukt. Maar naarmate de dag vordert zie ik ook de voordelen in van die Big Brother, zijnde de onvermoeibare snuffelhond op zoek naar terroristen die bijvoorbeeld eens een metrostation of een kerncentrale willen laten ontploffen. There is a war going on, no man is safe.

Het feit dat we ons in de feitelijke situatie van een een derde wereldoorlog bevinden, die voor een flink stuk als cyber war op het internet wordt uitgevochten, maakt dat internet waarlijk universeel, en dwingt de waarheid om zich te vertakken, zonder mogelijkheid van een scheidsrechter.

Uiteindelijk is dit fenomeen zelfs heilzaam en absoluut-democratisch. Iedereen moet kiezen, bloggen, zijn mening zeggen, kleur bekennen, zijn privacy prijsgeven. Iedereen activist of spion, of beiden tegelijk. Welke rol spelen hoger vermelde literatoren in dit boeiend kat-en-muis-verhaal? Geen enkele. Ze leven in een absurd-ascetische utopie, alsof er helemaal niets aan de hand is en mensen rustig met een boekje in een hoekje kunnen kruipen. Het zijn kreupele, schor klinkende vredesduiven die het nieuwe spel niet snappen.

“Privacy is van geen enkele waarde meer. De bespioneerde mens moet leren om zijn spionnen te bespioneren. De nieuwe schrijver is een hacker…”

Edward Snowden anderzijds heeft het wél begrepen: informatie is de inzet van deze oorlog. Sterker nog: het internetactivisme is de nieuwe kunstvorm geworden, waar existentieel ook een enorme prijs tegenover staat. Vraag het aan Julian Assange en Bradley Manning. Zij zijn de nieuwe helden, martelaars, iconen, genieën. Ze manifesteren zich als spelers, niet als literaire bankzitters. Inclusief de nodige theatraliteit, zie bv. de nu al historische toespraak van Assange vanaf het balkon van de ambassade van Ecuador (augustus 2012). Wat kan een armzalige belletrist daar tegenover stellen? Nog een petitie in een “kwaliteitskrant”?

Alleen al daarom zal de klassieke literatuur vrij snel verdwijnen: het internet is niet alleen een medium, een forum, maar ook een slagveld waarop de postmoderne cultuur van de 21ste eeuw wisselende posities inneemt: op het ene moment die van Big Brother, op het andere moment die van het activisme.

Ironie

Pennenridders lopen hier verloren rond, hun teksten lijken nergens meer over te gaan. De gekraakte “files” van Assange en Snowden maken, als men dan toch die term wil gebruiken, de nieuwe literatuur uit. De gestolen documenten, de gehackte en gepubliceerde informatie, zijn veel spannender en relevanter dan om het even welke fictie want ze gaan over het echte leven, ons leven, en de machtsstrijd die aan de gang is. De klassieke media weten het, en lopen het fenomeen panisch achterna, tevergeefs, want de omloopsnelheid van het internet is niet te evenaren.

Andermaal: privacy is hier van geen enkele waarde,- het is misschien zelfs een teken van armoede. Alleen naamlozen, analfabeten, asceten hebben privacy. We lezen en observeren elkaar, we delen. De overheid snuffelt in onze mails, wij ook in die van haar. Er zijn krachten en tegenkrachten, alles verloopt in twee richtingen, ook Big Brother is kwetsbaar. De bespioneerde mens moet leren om zijn spionnen te bespioneren. Alles is lekbaar, informatie dient om van eigenaar te veranderen. Servers pikken op, wij usurperen de servers. Google en Facebook verkopen, de staat bespiedt, Snowden rooft terug, wij gebruiken Google en Facebook om ons als publiek én actoren, schrijvers, commentatoren, doorheen dit mijnenveld te bewegen.

Ironie is hier dus dringend nodig. De opstellers van de schrijverspetitie missen de gave van de ironie, waardoor ze de dialectische mogelijkheden van de digitale platformen helemaal miskennen. Hun tomeloze ernst en ethische grootspraak –waardoor ze zelfs de Verenigde Naties en de mensenrechten erbij betrekken-, klinkt als het wantrouwen tegen de stoommachine 200 jaar geleden.

Ze rommelen wat op de “sociale media” om klungelige reclameberichtjes te posten, hun signeersessies aan te kondigen, terwijl de literatuur al lang ergens anders is. Of nergens. De dood van het boek en de glorieloze wegdeemstering van een schrijversklasse, ziedaar de collateral gain van deze informatie-oorlog.

De democratie is dood, leve de soevereiniteit

Pleidooi voor ontburgering

Ik heb het nu echt wel gehad: opnieuw gaat een Georgische gangster vrijuit wegens een “procedurefout”. De arme man had in België geen vast adres, kon niet op domicilie gedagvaard worden, en ontsnapt dus ook aan vervolging. Een paar dagen geleden haalden de advocaten van ene prins Henri de Croÿ-Solre, in eerste aanleg veroordeeld wegens miljoenenfraude, een gelijkaardige truc uit de kast: procedurefoutje, sorry mijnheer, gaat u maar. De gewilligheid waarmee het gerecht en de advocatuur solidair dit blind formalisme blijven toepassen, tegen elk gezond verstand in, bewijst dat we in een systeem leven dat zichzelf ondergraaft. De democratie is op sterven na dood, de vraag is wat dit maximaal kan opleveren voor u en ik.

Geen zoveelste politieke theorie, wel een oefening in utopisch denken.

