Categorie archief: Wetenschap en ratio

Het dilemma van Lampedusa

Waarom migratie nodig is, en racisme nuttig

zigeuners   Neen, ik zou ook niet willen dat ze in mijn tuin neerstrijken. Waarom gaan die mensen toch ook niet gewoon ergens op een camping staan. Om dezelfde redenen dat echte wielerliefhebbers nooit het fietspad gebruiken?

Dat de socialistische burgemeester van Landen de karavaan wou verjagen met een luidruchtige discobar, illustreert alleen maar hoe diep xenofobie in ons zit, en hoe gecrispeerd de politiek-correcte dwangneurose ermee omgaat. Anderzijds intrigeert die zigeunerkaravaan me. Ze boezemt onbehagen in, maar ook nieuwsgierigheid. Voor een libertariër en aangeboren vreemdeling is identificatie haast onvermijdelijk: zijn we niet allemaal ergens zigeuners die met de verkeerde muziek worden onthaald?  Meteen een geschikte invalshoek om hete thema’s rond vreemdelingen en vreemdelingenhaat van hun ruis te ontdoen. Vooroordelen moeten niet gecensureerd worden, maar uitgediept. Dus ja: ze stelen, ontvoeren kinderen en laten een hoop vuilnis achter. Maar de afschrikking van de discobar hielp niet: de zigeunerkinderen dansten erop en kwamen met eigen cd’s af. Wie komt hier het sterkste uit?

 Migratie en soortveredeling

migratieIn heel het debat rond migratie, waarbij rechts (terecht) waarschuwt voor vervreemdingstrauma’s bij de inboorlingen, en links (even terecht) aanmaant tot enige solidariteit met de verworpenen der aarde, komt de politiek nooit toe aan de antropologische essentie. Deze is dubbel: enerzijds het evolutionaire nut van migratie op zich, en anderzijds de biologische evidentie van de xenofobie en zelfs het racisme.

Dat migratie van alle tijden is, is een open deur intrappen. Mensen verplaatsen zich nu eenmaal in de richting van wat ze als een betere plek aanzien. Zowat 60.000 jaar geleden trok de homo sapiens vanuit de Oost-Afrikaanse slenk richting Europa en de rest van de wereld. Allicht gebeurde dat in minstens twee golven, van telkens niet meer dan 10.000 exemplaren.

M168 (zie tekening) geldt als onze oudste stamvader. Hij verhuisde niet zomaar, uit een vakantiegevoel: waarschijnlijk was een fatale klimaatschommeling de oorzaak van de uittocht, de zgn. Afrikaanse ijstijd die ondanks zijn naam werd veroorzaakt door een “global warming” en een toenemende verwoestijning. Toen al. Belangrijk is ook dat die klimaatcatastrofe de intelligentie aanscherpte, bijdroeg tot de ontwikkeling van de taal en het strategisch denken, wat er uiteindelijk toe leidde dat de Afrikaanse homo sapiens de oudere Europese rassen verdrong.

Ontegensprekelijk gaat migratie gepaard met verdringing, waarbij gewoonweg het recht van de sterkste geldt.

Het was dus constant verhuizen geblazen, de idee van de sedentaire landbouwer/stedeling moet sterk gerelativeerd worden. De historische migratie-atlas toont een wirwar van trajecten, waaronder de Germaanse volksverhuizingen in het begin van de middeleeuwen (met verdrijving van de autochtone Kelten als gevolg) en de Europese migratiegolf richting Amerika in de 19de eeuw, als twee markante fenomenen die cultureel en economisch van enorm belang zouden blijken.

Lampedusa_2072421bOntegensprekelijk gaat migratie gepaard met verdringing, waarbij gewoonweg het recht van de sterkste geldt. De evolutionaire bonus van de migranten t.o.v. de autochtonen lijkt een constante, en is bijzonder vervelend voor conservatief-rechts. Het zijn namelijk niet de oude, versleten, honkvaste exemplaren die uitwaaieren, maar de jonge, fitte, sluwe roofdieren die, in onze tijd, ook wat geld voor de overtocht konden bijeenzamelen. De tocht in erbarmelijke omstandigheden zelf zorgt nog eens voor een selectie. Lampedusa is vandaag het Darwiniaanse check-point. Wat er uiteindelijk ter bestemming komt, zal zijn overlevingsinstinct en het daaraan gekoppeld strategisch inzicht verder perfectioneren. De autochtonen hebben dan nog de keuze tussen er zich mee vermengen of verdrongen worden. Als ze de kans krijgen zullen de aangespoelden uiteraard mee profiteren van de bestaande sociale zekerheid, maar dat hoeft niet: discriminatie en uitsluiting zal hen alleen maar sterker maken.

Redelijke xenofoob

brulkikkerZo bekeken zit het evolutionair perfect in elkaar en is migratie een vitaal onderdeel van rasveredeling. Maar er is ook een antropologische keerzijde. Zonder xenofobie en argwaan tegenover exoten kan een gemeenschap niet overleven. Denken we in de plant- en dierkunde aan de schade die ingevoerde soorten aanrichten aan het lokale ecosysteem. Bekend is het voorbeeld van de Canadese brulkikker (foto) die nu een ware ravage aanricht onder de inheemse kikkersoorten. Men spreekt over een “plaag” en probeert hen uit te roeien, tevergeefs. Biologen verkondigen hier eigenlijk een racistisch discours dat ze omwille van de politieke correctheid nooit zouden mogen toepassen op het menselijk migratiefenomeen.

Maar de biologische logica stopt niet aan de grens tussen mens en dier. De zogenaamde cultuurclash tussen allochtonen en autochtonen gaat over een conflict tussen genetische expansie en genetische conservatie: twee essentiële aspecten van collectieve overleving en soortbehoud. Groepen willen hun genetisch materiaal intact houden (“Ze pakken al onze vrouwen af, mijnheer”), terwijl andere groepen willen infiltreren, of azen op de uitheemse vrouwtjes om net inteelt te vermijden,- de zgn. exogamie. Oorlogen in de nomadische oertijd draaiden vooral daar rond. Het verhaal van de Sabijnse maagdenroof in de ontstaansperiode van Rome is typerend voor deze zoektocht naar exogene eicellen. Bij chimpansees gebeurt het nog steeds, en op bloedige wijze: wijfjesroof waarbij mannetjes van andere groepen worden afgemaakt. Bij de Yanomami-Indianen in Venezuela schijnt het fenomeen vandaag nog voor te komen.

Zonder xenofobie en argwaan tegenover exoten kan een gemeenschap niet overleven. Dit gaat over paarden van Troje en mogelijke fatale infecties…

Is het uitheemse te vertrouwen? Neen, natuurlijk niet. Het verhaal van de Canadese brulkikker is perfect transponeerbaar op menselijke schaal. Het gaat over paarden van Troje, vijandelijke infiltratie en fatale infecties.  Vreemdelingen kunnen dragers zijn van ziektes waarvoor de inboorlingen niet resistent zijn. Het Inca-rijk in het huidige Peru is vermoedelijk op die manier ten onder gegaan, na de Spaanse invasie in de 16de eeuw. Vandaag is het geval bekend van het SARS-virus, meegebracht vanuit Zuid-Oost-Azië. En uiteraard het HIV-virus dat in Afrika is ontstaan. Geen enkele campagne rond de witwassing van Zwarte Piet zal dat redelijk vooroordeel kunnen tegenhouden: de neger is fysiek onze meerdere en heeft een lange penis die onze vrouwen verwart. Tegelijk kan hij ziektes uit het zwarte continent meebrengen die via de geslachtsdaad heel onze stam om zeep helpen.

De vrees voor de vreemde groep en het zo verketterde wij-zij-gevoel (het zgn. vijandbeeld) is dus niet zo onredelijk.  De angst voor genetische degradatie en soortverdringing is de redelijke onderlaag van het racisme waar weldenkend-links zo tegen te keer gaat. In die kringen spreekt men dan over “de verdoken racist in ons”, als iets dat moet uitgebannen worden, terwijl het gewoon tot de menselijke conditie behoort en bepaalde biologische functies vervult.

JodenHeel de discussie rond identiteit is te herleiden tot die smetvrees, cultureel is het in se een belachelijk debat.  Identitaire volkeren zijn vooral met genenzorg bezig, waarbij uiteraard altijd inteelt dreigt. De Joden zijn vandaag, ironisch genoeg, wellicht het volk dat het meest zijn (superieur geacht) genetisch materiaal afschermt: in de staat Israël behoren de raszuivere Joden tot de hoogste sociale kaste met de meeste privileges. Die exclusiviteit maakt hen juist kwetsbaar voor contra-racisme tot en met de genocide.

