Categorie archief: politiek-incorrect

Het verdriet van links Vlaanderen

Hoe de sp.a het bedje spreidde van de N-VA … en waarom het sociaal-flamingantisme in de goede bedoelingen blijft steken

In de marge van de kleurloze voorzittersstrijd binnen de sp.a, waar Daniël Walraeve het in Doorbraak al over had, mag ook even stil gestaan worden bij het onvermogen van deze partij om ook maar enige voeling te hebben met het Vlaams nationalisme, en al evenmin met de 21e-eeuwse Vlaams-republikeinse variant ervan.

De ‘lange mars door de instellingen’

Links én flamingant, het blijft een moeilijk duo. Uiteraard kadert een en ander in de decennialange demonisering van de Vlaamse Beweging, als zogenaamde restfractie van ons collaboratieverleden, en de ambitie van links om de Vlaming politiek-correct te heropvoeden. Zoiets past enkel in een Belgisch kader, onder de vleugels van de Waalse zusterpartij. Maar nu beiden in de oppositie zijn beland, is dat pedagogisch project opgeschort en moet het echte socialisme naar boven komen. Quod non.

In de voortschrijdende sclerose van deze zogenaamde partij van de kleine man/vrouw bekleedt de generatie van de mei 68’ers, die in de Gentse vrijmetselaarsloges de paarse regering onder Guy Verhofstadt bedisselden, een sleutelpositie. Ter herinnering: het woelige jaar 1968 was het toneel van studentenopstanden overal in Europa, tegen de gevestigde macht, de traditie en allerlei heilige huisjes. Inspraak, contestatie, leut, vrije seks, anti-autoritaire slogans vormden de ingrediënten van wat zichzelf als een revolutie zag, maar dat in werkelijkheid niets meer was dan een tamelijk ludieke machtsaflossing.

Vandaar de welbekende term de lange mars door de instellingen’: de revolutie zou niet verder op straat worden uitgevochten, neen, idealistische voormannen zoals Luc Van den Bossche en Paul Goossens zouden de stropdas aantrekken en doorstoten naar de hoogste posities in de samenleving, om van daaruit grote structurele omwentelingen te forceren. We weten waar ze zijn geëindigd: socialist Luc Van den Bossche bouwde vanaf 1989 een ministercarrière uit, genoot van de macht, werd steeds dikker en rookte steeds duurdere sigaren, ging uitbollen als gedelegeerd bestuurder bij Brussels International Airport Company, daarna Optima (riante ontslagvergoeding inbegrepen), en stuurde ten slotte zijn dochter Freya het veld in.

Het geval Paul Goossens is zo mogelijk nog frappanter: als linkse studentenleider schopte hij het in 1973 tot hoofdredacteur van de (toen nog duidelijk katholieke) Standaard, daarna De Morgen, werd een van de pleitbezorgers van het Belgische establishment en de eurocratie, om dan een rustige oude dag te slijten als Belga-correspondent en hoofdredacteur van de Christen-Democratische Omroep (!).

Familiebedrijf

Ik beschrijf kort het carrièrepad van die twee, omdat het de mentaliteit typeert van wat men het salon- of kaviaarsocialisme is gaan noemen: hoog opgeleide, vlotte en welbespraakte maatpakken die in de sociaaldemocratische retoriek het perfecte vehikel zien om carrière te maken. Enig cynisme is nooit ver weg. In hun zog opereerden intellectueel minder beslagen maar demagogisch des te talentrijkere figuren zoals Patrick Janssens en Robert ‘Steve’ Stevaert, die de afstand met het volk konden verkleinen dankzij marktkramerspraatjes en de welbekende gratispolitiek.

Maar naarmate de lijken uit de kast vielen van die sinterklaaspolitiek, en de marketingtrucs op geraakten, bereikte dat socio-populisme zijn houdbaarheidsdatum. Langzamerhand werd de partij haar eigen karikatuur: een grotesk samenraapsel van machtsgeile satrapen die alleen tijdens de verkiezingen hun achterban herkennen, en die op het ultieme moment altijd weer op het Belgisch establishment terugvallen, waarin de etatistische, collectivistische PS de toon zet.

Het is deze levende karikatuur die voor de Nieuw-Vlaamse Alliantie een centraal strategisch element werd, een pispaal waartegen ze zich eindeloos kon afzetten, en waardoor het woord ‘socialist’ in Vlaanderen bijna een scheldwoord werd. De Vlaamse grondstroom’ was een feit. Kon het Vlaams Blok/Belang nog via het cordon sanitaire van de macht gehouden worden, de N-VA speelde het leper en met meer intellectuele finesse. Ze profileerde zich als fatsoenspartij die het land wilde verlossen van de decadente rode bobo’s. Dat is ook gelukt. Met de verkiezing tot partijvoorzitter in 2011 van Bruno Tobback, zoon van zijn vader, advocaat, alpinist en bezitter van een zeiljacht, was de band tussen de postmoderne roosjes en de oude ’68-generatie zelfs fysiek-biologisch vastgelegd. Een flater van formaat: een socialistische partij die zich profileert als een archaïsch familiebedrijf.

Nu kon de pret bij de N-VA  niet meer op, en kwam ze werkelijk met alles weg. Bart Maddens heeft die analyse al een dozijn keer gemaakt. Met een rechtsliberale receptuur die beweerde sociaal te zijn, en met een Belgisch herstelprogramma dat probleemloos aan de flamingante basis werd verkocht, vrat ze electoraal zowat alles op wat in haar buurt kwam. Met de triomf van 2014 als voorlopig hoogtepunt.

Een Vlaamse Podemos?

De ‘oproep tot progressieve frontvorming’ vanwege Daniël Termont (sp.a) is alleen al daarom totaal ongeloofwaardig en zelfs lachwekkend. De echo vanwege neostalinist Peter Mertens (PVDA+) kan al evenmin ernstig genomen worden. Samen met Groen houdt deze linkerzijde zich angstvallig dicht bij de Belgische constructie en de oude zekerheden.

En zo komt het dat, zelfs in deze tijden van crisis, met een officiëel Vlaams armoedecijfer van 12%, links nauwelijks van de grond raakt. Ik vermoed dat een pak werklozen of mensen van de sociale onderkant heeft gestemd voor de ‘volkspartij’ die nu, tegen het regeringsakkoord in, toch probeert om de werklozensteun in de tijd te beperken. Deze politieke paradox mag op het conto geschreven worden van de verkalkte sp.a en de karikatuur die ze zelf neerzet, maar hoe staat het ondertussen met de sociaal-flamingante beweging die links niét aan de Belgitude koppelt?

Het is zonder meer de achillespees van heel het N-VA-verhaal: de dag dat er een radicaal-Vlaamse en tegelijk ongecomplexeerd linkse Podemos uit de klei schiet, heeft zij een probleem. Een partij die het onafhankelijkheidstreven en een identitair verhaal durft te koppelen aan verregaande hervormingen op gebied van belastingen, solidariteit, energie, bankensector, de houding tegenover Europa, enzovoort.

Maar die beweging komt niet van de grond. Voor een deel heeft dat beslist te maken met de N-VA-controle over het middenveld. Anderzijds tieren navelstaarderij en ideologische inteelt welig binnen die sociaal-flamingante scène: ze zijn vooral met zichzelf bezig. Marginale groupuscules zoals Meervoud (Brusselse ludieke maandbladredactie), Vrijbuiters (anarchistische naturisten, in de Kempen gesignaleerd, soms in Doel), de Vlaams-Socialistische Beweging (nog wereldvreemder, streeft naar een ‘socialistische Vlaamse staat’, hopelijk niet naar Noord-Koreaans model), de Sociaal-Flamingantische Landdag (de naam alleen al) boeren allen op hun vierkante meter, goed bedoeld, meestal in een zeer gezellige sfeer, maar zonder oog voor een overkoepelende politieke actie.

Onderlinge synergie en publieksverbreding zijn onbekende begrippen in deze middens. Initiatieven om de zaak open te trekken en aan frontvorming te werken, het middenveld te veroveren, worden schoorvoetend en met argwaan besnuffeld: het equivalent van de Vlaamse keuterboer,- uitgerekend in de hoek die ideologisch het meeste potentieel heeft om de rechts-liberale hegemonie binnen het Vlaams nationalisme te doorbreken.

Vergeten we ook de Gravensteengroep niet, ooit een ambitieuze poging om het flamingantisme met een vorm van progressief denken te verzoenen, maar geleidelijk aan verwaterd, en nu doodbloedend in een soft-Vlaams-belgicistisch sterfhuis.

In de marge dollen dan nog figuren zoals Nelly Maes, ooit op haar eentje de linker-Volksunievleugel, daarna opgedoken in Spirit – samen met Rossem een van de meest hilarische politieke charades die het naoorlogse Vlaanderen heeft gekend. Over Bert Anciaux zullen we helemaal zedig zwijgen.

Uplace en daarbuiten

Het zou nochtans een mooi project zijn: een radicaal-Vlaams en tegelijk groen-sociaal verhaal, waaruit dan een nieuwe politieke basisbeweging kan groeien. Zonet zijn de plannen voor het megakoopcentrum Uplace door de Vlaamse regering goedgekeurd. Een ideaal aangrijppunt om mensen te mobiliseren tegen de verdere betonnering van Vlaanderen en de teloorgang van de locale economie, dit onder het goedkeurend oog van de partij die zogenaamd de Vlaamse grondstroom vertegenwoordigt. Veeleer een vettige modderstroom lijkt het.

De jonge politicoloog Jonathan Holslag (VUB) heeft daar zopas in een De Morgen-column boeiende dingen over geschreven. Duidelijk iemand van links, bevestigt hij zijn sympathie voor een Vlaams-nationalisme dat gaat voor levenskwaliteit, weefselversterking, duurzaamheid, en, jawel, identitair bewustzijn en collectief zelfvertrouwen. De nieuwe republikeinse waarden dus.