Uitschrijven aub

Uit recent onderzoek bleek dat meer dan 20% van de kiesgerechtigden niet geldig deelnam aan de Bstembuselgische gemeenteraadsverkiezingen van 2012: blanco of ongeldig gestemd, biljet beschadigd, …maar het merendeel bleef gewoon thuis. Dat is eigenlijk een enorm percentage voor een land waar niet gaan stemmen strafbaar is. In landen waar die stemplicht niet bestaat, komt hooguit nog de helft opdagen. Ook al is het fenomeen het meest frappant in de grootsteden met sterke migrantenconcentraties (41% niet-stemmers in Brussel!), toch lijkt er meer aan de hand: de onderdaan is zich gewoon aan het uitschrijven.

Groot alarm in het politiek establishment, vooral gedreven door overlevingsdrang: hoe die dijkbreuk dichten? Eerder dan hier nog eens een “democratisch alternatief” tegen aan te gooien, genre de G-1000 van wereldverbeteraar David Van Reybrouck, of nog maar eens een politieke partij op te richten, is het zinvoller om de realiteit onder ogen te zien en het misschien zelfs als een positieve evolutie te appreciëren: de kieskudde dunt uit en wandelt weg in alle richtingen behalve die van het stemhokje.  Zelfs de zgn. foert- of protestpartijen hebben afgedaan, de polis wordt als sociale container gewoon niet meer aanvaard. Europa heeft dat proces nog versneld: in een panische reactie om de ontburgering tegen te gaan, greep men naar een nog grotere schaal die nog meer aversie opwekt. Rien ne va plus. Het mystieke begrip “burger” (letterlijk: diegene die geborgen is door de ommuurde stad) wordt vandaag hoe langer hoe meer een lege huls. Wie voelt zich nu nog burger, behalve de plakken gehakt tussen een broodje?

Macht en massa

Altijd een leuke verpozing om nog eens antropologisch te recapituleren. Waar komt dparlementie staat, zijnde een georganiseerde natie met een territorium, een wettenstelsel, een infrastructuur, een systeem van machtsuitoefening en een fiscaal systeem, vandaan?

De hypothese van de Amerikaanse antropoloog Robert Carneiro is nog altijd interessant en geloofwaardig: ooit werd de aarde bevolkt door oergemeenschappen, “clans” van maximaal 200 leden. Dat getal zit ingebakken in onze hersenen: het is de bovengrens van wat wij sociaal en communicatief aankunnen. Tot op vandaag zoeken we onbewust nog steeds soelaas in zo’n kleine groep van mensen die we min of meer kennen: de familie, de vereniging, de stamtafel, het facebookprofiel…

In ruil voor veiligheid en bescherming diende het individu zich uit te leveren aan een systeem waarvan hij de omvang niet meer overzag of de logica nauwelijks nog kon vatten…

Maar door toename van de bevolkingsdichtheid en de daarmee gepaard gaande clanoorlogen drong zich een schaalvergroting op: men sloot allianties en kwam tot gemeenschappen van 1000 à 10000 stuks. Het ontstaan van de landbouw, na de laatste ijstijd, heeft zeker ook een rol gespeeld. Vanuit de eerste grootsteden in Mesopotamië ontwikkelde zich een centraal en hiërarchisch bestuurd rijk, gebaseerd op onderdrukking en een geweldmonopolie van het gezag zelf. In ruil voor veiligheid en bescherming diende het individu zich uit te leveren aan een systeem waarvan hij de omvang niet meer overzag of de logica nauwelijks nog kon vatten. Religie (liefst monotheïstisch) en cultuur (liefst zo participatief mogelijk) moesten deze vervreemding enigszins verzachten.

Edoch, vanaf dat moment zitten we in een dynamiek van massa, macht, manipulatie, controle: de staat was geboren, met alle ziekteverschijnselen van dien, zoals massificatie, aliënatie, vereenzaming van het individu, en anderzijds corruptie en machtsmisbruik vanwege de oligarchen. Want die waren er van meet af aan, en ze zijn er gebleven tot op vandaag: een elite van bestuurders en hun mandarijnen die de polis beheren vanuit een persoonlijke agenda.

Het is vanuit dat inzicht dat we het actuele politieke spel en de zogenaamde democratie (“macht van het volk”) van vandaag moeten begrijpen: als theatrale constructies, waarbij het individu eigenlijk niets in de pap te brokken heeft, maar toch die illusie moet blijven koesteren dankzij verkiezingen, inspraaksessies, lezersbrieven naar kranten, blogs en andere vormen van bezigheidstherapie.

Soevereiniteit

In de 20ste eeuw was “participatie” het toverwoord: iedereen moest aan alles deelnemen, zich inschrijven in de wereldcultuur en de wereldmarkt. In de 21ste eeuw zal het aloudeBoeddha begrip soevereiniteit heruitgevonden worden: zoals ooit staten hun soevereiniteit opeisten, is het nu aan het individu om zichzelf te definiëren als een onafhankelijk wezen, een staatloze niet-burger die vervolgens zelf op zoek gaat naar vrijwillig aangegane nieuwe samenlevingsverbanden. Of niet. Het is een totale deconstructie, een fragmentarisering die, zelfs voorbij de 200-regel van Carneiro, het bestaansrecht van het individu as such boven alles stelt. Bepaalde meditatieve verdiepingstechnieken gaan in die richting. Vrijwillige de-nationalisering is het logisch gevolg. Ze bestaat al praktisch, bijvoorbeeld door het absenteïsme tijdens verkiezingen, maar ze zou ook kunnen bezegeld worden in een individuele soevereiniteitsverklaring. Een Acte van Verlating dus, een beetje zoals men zich laat ont-dopen uit de kerk.

Wie dit als enige doet, zal snel in de gevangenis of het gekkenhuis terecht komen. Tien stuks zullen als een staatsvijandige bende, honderd of duizend zullen als een sekte beschouwd worden,- ook daar weet het systeem raad mee. Maar een miljoen? En het ergste: die uitgeschrevenen verenigen zich niet in een nieuwe tegennatie of “gemeenschap” –vooral niet-, maar blijven zich een autonoom statuut toeëigenen van zelfredzaamheid. Uiteraard kunnen praktische aangelegenheden onder hen gezamenlijk geregeld worden: openbaar vervoer, energie, onderwijs, sociale zorg, infrastructuur,- maar deze post-civiele res publica  blijft voorwaardelijk en bindt niemand, zeker niet binnen een “collectieve identiteit”.