Humanisten anderzijds zullen stellen dat de xenofobe rasbescherming vandaag biologisch niet meer terzake doet en dat we met teveel zijn op deze aardkluit om ons nog te kunnen afschermen. Dat klopt: de volgende wereldoorlog zal die demografische explosie zeker corrigeren, waarna er, zoals Einstein al voorspelde naast sommige apocalyptische SF-literatuur, er een nieuwe oertijd zal aanbreken met weerom groepjes nomaden van 100 à 200 exemplaren die zorg dragen voor hun genetische broncode en zich zeer wantrouwig opstellen tegenover concurrerende groepen. De originele tweetakt tussen migratie en xenofobie kan dan herbeginnen, alias het verhaal van M-168.

Singulariteit en soevereiniteit

Rossi1Op die manier ondergraaft de evolutiebiologie al enkele jaren de politiek-correcte waan van de zgn. sociale wetenschappen, de politicologie en de ethiek. Geen migratie zonder xenofobie, en vice versa. Zowel links als rechts hebben evolutionair een punt. U mag zelf uitmaken welke kant u kiest. Migranten tegen allochtonen, de exogamen versus de xenofoben. Evolutionair gezien kunnen we gewoon achterover gaan leunen en afwachten wie wint.

Wie echt niet wil meegaan in dit dilemma van Lampedusa, rest enkel nog een ontsnappingsroute via de totale individualisering: als de menselijke soort niet meer bestaat, heeft ook het racisme geen functie meer, en bestaan we alleen nog uit individuen met elk een specifieke broncode die we beschermen zonder dat de groep daarin tussenkomt.

Die theorie heb ik vroeger al ten berde gebracht rond het begrip “soevereiniteit”. Het gaat dan in politiek opzicht om een statenloze burger, die langzamerhand ook een niet-mens wordt, de verzameling met één element of singulariteit, een uniek exemplaar waarvoor in het Darwinisme geen plaats is. Zowel het Ik als de Andere is dan altijd enkel: collectieve vijandbeelden zijn hier onmogelijk. Het is een mogelijke overwinning op het groepsdenken: de idee dat we nog verder moeten uiteen groeien, om de Andere compleet te kunnen vatten.

Ook migratie is dan niet meer aan de orde, vermits zo’n soortloos individu altijd onderweg zou zijn.  We komen dan in het universum van de vreemdeling, de eeuwige nomade, de reiziger die alleen andere reizigers op zijn pad treft, nooit karavanen of massa’s. En vermits niemand op zijn plaats blijft, is het territoriumprobleem ook minimaal, een kwestie van niet op elkaar gaan zitten. Dat is dan weer een inzicht dat recent nog doorbrak in mijn essay over Aldo Rossi, de vloeibare stad en de nieuwe woon-wagencultuur.

Zo zijn we toch weer bij dat bizarre zigeunerverhaal beland. Hoe kleiner de groep, hoe moeilijker de xenofobie standhoudt. Men kan iemand afwijzen, maar dat is dan bijna een keuze die zich in de strikt-persoonlijke of erotische sfeer afspeelt van apolitieke discriminatie, zoals een man een vrouw afwijst of vice-versa, of net niet, hem of haar uitkiest.

Anti-architect Aldo Rossi gaf die buitenmenselijke vreemdeling de bijnaam Pinocchio. Iemand die komt en gaat. Bemin hem of haat hem. Pas als iedereen vreemdeling is, wordt de genocide geschiedenis.

 

 

 

Advertenties

Laat vallen wat valt

De mensheid, een tamelijk hilarische voetnoot in de geschiedenis van de planeet aarde

LaurelEen paar jaar geleden kwam prof. Etienne Vermeersch ons met zijn gekende bulderstem vertellen dat deze planeet demografisch op springen staat. Straks zijn we met 9 miljard, en het absoluut armste land ter wereld –Niger- heeft het hoogste vruchtbaarheidscijfer. Op geen enkele manier staat de bevolkingstoename nog in verhouding tot de beschikbare woonruimte, landbouwoppervlakte, grondstoffen, energie. De roofbouw is dusdanig, dat de uitputting van de planeet nabij is, en dan is het gewoon gedaan. Niet alleen met de menselijke soort, maar mogelijk met alle leven op aarde, bijvoorbeeld door een wereldwijde kernramp.

Zo’n uitdoving is geen uniek feit, zo leert enig opzoekwerk: ze behoort tot een natuurlijk geologisch ritme. Sinds het Cambriumtijdperk (circa 500 miljoen jaar geleden, waar vermoedelijk de eerste levende organismen ontstonden) zijn er al vijf totale “extincties” geweest. Momenten dus waar alle leven op aarde verdween en er terug van vooraf aan te beginnen viel.

Gezien het cyclisch karakter van die uitdoving, is de vraag waar wij staan in dit verhaal. Kunnen wij het einde tegenhouden? En hoeft het eigenlijk wel? Wordt collectieve overlevingsdrang op een bepaald moment niet lachwekkend en zelfs psychotisch?

Vertigo

Vinci3Sinds de industriële revolutie in de 18de eeuw, maar eigenlijk al sinds 1500 en de homo universalis van Leonardo Da Vinci, is het geloof in de mens als heerser van de aarde onwrikbaar. Techniek en wetenschap zouden ons verder van de natuur vervreemden, maar dan in de positieve zin, namelijk van de totale maakbaarheid van mens, wereld en samenleving. De vliegende constructen die Da Vinci verzon geven, meer dan welke ontwerpen ook, die droom weer: door in de lucht te blijven en niét te vallen, zou de mens uiteindelijk de zuigkracht van de aarde kunnen negeren en de dood overwinnen.

Na twee wereldoorlogen, Hiroshima en Tsjernobyl is de droom een nachtmerrie geworden, en is het pre-apocalyptische denken haast standaard. Dat gaat gepaard met een soort duizeling, een vertigo die opkomt als men een afgrond in kijkt. Het wetenschappelijk discours is, naar het einde van de 20ste eeuw toe, vrij snel omgeslagen van optimisme naar regelrechte alarmkretologie. Van het rapport van de Club van Rome (1972) over Kyoto tot Al Gore,- overal wordt de alarmklok geslagen en wordt het idee gepropageerd dat alleen een drastische ommekeer de mensheid nog voor de ondergang kan behoeden.

De angst voor de dood heeft zich meester gemaakt van onze planetaire cultuur waardoor, paradoxaal genoeg, de globale levenskwaliteit zienderogen verslechtert. Want dit ecohumanisme zal eindigen in een nieuwe totalitaire wereldorde die de individuele vrijheid geheel ondergeschikt maakt aan een collectief overlevingsprogramma. We moeten minder kindjes kopen, minder vlees eten, minder reizen, minder ademen, minder uitscheiden. Dat zijn uiteraard groepsegoïstische strategieën die voortkomen uit een onvermogen om met de eindigheid te leven, en de mens als een tijdelijk verschijnsel op deze aardkluit te accepteren.

Icarus

IcarusEr zijn nochtans andere manieren om met de ondergang om te gaan. Niets is namelijk blijvend, en maar goed ook. Een mens leeft met wat geluk 80 jaar, het geslacht homo 2 miljoen jaar. Binnen 900 miljoen jaar ontploft de zon (het leven op aarde zal al veel eerder onmogelijk zijn), binnen 100 miljard jaar klapt het heelal ineen. Al deze eindigheden maken ook de menselijke beschaving tot iets betrekkelijk, om niet te zeggen futiel. Van daaruit ontstaat iets dat de mens pas echt groot maakt: het vermogen om met alles te kunnen lachen, ook met zichzelf. Ook en vooral dus met zijn eigen gespartel op de roetsjbaan. Dag in, dag uit.

Niemand heeft het komisch-esthetisch karakter van de val treffender gestalte gegeven dan Pieter Brueghel in zijn “Val van Icarus” (1558): een mythologisch drama dat herleid wordt tot de afmeting van een been dat uit de zee steekt (rode cirkel). Sisyphus, Prometheus en Icarus, alle drie in één beweging belachelijk geworden. Voor de rest ploegt de boer verder en is er quasi-niets gebeurd. Grandioos.

Sindsdien is Icarus ontelbare malen geparodieerd, terwijl hij zelf al een clowneske figuur was. Zo zijn er filmpjes bewaard gebleven van “luchtvaartpioniers” die met een zelfgemaakt vliegtuig een bergwand afspringen en genadeloos crashen. Ze zweefden niet even, het ging gewoon vertikaal naar beneden. Een valversnelling die onzacht eindigt. Boem-knots, applaus, gelach.

Het bestaan, als één lange val in slow motion: pas als men dààr het komische van inziet, is men klaar voor het echte leven.