‘Uplace is een strijddossier, een kleine economische Guldensporenslag aan het viaduct van Vilvoorde. Dat we de slag verloren hebben, doet mij vrezen dat we verder dan ooit staan van een zelfbewust Vlaanderen. Het is een zwaktebod, met de steun van een partij die de ambitie van positief nationalisme heeft laten schieten voor schijnnationalisme.’  Zo klinkt het.

Een streng en eerlijk verdict. Maar ook een spoorslag voor een sociaal-groene lente in de Vlaamse Beweging, onder het Franse motto: ‘Plus est en vous’.

Advertenties

Vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden

CharbEren kunnen we de Charlie-Hebdo-cartoonisten pas door ons scherp te houden en zelf aan de politiek-correcte dictatuur te weerstaan.

Toen filmmaker Theo Van Gogh in 2004 door een moslimfanaticus werd vermoord, stond heel de weldenkende samenleving op stelten. Even snel spoelde de verontwaardiging weer weg met de waan van de dag. Bij mij is dat feit blijven nazinderen en heeft het mijn kijk op democratie en vrijemeningsuiting grondig dooreen geschud. Is vrijheid wel vrijblijvend, iets dat we onbeperkt en kwistig kunnen consumeren zoals de Mei ’68-golf dat voorhield, of is ze met risico’s verbonden en hangt er een prijskaartje aan? En.. is het misschien juist dat wat die vrijheid waardevol maakt en inhoud geeft?

Wolinski en de kont van zijn echtgenote

De executie van vier Charlie Hebdo-cartoonisten, redactieleden en nog acht andere mensen die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren, stelt deze discussie opnieuw op scherp. Ongetwijfeld waren Cabu, Charb en Wolinski iconen van gedurfde journalistiek en compromisloos parler-vrai. Maar net daardoor waren ze ook provocateurs en tastten ze bewust en gewild de grenzen af van het politiek-correcte. Hun Mohammed-spotprenten waren niet zomaar ludieke bedenksels: het ging om zware risico-operaties in een politiek en sociocultureel klimaat waar zwijgen en wolligheid steeds meer de norm waren, en het katholieke pudeur van weleer vervangen was door de nog meer benepen dwang om vooral niet op zere (moslim)tenen te trappen. Het was dus vloeken in een maatschappij die door chantage werd en wordt gedomineerd, ondanks alle praatjes over democratie en vrijemeningsuiting.

Alleen in de kleutertuin is de vrijheid gratis en mogen de kinderen met kak op de muren schilderen. Daarbuiten moet ze afgedwongen, heroverd worden, steeds weer, door slechte karakters die er op een of andere manier genoegen in vinden (anders blijf je dat niet doen) om te vloeken in de kerk en de overtreding van het fatsoen tot norm stellen, hopend dat hun signaal niet verloren gaat in het genoeglijk ruis van het ‘publiek debat’ en de futiele meningendemocratie. Dus moet er met scherp geschoten worden en wordt men zelf ook een schietschijf.

Het is uiteraard veelbetekenend dat die strijd van de enkeling tegen de pensée unique focust op de islam, als totalitaire censuur-ideologie die zich in onze multiculturele zeepbel heeft genesteld. Cynisch zou men kunnen stellen dat Charlie Charlie niet zou geweest zijn zonder het moslimfanatisme, en dat hun pen misschien wel tekenen van roest zou vertoond hebben. Door tegenkracht worden pennen scherp en komt ook echte, compromisloze kwaliteit boven drijven.

Er loopt zo een lijn vanuit de Duivelsverzen (1988) van Salman Rushdie (vogelvrij verklaard  door de moslimwereld), Van Goghs film Submission (een titel die Michel Houellebecq nogal vlotjes overneemt in zijn nieuwste roman Soumission) van 2004, de eerste Mohammed-spotprenten van 2005 in de Deense krant Jyllands-Posten, tot aan de serie cartoons die de Charlie Hebdo-tekenaars uit hun mouw schudden.

Intellectuele gave, talent, maatschappelijk engagement en individueel temperament gaan hier hand in hand. Want bij elk van deze gevallen gaat het om mensen die existentieel op het punt van een soort doodsverachting gekomen waren: het opzoeken van de gevarenzone en het zoeken van de confrontatie, ook als persoonlijke opwinding en kick van het koorddansen zonder valnet. Dat wat de filosoof Friedrich Nietzsche ‘gefährlich leben’ noemde, en wat bij Martin Heidegger het ‘Sein zum Tode’ werd.

In die zin moeten ze als helden beschouwd worden, in de klassieke betekenis van het woord: individuen die het volle leven willen beamen, voor het maximum gaan (Sartre: ‘Soyons raisonnables, demandons l’impossible’), en op die manier hun dood tegemoet lopen.

Dat vereist een dosis straffe humor die nodig is om als cartoonist te functioneren, maar die zich ook in het gewon leven doorzet. Georges Wolinsky, een van de vermoorde Charlie-tekenaars, bedankte voor het Légion d’honneur dat de overheid hem wou toekennen (wat is immers de waarde van een door het bestel gelauwerde spotprenttekenaar?), maar anticipeerde ook op zijn dood met de grap die er uiteindelijk geen was: Ik heb tegen mijn vrouw gezegd dat ze de as in het toilet moet gooien. Zodat ik voor altijd haar billen kan zien.’

Wolinsky kreeg dus wat hij verdiende en verwierf het grootste ereteken: eeuwig uitzicht op de kont van zijn echtgenote. Het paradijsperspectief van de agnost.

Het is een beeld van de intellectueel zoals we dat vandaag haast niet meer kennen: een zelfmoordcommando, een ontdekkingsreiziger in het gevaarlijke, met mijnen bezaaide rijk van de vrijheid waar elk gebaar, elk woord het laatste kan zijn. En waarvan de humor niet alleen de retorische techniek uitmaakt, maar ook de conditie waarmee men zich vrolijk en gracieus doorheen dat mijnenveld beweegt. Humor als techniek én levenskunst. Tot de kalasjnikovs de grap tot zijn pointe voeren.

Ondertussen bij de media

En dan is er natuurlijk het gejammer en de borstklopperij van de journalistieke kaste. We zijn allemaal Charlie Hebdo’, toeteren Yves Desmet (De Morgen) en Karel Verhoeven (De Standaard) eendrachtig.

Elke pennenlikker, elke inktkoelie wil zich nu even snel identificeren met de gevierde en betreurde helden uit Parijs. Maar het komt op mij over als de Witte Brigade die bij ons enorm aanzwol toen de Duitsers verslagen waren. Het zijn hoger vernoemde en andere Vlaamse reguliere media, en niet te vergeten uiteraard de VRT, die zich altijd in het lauwe politiek-correcte sop hebben bewogen waar Wolinski en gezellen zich zo tegen afzetten.

Nooit werden de dingen benoemd, nooit werd het hard gespeeld, nooit voelde je ook maar in de geringste mate het intellectuele avonturierschap zoals hierboven beschreven. Zorgvuldig bewaakten en bewaken zij de politiek-correcte mainstream waarin wel het moslimterrorisme wordt veroordeeld, maar waar men nooit tot een duiding overgaat van de ideologische impact an sich. Nooit worden man en paard genoemd of wordt er een analyse ten gronde gemaakt van deze kloof tussen Europees Verlichtingsdenken en sluipend totalitarisme dat in naam van de multicultuur om zich heen grijpt. Zeer snel vervalt men weer in het slachtofferverhaal van de kansarme allochtoon die naar het geweer grijpt omdat hij niets om handen heeft.

Heel het Belgisch/Vlaamse mediawereldje mag overigens op beide oren slapen: weinig waarschijnlijk dat Yves Desmet, Bart Brinckman, Bart Sturtewagen of, godbetert, Peter Vandermeersch bezoek zouden krijgen een gewapende moslimbrigade. Brave seuten zijn het, die telkens warm en koud blazen als het over heikele punten als de islam en de democratie gaat. De Vlaamse pers sterft niet door de kogel, ze gaat dood aan saaiheid en wolligheid.

In dat opzicht klinken de hommages en de grote verklaringen ongelooflijk vals. Voor zover ik kon nagaan durfde niet één Vlaamse krant het aan om een van die straffe Mohammed-cartoons, die de inzet vormden van heel de massacre in Parijs, op haar voorpagina af te drukken. De Standaard toont zich weer van haar verzoenende kant: de krant drukt op haar voorpagina van eergisteren een tekening af waarin een moslim en een Charlie-cartoonist elkaar een tongkus geven. Dat was de reactie van het magazine zelf na de mislukte aanslag in 2011. Door deze parodie op de meligheid nu te afficheren als een soort aanbieden van de andere wang, tonen de Standaard-editorialisten dat ze de Charlie-humor eigenlijk niet snappen, maar proberen ze ook heel de maatschappelijke tegenstelling en het idee van een te-heroveren-vrijheid, te depolariseren tot een belachelijk gezelligheidstafereel, dat ik niet aarzel als een geval van dhimmitude te betitelen, onderwerpingsgedrag. Make love, not war, ook na Parijs 7/1. Schrik en door de marketinglogica geïnspireerd zekerheidsdenken spreekt uit die halfslachtigheid.

Niet dat dit een monopolie is van de Vlaams/Belgische pers. Associated Press, het grootste persbureau ter wereld, verwijdert alle Charlie Hebdo-covers waarop de profeet Mohammed is afgebeeld. Andere media, zoals New York Daily News en The Daily Telegraph, kiezen voor het blurren van de afbeeldingen. Lafheid troef.

Fundamenteler nog moet men zich vragen stellen bij de gesloten manier hoe die redacties met vrijemeningsuiting omgaan, en hoe de sluipende (zelf)censuur hun status van zogenaamde waakhond van de democratie helemaal heeft uitgehold. Ik haalde enkele weken geleden al aan hoe De Standaard systematisch opiniestukken weigert die niet passen in het politiek-correcte straatje. Er bestaat ondertussen al een kransje van uitverkoren refusés, waartoe ondergetekende zich mag rekenen, dat misschien teveel de Charlie-attitude genegen is en te weinig de Vlaams/Belgische compromisgedachte. Meer en meer versmalt de democratie tot een consensusdemocratie die in feite een omfloerste dictatuur is, omhangen met meningen die niemand verontrusten.