Zoals ooit staten hun soevereiniteit opeisten, is het nu aan het individu om zichzelf te definiëren als een onafhankelijk wezen, een staatloze niet-burger…

Niet alleen juridisch, maar ook cultureel en moreel wordt dit een absoluut breekpunt met de gevestigde codes. Vandaag wordt de statenloosheid voorgesteld als een fundamenteel gebrek, zelfs een mensonwaardige situatie.  Artikel A5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt dat “eenieder recht heeft op een nationaliteit”. Maar ook achter dit filantroop decreet gaat een stuk opportunisme en monopolistisch zelfbeschermingsgedrag schuil: de statenloze behoort tot geen natie, dus ook niet tot de Verenigde Naties, waardoor hij als een politieke anomalie op deze planeet zou vertoeven, niet-onderhevig aan enig wettenstelsel of machtsuitoefening. U bent dus VN-burger, of u dat wilt of niet. Uitschrijven, het blijft een hachelijke onderneming.

Het kan vreemd lijken dat, in een tijd waar sukkelaars op gammele bootjes Europa trachten binnen te geraken en een moord zouden plegen voor een Westers paspoort, de bezitters van zo’n paspoort het als een vodje papier zouden weggooien. Toch moeten we de zaak durven omkeren en futuristisch op zijn poten zetten: als er geen groepen of gemeenschappen meer zijn, zullen er ook geen massabewegingen meer plaats grijpen. Migratie is een haast epidemisch-viraal verschijnsel dat opduikt waar het individueel richtingsgevoel het heeft opgegeven, zoals het gedrum in een tunnel waarbij men elkaar verplettert.

Bunkerfase

De kieshokjes staan er zinloos bij, de macht vereenzaamt. Vandaag zitten we in de bunkerfase: door het leeglopcameraen van de burgerstaat ontpopt de macht zich in toenemende mate als een wereldwijd, totalitair, technologisch omspannen controlenetwerk van de 21ste eeuw, waarvan de camera’s allemaal met een centrale dispatch verbonden zijn, die het GSM- en internetverkeer “om veiligheidsredenen” afluistert, die via satelliettechnologie op elk moment weet waar iedereen zich bevindt, die via Facebook al uw interesses haarfijn catalogeert, die met drones het instantrecht laat geschieden, en die en passant via het bankenconsortium heel uw privé-boekhouding beheert. Vergeet de staatsmacht: het planetair, digitaal gestuurd directorium is in aantocht.

Maar hoe ver reikt de macht van deze Big Brother echt, als individuen geen populatie meer vormen, als er nauwelijks nog iets statistisch kan geëxtrapoleerd worden?  Hoe ver reikt een schrikbewind, als iedereen anders is, als niemand schrik heeft, en als er geen bewind kan worden gevoerd? Allicht wordt de bunker dan de ultieme speelkamer van Big Brother, die verbijsterd aankijkt tegen onderdanen die niets meer gemeen hebben, en zelfs de humane wetenschap perplex achterlaten.

Uiteindelijk zou de niet-burger een niet-mens kunnen worden, een vreemdsoortige alien waar de macht geen greep meer op heeft…

Dat brengt ons onvermijdelijk weer op het motief van de transhumaniteit: wezens die aan het mensdom ontsnappen hebben het (klein)burgerdom en de polis niet nodig. De toekomst is aan de hybriden. Denk aan de blade runner die ik in een vorige column ten tonele voerde: half mens, half sprinkhaan, is dit on-specimen het biologisch vehikel van de ontburgering. Dit leidt tot een fysieke en breinmatige mutatie waarbij we allen aliens worden, uitzonderingstoestanden. De anomalie wordt de regel. Tegen dit soort procedurefouten is geen enkel regime bestand.

Het is vandaag pure futurologie, maar ik denk echt dat het post-civiele, post-politieke universum finaal ook een niet-mens zal opleveren, Nietzscheanen mogen spreken van de Uebermensch. Een niet-medeburger en niet-soortgenoot die louter zichzelf is en zich niet wil vergelijken met de anderen, noch biologisch, noch sociaal. Dat elimineert alvast een hoop geduw en gekrakeel: naarmate het verschil groter wordt, neemt de competitie af. Als iedereen iets anders wil, is er geen schaarste en geen concurrentie. Dus hoeft ook het verkeer niet geregeld te worden.

Zo wordt, wat begon als een kiesstaking, toch weer metapolitieke science-fiction. Het kan ook niet anders, of dacht u dat het miljoen thuisblijvende luiaards, in slaap vallend voor hun TV-toestel, op zich een bedreiging zouden vormen voor om het even welk systeem.

Eros

Toch gaat dit niet over politiek erosof (tegen-)cultuur, of een of andere vorm van revolutie, of, godbetert, een postmoderne religie. Het finale, fascinerende perspectief van de totale ontburgering en individuatie is, dat het weerom plaats maakt voor een Platonisch universum waarin er maar één echte energie van tel is: de kracht die twee van elkaar gescheiden helften naar hereniging doet zoeken. Het is de uitzondering op de uitzondering: twee aliens waarvan de codes miraculeus in elkaar passen. Plato laat het kluchtschrijver Aristophanes vertellen in zijn Symposium, haast als een mop, maar het is de clou van heel het verhaal. Pas als iedereen totaal anders is, wordt overeenstemming (harmonie) een catastrofe, in de zin van een onvoorspelbaar, heerlijk accident, zoals het ontstaan van die kosmos zelf.