De lucht- en ruimtevaart moet men dan ook veeleer zien als parafrases op het vallen dan op het stijgen. De ontploffing van de LZ129 Hindenburg in 1937 (een reusachtige sigaar, gevuld met super-explosief waterstof!), de explosie van de Challenger in 1986,- het zijn maar een paar momenten in een techno-komedie waarvan men niet weet wat het eigenlijk het echte doeleinde was: in de lucht blijven of neerstorten. De pioniersperiode van de luchtvaart en de bloeitijd van de slapstick overlappen elkaar overigens perfect, ik spreek van de periode tussen 1900 en 1930. Het ziet ernaar uit dat de ene zich in de andere spiegelde, en dat het gooi- en smijtwerk van Buster Keaton en Laurel & Hardy de Icarus-mythe parodieerde, als voorsmaakje van de grote crash.

Pisa

PisaHet vallen, wat we doen sinds we kunnen lopen, is niet alleen een accident-de-parcours maar ook een oefening in het mislukken, het sterven en het uitsterven. Dat klinkt natuurlijk heel raar voor moeders die hun kinderen leren lopen, terwijl ze nochtans heel goed weten dat ook voor kinderen de foute, fatale trajecten veel aantrekkelijker zijn dan de veilige.

Eens de druk wegvalt om zoveel mogelijk menselijke biomassa te conserveren en deze beschaving, die er toch geen meer is, zo lang mogelijk te rekken, zou men eindelijk de schoonheid kunnen inzien van een natuurlijke orde die ook de homo sapiens op zijn plaats zet, en tot een tamelijk onbenullig-komisch intermezzo herleidt. Niet eens een voetnoot in de geschiedenis van de planeet aarde, die overigens veel beter af is zonder de menselijke soort. Er zijn dus redenen genoeg om de lichte paniek van milieubeweging niét te delen: als het mensdom verdwijnt, eventueel met heel de schepping erop en eraan, dan kan het verhaal herbeginnen, hopelijk niet met dezelfde plot. Comoedia finita est, zoals Desiderius Erasmus op zijn sterfbed zei.

Existentieel opent dit de weg naar de esthetische levensbeaming: het is vooral kwestie om traag te vallen, een quasi-zweefvlucht dus. Niet de zwaartekracht negeren, maar ermee te flirten in een dansende para-chute. Icarus, maar dan duizend keer trager. Misschien is dat wel de ultieme zin van kunst: het ver-val verder verfijnen.

Met scherts en gelach moet zo’n trage val gepaard gaan: rond de toren van Pisa, die toch tot neerstorten gedoemd is, heerst niets dan leut. 

In de limiet is elke constructie, elk gebouw een ruïne, vanaf dag één. Weinig architecten kunnen met die ironische gedachte om. Tegen alle principes van stabiliteit in, regeert en schittert de overbekende toren van Pisa als een monument van de vergankelijkheid: een bouwsel dat steeds schever zakt, door de drassigheid van de ondergrond,- een misrekening van de architect dus. De kromheid waarmee men de inclinatie wou corrigeren, en waardoor de toren een soort banaanvorm krijgt, vergroot nog het komisch effect. Alle vertigo is hier verdwenen. Ondanks stabilisatie- en restauratiewerken is en blijft deze toren een landmark door zijn gebrek, en door het duurzaam vooruitzicht van de instorting. Ooit zal dit natuurlijk gebeuren, en het zou een moment kunnen zijn om naar uit te kijken, een feest. Met scherts en kermistoestanden moet zo’n trage val gepaard gaan: rond de toren van Pisa, die toch tot neerstorten gedoemd is, heerst niets dan leut. De collaps wordt hier niet meer als verschrikking ervaren, maar als de bekroning van een trage valbeweging. Het is zelfs niet nodig om torens te doorboren, zoals Bin Laden dacht: ze slopen zichzelf. Zoals elk leven dat ook doet. En net daaruit zijn zin put.

Star trek

star trekDit maar om te zeggen dat ik me terug verzoend heb met de homo sapiens, en zelfs met heel de technisch-wetenschappelijke industrie, net door het onophoudelijk falen. Uiteindelijk blijft de mens een sympathieke knoeier, wiens technologisch vernunft slechts schijnbaar in dienst staat van de vooruitgang. Veel fundamenteler is de onbewuste inbouw van het defect, de misrekening, de bug, waardoor kerncentrales barsten en vliegtuigen van de radar verdwijnen.

Het enige wat men met vertwijfelde doempredikers en overlevingshumanisten à la Vermeersch zou kunnen doen, is hen op een ruimtetuig zetten, in de hoop dat de menselijke beschaving via hun excellente genen een buitenaards verlengstuk krijgt. Maar is een mens buiten de aarde nog een mens? Is ons aardse kompas vervangbaar door een ander? En vooral: wat hebben wij, zelfmoordpiloten, het universum aan te bieden?

Volgens bepaalde complottheorieën wordt alleszins de buitenaardse exodus voorbereid, in de grootste discretie, door een elite die zich momenteel verzamelt in geheimzinnige clubs zoals de Bilderberg-groep, de Cercle de Lorraine, de loges, of de Marnixring. Sommigen willen zich na hun dood laten invriezen, om alsnog op de kosmische trein te kunnen springen. Via een interplanetair vehikel zou een ultieme keur van menselijke genen,- een selectie waarvoor hogervermelde professor, in tegenstelling tot u en ik, zeker een kans maakt,- ergens in de kosmos kunnen neerstrijken om de post-terrestrale Ubermensch te laten floreren.

We zijn de risée van het heelal, hooguit figureren wij ooit als stof voor een intergalactische sitcom.

Het latente isolationisme van schrijvers, geleerden, Nobelprijswinnaars, is gericht op die hypothetische ontsnappingsroute, een idee dat er ergens op een kritiek moment een ruimteschip zal klaarstaan om hen op te pikken. Na de bijbelse Ark en de Christelijke apokalyps, twee religieuze procédés om de uitverkorenen te selecteren, bestaat er nu een ook atheïstische heilsverwachting, die des te sterker is, omdat ze tot een ongeschreven code behoort. Wie schrijft die blijft, en krijgt een ticket. Plaats noch tijdstip van vertrek staan vast, maar men moet zich klaar houden, en oefenen in het afscheid, via contemplatie en goed uitkijken naar geschikte startplaatsen voor de ten-hemel-opneming.

Het klinkt hilarisch, en dat is het ook. Vijf minuten common sense volstaan immers om door te hebben dat ook het geheime ontsnappingsproject van de ingewijden nu al tot de betere slapstickhumor mag gerekend worden. Captain Kirk, Doctor Spock en hun Enterprise zullen de Hindenburg en de Challenger achterna vliegen, tenzij ze niet eens van de grond komen.  De kosmos is geen optie, de ruimtevaart zal ons niet redden. Want laat ons eerlijk zijn: om écht de zwaartekracht te overwinnen en van deze aardkluit te springen, zijn we gewoon veel te dom.

Het is anderzijds ondenkbaar dat buitenaardse beschavingen zich met deze tot uitsterven gedoemde planeet zouden moeien. Waarom zouden ze? Best mogelijk dat er ergens een troepje uitverkorenen met hun koffers staat te wachten, maar er zal niets uit de lucht vallen, tenzij het eigen schroot. We zijn de risée van het heelal, hooguit figureren wij ooit als stof voor een intergalactische sitcom.

En ja, ik beken: ook ik heb daar als ambitieuze jongeman in geloofd,- in het idee dat de besten zullen overleven, dat “iets” op ons wacht. Na menig bananenschil heb ik het komische daarvan echter ingezien, en zijn de koffers allang terug uitgepakt. Terug van nooit weg geweest. Ach, we vallen en mislukken heel ons leven lang, dat is toch grandioos. Ik kan nu met een gerust geweten mijn energie verbranden, mijn woorden verspreiden en mijn zaad verspillen, in het besef dat de (d)evolutie haar gang moet gaan en dat vluchten geen optie is. En onsterfelijkheid geen perspectief. En dus de overlevingsstrategie geen dogma. Het doemdenken voorbij. Boem, paukeslag, laat het feest beginnen!

 

Hoe de waarheid wordt uit een leugen

Ja, we stammen van de apen af. En ja, de aap is iets dommer, onhandiger, minder geëvolueerd. En wij dus iets meer. Zo ongenadig Siegmund Freud als pseudo-wetenschapper vandaag wordt afgebrand, zozeer wordt Charles Darwin, bedenker van de evolutietheorie, door de nieuwe lichting wetenschapsfilosofen verheerlijkt. Dat is opmerkelijk, want Darwin was, om in hun terminologie te blijven, een minstens even groot fantast en mythomaan als Freud. Er zijn nog meer gelijkenissen tussen beiden.

Van zoo naar zoölogie

aap

Tommy, London Zoo, ca. 1835

In 1871 verschijnt Darwin’s werk “On the Decent of Man, and Selection in Relation tot Sex”.     Niet alleen de theorie is fascinerend, maar ook de mythevorming is interessant,- mythes die Darwin deels zelf verzon en in stand hield.