Zo worden deze media medeplichtig aan het smoren van wat ze vandaag met veel poeha beweren te verdedigen. Denk vooral niet dat de dood van de vier cartoonisten deze politiek-correcte waan zal doorbreken. Integendeel, nu al lees ik commentaren in diezelfde kranten dat men zich vooral moet hoeden om te ‘polariseren’, dat ‘achterstelling en uitsluiting de oorzaak zijn’ (Karel Verhoeven, De Standaard 8 januari 2014), dus niet de islam-ideologie zelf die niet-moslims als een lagere diersoort beschouwt, en dat we vooral ‘verbondenheid en warmte’ moeten zoeken (Yves Desmet, De Morgen 8 januari 2014).

Oorlog en vrede

Sorry, maar met deze pastoorspraat komen we er niet. ‘L’amour plus fort que la haine’, ga dat maar eens preken in de middens waar de grote islamitische wereldrevolutie wordt voorbereid, in de Islamitische Staat, maar ook in onze door de overheid gefinancierde én door imams uit Saudi-Arabië beheerde moskeeën.

Scherpe pennen gevraagd dus. Waarbij het dan nog de kwestie is, of pennen zullen blijven volstaan wanneer de Kalasjnikovs knallen. Want laten we wel wezen: het begin van de 21ste eeuw zal door historici ooit aangeduid worden als het ontbrandingsmoment van een derde wereldoorlog. Een oorlog zonder loopgraven zoals de eerste die had, en zelfs zonder duidelijke militaire logica of tactiek zoals de tweede die nog bezigde. Daarom bakken de VS er ook niets van in Irak of Afghanistan: militair leven ze nog in de vorige eeuw. De oorlog die we vandaag meemaken is een Totalkrieg zonder onderscheid van krijgspersoneel of burgers. Iedereen kan slachtoffer zijn, het gevaar loert overal. Via de islamreligie als ideologische munitie wordt onze Westerse cultuur met de grootste uitdaging uit haar geschiedenis geconfronteerd. Neutraliteit of ontkenningsattitudes vormen niet langer een optie. Iedereen is gedoemd om kleur te bekennen. Beweren dat er geen probleem is, is partij kiezen voor de agressor en de weerstand proberen te breken.

Dat geeft een bepaalde opluchting, eindelijk trekt de mist op. Na de bloemen en de kransen, de krokodillentranen en de hulderedes, de papieren heiligverklaringen en het mediagedaas, moeten we hopen dat de dood van Cabu, Charb en Wolinski een schokreactie zal veroorzaken en mensen zal wakker schudden. Vooral met het oog op een mondigwording, een kritisch zelfbewustzijn dat zich niet meer door de overheid of de media laat betuttelen of politiek-correct reguleren. De scherpe kantjes moeten er niet af, ze moeten net aangescherpt worden. Laat liefde zegevieren, inderdaad: liefde voor de vrijheid en liefde voor het leven, zodanig dat de doodsangst de levenslust niet langer bederft.

De vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden, zoals de vrede zelf. En laat ons dat wel een oorlog waard zijn.

Een Porsche met twee nummerplaten

Waarom de N-VA een postmoderne dichter tot woordvoerder aanstelde

Men herinnert zich nog de TV-beelden van begin oktober, waarin N-VA-voorzitter Bart De Wever werd opgehaald door een bizar personage dat een Porsche bestuurde met twee verschillende nummerplaten. De achterste plaat, die normaal geflitst wordt, bleek iemand anders toe te behoren (is dat vrouwtje dat alle boetes in haar bus kreeg, trouwens al vergoed, zoals nadien beloofd werd?). Bovendien griste de chauffeur doodbedaard een briefje voor fout parkeren van onder zijn ruitenwissers en verscheurde het voor de camera’s. Het bleek achteraf te gaan om ene Joy Donné, die nu zowaar kabinetschef is van Jam Jambon op Binnenlandse Zaken.

Flou artistique

Er werd verder weinig aandacht aan besteed, al vond men het een atypisch gedrag voor iemand van een deftige Vlaams-nationalistische partij die zich ethisch vrij rigoureus opstelt, en ergerden sommige militanten zich op de sociale media aan het hoge apparatsjikgehalte van dit gebeuren: alsof functionarissen van een regeringspartij boven de wet verheven zijn.

Maar een recent interview in de Morgen van 22 november j.l.  met dichter en ex-pornoacteur Dirk Van Bastelaere, nu kersvers woordvoerder van de N-VA-kamerfractie, brengt alles in een breder verband en kadert hoger vernoemd voorval in een groter verhaal van restyling, binnen een partij die ondertussen de Belgische politiek is gaan domineren zoals voordien enkel de oude CVP dat kon in de jaren ’60 en ’70 van vorige eeuw.

Van Bastelaere out zich in dat vraaggesprek als separatist én rechtsliberaal. Terecht stelde Erik Spinoy, een van zijn oude kunstbroeders, in een reactie dat ‘het interview leest als een catalogus van clichés uit het N-VA-discours’. Dat klopt en is op zich ook helemaal geen probleem: een woordvoerder wordt nu eenmaal geacht om partijstandpunten weer te geven.

Vlaams Parlementslid Bart Caron (Groen!) maakt zich in een andere repliek dan weer vrolijk over het kerncitaat én de kop van het interview: ‘In een onafhankelijk Vlaanderen zou ik Groen stemmen’. Jazeker, wanneer Pasen op een maandag valt. Want aan het tempo dat de N-VA nu bezig is, haalt België moeiteloos het jaar 3000. Waarbij Caron nog fijntjes opmerkt dat Van Bastelaere, pleitbezorger van een minimale staat en dus tegen subsidies, als dichter toch maar mooi mee heeft geprofiteerd van die cultuursubsidies, tot hij die dus als partijwoordvoerder niet meer nodig had

De clou is echter beide critici, denk ik, ontgaan,- namelijk het feit dat Dirk Van Bastelaere demonstreert hoe een politiek discours zich van een flou artistique kan bedienen, waardoor ongerijmdheden met het grootste gemak onder de waterlijn passeren. Dat is nuttig, zeker voor een brede volkspartij als de N-VA die zoveel tendensen moet samenhouden. Vooral deze volzin springt eruit en is een verdere analyse waard. Op de opmerking van de journalist dat de N-VA toch voor een conservatief maatschappijbeeld gaat, antwoordt Van Bastelaere:

‘Toch vind ik dat N-VA een progressief verhaal heeft. De N-VA is een revolutionaire partij, omdat ze probeert het Belgische systeem op te heffen, langs de weg der geleidelijkheid. Dat is een aantrekkelijke want haalbare utopie.’

Nu staan dichters niet bekend voor het hanteren van éénduidige begrippen, maar hier passeren in één zin toch wel twee knallers van paradoxen. Want ofwel ben je revolutionair ofwel ga je voor geleidelijke verandering. En ofwel is iets utopisch, ofwel is het realistisch en haalbaar. En je bent ofwel conservatief ofwel progressief.

Voor simpele lui als u en ik, maar niet voor dichter Dirk Van Bastelaere. Merk op dat hij binnen deze ene volzin zowat alle grand écarts demonstreert die het discours van zijn partij kenmerken, namelijk deze tussen verandering (het woord waar zijn partij zowat het eigendomsrecht heeft afgedwongen) en stabiliteit (iets wat vele N-VA-kiezers nastreven), en anderzijds tussen het autonomistisch-Vlaamse (punt 1 van de partijstatuten!) en het reformistisch-confederale spoor.

Tot hiertoe werden die spreidstanden met vallen en opstaan uitgeoefend door de steeds strammer wordende Jan Jambon, Ben Weyts, en andere Peter De Roovers. Maar je hoorde op de duur de spieren kraken: dit viel discursief niet meer te verdedigen. Zopas nog orakelde Jan Jambon in een toespraak voor het KVHV dat de post van Belgisch vicepremier hem existentiële hoofdpijn opleverde en dat de blauwdruk voor een nieuwe, grondige staatshervorming in geheime kluizen klaar lag,- maar de dag nadien werd dat alweer gerelativeerd als ‘pure beeldspraak’. Hier is een volwaardig taalkunstenaar van doen, geen amateur. En zo werd er geheadhunt in het land der letteren. Met het gekende resultaat.

Mossel én vis

Het is dus niet niét zo dat, zoals Van Bastelaere beweert, de kunstenaar en de partijwoordvoerder via watersdichte tussenschotten hier los van elkaar zouden functioneren. (‘In mijn hoofd loopt er een duidelijke lijn tussen mijn oeuvre als kunstenaar, en mijn werk daarnaast. Ik zou mijn literatuur nooit voor een politieke kar willen spannen.’)

Integendeel: het interview toont net aan dat de bipolariteit, eigen aan het N-VA-discours, wordt gegenereerd vanuit een literair-dichterlijke vrijheid. Tegensprakelijke poëzie bekritiseer je niet, het is wat het is. Waardoor conservatief en progressief, revolutionair en geleidelijk, utopie en realiteit, moeiteloos met elkaar inwisselbaar zijn. De CVP-semantiek, maar dan veel radicaler én flamboyanter. Was het bij de wankelmoedige tsjeven noch mossel, noch vis, dan is het nu mossel én vis.

Dat is meteen het antwoord op de vraag waarom de N-VA-fractie de toch wel belangrijke functie van woordvoerder aan deze springerige poëet toebedeelde, en niet aan een ernstige ideoloog, al dan niet met een flamingante stamboom: we moeten het allemaal niet zo serieus nemen. Hoezo? Daartoe moeten we even het groot uithangbord bekijken waaronder Dirk Van Bastelaere zijn poëzie publiceert: het postmodernisme. Ik beperk me tot de definitie van dat woord, zoals het  in zijn bio zelf omschreven wordt:

‘Van Bastelaere’s poëzie is ironisch-afstandelijk en kenmerkend voor de generatie jonge Vlaamse dichters met hun sceptische houding ten aanzien van een wereld waar zij geen zin of samenhang in kunnen ontdekken. Alle zekerheden ontbreken en de werkelijkheid is fragmentarisch en absurd. Schrijven over die werkelijkheid is een spel en het gedicht is dan ook een spel: een autonome tekst met meerdere betekenissen.’