De politieke stelsels hebben de mens vervormd, en daarmee ook zijn seksuele potentie misleid en afgeleid. De geslachtloosheid van het socialisme en de polymorfe hyperseksualiteit van het kapitalisme zijn beide karikaturen.  De ene ontkent de drift, de andere exploiteert haar tot in het absurde. De ene breekt het individu onder de noemer “solidariteit”, de andere doet datzelfde individu exploderen tot een slaaf van zijn begeerte.

De Eros komt na de Polis. Zo achterlijk en reactionair Plato’s visie op de staat was, zo visionair was zijn filosofie van de eros. Het opbreken van heel de politieke zoölogie tot kosmos van soevereine bio-planeten, die onverwachts en catastrofaal elkaars baan kunnen kruisen, onttrekt de liefde aan het saaie verhaal van voortplanting, soortbehoud en kindergeld. Met deze Big Bang is meteen ook de uittocht naar het buitenaardse begonnen, zoals ooit het leven hier begon vanuit een ingeslagen meteoriet. Aliens zijn we geweest, aliens zullen we worden. Alles wat daartussen lag, was maar een middelmatig intermezzo.

De waarheid en niets dan de waarheid

Hackers van de Amerikaanse inlichtingendienst NSA zijn er dus in geslaagd spionagesoftware (malware) op de computersystemen van operator Belgacom te zetten, meerbepaald bij dochterbedrijf Bics (Belgacom International Carrier Services) dat wereldwijd het telefoonverkeer regelt en zich toespitst op telefonie in het Midden-Oosten en Afrika. Een Hollands bedrijf (Fox-IT) heeft het boeltje moeten ontsmetten. Bij ons, laat staan bij de IT-ers van Belgacom zelf, bleek niemand in staat om de klus te klaren.

Het kabinet van premier Di Rupo zegt dat ‘indien de hypothese van de betrokkenheid van een ander land bevestigd wordt, de regering de gepaste stappen zal ondernemen.’ Wat die gepaste stappen dan precies moeten betekenen, is op dit moment niet duidelijk. Beef, Amerika, hier komt de koning van Henegouwen met zijn PS-falanx.

De morele kwestie: het doel en de middelen

Obama reageert niet op de golven van morele verontwaardiging. Waarom zou hij? De argumen9_11ten om geheime afluistertechnieken wél toe te passen zijn ijzersterk, sedert 11 september 2001: als Al Qaeda en aanverwanten onder elkaar GSM-en (wie doet dat nu niet) en snode plannen fabriceren, dan zou het van onnozelheid getuigen om hier zijn oor niet te luisteren te leggen. A la guerre comme à la guerre. Ik wil de uitkomst van die ethische discussie rond die afluisterpraktijken dus nog wel eens afwachten, professor Vermeersch mag zijn bretellen al aanspannen.

Ach, die privacy. Het doet denken aan de juridische verdedigingstactiek van gauwdieven die zich beroepen op de privacy-wetgeving wanneer ze gefilmd werden. Of, straffer nog, een zoon die zijn moeder bij een nachtelijke overval verdedigt, en door de inbrekers achteraf zelf aangeklaagd wordt wegens geweldpleging.

Het argument van het doel dat de middelen heiligt, is ook na de filosoof en plichtmaniak Immanuel Kant overeind gebleven: er moet uiteindelijk altijd een smeerlap zijn die zijn handen durft vuil te maken. En na die sanering van de Belgacom-servers moeten de techneuten van de NSA natuurlijk weer van voor af aan beginnen. Ondertussen kunnen ze bij Al Qaeda hun plezier niet op.

De esthetische kwestie: wat met onaangename waarheden?

De “onthulling” zelf dan. Heel eerlijk: de vraag is, of de waarheid in alle omstandigGoreheden moet blootgelegd worden, en vooral of dat het leven er aangenamer op maakt, en of het iets oplost.

Voor de liefhebbers van een malse varkenskotelet: bezoek eens een slachthuis, uw appetijt zal voor goed over zijn. Wie ooit eens een scheve schaats heeft gereden, wil misschien zijn/haar partner die waarheid ook wel besparen. En hoe sommige uitgevers of schrijvers de krantenredacties het hof maken om een geflatteerde recensie in de wacht te slepen ,- ik wil het zelfs niet weten.

De waarheid kwetst, maar maakt het leven dikwijls ook lelijk,- ze deprimeert, intoxiceert, vernietigt. Daarom ook wekt Al Gore zoveel weerzin op: de boodschap is waar en misselijk makend tegelijk. Kan iemand onder u een documentaire over concentratiekampen uitkijken? Ik niet. De negationist Siegfried Verbeke trok uit die walgelijkheid zelfs de extreme consequentie: hij gelooft er gewoon niet meer in.

Er speelt hier dus een soort esthetisch – ik zou haast zeggen: een medisch- argument om te verhullen, te negeren, te ontwijken, waarbij men toch in de buurt –horresco referens– van de leugen komt, beter bekend als het leugentje-om-bestwil.

Het absoluut immorele idee dat onaangename waarheden (inconvenient truths) onze gezondheid aantasten, het leven vergallen en we ze dus beter kunnen vermijden, heb ik van de Griekse wijsgeer Epicurus (341 v.Chr. – 270 v.Chr.) en diens hedonisme, dat men niet moet zien als banale genotzucht maar eerder als een individuele geluksfilosofie. Met uiteindelijk toch weer morele randjes. Want wie ben ik, om iemand anders ongelukkig te maken door hem de waarheid te vertellen?

De filosofische kwestie: de onkenbare waarheid

Zo zijn we bij de diepere levensvragen beland, wat eigenlijk helemaal niet de bedoeling was van Janusdit stukje.