Inderdaad, parallel met zijn actuele heiligverklaring komt ook steeds weer de legendarische onderzoeksreis (1831-1836) met het schip de Beagle op de proppen,- een reis waarin Darwin Zuid-Amerika, Australië, het zuiden van Afrika en diverse eilandengroepen in de Grote en Indische Oceaan bezocht. Dààr zouden de ideeën van de evolutietheorie vorm hebben gekregen rondom het provocatieve idee dat “de mens van de aap afstamt”. Daar, tussen de Galapagosschildpadden en de Falklandwolven, zijn de embryo’s van de latere theorieën ontstaan, daar kreeg de wetenschapper zijn geniale flits, voldoende om de rest van zijn levenswerk te voeden.

Jammer genoeg is dat een exotische fabulatie, geïnspireerd op de 16de– en 17de eeuwse ontdekkingsreizen. De waarheid is prozaïscher. Meer dan waarschijnlijk kreeg Charles Darwin de “flits” gewoon in de  door hem druk bezochte Londense Zoological Gardens. Al in 1835 was daar de eerste chimpansee aangekomen, Tommy genaamd. Hij kreeg dadelijk een streepjestrui en zeemanspet opgezet, en werd in een humanoide setting geplaatst, inclusief meubilair en allerlei huishoudelijke toestanden. Best mogelijk dat de oppassers die chimpansee ook min of meer als “menselijk” beschouwden. Met de zebra’s of de pythons beoefenden ze dat soort travestieën in elk geval niet. Tommy werd als huisdier behandeld: een dier dat men per definitie niet opeet of uitbuit, maar dat integendeel cohabiteert met de menselijke “meester”, die er soms zelfs een slaaf van wordt.

Darwin haalde dus de mosterd bij de oppassers van het Londense apenkot…. men dien verstande dat de empathische relatie met het huisdier er voor hem te veel aan was. Dus moest Tommy ingeframed worden in een theorie,- een afstammingstheorie nog wel, van het meer “beschaafde” uit het meer primitieve. Van zoo naar zoölogie dus. Of hoe de waarheid wordt uit een leugen.

Darwin haalde zijn ideeën gewoon bij de oppassers van de Londense Zoo, en fantaseerde zich vervolgens een wetenschappelijke ontdekkingsreis.

Dat doorkruist niet alleen de klassieke Darwin-urban legends, het plaatst ook de evolutieleer in een ander perspectief. Het lijkt erop dat Darwin die geklede aap ook terug wou uitkleden en in een hiërarchisch model plaatsen, waardoor hij een prototype, een primitievere voorvorm werd van de homo sapiens. Dat klopt uiteraard chronologisch, als paleontologie. Maar Darwin, die diepgelovig was, en een aanhanger van de Intelligent Design-doctrine, wou ook wetenschap en geloof verzoenen, vanuit de premis dat de mens de kroon is op de schepping.

Vercammen

Alexandra Vercammen en haar hangbuikzwijn

Darwin heeft Tommy dus uitgekleed en de aap terug verdierlijkt. De aap belandde, als specimen én species, terug op de ladder, ergens onder de homo sapiens. Terwijl de relatie tussen mens en huisdier deze verticale stelling negeert, bevestigt het boek “On the descent of Man…” hem terug. Een verdekte theologische ingreep, me dunkt.

Nog breder genomen, lijkt dit op een usurpatie die men als typisch mannelijk-intellectualistisch-Cartesiaans kan zien. We geven onze kat een rokje en zetten de hond mee aan tafel, maar ergens moet er dan altijd een theoreticus uit de hoek komen die de kat en de hond terug plaatst waar ze thuishoren, namelijk bij de primitievere zoogdieren en onder tafel. Geklede chimpansees horen niet thuis in de taxonomie noch in het evolutiestelsel. Ze verwarren de theoretici en maken het abstracte terug concreet. Meer en meer verschijnt de abstractie zelf als een mannelijk-rationele gewelddaad, om niet te zeggen: een machtsgreep. Ab-stractie, dit woord letterlijk te nemen: ont-trekken. Zoals het hangbuikzwijn, waar Alexandra Vercammen tot 2009 mee samenleefde, ook op gerechtelijk bevel werd afgevoerd.

Drie vrouwen, drie huisdieren

Mahler

Mahler, Alma en kinderen,

Onthoud alvast dat de abstractor Charles Darwin de huisaap Tommy ont-domesticeerde om in zijn groot plakboek te kunnen opnemen. En dat deze ontvreemding gebaseerd is op een vorm van intellectuele diefstal, toegedekt door een  stoer jongensverhaal, zijnde dat van de Beagle-expeditie. Diefstal, zei u? Ik ben ooit eens begonnen met een inventaris te maken van briljante mannen die op een of andere manier hun schittering ontleenden aan een wellicht nog briljantere vrouw, waarvan het licht uiteraard niet mocht schijnen.

Ik denk bv. aan Martha Bernays. Weinig kans dat de naam u iets zegt. Uit recent ontdekte briefwisseling kan men afleiden dat zij de principes van de psychoanalyse ontdekte, en dat Freud er achteraf wereldberoemd mee werd. Was zij zijn muze, of kunnen we hier gewoon van plagiaat spreken? (Zie ook het boek van Françoise Xenakis: “Zut, on a encore oublié Madame Freud”).   Freud zweeg er in elk geval in alle talen over, tenzij over… “zijn Muze”.

Ik loop even verder tot bij de illustere onbekende Mileva Maric. Ze was een briljant natuurkundige, gehuwd met een zekere Albert Einstein. Men vermoedt recent dat het basisidee van de relativiteitstheorie van haar afkomstig is, wellicht in bed toevertrouwd, en dat Einstein er op voortborduurde, via de erotogene formule E=mc2 , waarbij de massa (m) het vrouwelijk element is en de lichtsnelheid (c) het mannelijke. Een alchemistisch-hermafrodiete formule dus, die als het ware in haar lijf zat. Doch hola, geen energie zonder massa? Geen (mannelijke) wetenschap zonder vrouwelijke intuïtie?  Hij dumpte haar op tijd en hertrouwde. Niemand heeft verder nog iets van Mileva Maric gehoord…

Mileva had de relativiteitstheorie in haar lijf, maar Albert ging met de pluimen lopen: wie schrijft, die blijft.

Hetzelfde geldt, in een nog veel dramatischer vorm, voor een andere zogenaamde muze die anoniem moest blijven: Alma Mahler-Schindler, echtgenote van de componist Gustav Mahler. Ze was zelf een begaafd componiste, maar Mahler verbood haar te componeren. Het was ondenkbaar dat zij, als vrouw van het genie, ook maar één noot op papier zou zetten. Als kers op de taart bezong hij in de bekende Kindertotenlieder (1905) de dood van hun kinderen, tot afgrijzen van Alma. Ik haal deze drie vrouwen als voorbeeld van een veel omvangrijkere reeks, waarin de man zijn geklede apin terug ontkleedt en met de intellectuele buit gaat lopen.

vrouwen

Martha, Mileva en Alma: in de schaduw van het “genie”

Het mannelijk parasitisme is dus niet alleen sociaal-biologisch-familiair, maar vooral ook intellectueel. Men zou heel de geschiedenis van de wetenschap, én de wetenschap zelf, kunnen herschrijven vanuit die anonieme “muze” waarvan de wijsheid in een vertekende, geabstraheerde vorm werd genotuleerd tot theorie, leer, Boek. Vrouwen leven en beleven, mannen schrijven en beschrijven. Maar het leven is er eerst. Dus richt dat beschrijven zich tegen leven zelf én tegen de vrouwen die het be-leven. De geschreven cultuur is een doodscultuur.

De relativiteitstheorie én de psychoanalyse zijn dus maar “extracten” van een diepere kennis. Maar hoe die reconstrueren? Teruggaan naar het origineel, het lijkt ondenkbaar, want noch Martha, noch Mileva, noch Alma lieten enig geschreven spoor na,- dat werd hen uitdrukkelijk verboden door de Meester. Alleszins is het wel een aansporing om vandaag op zoek te gaan naar die sporen van wijsheid die onopgemerkt, anoniem, soms subversief tegen hét geofficialiseerde Weten ingaat. Deze vrouwelijke tegendraad ontdekken we o.m. in de alternatieve geneeskunde en de homeopathie, zgn. “pseudo-wetenschappen” waar de Darwin-apologeten enorm tegen te keer gaan. De cirkel is rond.

Abstractio en dismembratio: het exploot van de TV-kok

HuysentruytIk eindig opnieuw met de zoölogie, ditmaal in een culinair perspectief. Onlangs besloot TV-kok Piet Huysentruyt om de evolutietheorie gastronomisch te verfijnen, en wel door een levende kreeft een voor een de scharen af te breken, in twee te snijden en daarna op een vuur te roosteren. Vooral de triomfantelijke grijns van deze homo sapiens doet terugdenken aan de stelende intellectueel, nu uitgebalanceerd tot beul. Blijkbaar moeten het mannelijk-culinair intellect zichzelf bewijzen via een sadistisch soort machtsvertoon, bij voorkeur uit te werken op dieren die eigenlijk te jong zijn om te slachten. De gesublimeerde kindermoord, merkwaardig, dat Dutroux-trekje. Of het gastronomisch equivalent van de Kindertotenlieder.