Een autonome tekst dus, met meerdere betekenissen. Fragmentarisch en absurd. Alles is een spel en alle combinaties zijn geoorloofd. Plezier verzekerd bij de publieke uitspraken van de nieuwe fractiewoordvoerder. En nu herinneren we ons opeens terug de chauffeur met de twee nummerplaten. Ik weet niet met welke wagen Dirk Van Bastelaere rondtoert, maar heel dat verhaal van de dubbelzinnige dandy Joy Donné lijkt hem op het lijf geschreven. De N-VA rijdt inderdaad met twee nummerplaten rond, en komt daar op miraculeuze manier ook mee weg, dankzij een samenspel van winnersgeluk en perfecte controle op de publieke perceptie.

De spontane (?) reactie van Bart De Wever, toen de man met de Porsche hem afhaalde, ‘Ceci n’est pas ma voiture!’, lijkt dan ook een parafrase van het welbekende Magritte-doek: ‘Ceci n’est pas une pipe.’ Zoals het surrealisme het slecht werkende, kromme België in de 20ste eeuw artistiek moest legitimeren, zo schraagt de ondraaglijke lichtheid van het postmodernisme de partij die Vlaanderen en België rijp maakt voor de 21ste eeuw.

Het zijn de blitse Porsche-dichters die de N-VA-nieuwe stijl retorisch moeten inkleden,- een stijl die uiteindelijk een nieuw semantisch en ideologisch kader moet opleveren, waarbinnen geen plaats meer is voor het essentialisme van de oude Vlaamse beweging, die om die reden ook door Bart De Wever himself opzij werd gezet. Hip cynisme, vrolijke Gleichgültigkeit, sofistische acrobatie en probleemloze inconsequentie zullen de toon zetten.

Deze stijlovergang loopt perfect synchroon met een andere shift: de overgang van het klassieke strategisch denken waar de N-VA zo om geroemd werd (lijn het doel af en bepaal het juiste middel) naar een fragmentarische en absurde status-quo-strategie (iedereen zo lang mogelijk aan de praat houden).

Op maandag, woensdag en vrijdag is de N-VA voor een rechtsliberaal België, op dinsdag en donderdag is ze Vlaams-nationalistisch en sociaal, op zaterdag en zondag combineert ze met succes dat alles tegelijk, zo tegen de hoogmis van elf uur genaamd ‘De Zevende Dag’. De Vlaming staat erbij en kijkt ernaar.

In één ding heeft Dirk Van Bastelaere ondubbelzinnig gelijk: een rondje doordeweeks N-VA-bashen, zoals de cultuursector pleegt te doen, zal niet volstaan om deze partij in verlegenheid te brengen.

Volgehouden kritische lectuur van de teksten zal nodig zijn, het discours publiek confronteren met zijn ongerijmdheden. Samen met het presenteren van een echt alternatief voor deze Thatcheriaanse versie van het nationalisme. Want dat alternatief is er natuurlijk wél.

De progressief-sociale republikeinen weten meteen waar beginnen

Kiezen tussen Electrabel of het éénpansgerecht

Meer éénpansgerechten klaarmaken, de koelkast snel dicht doen liefst zonder uw neus ertussen, een spons in de brievenbus steken – ik lach niet -: het zijn maar een paar van de vele aanbevelingen die ons worden gedaan om een black-out, zijnde een afschakeling van de elektriciteitsvoorziening de komende winter, te vermijden. De Nederlanders, nooit te beroerd voor een Belgenmop, zijn alvast begonnen met een inzamelingsactie van wokpannen voor hun zuiderburen onder het motto ‘Niet mokken, lekker wokken’.

Toch is enig mokken hier op zijn plaats. De manier hoe het beleid van de laatste decennia België op energievlak tot de status van ontwikkelingsland degradeerde, is zonder meer tekenend voor het amateurisme en de laissez faire-mentaliteit van dit regime, waar politieke overleving alle andere agenda’s overschaduwt.
Er werd wel een kernuitstap voorzien, maar geen technisch becijferde energiewende zoals Duitsland dat met succes doet. Na een paar defecten in verouderde kerncentrales was het duidelijk dat het licht (en al de rest) deze winter zou uitgaan. En zal er die dag ook geen enkele trein rijden, lees ik nu net, dit keer niet omwille van een staking maar gewoon wegens geen stroom in de seinhuizen. No train today, this must be Belgium.
Laten we echter ook niet vergeten wat voor een boeltje de Vlaamse regering er op energievlak van maakte, via het gesol met de fameuze groenestroomcertificaten (GSC’s). Hoe zat dat ook weer? Bezitters van zonnepanelen creëren via hun opbrengst groenestroomcertificaten, die ze voor een vast bedrag kunnen verkopen aan hun netbeheerder. Die kan daarmee bewijzen dat een deel van zijn stroom ‘groen’ is, want er moet een Europees quotum gehaald worden. Maar daar schuilt een adder: door het succesverhaal van de zonnepanelen kwamen er zoveel GSC’s op de markt dat hun waarde daalde, terwijl de netbeheerder ze toch aan een door de overheid vastgestelde prijs moest afnemen van de paneeleigenaars.
Resultaat: de distributeurs maakten verlies (voor een totaal van ca. 1,7 miljard euro), dat ze nu mogen compenseren via een forse verhoging ten belope van zomaar eventjes 35% vanaf 1 januari 2015. Voor alle duidelijkheid: dit is een verhaal dat zich compleet op het Vlaamse niveau afspeelt. Wat we zelf doen, doen we beter, zeg dat wel.

Freyataks

En dan begint het spelletje zwartepieten. Wie is er verantwoordelijk voor deze ontsporing, waardoor vooral armere gezinnen in Vlaanderen, zonder zonnepanelen dus, zullen opdraaien voor de subsidies aan de panelen-bezittende middenklasse? Men kan burgers moeilijk met de vinger wijzen wanneer ze gewoon gebruik willen maken van overheidstoelagen. Temeer omdat bij velen van hen naast het rendement toch een ecologische motivatie speelde.

Terecht stelt PvdA-energiespecialist Tom De Meester in een DS-opiniestuk dat vooral de industriële exploitatie het systeem onbetaalbaar maakte. Het voorbeeld van de Antwerpse Katoennatie is kenschetsend: havenbaron Fernand Huts liet in 2011 tientallen hectaren havenloodsen vol zonnepanelen leggen. Ze leveren hem jaar na jaar 13,4 miljoen subsidies op.
In totaal krijgen zo 3.386 grootschalige zonnepanelenparken elk jaar 231 miljoen euro subsidie cadeau van de Vlaamse overheid. En dat nog twintig jaar lang. Het was hen niet te doen om het milieu maar om het pure rendement. Zelfs grote varkenskwekers hadden ontdekt dat ze hun laarzen mochten uitdoen, eventuele illegale wietplantages konden opdoeken, en slapend rijk konden worden door hun stallen met zonnepanelen te bedekken. Het is dan ook een typisch Vlaams fenomeen: in Wallonië is de subsidiestroom naar grootproducenten te verwaarlozen en worden voornamelijk residentiële installaties betoelaagd, wat ook de bedoeling van het systeem is. Maar hoe is het in Vlaanderen anders gelopen?

Hier komen ontegenzeggelijk de Vlaamse socialisten in beeld. Onze GSC’s zijn indertijd ingevoerd door Steve Stevaert, de man van de gratis-politiek en de niet kloppende rekeningen. Maar ook toenmalig bestuurder bij Interelectra, dus ook al een electricien. Freya Van den Bossche mocht het systeem verder gaan verkopen. Achter de schermen echter was vooral Johan Vande Lanotte de drijvende kracht, voormalig Minister van Noordzee én directeur van Electrawinds, het bedrijf dat met zijn off-shore windmolenparken gretig mee profiteerde van de groenestroomsubsidies (zie ook ‘De Keizer van Oostende’ een boek van VRT onderzoeksjournalisten Wim Van den Eynde en Luc Pauwels). Daarom moesten dus de grootproducenten van groene stroom mee in het Vlaamse certificatensysteem worden betrokken: heel het systeem was op hun maat gemaakt. Vande Lanotte was uiteindelijk de federale minister die de elektriciteitsprijzen tijdelijk bevroor om zo het fatale effect van de GSC’s te maskeren. Tot de aap uit de mouw kwam.
Grappig detail: na het dreigend failliet, door de afbouw van het GSC-systeem, werd Electrawinds ontmanteld en de winstgevende activiteiten verkocht aan … de Waalse intercommunale Tecteo waarin de PS de plak zwaait. Het kan verkeren. Eerlijkheidshalve dient ook gezegd dat de Vlaamse coalitiepartners (CD&V, Open-VLD, nadien ook N-VA) de socialisten met hun belangenvermenging en zelfbedieningswinkel voluit lieten begaan, wellicht in het stille besef dat zij de politieke rekening vroeg of laat zouden gepresenteerd krijgen. Wat vandaag dus ook gebeurt, getuige daarvan de ingeburgerde term ‘Freyataks’ als het gaat over de verhoogde electriciteitsfactuur.

Quid Vlaams Energiebedrijf?