De massamedia beroepen er zich op dat ze “de waarheid” onthullen. Zij hebben een informatieve roeping, u hebt de plicht om die informatie ook te consumeren. Beide zijn haast obsessioneel: de drang om te onthullen, en de verplichting om te weten. Maar dat weten brengt ons in wezen niets bij, we blijven op onze honger zitten, of haken gewoon af. We leven in een tijd waarin er constant bericht, onderzocht, onthuld wordt, zonder dat we het gevoel hebben dat we ook maar één stap dichter bij de waarheid komen. De prikkeling is eindeloos, maar de voldoening nergens, daarom blijven we maar kranten lezen en het TV-nieuws opzetten, in de hoop dat dé waarheid ooit tot ons komt. Het weten is ééndimensioneel, saai, en troosteloos. Het is ook de echte reden waarom de onderzoeksjournalistiek in het slop is geraakt: men ontdekt wel dingen, maar men kan ze nauwelijks benoemen, laat staan verklaren. De kleine waarheid van de reporter, Rudy Vranckx in Caïro: telkens ik hem zie moet ik me inhouden om niet in lachen uit te barsten, ofwel te wenen uit compassie.

“De grote strijd tegen Big Brother vindt, voorspelbaar, zijn ontknoping in een afluisterschandaal,- waarom verbaast me dat niet…”

Het probleem is dat de zogenaamde waarheid toch altijd weer elders blijkt te liggen. Het is als een schaduw die mee met ons opschuift. De waarheid is namelijk iets ingewikkelder dan de werkelijkheid, zoals filosoof-schrijver Guido Eekhaut terecht opmerkt. Dikwijls worden die twee begrippen dooreen gehaspeld.

De feitelijke, journalistieke realiteit is dat de Belgacom-servers gehackt zijn door de NSA. Maar welke waarheid zit erachter? Die Van Obama? Georges Bush jr.? Die van Didier Bellens? Die van de technicus die het hackprogramma ontwierp en er netjes zijn brood mee verdiende? Die van Edward Snowden? Uw en mijn waarheid? Of denkt u echt dat, als we al die stukjes waarheid op elkaar leggen, we tot dé waarheid komen?

Vergeet het. De waarheid is zo ingewikkeld als de wereld. Dat is geen reden om hem niet te zoeken, alleen: we hebben gewoon het brein niet om hem te vatten. We blijven haperen bij deelaspecten, momentopnames of simplismen.

De waarheid kan enkel een vermoeden zijn. Denk aan de onzekerheidshypothese in de kwantumfysica. Ze is speculatief, hypothetisch, dynamisch, variabel en zelfs paradoxaal, waardoor er op een zeker moment altijd twee waarheden loodrecht op elkaar komen te staan. Wit en zwart, ja en neen, + en -. Kiezen helpt dan niet, niet-kiezen evenmin. De geëngageerde mens is een paljas, de niet-geëngageerde een lafaard.

Quod erat demonstrandum.

Onvermijdelijk eindigt deze bedenking bij de diegenen die echt de onderste steen willen omkeren, de dy-Bigbrotherhards, de complotbelievers, de waarheidsfundamentalisten.

Ik heb de grootste existentiële sympathie voor klokkenluiders zoals Edward Snowden, de man die heel de NSA-afluisteraffaire uitbracht. Maar hun focus is zo extreem en geconcentreerd, dat ze op voorhand lijken te weten wat ze gaan vinden en daar ook hun paranoïde strategie op afstemmen. Dat is nog de grootste aporie: als men weet wat men zoekt, vindt men het verwachte; en als men het niet weet, vindt men helemaal niets. De grote strijd tegen Big Brother vindt, voorspelbaar, zijn ontknoping in een afluisterschandaal,- waarom verbaast me dat niet. In alle opzichten is de kenbare waarheid dus ook de verwachte waarheid. Quod erat demonstrandum. Een cognitieve anti-climax. Echte verrassingen zijn vrijwel uitgesloten. Met andere woorden: het is een maat voor niets.

Vandaar mijn fascinatie voor Eward Snowdon (en zijn voorganger Julian Assanges): zijn gelijk is evident, en tegelijk compleet deconstrueerbaar. Ik hou van hem, ik veracht hem. Hij vat de essentie en bakt tegelijk lucht. Wat me tot het bipolaire essay “Snowden vs Obama, of het vermoeden van de dubbele waarheid”  dreef.

Voor de rest zie ik alleen maar voordelen in het schandaal. De pers fleurt op, voelt zich gesterkt (De Standaard beschouwt zich hier zelf als zowat de klokkenluider), verkoopt meer kranten (wat zouden ze zijn zonder het nieuws) en mag best wat nieuwe journalisten in dienst nemen,- goed voor de werkgelegenheid. De ontdekking van het afluisterprogramma, en de ontmanteling ervan, zal tevens leiden tot nieuwe malware die nog moeilijker op te sporen zal zijn, die dan ook weer nog meer gesofistikeerde viruskillers zal vergen. Wat ook weer een pak jobs oplevert. Nooit gingen goed en kwaad beter samen. En daar draaien de politiek én de economie in deze postmoderne tijden toch op: op antagonistische behoeften en tegengestelden die elkaars noodzaak oproepen.

Alleen alle computers buiten gooien en de informatica afschaffen, zou dit handeltje kunnen doorbreken. Maar dat is een waarheid als een koe die ik hier zelfs niet ten berde wou brengen.

Een kus van de juf en een bank vooruit

rectoversoZopas ontving het tijdschrift rekto:verso de Vlaamse Cultuurprijs voor Podiumkunsten uit de handen van Vlaams minister van Cultuur, Joke Schauvliege. Wie? Toch niet die cultuurloze troela uit Evergem waar heel de Vlaamse cultuursector bij haar aantreden op schoot? Jawel dus. 12.500 euro plus nog een bronzen schouwgarnituur. Geen fortuin, maar toch een welgekomen injectie voor een tijdschrift dat overigens al ruim betoelaagd wordt door diezelfde Vlaamse cultuurminister, door ene Erwin Mortier nog niet zo lang geleden het Schouwvliegje genoemd. Ach, geld stinkt niet, zoals keizer Vespasianus al zei toen hij de belasting op pispotten invoerde.