Ik doe ook hier even de revue. Zo kan voor Peter Goossens van het Hof van Cleve het vlees niet jong genoeg zijn. “Melklam uit de Pyreneeën”, en Roulade “van een kalf dat nooit buitengelopen heeft” behoren tot zijn favoriete gerechten,- zo lezen we op het menu. Hoger vernoemde Piet Huysentruyt serveert dan weer met graagte “Piepkuiken op grootmoeders wijze”,- minuscule porties babyvlees waarvan er vermoedelijk een hele klad in de pan belanden om de normale honger te stillen. TV-kok en chemieprofessor Herwig Van Hove zag ik ooit eens met een sardonische grijns levende paling villen en in hete olie gooien.

De sadistische TV-kok: nooit was de karikatuur van de evolutietheorie zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

kreeftMaar nu dus Piet. Hij heeft de vrouwen uit de keuken verjaagd en demonstreert waar het mannelijk abstractievermogen toe in staat is. Met de dismembratio van de kreeft verdonkeremaant Piet H. ook deskundig elk spoor van vrouwelijk-empathische attitude tegenover de natuur en het leven. Nooit was de karikatuur van de evolutietheorie, als apologie voor de homo sapiens, zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

Wat daarna in de media volgde, was een fijne academische discussie over de vraag wat zo’n kreeft nu precies voelt. Uiteraard weten wij het niet, we kunnen het niet vragen. De grote filosoof René Descartes geloofde alvast dat geen enkel dier tot lijden in staat is, wat de liefhebbers van vivisectie een paar honderd jaar lang als een vrijbrief hebben gezien voor de meest walgelijke experimenten.

Er is dus reden om te twijfelen aan de evolutietheorie. Niet feitelijk-paleontologisch, zelfs niet moreel of laat staan religieus, maar vooral vanuit de antroposofie,- vreemd, ik heb dat woord nooit eerder gebruikt. Zowel de evolutietheorie, de psychoanalyse als de relativiteitstheorie  lijken maar fantasmen, apocriefe aftreksels van iets veel wezenlijker, waar de mannelijke geest nauwelijks aan kan. Van Darwin tot Huysentruyt, en over alle andere genieën, hangt een zweem van machtsvertoon, opportunisme en leugen-om-bestwil. Blijven zoeken dus naar de verzwegen bron waaruit ze hebben geput.

De cybernetica, een vrolijke wetenschap

WienerDit jaar is het een halve eeuw geleden dat Norbert Wiener (1894-1964) stierf, de vader van de moderne cybernetica. Het ziet er niet naar uit dat dit tot grote festiviteiten aanleiding zal leiden, hoewel deze raamwetenschap, die eigenlijk alle disciplines voedt,  als de apotheose van de natuurkunde moet beschouwd worden.

Norbert Wiener was zijn academische loopbaan gestart als zoöloog, schakelde over op filosofie en eindigde als wiskundige. Interessante wendingen, in het licht van ons verhaal. De titel van zijn sleutelwerk uit 1948, “Cybernetics or Control and Communication in the Animal and the Machine” zegt het al helemaal: er is geen wezenlijk verschil tussen een menselijk lichaam (met temperatuurregeling) en een WC-spoelsysteem (met bewegende vlotter die op een zeker niveau de watertoevoer afsluit). Beiden doen aan processturing en staan in interactie met de omgeving. Er is een input, een verwerking van dat signaal, en een output of terugkoppeling. Met Norbert Wiener wordt eindelijk de (metafysische) scheiding opgeheven tussen levende en dode materie.

De subjectiviteit als kanker

Via dit radicale denkbeeld kan men ook de mens zien als een van sensoren voorziene automaat die signdebatalen verwerkt en feedback geeft aan zijn omgeving. De dood (entropie) treedt op als die kringloop stokt. Communicatie moet zo min mogelijk metaforisch verlopen: de kortste weg is altijd de beste, hoe concreter hoe beter. De cybernetica is dan ook door-en-door prozaisch en weigert elk flou artistique tussen zender en ontvanger.

Vandaag zou men Wiener een autist of een Asperger-patiënt genoemd hebben. Gelukkig bestonden die ziektes toen nog niet en ging hij gewoon door het leven als een eigenzinnige theoreticus die zijn denkbeelden briljant én verbeten uitdroeg. De cybernetica is desondanks nooit populair geworden, en is zelfs vandaag nog altijd een vies begrip, mede dankzij apocalyptische robotfilms.

Toch is de boodschap van de cybernetica ecologisch en zelfs holistisch: heel de kosmos wordt opgevat als een systeem van systemen die in interactie zijn en een evenwicht uitmaken. Het geautomatiseerd karakter van dit proces druist in tegen elke religieuze levensbeschouwing, maar ook tegen de humanistische ethiek, allerhande levensfilosofieën en de zelfaanbidding van de zgn. “creatieve mens”. Er valt namelijk niets te creëren, alles draait op dynamische schablonen, routines en algoritmen die pragmatisch hun nu of onnut bewijzen. Er is geen god, geen almacht, geen leider, geen onbewogen beweger. In die zin is het woord “cybernetica” (stuurmanskunst) zelf een misleidende metafoor, want er is helemaal geen stuurman, de systemen sturen zichzelf.

Uiteraard zijn hier raakpunten met de evolutietheorie, die eveneens uitgaat van “automatische” veranderingsprocessen en aanpassingstrategieën. We zijn rechtop gaan lopen om beter te kunnen zien en we hebben snijtanden omdat we vleeseters zijn. Daar hoeft geen externe bestuurder aan te pas te komen: wat zich niet aanpast sterft af. Het individu speelt de kaart van de soort, en de soort creëert het individu.

De taal corrumpeert de communicatie, creëert het misverstand en blokkeert de feedback.  Het is volstrekt zinloos om onze intelligentie op die manier verder te ontwikkelen…

Maar op een zeker moment geraakt die logica verstoord, net daar waar de mens verschijnt en de herseninhoud gestaag toeneemt. U wil namelijk helemaal geen voertuig van de menselijke soort zijn, geen schakel van een ecosysteem, geen stukje van de evolutie, en zelfs niet van de geschiedenis. U wil gewoon… zichzelf zijn,- en dat is niet persé goed voor u zelf, laat staan voor het menselijk ras. Heel onze moderne samenleving is in dat bedje van het ontaarde subject ziek.  Alles is gericht op persoonlijke ontwikkeling, profilering en zelfverwezenlijking. Het schisma tussen individu en gemeenschap is onoplosbaar en neemt toe, naarmate onze herseninhoud groter wordt. Een fatale dynamiek.

In een bepaald stadium manifesteert die subjectiviteit zich echt als een kanker, een zich uitzaaiende bron van vervuiling en zelfdestructie. U drinkt, u rookt, u twittert, u schrijft gedichten, u valt schietend binnen in een kinderdagverblijf, u pleegt zelfmoord. U luistert naar symfonieën maar u maakt ook kernbommen.  Het Darwinisme geraakt niet uit deze paradox van het intelligente, egoistische dier dat zijn eigen voortbestaan doorlopend hypothekeert. Individueel én collectief.

Daarmee is de evolutieleer zelf passé. En het is de taal, de vergevorderde, symbolische en metaforische mensentaal, die het morbide karakter van ons intellect aantoont. De taal corrumpeert de communicatie, creëert het misverstand en blokkeert de feedback.  Het is volstrekt zinloos om onze intelligentie op die manier verder te ontwikkelen en het subject “literair” te omzwachtelen via allerlei hermetische codes.  Vaagheid en ruis hullen zich in een steeds grotere, dichtere wolk,- een pathologische nevel van privé-signalen die nergens meer uitkomen. Iedereen lult maar wat voor zich uit, in naam van de vrijemeningsuiting, de democratie en de artistieke vrijheid. De entropie is onontkoombaar.

De objectiviteit van het insect

Het bizarre nu is, dat zogezegd “lagere” diersoorten dat probleem helemaal hebben opgelost. Vooratermietenheuvell de insecten, meerbepaald mieren, bijen en wespen, hebben de subjectiviteit geannuleerd en de groepsidentiteit geperfectioneerd tot dé identiteit. Als u een mier ziet lopen, denkt u het met een levend wezen te maken te hebben, terwijl het eigenlijk een fragment is van het echte organisme, zijnde de kolonie. Hun cybernetisch systeem vertoont totaal geen kloof tussen het geheel en de delen. Als een mierenzwerm een rivier oversteekt, vormt ze een levende brug waarbij er wel een paar honderduizend exemplaren verdrinken, zonder dat de kolonie ook maar één moment wordt bedreigd.