In een Knack-column lijst Jean-Marie De Decker de aspecten van heel het Vlaamse groenestroommisbaksel nog eens op, in zijn gekende kleurrijke stijl. De aversie tegen zijn stadsgenoot en oervijand Johan Vande Lanotte stoomt uit de tekst, net als zijn grote liefde voor kerncentrales. De populistische inslag van De Deckers schotschrift valt niet te onderschatten: heel het verhaal van duurzame energie heeft, dankzij de politieke mismeestering, een enorme knauw gekregen. De Vlamingen zonder zonnepanelen zijn kwaad op hun buren mét, die zelf met de schrik zitten dat de overheid vroeg of laat de subsidieverbintenis zal opzeggen (dat is de volgende stap), terwijl heel de markt voor alternatieve energiewinning in Vlaanderen op apegapen ligt.
De kernlobby en Electrabel zijn de lachende derde in het zwartepietendispuut. De manier hoe de Vlamingen, en in de eerste plaats de SP.a, het groene dossier politiek verkloot hebben, zal Gaz de France/Suez tot grote tevredenheid stemmen. Zeker na de winter en de nodige éénpansgerechten zal het publiek draagvlak voor kernenergie vele malen groter worden.
En dat is een ongezonde dynamiek. De Fukushima-catastrofe van maart 2011 heeft ons geleerd dat nucleaire energie een enorm risico van onomkeerbare vervuiling teweeg brengt. Terwijl Duitsland op schema zit om tegen 2050 90 tot 100% van zijn energie duurzaam te produceren (Zweden zit nu al aan 50%), bengelt België met zijn 6,8% helemaal onderaan de Europese lijst. Ondanks de Vlaamse varkensboeren, de natiebazen en de keizer van Oostende. De groene stroom is bij ons kostelijke folklore. De nucleaire lobby komt versterkt uit dit verhaal.

Het contrasteert enorm met de windstilte rond het Vlaams Energiebedrijf dat ooit onder impuls van de N-VA werd opgericht. De bestuursmandaten werden partijpolitiek netjes ingevuld. Maar meer dan wat folders uitdelen rond energiebesparing en zorgen dat de verwarming niet te hoog staat in de overheidsgebouwen, doet deze instelling niet, terwijl ze ooit werd aangekondigd als het fundament van ‘een Vlaamse Electrabel’. Misschien deze ambitie eens terug opnemen: een overheid die investeert en participeert in een groots project rond (duurzame) energiewinning, vanuit de filosofie dat energie een noodzakelijke dienstverlening uitmaakt zoals het openbaar vervoer, watervoorziening en afvalbeheer, en geen banaal marktproduct is. Heel het groenestroom-gegeven zou van daaruit moeten verder geactiveerd en gestuurd worden.

Maar die visie druist dan weer helemaal in tegen de rechtsliberale ideologie van de Vlaamse én de federale regering, die wil dat alles aan de privé-sector moet worden overgelaten. De wind zal dus meer dan ooit uit Parijs komen. Meer bepaald vanuit een groep die voor 33 % door de Franse staat wordt gecontroleerd.

Mijn laatste 11 juli speech

Vandaag, Vlaamse feestdag, is misschien een goede gelegenheid om nog eens op te frissen waarom ik Vlaams-republikein ben,- een term die ik verkies boven flamingant of Vlaams-nationalist.

Oppervlakkig zou men het als een familiale aangelegenheid kunnen zien: ik kom inderdaad uit een”zwart nest”. Mijn grootvader stond in de frontbeweging tijdens W.O. I en kreeg achteraf een paar maanden bak wegens “onvaderlandse activiteiten”. Nota bene als oorlogsinvalide, de sfeer was meteen gezet. Mijn vader vertrok op 17-jarige leeftijd naar het Oostfront en keerde behouden terug, althans fysiek, want het gezin dat hij achteraf stichtte beschouwde hij als een soort derde rijkje in zakformaat. Mijn moeder en zussen kropen bij elkaar, ik stond als enige en oudste zoon vooral in de hoek waar de klappen vielen: een man moest en zou deze langharige boekenwurm en operafanaat worden.

Soit, niet getreurd, aan de univ bloeide ik open. Ik had me als vrijzinnige en atheïst aan de VUB ingeschreven. Kon ik vermoeden dat ze me finaal zouden beletten om een (reeds uitgeschreven) doctoraat te verdedigen, omdat ze er achter waren gekomen dat ik uit een “foute” familie kwam. Vrije Universiteit dus. Vooral de lessen van de existentialistische filosoof Leopold Flam konden begeesteren en legden onverwachts een “fond” voor een politiek inzicht dat mijn verder leven zou bepalen: een liefde voor het Verlichtingsdenken en de republikeinse idealen van de 18de eeuwse denkers.
De vorm van de “Res Publica”, zijnde een vrije maar ook solidaire burgergemeenschap, gebaseerd op een evenwicht tussen rechten en plichten, wordt in hoge mate bepaald door een culturele verbondenheid, die tevens over taal gaat. De vrijdenker en rebel J.J. Rousseau wees erop dat deelname aan de democratie onmogelijk is zonder “dezelfde taal te spreken”. Het is een voorwaarde voor onenigheid. In de Babylonische verwarring is er geen debat, alleen chaos.
Toegepast op de Belgische situatie, betekent dit dat er in dit land geen democratie van de onenigheid mogelijk is, alleen een consensusdemocratie die, paradoxaal genoeg, van het ene misverstand in het andere sukkelt. De monarchie is als het ware de groteske bezegeling van die permanente degradatie die elk politiek debat bij voorbaat verkruimelt tot een koehandel in naam van het fameuze compromis.
Daarenboven is het francofoon taalimperialisme, waardoor de taalgrens al sinds dag 1 van de monarchie naar het Noorden schuift, tot op vandaag (hoor zonet Maingain zeggen dat een nieuwe uitbreiding van Brussel “onvermijdelijk” is ), een sluipend gif dat maar niet wijkt, en vrijwel alle politieke energie naar zich toezuigt. Altijd maar weer, van staatshervorming naar staatshervorming. Van bevoegdheidspakketten naar bevoegdheidspakketten, van grenscorrecties naar grenscorrecties.
Dus neen, België is een 19de eeuwse rem op een 21ste eeuwse dynamiek, waarin jonge, relatief kleine republieken het voortouw nemen, tegen de EU-moloch. Vlaanderen moet, kan daarin zijn plaats zoeken. Niet als xenofoob/ingedommeld bananenrepubliekje, maar als zelfbewuste cultuurnatie met –ook heel belangrijk- een hoge graad van sociale rechtvaardigheid en ontwikkelingsdenken. Estland en Letland zijn, meer zelfs nog dan Catalonië, het model. Het donkerblauwe elk-voor-zich-flamingantisme is mijn ding niet.

Dat brengt me op mijn doortocht bij het Vlaams Belang, waar ik toch ook iets over wil zeggen. Uit afkeer van het “cordon sanitaire” en het begeleidende “cordon médiatique”, die ik een aanfluiting vond en vind van elke democratisch principe, heb ik een zekere sympathie voor die partij opgevat. Temeer omdat ze me de enige partij leek die iets van een radicaal-republikeins potentiaal in zich had, midden een amalgaam van Belgicistische en of kleinburgerlijk/conservatieve kiesverenigingen.
Als copywriter schreef ik de teksten voor Valkeniers en nadien Annemans (bezoldigd uiteraard, ik betaalde er ook een zware sociale prijs voor), hen ondertussen duchtig inpeperend dat ze zich van dat ranzig discours moesten ontdoen, waarin ene Filip Dewinter de toon zette.
Het VB moest een intellectueel slagvaardige, rebelse anti-establishmentpartij worden, met één oog al gericht op het tijdperk na de Belgische monarchie. De Vlaamse republiek dus. Niet alleen een klassiek rechts-flamingant verhaal, maar iets waar zelfs de aanhangers van de huidige Piratenpartij zich thuis zouden voelen, samen met alles aan de linkerzijde dat nog niet hopeloos verkalkt is. Ze knikten, maar geen van beiden had de ballen om tegen Dewinter in te gaan, met zijn voor de partij als geheel dodelijke tirades over de pocket van Mohammed en de verbruining.
Ondertussen werd de N-VA groot en enterde ze de complete Vlaams beweging die ze dan vervolgens voor dood verklaarde. Het contrast tussen de eloquente, strategisch uitgekookte Bart De Wever en het zielig, ideeënloos gebalk van Dewinter heeft geleid tot de afgang van 25 mei. Maar ook daarna bleven de kaken binnen het VB op elkaar geklemd en durfde niemand, op Bart Laeremans na, publiek de vinger op de wonde leggen. Ook de jongeren niet, die zogezegd orde op zaken gingen stellen. Met Filip Dewinter en zijn accoliet Jan Penris in het federaal parlement zijn we weer verzekerd van nog een rondje van het slechtste toogflamingantisme dat alle andere geluiden uit die partij hopeloos zal overstemmen.
Ze doen maar, het zal zonder Sanctorum zijn.

Ziezo, ik voel me nu totaal bevrijd en onthecht. Basta met de partijpolitiek, ik keer terug naar mijn oude liefde, de filosofie, die ik eigenlijk nooit verlaten heb, wel af en toe een beetje bedrogen. De ontrouwe minnaar heeft dus wat goed te maken. Ik zal blijven schrijven, polemiseren, eerder tegen dan voor iets, want ik besef steeds meer dat het positieve, liefhebbende, duurzame vooral tot de privé-sfeer behoort.
Ik heb nergens spijt van, want alles wat we doen en laten behoort tot een verhaal dat we meestal alleen achterwaarts lezen, zelden vooruit. Ik verklaar me vanaf vandaag politiek dakloos maar niet gemuilkorfd, net integendeel.
Het cultuurbeest in me zegt trouwens dat filosofie, kunst en literatuur het republikeinse thema nu moeten overnemen in Vlaanderen, daar is nog een enorme inhaalbeweging te maken.
Meteen een persoonlijk perspectief voor de komende 20 jaar. “Cultiver son jardin”, zoals Voltaire het noemde. De eigen tuin inrichten en onderhouden, als een plekje tussen plekjes in een grotere gemeenschapstuin die op één en dezelfde bodem gedijt.
De Res Publica zal divers zijn én verbonden, of niet zijn.

Ergens te velde, 11 juli 2014

“De los toros a los Moros”

Hoe architectuur macht (her)consolideert

Calatrava

Santiago Calatrava: New-York, WTC

In een van mijn acht vorige levens was ik cultuurconsultant bij een groot Vlaams architectenbureau. Dat beroep bestaat natuurlijk niet, ik had het gecreëerd zoals alle andere vorige beroepen, om me als filosoof een schijn van maatschappelijke relevatie te geven en daar zowaar een broodwinning aan over te houden.