Ons-kent-ons

Waarom dit tweemaandelijks (gratis, enkel in de rekken van de culturele centra te vinden) tijdschrift de podiumprijs kreeg, en niet één van de financieel naar adem snakkende theatergezelschappen in Vlaanderen, wordt niet duidelijk gemotiveerd. Wel is het duidelijk dat het blad stevig ingeplant is in het culturele establishment.

Behalve uit subsidies haalt het zijn inkomsten uit advertenties. Maar wie adverteert er zoal? De culturele centra en de grote (gesubsidieerde) gezelschappen, festivals etc. die door het blad kritisch bejegend zouden moeten worden. Daarnaast zijn er nog de “Vrienden van”, een steuncomité van maecenassen waarin we weeral, juist, dezelfde actoren vinden van het welbekende culturele veld. Culturele centra, festivals, gezelschappen. Zo passeert rekto:verso een aantal keer langs de overheidskassa.

Redactioneel dan. Vrijwel alle redactieleden zijn tewerkgesteld in een of andere (uiteraard weer gesubsidieerde, of als overheidsinstelling fungerende) instelling, genre Vlaams TheaterInstituut, De Brakke Grond, het S.M.A.K, BAM, tenzij ze als cultuurjournalist werkzaam zijn in bijvoorbeeld De Standaard (altijd goed voor een mooie column over recto:verso, zoals vandaag), of als docent aan de KUL of in het RITS. Ik bedoel gewoon: dit tijdschrift bezit een hoog ons-ken-ons-gehalte. Het “becritiseert” de culturele scène van binnenuit, als een institutionele participant, een economisch en professioneel gelinkte stakeholder. Of in gewoon Nederlands: een lid van de club.

Missionarishouding

Zo wordt de sector haar eigen kritische maatstaf, altijd met één oog gericht op de subsidiepotten. “Kritiek” wordt een leeg begrip, een passe-partout voor jongens en meisjes die eens wat anders willen, maar toch weer hetzelfde. Eén redactielid, een zekere Ervé De Patser, wordt trouwens uitdrukkelijk opgevoerd als gladde jongen, netwerker en subsidie-lobbyist. Een man die zijn gewicht in goud waard is.

Recto:verso mag zich dus met recht en reden “een tijdschrift van en voor de Vlaamse culturele sector” noemen. Voor mij niet gelaten. De druk- en papierindustrie moet ook leven. Toch verbaast de wereldvreemdheid van zo’n college me telkens opnieuw.

“Als tijdschrift voor cultuur en kritiek willen we bereiken dat de samenleving meer aandacht krijgt voor de kunsten, en de kunsten meer aandacht voor de samenleving”, zo luidt het in de missietekst. Mooie woorden, maar de confrontatie met echte subcultuur of tegencultuur, de buitenstaanders en niet-deelnemers, wordt nooit aangegaan, het blijft allemaal lekker binnen de tent van kunstenmakers, organisatoren, curatoren, directeurs, journalisten, critici en academici. Op de winkel letten, noem ik dat.

Onder de missionarishouding van de redactie zit dan ook een flinke dosis boboisme, elitaire aanstellerij en intellectuele navelstaarderij, tot op het Narcistische af. Dat komt wel meer voor in de door Joke Schauvliege beheerde sector die nochtans heel lelijke dingen over haar heeft verteld. We denken dan bijvoorbeeld ook aan Courant, het driemaandelijkse tijdschrift van het Vlaams TheaterInstituut, een compleet onleesbaar gewrocht van mensen die zich allemaal enorm belangrijk vinden en echt schijnen te denken dat hun gekraai in de kinderbox de wereld voor de barbarij behoedt. Telkens weer smijt ik het ding gedeprimeerd in de vuilnisemmer.

Cultuurbureaucratie

Uiteraard bloeit er, buiten de officiële en geaccrediteerde “cultuurkritiek” genre rekto:verso, nog een hele flora van tijdschriften, webmagazines en blogs die cultuur veel meer naar de keel grijpen, om de eenvoudige reden dat ze niet in de salons van Joke Schauvliege gesignaleerd worden, niet aan het subsidie-infuus hangen, en ook niet tot de onderhoudsnetwerken van kunstenaars, critici, media en politiek behoren.

Politiek? Jawel. Recto-verso bekent zich onomwonden tot de linkse zuil (ooit waanden we dit laatste begrip gedateerd) en heeft een associatie opgezet met de (ook weer allemaal van overheidssteun levende) mediapartners Apache, MO.be, StampMedia, De Wereld Morgen, en Kifkif. Een herkenbaar rijtje, ik moet daar geen tekening bij maken. Deze zogenaamd progressieve zuil wedt –en dat is een vreemde contradictie- nog het meest op institutionele verankering, overheidssteun en dus ook op een vaste navelstreng met de macht zelf. Een politiek-correct, regimevriendelijk conglomeraat van “linkse” (let op de aanhalingstekens) zeloten die cultuur en kunst graag zien als de emanatie van de maakbare samenleving, met de overheid als dirigent. En uiteraard is het flamingantisme in deze kringen altijd de kop van Jut: Vlaanderen deugt alleen als subsidiepot en melkkoe, de rest is een aangelegenheid van verstokte “zwarten”.

Ach, cultuurkritiek. Het is zoals met cultuur zelf: als de overheid er zich mee gaat bemoeien, verliest ze haar voornaamste bestaansreden, namelijk die van de fameuze luis in de pels. Het dissidente, weerspannige en onaangepaste. Net datgene wat niet te herleiden is tot het gekeuvel binnen de reguliere cultuurbureaucratie.