Het lijkt een fascistisch denkbeeld om dat op de mens toe te passen: de groep als zwerm, waarin het individu totaal verdwijnt. Toch is de mierenkolonie geen hiërarchische structuur met een leider en een repressiemechanisme, maar een cybernetisch systeem met een immanente orde. Ze is zowat 145 miljoen jaar geleden ontstaan (voordien waren de beestjes wél solitair) en mag eigenlijk als de échte kroon van de evolutie beschouwd worden. Het insect is als het ware een fascinerend model van objectiviteit,- het is ondenkbaar dat een specimen hier zou uitwoekeren tot subject met een eigen agenda.

De bioloog Mark Moffet bestudeerde het intern communicatiesysteem van de mierenkolonie, gebaseerd op de uitwisseling van feromonen ofte geursignalen. Geen enkel flou is hier mogelijk: deze “taal” is volstrekt ruisvrij en te vergelijken met de intercellulaire communicatie binnen een gezond lichaam. Verwar dit fenomeen vooral niet met antropomorfe begrippen zoals “solidariteit” of sociale cohesie in de menselijke samenleving: hier is geen communicatiewetenschap nodig, er moet hier geen individualiteit getemperd worden, geen egoïsme beteugeld, geen democratie gereguleerd, omdat het individu gewoon niets betekent. Daardoor is ook de dood onbestaande, de kolonie sterft nooit.

Het moderne verkeer is een tragikomische illustratie van onze onmogelijkheid om insect te worden: een chaotisch gewriemel van subjecten zonder doelmatigheid.

En raar maar waar: het houdt niet op bij de perfecte architectuur van de termietenheuvel en de volmaakte groepsobjectiviteit. Recente studies hebben uitgewezen dat deze heuvels volgens een welbepaald patroon worden opgetrokken, die een maximale output oplevert voor het ecosysteem van de Afrikaanse savanne: verluchting en bemesting van de bodem, aantrekken van micro-organismen, stimulering en versterking van de voedselketen. Ze zijn niet alleen gericht op de instandhouding van de eigen populatie, ze zijn ook nog eens landschapsarchitecten en integrale tuiniers van het savanne-biotoop. Anders gezegd: de termieten creëren zowel op micro- als op macrovlak de beste van alle mogelijke werelden.

Nu pas blijkt in wat voor eFRANCE-TRAFFIC-HOLIDAYSen inferno wij zijn terecht gekomen: een wriemelende massa die constant overhoop ligt met zichzelf, met een toenemende repressie als enig alternatief. L’enfer, c’est les autres. Het moderne verkeer is een tragikomische illustratie van onze onmogelijkheid om insect te worden: er is wel de massa, de chaos van individuen (kevers), maar er is geen objectieve doelmatigheid die hen uit dat individu-zijn ontheft. Er zijn regels (nu weer over het ritsen), maar ze worden nog het liefst genegeerd. Er zijn wegwijzers, markeringen, flitspalen, agenten, terwijl de oorlog van allen tegen allen toch blijft voortduren. Niet omdat we zo oorlogszuchtig zijn, maar gewoon… omdat de ego-pathologie, het primaat van de individuele existentie, ons parten speelt.

Biobot x drone: de kosmische libelle

Zo bekeken zit onze tijd erop, we kunnen de evolutie niet meer terugdraaien. Om het echter niet simpelweg aan de mieren, wespen, bijen, sprinkhanen en kakkerlakken over te lbiobot2aten,  zouden we met een ultieme, allerlaatste krachtinspanning van de ratio nog onze opvolger kunnen vormgeven, met de natuur als model. Een kunstinsect dus? Zoiets, ja.

Na jarenlang hun tijd verknoeid te hebben met een mistige zoektocht naar het Higgs-boson, zijn ze op de Harvard-universiteit (waar ook ene Norbert Wiener gedoctoreerd had, de cirkel is rond) eindelijk tot het inzicht gekomen dat het menselijk kennisproject zijn afscheidsfeestje mag vieren via de ontwikkeling van een robotpopulatie die compleet als een termietenkolonie werkt. Deze biobots zijn in staat om een kathedraal te bouwen zonder plan of architect. Ze gebruiken wat ze kunnen vinden, lopen elkaar nooit in de weg, en communiceren volgens een simpele binaire code. Het toevoegen of verwijderen van een aantal van deze biobots verandert niets aan de programmatuur, het zal alleen wat sneller of trager gaan.

Als mega-kolonie van vliegende kunst-insecten zullen ze een superidentiteit vormen die wellicht zelfs interplanetaire bruggen kan leggen…

Onderschat deze artificiële insecten niet. Dankzij de ‘intelligentie van de zwerm’ kunnen de biobots hun constructie flexibel aanpassen aan de situatie ter plaatse, ook al is die niet op voorhand gekend. Ze merken ook wanneer het fout begint te gaan, en breken het foute deel dan weer af, en dit zonder centrale planning. Deze verzoening van biologie en cybernetica maakt de plaats vrij voor de eindelijke geboorte van het menselijk insect, niet vanuit de biologische evolutie maar als ultiem, onbaatzuchtig product van het menselijk brein.

Van zodra ook hun voortplantingssysteem op punt staat (aseksueel, door cloning, zoals bij de “modernste” mierensoorten), kan het menselijk ras echt ophouden te bestaan. Ze werkdroneen op zonne-energie en bestaan uit bio-afbreekbare massa. Ik zie ook nog wel vleugels komen aan dat finale kunstinsect. Niet toevallig loopt de biobot-research in Harvard parallel met de ontwikkeling van de drones, kleine onbemande vliegtuigjes of helikopters. Momenteel is het nog ijzertuig, vooral ingezet voor militaire doeleinden, maar het lijdt geen twijfel dat ze snel zullen verburgerlijken en een huwelijk met de biobottechnologie zullen aangaan. Vergeet het gestuntel van Panamarenko en zijn veredeld schroot: hier komen de echte Batopillo’s. Als mega-kolonie van vliegende kunstinsecten, ietwat gelijkend op de reuzenlibellen uit het carboon, zullen ze een superidentiteit vormen die wellicht zelfs interplanetaire bruggen kan leggen, iets waar wij zelfs niet van kunnen dromen.

Daarmee opent de cybernetica –eindelijk- terug een oneindigheidsperspectief: de onsterfelijkheid van de kolonie en de uitgestrektheid van het heelal doen denken aan de filosofisch-dichterlijke luchtkastelen van weleer, maar dan zonder het filosofische, het dichterlijke en de luchtkastelen.

Norbert Wiener formuleert de melancholie van de menselijke intelligentie, maar heft ze meteen ook op in een vrolijke wetenschap, een ode aan het perfecte dier dat na ons komt. De menselijke geest die een kosmische libelle baart,- ruik ik daar zowaar toch een gnostisch verlossingsmotief? De Joodse afkomst van de atheïst Norbert Wiener is er misschien niet vreemd aan…

De 9 peperbollen, of de magie van het placebo

Nero3Het is onomstotelijk bewezen: naar Lourdes trekken doet hopeloze gevallen genezen. Waarom? Gewoon omdat de zieken en zuchtigen erin geloven, dat weet men zelfs ginder ter plekke, anders zou de handel in gewijd water er niet zo floreren. Het allergrootste argument pro religie is, dat zelfbedrog ook werkt. Daarmee is niet het bestaan van God bewezen –integendeel zelfs-, maar wel dat geloof een kracht op zich is, in staat om fysiologische processen diepgaand te beïnvloeden.

In de wereld van de farmaca zit men al langer met de handen in het haar over deze kwestie: van sommige geneesmiddelen weet men echt niet meer of ze chemisch werken, dan wel psychologisch, door autosuggestie van de patiënt, een fenomeen dat we kennen als het placebo-effect.

Fraude en fantasie

Dat schept opportuniteiten voor die sector (geen dure research meer nodig, gewoon een pilletje met de juiste kleur en een goed verhaal in de markt zetten), maar opent tegelijk een doos van Pandora. Want als neppillen werken, kan iedereen ze maken, en moet het woord “kwakzalverij” uit het woordenboek gebannen worden.

nero5Niemand weet dat beter dan madame Nero, die in het album “De negen peperbollen” (1956) heel het verhaal door pill    en pakt, haar aangesmeerd door zo’n zogenaamde kwakzalver, opdat haar man huiswaarts zou keren. Nero zit namelijk in Kenia, heeft daar de wonderbare plant met de negen peperbollen bemachtigd, waardoor hij allerlei onwaarschijnlijke exploten uithaalt. Zoals: een paar duizend kilometer naar huis lopen en letterlijk met de deur in huis vallen, aan het einde van het verhaal. Subtiele knipoog van tekenaar Marc Sleen: mevrouw Nero ziet haar wens in vervulling gaan met een placebo, maar ook die negen peperbollen waren waarschijnlijk nep om Nero in zijn kracht te doen geloven, en zo is heel het verhaal een wondermiddel voor de goedgelovige lezer die zichzelf trakteert op een rondje stripplezier. Over de wonderbare kracht van kunst en literatuur, straks meer.