Deze inside-ervaring was, zoals weer alle andere, een revelatie. Architecten, en meer nog de grote bureau’s en vedetten à la Frank Gehry, Rem Koolhaas en Santiago Calatrava, gedragen zich als kunstenaars met een roeping, terwijl ze eigenlijk vooral de usurpatie van de publieke ruimte door de macht moeten op muziek zetten.  Ze zijn de hogepriesters van deze tijd. De politiek, wanhopig op zoek naar “draagvlak”, loopt hen achterna en betaalt fortuinen aan gemeenschapsgeld om haar tanende macht alsnog te consolideren.

De artistieke hybris van iets dat in wezen maar een ambacht is, loopt perfect parallel met de noodzaak van de macht om zich ruimtelijk te legitimeren en te consolideren. Twee criteria zijn daarbij essentieel: het architecturaal kunstwerk moet opvallen én duurzaam, quasi-eeuwig zijn. Het zijn twee criteria voor monumentaliteit. Eens het er staat, zal het er altijd staan. Dingen die vergaan en verdwijnen zijn vrouwelijk, organisch, horizontaal en cyclisch. Ik ken geen enkele vrouwelijke architecte met enige naam of faam. Het komt er op aan het levend weefsel te kristalliseren tot een mannelijke, vertikale, lineaire en  onvergankelijke megaliet. De stad ruikt altijd naar de dood, ze is altijd nekropolis.

Architecten zijn de hogepriesters van deze tijd. De politiek, wanhopig op zoek naar “draagvlak”, loopt hen achterna en betaalt fortuinen aan gemeenschapsgeld om haar tanende macht alsnog te consolideren.

Daaruit volgt ook een derde vereiste: publieke architectuur moét geld kosten.  De eeuwigheid is nooit in aanbieding. De vedette-architecten vragen extravagante erelonen en verdubbelen minstens het initieel voorziene budget. Steden zijn er al quasi bankroet aan gegaan.

Het opvallend, haast uitdagend karakter van grote moderne architectuur is eveneens een kenmerk van discrete, versluierde macht: terwijl gebouwen van dictatoriale regimes saai en grijs ogen, pakt de democratie uit met flamboyante “landmarks” en oogverblindende constructies. De architectuur neemt zo de despotische retoriek van de macht over, en tiranniseert de ruimte met bouwsels die mensen eigenlijk niet kunnen “lezen”, maar waar ze zich ook geen vragen horen over te stellen.

La Monumental, of de arena herlezen tot moskee

arenaDe stad is dus de plek waarin de macht de burger gijzelt, in en doorheen de publieke architectuur. Elk gebouw, elke rotonde, elke brug, elk plein, vormt een dam tegen verandering en mentale mobiliteit.  Uiteindelijk is de stad, als bouwwerk, de objectieve vijand van de bewoner, en wordt het politieke forum de confrontatie, niet tussen politieke fracties onderling, maar tussen bovenbouw en onderlaag, macht/architectuur/netwerk enerzijds en civiele massa anderzijds. De eindeloos aanslepende discussie in Antwerpen over het BAM-tracé en het Lange-Wapper-Viaduct is in wezen een verhaal van bewonersverzet tegen een architecturaal overstatement waarmee de bouwheer, de stad en het Vlaams Gewest, zijn macht duurzaam wil verankeren en op een hoger symbolisch niveau brengen, zelfs over de machts- en coalitiewissels heen. Maar de Antwerpenaar lust het Calatrava-achtige viaduct niet en verkiest de onzichtbare ondergrondse pijpen waar politiek geen eer mee te halen valt.

Vandaag woedt in de Antwerpse zusterstad Barcelona een discussie over wat er met de oude stierenvechtersarena La Monumental (let op de naam) moet gebeuren. Dit bakstenen gebouw uit 1924 was een van de cultplekken waarin de Madrileense cultuur, verbonden met de stierengevechten, zich in Catalonië had ingeplant. Vandaag echter, met het groeiende Catalaans onafhankelijkheidsbewustzijn en het ressentiment tegen Madrid en zijn centralisme, zijn stierengevechten not done, en wordt de arena gelezen als de representatie van een bezettingsmacht.

Op zich is dat een democratisch topmoment: officiële, apologetische architectuur die gecontesteerd wordt en waarvan de symboliek zelfs de volkswoede oproept. Op dat moment wordt het monument of cultplek gedeconstrueerd tot een document of leesbaar, bekritiseerbaar object,- begrippen die de Franse filosoof Michel Foucault introduceerde.

De herbestemming van matador-arena tot moskee is uiteindelijk een middel om de stad, sowieso cultureel al sterk geformaliseerd, definitief aan de burger te onttrekken.

Logischerwijze zou het gecontesteerde monument dan moeten gedynamitteerd worden, maar dat gebeurt in Barcelona niet. Het gebouw staat er en men aarzelt, juist om redenen van duurzaamheid, om het af te breken. Er werd naar een herbestemming gezocht, en die vond men in het project van een grote stadsmoskee, nota bene te financieren met Quatarees geld.

De macht leest haar monumenten dus anders: als de symbolische inhoud van een bouwwerk dreigt teloor te gaan, wordt er gezocht naar een andere inhoud zonder dat het bouwwerk “ontheiligd” wordt. Een fatale dynamiek: de politiek-culturele terreur van de stierenvechtersarena wordt vervangen door een terreur van een nog grotere orde, namelijk die van een moslimtempel, en dat in een land dat er eeuwen over heeft gedaan om de Arabieren terug te dringen. Moskeeën zijn niet meer voor ontheiliging vatbaar, de Koran voorziet er zelfs geen procedure voor. Het stadsbestuur van Barcelona beseft in haar multiculturele weldenkendheid niet wat voor een hypotheek op de toekomst dat betekent: een voor “heidenen” verboden plek die nooit meer kan teruggevorderd worden.  In feite bevestigt de architectuur daarmee haar hegemonie en haar oerfunctie van gecondenseerde macht, de macht die de levende polis in bedwang houdt.

LuccaDe opwaardering (upcycling) van arena naar moskee is het omgekeerde van wat politiek-democratisch had moeten gebeuren ter vervanging van de sloping: men had het gebouw moeten ontwaarden (downcycling) tot gewoon sportcomplex, winkelcentrum, supermarkt, of eventueel zelfs een woonblok. Dat laatste, de private toeëigening, is trouwens kenmerkend voor de manier hoe amfitheatersteden zoals Arles, Nîmes en Lucca (foto) ontstaan zijn: letterlijk door een privatisering van het oude Romeinse amfitheater tot wooncellen rondom het centrale speelplein.

De transformatie echter van arena tot moskee echter herconsolideert macht, investeert opnieuw in symboliek en dogmatiek, van een hoger, religieus-monotheïstisch niveau. In het geval van de arena van Barcelona is de herbestemming tot moskee uiteindelijk een middel om de stad, sowieso al sterk geformaliseerd, definitief aan de burger te onttrekken. De islamitische kathedraal wordt een no-go-zone voor autochtonen. Toeristen kunnen er zich nog aan de buitenkant aan vergapen, maar voor de bewoners is dit een onteigende, te mijden plek. Het Moorse verleden van Spanje en het multicultureel cosmopolitisme worden daarbij, vreemd genoeg, als argument gebruikt. De status van internationale cultuurstad, door de massale input van moderne architectuur bevorderd, dwingt tot dit soort evacuatie en maakt de stad uiteindelijk zelfs onleefbaar. De hersacralisatie en monumentalisering van deze metropolen is op die manier het sluitstuk van een nieuw, postmodern bevoogdingsproces waarin macht moeiteloos een matadorcultuur uitwisselt tegen een sharia-regime.  “De toros zijn weg, de Moros komen”, grinnikt de Barcelonees cynisch. In het Vlaams: “Van de regen in de drop”.

Aldo Rossi en de vloeibare tegen-stad

Rossi1

Aldo Rossi: “Het kabinet van Pinocchio” (1989)

Zo wordt de burger een gevangene in eigen stad, een bewoner met een enkelband, die wel enig soelaas vindt in koopcentra of pretparken, vluchtheuvels en Foucault-achtige heterotopieën, maar voor de rest geprangd zit tussen publieke functies die architecturaal gesigneerd zijn als machtselementen. Ik denk aan stations, bibliotheken, cultuurcentra, (uiteraard) stadhuizen,- en dus nu de moskeeën.

In zo’n urbane kolonie kan men zich alleen binnenhuis verstoppen en de buitenwereld vergeten, tenzij men voor een andere optie kiest: het half-klandestien opbouwen van de tegen-stad die een mobiele, drijvende of rijdende stad is. Het nieuwe nomadisme dus, binnen en buiten het stedelijk netwerk, maar altijd onderweg en tamelijk autonoom. Anders gezegd: zet wielen onder uw huis en migreer constant. De privé-architectuur zal het dissident gebaar moeten stellen.

De tent, of beter nog, de woon-wagen, wordt het nieuwe woonmodel van de 21ste en de 22ste eeuw. Eén enkele vedette-architect zag die stadsvlucht-binnen-de-stad aankomen, namelijk de  Milanese architect Aldo Rossi (1931-1997). Ik heb met zijn bureau samengewerkt, hetgeen resulteerde in het boek “Passione Urbana, de droom van Aldo Rossi ontrafeld”.

Rossi hoort in het rijtje thuis van Gehry, Calatrava en Koolhaas, met dat verschil dat hij in zijn vrije tijd aan anti-architectuur deed: hij tekende woonwagens en droomde van een mobiele stad, die als een volkstheater fungeerde waarin niet de macht maar wel de vlottende burger de toon zet. Deze Pinocchio-figuur hoort tot een post-civiele samenleving waarin de stad niet meer dirigeert, centraliseert, kanaliseert, maar een loutere vrijhaven wordt voor semi-nomaden. Ongezien hoe een ster-architect zijn eigen status deconstrueert.