Het is een discussie die ik al in meerdere debatten heb gevoerd met o.m. mijn achtbare tegenstander Bart Caron, linksdraaiend Groen!-politicus en groot voorstander van een door de overheid beheerde en financieel gecontroleerde cultuursector. Er staat nochtans veel op het spel, de uitdaging is enorm. In mijn column De kunstenaar als huisdier” stelde ik de vraag, of een door het establishment doodgepamperde kunstenaar in onze tijd van grote veranderingen en wendingen nog enige relevantie heeft. De politieke tanker probeert altijd rechtdoor te varen, daarom is betoelaagde cultuur (en cultuurkritiek) iets als een toegelaten pers onder een dictatuur.

Ik geloof dus niet zo in zelfverklaarde kritische media en dito scribenten die helemaal met het systeem vervlochten zijn, en al helemaal niet als het over cultuur gaat. Prijzen blijven daarbij verraderlijke valkuilen: wie deelt ze uit, en waarom? Als een bewijs van goed gedrag en zeden?

Felicitaties en schouderklopjes alom dus, maar niemand voelt alsnog nattigheid. Een uitgebreide feestpolonaise zal de redactie en haar aanhang tot in Amsterdam voeren, meer bepaald het Vlaamse Cultuurcentrum De Brakke Grond, of wat dacht u. Ik wens recto:verso-voorman Wouter Hillaert rond deze onderscheiding nog aangename gevoelens en prettige momenten toe.

Snowden vs Obama, of het vermoeden van de dubbele waarheid.

Members of German Piraten Partei (Pirates party) hold the portraits of U.S. President Obama and Snowden, a former contractor at the National Security Agency (NSA),  during a protest in Berlin's Tiergarten districtZopas nam ik het nog op voor klokkenluider/hacker Edward Snowden, de man die door Obama wordt opgejaagd en nog steeds op zoek is naar asiel na zijn onthullingen over het Amerikaanse Prism-programma en het wereldwijde pottenkijken van de CIA in alle mogelijke privé-communicatie.

Ik schreef het stuk vanuit een snelle, rebelse reflex, maar zonder me te realiseren dat er helemaal aan de overkant ook een waarheid schuilt: namelijk het feit dat er op die manier terroristische aanslagen verijdeld worden. Heu, leve Prism dus?

Vredelievend als we zijn, en in de Belgische logica van het compromis en het water-in-de-wijn, zouden we Snowden en Obama elk “een beetje gelijk” kunnen geven. Maar dat is intellectueel gemakzuchtig en sociaal laf. Veeleer ga ik ervan uit dat ze elk allebei voor het volle pond gelijk hebben, de klokkenluider én de president, terwijl hun visies toch niet naast elkaar overeind kunnen blijven. Twee onverenigbare uitersten, A en niet-A, volgens de Aristoteliaanse logica verboden,- maar toch gelijktijdig opererend in een geldige redenering. Een breinkraker voorwaar. Dan maar gewoon de ontknoping afwachten, en het gelijk toebedelen aan de overwinnaar, wat mensen doorgaans doen, en ook in de natuur geldt als survival of the fittest?

Ook dat is uitermate gemakzuchtig. Laten we eens echt een wereld exploreren waarin A en niet-A beide “waar” zijn, en welke gevolgen dat heeft voor de binnenkant van ons gestel. Zijn we in staat om complexer te leren denken, te leren omgaan met een meerwaardige logica, zonder koud en warm te vermengen tot lauw?

Oorlog en vrede

Het voorbeeld dat ik aanhaal, Snowden versus Obama, gaat nog over politiek, en zou men in de pkoppelolemische sfeer kunnen situeren, met de opmerking dat het begrip waarheid hier niet van tel is, enkel de meningen daarover. In de speltheorie bestaat er inderdaad de kans op een gelijkspel, een “gedeelde waarheid”. Maar in de elementaire fysica, meer bepaald de kwantummechanica, volstaat het primaire denken van de homo sapiens niet meer, en worden we geconfronteerd met deeltjes die op twee plaatsen tegelijk zijn, of met een elektrische stroom die tegelijkertijd naar twee verschillende kanten stroomt. Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg uit het begin van de 20ste eeuw heeft, ondanks zijn naam, het probleem van de onkenbaarheid (iets niet kunnen waarnemen) verlegd naar dat van de echte dubbele werkelijkheid. De natuur zelf lijkt veel complexer dan ons brein kan bevatten, en dus vereenvoudigen we er maar op los.

De twee simpele methodes om onverenigbaarheden uit de wereld te helpen, nl. het compromis (elk de helft) enerzijds, en het conflict als godsoordeel (the winner takes it all) anderzijds, zijn sociaal-evolutionaire oplossingen die geen bevrediging schenken. De oorlog brengt uitkomst, schenkt de waarheid als trofee, maar vereenvoudigt ook fataal: de verliezer “heeft ongelijk” en verdwijnt van het toneel. Zo heeft de homo sapiens het van de Neanderthaler gehaald en de geallieerden van Hitler. Maar de twijfel sluipt, naderhand, het geëlimineerde keert als spook terug. We vermoeden dat er “iets” anders is, een diepere waarheid die innerlijk tegenstrijdig is, en zich altijd opnieuw manifesteert.