Is het immoreel om te geloven?  Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Eerst nog iets over geneeskunde en de farma. Binnen de pillensector groeit dus het besef dat ook een klassiek geneesmiddel berust op het placebo-effect. Er zijn al complete operaties gedaan met nep-pijnstillers zonder werkzame stoffen. Gekleurde suikerklontjes als het ware, die iemand quasi-compleet gevoelloos maken omdat hij/zij denkt dat het middel verdovend werkt. Leg dat maar eens uit. Klassieke geneeskunde en homeopathie kunnen zich nu met elkaar verzoenen na eeuwen vijandschap: het ging bij die 9 peperbollen toch allemaal om verbeelding, inbeelding en zelfsuggestie. De magie heruitgevonden.

Dat noopt tot een herziening van de geschiedenis. Nadat wielrenner Lance Armstrong door heel de wereld verketterd werd als dopinggebruiker, en hem zijn zeven tourtitels werden ontnomen, komt nu ene Michele Ferrarri, Italiaans sportarts en dopingexpert, met de revolutionaire theorie af dat de dosissen die Armstrong nam te klein waren om enig fysiologisch effect te hebben. En dat ze als nep- en pepmiddelen moeten beschouwd worden, iets om hem een goed gevoel te geven en fluitend de Mont Ventoux te laten  oprijden. Lance Armstrong geloofde in het placebo en won. Een straf staaltje psychokinese. Gezien zijn wonderbaarlijke genezing van teeltbalkanker, niet eens zo’n gekke theorie. Sportlui zijn overigens buitengewoon bijgelovig. Voetballers die het slipje van hun vrouw of lief in hun broekzak steken, wielrenners die absoluut eerst hun rechterschoen moeten aandoen, een tattoo, een masquotte, men kan het zo gek niet bedenken. Doping of zelfsuggestie?

En geloof het of niet: al in 1956 won stripheld Nero, dankzij een van die negen zogezegd “magische” peperbollen,…een zware bergrit in de Tour de France met 38 minuten voorsprong. Waarmee Marc Sleen het exploot van Armstrong, een halve eeuw later, voorspelt, maar hem ook definitief vrijpleit. Doping? Nepdoping? Is het immoreel om te geloven? Is een fraudeur die in zijn eigen leugens gelooft en ze realiseert, een fraudeur? Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Het simulacrum

armstrongU begrijpt dat dit niet over pillen of sport gaat, maar stilaan een ontologische kwestie wordt. De positivisten zitten hier met een enorm probleem: het causaliteitsprincipe wordt genadeloos aangevreten, en, erger nog,- de schijn bestaat niet. Waarheid en geloof vallen samen, dankzij de psychosomatische wisselwerking tussen lichaam en geest, en de kracht van de autosuggestie. Geef iemand een pil die hem gewichtloos maakt, en het zal werken, als hij er maar hard genoeg in gelooft.

Het is via dat inzicht dat Jean Baudrillard (1929-2007), protestfilosoof uit de jaren ’60 en ’70 van vorige eeuw, zijn afschuw tegenover het simulacrum (de schijnwerkelijkheid die zich tegenover de echte werkelijkheid opdringt, vooral dankzij de massamedia) opgeeft, om uiteindelijk de universaliteit ervan te erkennen. We kunnen ons overgeven aan de schijn, omdat ze geen schijn meer is, ze hercreëert onze werkelijkheid en verandert uiteindelijk de wereld, ze bepaalt de geschiedenis,- in de eerste plaats de kracht van het mentale en de ontgrenzing van ons eigen lichaam. Het is een van die simpele wijsheden waar de jongens en meisjes van SKEPP compleet naast kijken:

Het zijn net de dingen die niét werken, die ons eigen systeem aan het werk zetten. Alles is suggestie.

Dat is perfect van toepassing op Lance Armstrong, maar uiteindelijk wellicht zelfs op elke vorm van “tekst” (discours, verhaal, mythologie) die ons leven vorm geeft. We kopen niet de naakte auto, maar vooral het verhaal rond avontuur, vrouwen, snelheid. Waardoor zelfs de file een virtuele race wordt, mede dankzij de autoradio en andere mobilotica. Het geluk wordt gecreëerd door de belofte erop. “Placebo” betekent uiteindelijk “Ik zal behagen” of “Ik zal gelukkig maken”. En belofte maakt schuld.

Het placebo is met andere woorden overal,- het kan natuurlijk ook omslaan in zijn tegendeel, namelijk het nocebo (ziek worden of sterven door iets te geloven), zoals bij een roker die zoveel doodskoppen op zijn sigarettenpakje heeft gezien dat hij echt kanker krijgt,- de moderne versie van de “vervloeking”. Buiten die twee is er haast niets meer dat ons psychisch en sociaal functioneren als consument, mediagebruiker, kiezer bepaalt. Baudrillard sluit het tijdperk van de metafysica definitief af, maar opent dat van de postmoderne magie en de nieuwe religiositeit, gebaseerd op een dialectiek van de schijn.

Cultuur, geluk, bewustzijn.

Vergeet het atheïsme en de vrijdenkerij, het mensdom is nog nooit zo bijgelovig geweest. Maken de iPasalond en de iPhone ons gelukkig, doet een verblijf op een all-in-resort op Tenerife ons op krachten komen? Jazeker, want de reclame belooft het ons. Men kan hier niet zomaar spreken van bedrog of indoctrinatie, want het “werkt” echt, het gaat om hypnotische rituelen die ons aanspreken en waaraan we ons willen onderwerpen. Tussen het product en de consument staat de tekst (bijvoorbeeld de reclame, de bijsluiter) die de waarheid herschept. De metatekst dus, over het product. Zo zal de bijsluiter van het medisch placebo meegaan in de illusie, en zo de (zelf)genezing uitlokken.

Grappig is dat die logica van de self-fulfilling prophecy ook werkt in de wereld van de Cultuur met een grote C. Vooral juist daar. De nieuwste roman van Dimitri Verhulst, de Oscargenomineerde film ‘The Broken Circle Breakdown’, de Nationale Gedichtendag, Alphavillle,…. ze verhogen mijn gelukscoëfficiënt, ze maken me slim, innerlijk rijk, bewust, omdat het protocol (het geheel van begeleidende teksten, catalogi, programmaboekjes, achterflappen,…) dat wil. Ze zijn cultuurplacebo’s in de ware zin van het woord. Ze creëren waarheid en bewustzijn daar rond, zingeving, zelfverheffing, vanuit een promotionele omlijsting. Het werkt, ik kan het u verzekeren. Ooit stuurde ik voor De Standaard (waar mijn naam sinds jaar en dag zorgvuldig wordt geweerd) een kritisch opiniestukje over Jan Fabre in, onder een vrouwelijk pseudoniem. Niet alleen werd het dadelijk gepubliceerd, ook de VRT-nieuwsredactie ging ijverig op zoek naar de auteur van die opzienbare bijdrage. Waardoor de echte schrijver werd betrapt. Ik, Lance Armstrong?

Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was.

Aan Marc Sleen en zijn peperbollenverhaal moest ik denken, toen iemand me vertelde dat hij naRosas een opvoering van de dansproductie “Eight Lines” (Anne Teresa De Keersmaeker) “als herboren naar buiten kwam”. Ik geloof hem: de krantenrecensies, heel het toeleven naar de voorstelling, de prijs van het ticket, de verplaatsing, de investering in tijd, energie en Euro’s,… schept een zodanig verwachtingspatroon dat men de euforie zelf creëert. De prijs draagt bij tot de autosuggestie. Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was. Kritiek is hoe langer hoe minder een maatstaf. Het veroorzaakt alleen maar wrevel, ongemak, frustratie, ongeluk.

Vooral bij De Keersmaeker heb ik altijd de indruk gehad dat de metatekst over het ding, de naam, de status, het programma, belangrijker is dan het ding zelf. Bedoel ik nu dat de schoonheid van “Eight Lines” op bedrog berust? Neen, net niet,- de vermarkting van het artistiek product maakt gewoon de kwaliteit en zijn pragmatische doeltreffendheid uit. De media spelen een sleutelrol in het fabriceren van de metatekst, en tonen daarmee aan dat een dansvoorstelling in se niet verschillend is van een wasproduct of een GSM of een auto.

Baudrillard eindigt dus met te zeggen: neem en consumeer dit alles, creëer de illusies zelf, wees uw eigen homeopathische therapeut.