De private architectuur zal het dissident gebaar moeten stellen. De tent, of beter nog, de woon-wagen, wordt het nieuwe woonmodel van de 21ste en de 22ste eeuw.

Er wordt zelden bij stilgestaan dat wij, ondanks 10000 jaar sedentaire cultuur, meestal onderweg zijn. De woning is een slaapwoning, overdag zijn we meestal elders. Maar ook tijdens vakanties trekken we erop uit en ontstaan groteske migraties, reusachtige files op weg naar overbevolkte stranden: het massatoerisme imiteert de grote volksverhuizingen uit de vroege middeleeuwen. Mobiliteit is niet rationeel, het is instinctief. Alle pogingen om haar te plannen mislukken. De vraag blijft trouwens waarom we, eens we een dak boven het hoofd hebben, daar ook zo snel mogelijk van onderuit willen. Zelfs mensen die een huis hebben gebouwd, proberen datzelfde jaar nog op vakantie te gaan. Waarom? Gewoon om de buren te imponeren? Een overblijfsel van prehistorische Wanderlust? Zij we allemaal nog ergens zigeuners die men in permanente asielcentra poogt onder te brengen? Misschien ligt een nieuwe bron van bescheidenheid voor de architectuur wel in het inzicht dat ze het leven niet meer sedentair kan vatten of insluiten, en dat ze hooguit schuilplaatsen (shelters, abris) of aanlegsteigers kan aanleveren.

Rossi2

Aldo Rossi: “Stad op stelten” (1981)

Uiteindelijk is de stedelijke camping de plek waar heel het architecturaal machtscomplex onzeker en broos wordt. De burger-nomade wisselt van verblijfplaats, van levenswijze, van netwerk, mogelijk zelfs van identiteit. Communiceren, zich documenteren en alle administratieve afwikkelingen doet hij via de cyberruimte, niet via de fysieke landmarks.

De manier anderzijds hoe de Vlaamse regering de zgn. woonbonus in stand tracht te houden (subsidies bij aankoop van een huis), en daarmee zelfs de vastgoedprijzen de hoogte injaagt, illustreert hoe sterk het systeem gericht is op verankering. De mobiliteit van de huurder, die ook gepaard gaat met een sociale en zelfs culturele mobiliteit, moet gefnuikt worden ten voordele van een sedentair kadaster, dat in de limiet eindigt in de suburbane verkaveling of de fermette, levenslang af te betalen door volgzame werknemers die ook op professioneel vlak niet durven migreren.

Aldo Rossi wijst een heel andere weg: terwijl hij overdag monumenten tekent, breekt hij ze ’s nachts af en vervangt ze door de gedroomde, vloeibare theaterstad op wielen. Misschien is de kermis een goede metafoor: ze verplaatst zich niet van stad tot stad, ze is zelf een reizende stad. De klassieke architectuur, als spiegeling van de macht, wordt daarmee betekenisloos en leeg. De stad wordt eindelijk zoals het leven zelf: elke dag af te breken en herop te bouwen. Telkens nieuw, telkens anders.

Johan Sanctorum: “Passione Urbana: de droom van Aldo Rossi ontrafeld” (Roularta, 2006)

In het Engels vertaald: “Passione Urbana, unravelling Aldo Rossi’s dream”

 

 

 

 

Het racisme is een humanisme

sartre_kopMet deze schandalig ogende titel parafraseer ik, zoals de lettervreters onder u al begrepen hebben, het essay van Jean-Paul Sartre uit 1946   “L’existentialisme est un humanisme”. Het is deze tekst van een lezing, gegeven op 29 oktober 1945 in de Club Maintenant te Parijs, die Sartre tot numero uno in het pantheon van de moderne Franse intellectuelen heeft gehesen. Een opgang die in dat land in die periode slechts met deze van Charles de Gaulle kan vergeleken worden.

Toch kreeg de filosoof met de kikkerogen toen al het verwijt dat hij met die lezingtitel de term “humanisme” tot een stoplap en passe-partout degradeert. Daar is iets van. Men zou dan verder kunnen gaan en boekjes publiceren onder de titel “Het vegetarisme is een humanisme” of “Petanque spelen is een humanisme”.

Iedereen en alles humanist? Het lijkt me een onvermijdelijke preconclusie. Onder het motto “Niets menselijks is me vreemd” van de Latijnse komedieschrijver Terentius, kan het woord “humanisme” inderdaad niets anders dan een containerbegrip zijn, dat wij allemaal met veel vreugde zelf invullen. Er zijn, tot spijt van het Humanistisch Verbond, zoveel humanisten en zoveel definities ervan, als er menselijke specimen op deze aardkluit rondlopen.

Het woord dan maar schrappen? Misschien. Tenzij men het net tot grondslag maakt van een nieuwe antropologie die “de mensheid” deconstrueert tot een kluwen van existenties die hun weg zoeken in een wereld die ze niet gemaakt hebben en die hen ook nauwelijks zal missen als ze verdwijnen.

Dat brengt ons meteen tot de kern van Sartres vertoog, rondom de vraag: wie ben ik en wat doe ik hier? En vooral gij, wat doet gij hier?

Existentie en identiteit: de filosoof kleedt zich uit

Sartre_zeeHoofdmotto van het Sartriaanse existentialisme is het overbekende adagium “De existentie gaat vooraf aan de essentie” (L’existence précède l’essence). Inderdaad,  ideologie, religie, filosofie, cultuur en moraal kunnen als “zingevers” wel mooie praatjes verkondigen en de schijn ophouden, maar uiteindelijk worden we naakt geboren en zijn we op weg van nergens naar nergens.  We zijn allen vreemdelingen, aliens, geworpenen. De zoektocht van het individu naar zichzelf en zijn plaats in de wereld is geen beschouwelijke, academische bezigheid maar een permanent soort individueel activisme dat soms meer weg heeft van gespartel: in het begin is er de daad. Pas in het handelen, en de keuzes die daarmee gepaard gaan, creëren we een “aura”, een individualiteit, een tweede huid, een als zinnig herkenbare levenswandel. Het existentialisme is met andere woorden een identiteitsfilosofie avant-la-lettre.

Dat Sartre de mosterd haalde bij (de onder de nazi’s vlijtig doorwerkende) Martin Heidegger, is algemeen bekend. Deze Duitse filosoof stond aan de verkeerde kant en moest zich in barre tijden uit de slag trekken, wat een verpletterende verantwoordelijkheid oplevert: leven is kiezen, en (meestal) verliezen. Heidegger was dus goed geplaatst om een bom te leggen onder drie millenia Westers denken, door elke metafysica af te zweren en het Dasein, het hier-en-nu van de enkeling, als handelend wezen, wereldverbeteraar, schone mens, smeerlap, collaborateur, of gewoon overlever, als enig geldig uitgangspunt te nemen.

De daad dus, en het er-zijn, be-staan (dit is de filosofie van de streepjescodes). Elke vrijheid heeft haar consequenties en wordt cash betaald, geen enkele daad is vrijblijvend, zomaar. Het weze overigens gezegd dat Heidegger veel radicaler was dan Sartre, en in 1949 zelfs opperde dat diens “humanisme” toch terug het abstracte, Cartesiaanse denken invoert en zich in de aloude ideeëngeschiedenis wil inschrijven. L’ être et le néant is inderdaad voor 99,999% van de mensheid compleet onleesbaar, geschreven in een duizelingwekkend filosofisch jargon, iets wat Heidegger zelf zorgvuldig vermeed. Een filosoof moet zich echt uitkleden, en niet stoppen bij het ondergoed.

De Andere en zijn lijfgeuren

Sartre_beauvoir2De vraag is hoe-dan-ook –en daar trekt Sartre de humanistische schuif open-, wat de betekenis is van de Andere in dit traject van het enkelvoudige Ik. Wel, primair is de andere onmisbaar om het eigen Ik te definiëren. We zijn niet alleen met zes miljard existenties die allemaal willen overleven en daartoe strategieën bedenken, er is ook een spiegelspel aan de gang waarin we toenadering zoeken en afstand nemen. We komen er maar achter wie we zijn, door te vergelijken en het verschil te ontdekken.

Dit gaat dus over sympathie en antipathie. Over emoties, affiniteit, afkeer, allergie. Mensen kiezen voor of tegen mensen, op een instinctmatige basis. De rationaliteit, het alibi, komt maar achteraf.

De erotiek is hier het absolute paradigma. Een man die een vrouw kiest en erop verliefd wordt, kiest tegen alle andere vrouwen. Zij maakt op dat moment het absolute verschil. De liefde is de oervorm van discriminatie, positieve én negatieve. Kiezen is winnen en verliezen, insluiten en uitsluiten. Dat geldt voor individuen en voor groepen. Het hoort bij de menselijke existentie,- naar het schijnt heeft het met feromonen, geurstoffen te maken. “Ik kan hem niet ruiken”, het is in onze taal een gezegde voor iemand niet lusten. Het zit echt in de neus. Zo heb ik het enorm voor bakkersvrouwen, Aziaten en herdershonden. Ik mag homo’s en moslims niet, en dat is heel persoonlijk, en het is ook wederzijds. Ik zou hen nooit als poetshulp aannemen. Met negerinnen zou ik dan weer nooit het bed delen. Soms gaat het helemaal niet om categorieën maar om personen die ik niet kan luchten. Of net wel. Moet ik me daarvoor schamen? Of zijn het facetten van mijn eigen geaardheid? Mijn allerindividueelste perversiteit?

Een man die een vrouw kiest en erop verliefd wordt, kiest tegen alle andere vrouwen. Zij maakt op dat moment het absolute verschil. De liefde is de oervorm van discriminatie.