Nergens wordt dat bestaan van gelijkwaardige tegenstrijdigheden zo intens beleefd als in de seksualiteit. De man/vrouw-tegenstelling lijkt complementair en “harmonieus”, maar tegelijk herhaalt ze zich ritueel steeds opnieuw, als een gevecht waarin de extremen zich trachten staande te houden. Elk koppel begint aan een hopeloos gevecht tegen de antithese. Seks is nooit af, ze is repetitief en niet-oplossend. Er is de illusie van de vereniging, die stopt met het hoogtepunt. De pornografie beeldt dat karikatuur maar helder uit: altijd begint het spel van lullen en kutten opnieuw, en na elke roes en bevrediging wordt opnieuw de dubbele waarheid vastgesteld en herbegint het paringsritueel van vooraf aan. Het kind, als vrucht, zou men als bezegeling van de eenheid kunnen opvatten… ware het niet dat ook in dat kind, eens volwassen, zijn/haar geslacht zich als een extremiteit manifesteert, een apparaat van de onmogelijke éénwording. En hup, daar gaan we weer..

De liefde als oorlogsspel, en de oorlog als liefdesspel: er zijn tonnen literatuur over geschreven, maar het blijft even dubbelzinnig als de kwantummechanica. De vluchtweg in de dood van Tristan en Isolde, het grote minnepaar, toont juist aan dat de finale roes, de eenmaking, niet eeuwig kan zijn. Beide extremen kunnen hun tegengesteldheid niet opheffen, want dat zou eindigen in een compromis, het huwelijk, de pantoffelsleur van huisje-tuintje-keukentje. Dus blijft er enkel de dubbele zelfmoord over.

Het bipolaire brein (en lichaam)

Noch oorlog, noch vrede, noch conflict, noch verzoening, noch het duel, noch de paring kunnen hermade oertegenstelling doen oplossen, tenzij illusoir, voorlopig. We zullen ermee moeten leren leven, maar hoe?

In de reeds vermelde column, getiteld “Elke gedaanteverandering is een wedergeboorde”, speelde ik met het idee van een meervoudige identiteit en het handhaven van verschillende levens door elkaar, binnen één persoon. Het verklaart waarom iemand niet “consequent” is, en zichzelf zogezegd tegenspreekt. Meer dan als een list en een vorm van sociale mimicry, een kameleonattitude, poneer ik dan de mogelijkheid om een meervoudige en “rijkere” persoonlijkheid te ontwikkelen, oprecht maar complex, hetgeen vandaag nog altijd als pathologisch en eventueel zelfs een bron van criminaliteit (Jekyl & Hyde) wordt beschouwd.

Maar in het geval van Obama en Snowden, en het gelijktijdig “waar zijn” van tegengestelde extremen, lijkt die dubbele identiteit de enige mogelijkheid om met de dubbele waarheid om te gaan. In de middeleeuwse scholastiek behoorde het tot de vaste oefeningen van aanstaande filosofen om twee aan elkaar tegengestelde stellingen beurtelings te verdedigen. Niet alleen retorisch, maar ook existentieel, vanuit een echt “geloof”. Ik zie dat vandaag maar weinig denkers en wetenschappers doen. Enkel de tactische bocht, het van opinie veranderen uit opportunisme, wordt nog beoefend.

Terwijl de traditie van de dialectiek uitgaat van een tegenstrijdigheid in de dingen zelf, niet alleen in de woorden. Te beginnen met de Griekse filosoof Herakleitos en diens veel misbegrepen uitspraak “De oorlog is de vader van alle dingen”. Waar het om gaat is, dat we de tegenstrijdige werkelijkheid tot dubbele waarheid accepteren en daar intern ook virtuoos mee omgaan. Verwar dit vooral niet met relativisme of het democratische idee van “elk zijn waarheid”: het gaat echt over de mogelijkheid om binnen de zgn. paradox te leven, de oorlog als het ware binnen zijn eigen brein te laten afspelen. De grote verdienste van de dialektiek is, dat ze het conflict tussen de extremen terugbrengt naar de plek waar het thuishoort: in ons hoofd. Iedereen is zijn eigen andere, en elke persoonlijkheid biedt plaats voor een ja en een neen, wit en zwart, links en rechts, plus en min. Niet in fusie, maar dynamisch, polair.

De alchemistische figuur van de hermafrodiet, samengesteld uit de oerelementen zwavel en kwik, waaruit de steen der wijsheid ontstaat, is geen Platonisch kristal waarin de tegenstellingen zijn opgeheven, maar het symbool van een actief bipolair brein. Dit brein denkt niet enkelvoudig en klassiek-logisch, maar eerder in een totaal nieuwe syntax van de kwantummechanica. Ik zie het als een hypothese, een vermoeden, meer dan als een dogma of principe.

Het spreekt vanzelf dat deze wording van het bipolaire brein de oude politieke cultuur schaakmat zet, en alle bestaande sociale verhoudingen dooreen schudt. Men zou kinderen moeten leren dat de waarheid dubbel én onrelativeerbaar is, dat “dubbel denken en spreken” geen stoornis is, en dat elke vorm van partijdigheid slechts geldig is als men tegelijk met evenveel overtuiging de andere kant omarmt.

Vandaag wordt dit nog gezien als “verscheurdheid” en “gespletenheid”, of in morele termen zelfs, als leugenachtigheid, maar misschien wordt deze vorm van wijsheid wel een modus vivendi die ons van de ondergang redt. Ik zal dus klokkenluider Snowden blijven verdedigen, en tegelijk ook zijn vervolgers, hoe hachelijk die positie sociaal en intellectueel ook moge zijn.

Dat men deze wijsheid heeft afgebeeld als hermafrodiete man/vrouw-dubbelheid, bevestigt tenslotte het vermoeden dat de seksualiteit altijd al de intuïtieve basis is geweest waarop wij worstelen met de coëxistentie van onoverbrugbare tegengestelden. Als iedereen man en vrouw tegelijk is, wordt de copulatie een permanent intern gebeuren, en wordt denken eindelijk een autonome, lustvolle én gevaarlijke dagtaak. Met dank aan Nietzsche en diens Fröhliche Wissenschaft.