Liefde en haat houden elkaar in evenwicht, en bepalen de menselijke uitwisselingsprocessen. Deze chemie is het onderwerp van Goethe’s roman Die Wahlverwandtschaften (1809), waarin ratio en instinct tot in het uiterste tegenover elkaar komen te staan. Humanisme dus, maar altijd gespleten, gericht, gepolariseerd. Het criterium is volkomen individueel en willekeurig. De liefde en de seksualiteit zijn proto-vormen van racisme. Misschien heeft het existentialisme wel meer te maken met een Filosofie van de Eros, zoals de Vlaamse Sartriaan (en ooit mijn filosofische mentor) Leopold Flam (1912-1995) ze probeerde te formuleren, dan met algemene mensenrechtenkwesties.

“Anti-racisme”: de (niet meer zo) nieuwe pensée unique

meld We zijn goed een halve eeuw verder. Waar Heidegger voor waarschuwde, is uitgekomen: het humanisme is, alleszins in West-Europa, ontaard tot een ideologie van de totale nivellering. Sartre is na 1968 door politiek-links helemaal opgesabbeld tot een brij van politiek-correcte gemeenpraat die verschillen herleidt tot “diversiteit” en heel de maatschappij ziet als een gedepolariseerde smeltkroes van meningen, ideologieën, culturen, religiën.

“Discriminatie” is het woord waarmee elk gevoel van fundamenteel onderscheid wordt ontzenuwd, “racisme” wordt het nieuwe vloekwoord. In België is het “Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding” als overheidsinstantie permanent in de weer om burgers erop te betrappen die andere burgers, nu ja, als “anders” beschouwen. Inclusief meldpunten en kliklijnen. Inclusief afgewezen sollicitanten die de antiracismewet inroepen.

Het is bang afwachten tot een vrouw met een schorre viswijvenstem klacht indient bij het Centrum omdat ze de rol van Salome in de opera niet kreeg.

Uiteindelijk is zelfs zondigen-in-woorden-of-gedachten, het uiten van sympathie of antipathie, het subjectieve moment van de meningsuiting, verdacht en aan politiek-correct censuurschap onderworpen. De gesel van de tolerantie onderdrukt elk voor-oordeel over de Andere. Het existentialisme is daarmee dood, als antidoctrine van de vrije, zelfbewuste, zoekende enkeling. En het zijn vooral de zogenaamde progressieven die deze vrijheid ten grave dragen, om haar te vervangen door een anti-discriminatoire pensée unique die zowel de liefde als de haat, voor- of afkeur voor mensen, groepen, categorieën criminaliseert.

Het nieuwe, postmoderne kosmopolitisme wordt de vlag van dit ontaarde humanisme. Alle grenzen worden gesloopd, alle tegenstellingen weggevlakt. Het vreemde fenomeen doet zich dan voor dat links, in naam van de gelijkheid en de emancipatie, vrolijk meehuppelt met het neoliberale globalisme van de wereldmarkt, waarin multinationals de wet dicteren. De Europese Unie, met haar “vrij verkeer van personen, goederen en diensten”, wordt al evenzeer op handen gedragen door de linkerzijde. Terwijl het hier toch gaat om een homogenisering van de markt, in dienst van het grootkapitaal. Zo ontmoeten het wereldkapitalisme, het linkse internationalisme, en het door de overheid opgelegde gelijkheidsdenken, elkaar in een griezelig project van de ont-individualisering. Sartre, of wat er van rest, draait zich om in zijn graf.

Finkielkraut, of de banaan op het voetbalveld

banaanAls belangrijkste klokkenluider omtrent die kaalslag op identiteit geldt vandaag de Franse filosoof-columnist Alain Finkielkraut (°1949). Hij beschouwt het anti-racisme als dé ideologie van de 21ste eeuw, die de Andere en hét Andere reduceert tot een object in de veelkleurige etalage van de diversiteit. Net daardoor worden alle onverenigbaarheden bij voorbaat geannuleerd als immoreel, en krijgt “identiteit” iets satanisch. Men moet zichzelf leren haten en het eigene ontwaarderen als iets onrechtmatig toegeëigend, gestolen (“oikofobie”). Vanaf dan is de vervreemding totaal, het Ik een puur statistisch gegeven, en het Wij een apolair massagegeven, eventueel in nuttige doelgroepen opgesplitst.

Eigenlijk is Finkielkraut een Sartriaan van het zuiverste pompwater, en herbront hij het existentialisme vanuit de oertegenstelling tussen het Ik en de Andere. Het algehele discriminatieverbod dat de overheden vandaag in West-Europa willen opleggen, is doorgeschoten tot een verbod op antipathie, dat eigenlijk ook een verbod inhoudt op het tegengestelde, de sympathie, de liefde dus.  De overheid, de staat, het systeem, werkt vandaag als een identiteitsberovend mechanisme, hetgeen de kritische massa aanzienlijk doet zakken, wat voor een systeem altijd goed uitkomt. De macht fragmenteert én homogeniseert. De keuzevrijheid wordt daarom van dag tot dag onbenulliger: we kunnen kiezen uit 100 zenders op de kabel, die echter allemaal hetzelfde doen, uit 30 yoghourtmerken die allemaal hetzelfde smaken en overigens allemaal door één concern worden gefabriceerd, en uit een dozijn politieke partijen die allemaal ongeveer hetzelfde zeggen. Straks zult u de kleur van uw belastingsformulier kunnen kiezen, maar niet waarvoor u belastingen betaalt.

In zo’n feitelijke eenheidsmaatschappij is het benadrukken van verschillen een Satriaans gebaar, en is het zogenaamde racisme een verzetsdaad. Vandaar de titel van mijn stukje: het racisme is een humanisme. Een noodzakelijke antithese tegen een systeem dat de antithese heeft afgeschaft en dat als inhumaan moet bestempeld worden.

Het algehele discriminatieverbod is doorgeschoten tot een verbod op antipathie, dat eigenlijk ook een verbod inhoudt op het tegengestelde, de sympathie, de liefde dus.

Ik denk aan de supporter die een banaan gooit naar een gekleurde speler van de tegenpartij. Mag niet van de voetbalbond. Terwijl het niet eens om “racisme” in de letterlijke zin gaat (gebaseerd op raskenmerken dus), want hij gooit die banaan niet naar een neger van de eigen ploeg. Het gaat dus om een rudimentaire vorm van collectieve identiteitsbeleving, waar o.m. voetbal en sport vandaag hoofdzakelijk om draait.

Hier en daar wordt er dus nog gevloekt, met een banaan gegooid, en wordt de Andere nog echt benoemd, als anders, als vreemd en onbekend gekwalificeerd. De vreemdeling dus, die we sowieso voor elkaar zijn. Weinigen durven het woord nog gebruiken. Er is de “racistische” komiek Dieudonné M’bala M’bala. Er zijn Le Pen, Wilders, bij ons het Vlaams Belang,- blaffende honden die polariseren, het multiculfeestje bederven en het identitaire denken stuitend, soms ranzig, propageren. Allen zijn ze antiglobalistisch, nationalistisch dus, en tegen de EU. Allen staan ze in de marge van het politiek-maatschappelijk fatsoen en zijn ze ei-zo-na illegaal. Wat zou de politiek saai zijn zonder hen.

Web-democratie, subculturen en nieuwe identiteitsconstructies

FBToch is het twijfelachtig of die bananengooiers het nog lang zullen uitzingen. De sociale sancties zijn te sterk, de druk te groot. De angst voor de eenzaamheid en het isolement weegt. Voor een existentialistisch réveil zie ik veeleer mogelijkheden in de nieuwe “sociale” media, de mogelijkheid van autonome (zij het virtuele) gemeenschappen te creëren die zich wél afzetten tegen de Andere. Groepen die door positieve en negatieve discriminatie, insluiting en uitsluiting, op een of andere manier het verschil cultiveren en een identiteit construeren. We zijn allemaal elkaars racist, zowel in vriendschap als in vijandschap. Laat de vreemdeling vreemdeling zijn, de Andere die niét tot mijn levenssfeer behoort. En er ligt zelfs een geluk in het uitgesloten worden, omdat dit de meest extreme confrontatie is met de eigen identiteit, wat dan weer aanleiding kan geven tot nieuwe subculturen van refusés.

Zowel de Neurenberger rassenwetten onder de nazi’s als de hedendaagse anti-racismewetten zijn erop gericht om de mens zijn eigen reukorgaan te ontnemen. 

Dus ja aan de homo’s en de hetero’s, de lesbiennes en de travestieten, de SM-clubs, hun geheime protocollen, hun inwijdingsrituelen, hun exclusieven. Via het web kunnen deze verboden gemeenschappen overleven en territoria creëren. De vreemdeling als uitzondering, exoot en nomade gedijt in dezelfde cybersfeer. Een racist voor iedereen, het lid van de éénmansvereniging met onnoemelijk strenge toelatingsvoorwaarden. Zo maximaal moet democratie kunnen gaan: naar singletons en republieken die maar één of een paar bewoners tellen.

Hoe minder het politiek systeem zich met die nieuwe identiteitsconstructies bezig houdt, hoe beter. Zowel de Neurenberger rassenwetten onder de nazi’s als de hedendaagse antiracismewetten zijn erop gericht om de mens zijn eigen reukorgaan te ontnemen.  Het subjectief en pluriform “racisme”, begrepen als existentieel discriminatiedenken, het onderscheiden en durven benoemen van de Andere, is duizenden malen minder erg dan het veralgemeende en uniforme anti-racisme, begrepen als weg naar de identiteitloze massacultuur. Het is een gedachte die door filosoof-jurist Matthias Storme al in 2005 werd geopperd, en wel in zijn Molinarilezing bij de ontvangst van de “Prijs voor de vrijheid”: discrimineren is een recht, een mensenrecht dat men niet aan de overheid moet uitbesteden.

grafEn dan is er, ten laatsten male, nog weerom de liefde. Het koppel sluit de wereld uit en heeft genoeg aan zichzelf. Bekijk de humanistische tortelduiven Jean-Paul en Simone, voor eeuwig verenigd. Daar, in deze copulatie, en nergens anders is het sexistentialisme ontstaan. Alleen oog voor elkaar hebben ze, enfin, zij toch voor hem.  Niets gunnen ze de rest, geen liefkozing, geen troetelwoord, nog geen banaan. Echte racisten zijn het.