Alles zit tussen de twee oren, de rest hangt er maar bij

breinZo wordt dit, zoals alles, weer een aangelegenheid van het menselijk brein. Vergeet de filosofie en alle andere wetenschappen: alleen de hersenfysiologie doet ertoe. Maar de onmogelijkheid van het brein om zijn eigen criticus te zijn, maakt juist dat het zelfbedrog alomtegenwoordig is, en dat we de wereld creëren volgens onze eigen voorstelling. De hallucinatie voorbij. En daartoe is wil, aandrift, begeerte, energie nodig. Veel meer dan zomaar intelligentie. Meerbepaald de wil om endorfine (chemisch verwant aan morfine) aan te maken, de stof geproduceerd door de hypofyse, die verantwoordelijk is voor het geluksgevoel. Natuurlijk wil het geluk zichzelf vereeuwigen, hoe zou u zelf zijn.

Iets wat Arthur Schopenhauer (1788-1860) in zijn hoofdwerk “Die Welt als Wille und Vorstellung” al poneerde, zij het dat Arthur aan de kunst nog een apart plaatsje toebedeelde, als zou die aan het nuttige zelfbedrog ontsnappen. We weten ondertussen beter.

Voor de rationalisten, en al wie nog in de menselijke rede gelooft, is dat een onoverkomelijk probleem:

Blijkbaar houdt de menselijke geest ervan om zichzelf voor de gek te houden. De leugen zit diep in de kern van ons brein, als een zelfstimulerende mentale G-spot.

Alleen daardoor is het mogelijk dat seksuologen aan de universiteit van Texas 237 redenen kunnen verzinnen om seks te hebben, en dat als wetenschap verkopen. Waarna het ook een echte handleiding wordt om van bil te gaan, en ons leven beter, zinniger, bewustvoller maakt.

Langzamerhand wordt heel het verhaal van geloof, weten, kennis, willen, bewustzijn, dat van een slang die in haar eigen staart bijt. Het menselijk brein verschalkt zijn eigen waarheidsobsessie grandioos, net door de leugen te hanteren als iets dat waarheid creëert: “Ik weet dat het een placebo is, dus dat het niet werkt, maar toch gebruik ik het, omdat ik weet dat het werkt als ik erin geloof”. Verdomde breinkraker, nemen, die vergulde pil!

De toekomst is dus aan de gebedsgenezers, de goeroes, de duiveluitdrijvers, de Zarathustra’s, de seksuologen, de voorlichters, de charlatans en fraudeurs, de verkopers van alle mogelijke drankjes, poedertjes en elexirs. Zij zijn de begeleiders van ons zelfhypnotisch vermogen. Ze smeren ons rommel aan, maar net dat geeft ons brein de kans om zichzelf in de maling te nemen en de rommel te opwaarderen tot drug en elexir. Geen enkele diersoort is daartoe in staat. Het heeft geen zin de charlatans te verbannen, want dan houden we niets over, alleen bittere desillusie en wanhoop.

En daar heeft de natuur ons niet voor gemaakt. Althans, dat wil ik graag geloven.

“Ze zijn onder ons…”: over het nut en vermaak van complottheorieën

Nu heel het intellectueel debat in de Lage Landen in beslag genomen is door het nieuwe boek van Kristien Hemmerechts en de aanstelling van de Belgische Dichter des Vaderlands, is het misschien tijd om deze kwesties te herleiden tot wat ze zijn, namelijk niets, en het even over alles te hebben.

Alles? Kan dat dan? Welja, op voorwaarde dat men de realiteit, althans zoals ze zich voordoet, even kan loslaten, om haar opnieuw te vatten in één grote, persoonlijke ideële constructie. Een compositie van de wereld, met dank aan Harry Mülisch, waarin alle stukjes van de puzzel perfect in elkaar passen, maar die van de lezer haast een even grote verbeelding en inleving vraagt als van de bedenker zelf.

Goddelijke deeltjes

CERNOppervlakkig lijkt dat op paranoia, een waan-weten. Want wat is het wereldbeeld van een enkeling waard? De Nederlandse filoloog Matthijs van Boxsel heeft er zijn levenswerk van gemaakt om het fenomeen in kaart te brengen en te inventariseren. Zijn driedelige “Encyclopedie van de Domheid”  toont ons een weids overzicht van mislukte profeten en bedenkers van buitenissige theorieën zoals, om er maar één te noemen, de Belgische officier Nicola-Remy Brück (1818-1870) die via de schommelingen in het aardmagnetisme heel de wereldgeschiedenis kon verklaren én voorspellen. Jammer genoeg past die theorie tot op vandaag in geen enkel gangbaar wetenschappelijk stramien, waardoor van Boxsel hem bij de morosofen rangschikt: roemloze en achteraf bekeken belachelijke believers en propagandisten van een onacceptabel denkconstruct.

Je komt ze overal tegen, meestal alleen, ze klampen iedereen aan, stellen eindeloze vragen op lezingen, leuren met zelfgemaakte foldertjes. Vandaag beijvert het genootschap SKEPP (“Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale”, een hele mond vol) zich nog altijd om dit soort mensen aan de schandpaal te spijkeren alsof het criminelen zijn.

Gelukkig bezit van Boxsel voldoende gevoel voor ironie om ook zichzelf in het rijtje van de mislukte genieën een plaats te geven. Het grote probleem is immers dat de grens tussen het genie en de nar, -de succesrijke theorie die heel de wetenschap overhoop gooit, en het godvergeten bedenksel van de morosoof,- flinterdun is. Temeer omdat alle wetenschappelijke paradigma’s een houdbaarheidsdatum hebben. De gravitatietheorie van Newton, de relativiteitstheorie van Einstein en de evolutietheorie van Darwin doen het nog altijd heel goed,- al zijn ze toch ook maar ontstaan in het hoofd van een fantast. Maar de psychoanalyse van Siegmund Freud, honderd jaar lang als ijzersterk beschouwd, ligt nu onder vuur en wordt door sommige academische kringen (in hoge mate gelinkt aan bovenstaande vereniging) afgebrand als charlataneske prietpraat. Idem dito voor neo-Freudianen zoals Jacques Lacan.

Als het zo verder gaat komt Freud binnen twintig jaar ook in het lijstje van de morosofen. Maar wie zegt dat Darwin en Einstein niet ooit hetzelfde lot is beschoren? Vandaag geloven minder mensen in de evolutietheorie dan pakweg een halve eeuw geleden. De opgang van het creationisme (geloof in de schepping) of het intelligent design (de evolutie als goddelijk bouwplan) heeft misschien minder te maken met een terugkeer naar de middeleeuwen, dan wel met de fatale uitfloddering van een theoretisch systeem.

Ik ben dus zo vrij ze allemaal gelijk te stellen, de grote systemen, en ze onder de complottheorieën te rangschikken. Elke “grote” theorie die het heelal probeert te begrijpen is paranoïde. En dat woord gebruik ik niet eens in een negatieve zin.

Geef toe: bijvoorbeeld de theorie van het Higgs-boson of Brout-Englert-Higgs-deeltje, dat alomtegenwoordig zou zijn in het universum, en waardoor alle deeltjes massa krijgen, is een grotesk hersenspinsel zoals heel de kwantumfysica. De natuurkunde van de elementaire deeltjes is soms meer poëzie dan wetenschap in de strikte zin. De bijnaam “goddelijk deeltje” is dan ook niet helemaal onterecht: het is zeer waarschijnlijk dat de reusachtige deeltjesversnellers zoals de Large Hadron Collider van het CERN in Genève ooit als tempels van een uitgestorven religie zullen geboekstaafd staan, eerder dan als laboratoria.

Laat dus maar duizend bloemen bloeien, alles is mogelijk en niets is zeker. Deze horizontale visie op kennis en geloof wil ik nu nog verbreden door er mijn eigen complottheorie aan toe te voegen. Nieuw materiaal voor van Boxsel.

Tijdreizigers

circusJuist in verband met dat mysterieuze Higgs-boson werd links en rechts al eens het vermoeden geopperd dat de echte empirische bevestiging ervan wel lang op zich laat wachten. Wil het ultieme deeltje wel ontdekt worden? En wie of wat houdt dit tegen? En waarom stapelen de pannes in die deeltjesversnellers, toch niet gemaakt van papier maché, zich op en wordt dé ontdekking alsmaar weer uitgesteld?

Verder bordurend op deze achterdocht zou men zich een toekomst kunnen voorstellen waarin de techniek van het tijdreizen mogelijk wordt. Dat zal niet gebeuren met de wetenschap van holbewoners als Newton of Einstein maar dankzij die van nog veel grotere fantasten. Natuurkundig, logisch, en zelfs ontologisch opent dit idee alleszins een enorme doos van Pandora: stel dat de aardbewoner van de toekomst kan terugkeren naar het verleden, zou hij dan ook niet ingrijpen in dat verleden, om zijn existentie te optimaliseren? Bijvoorbeeld om de ontdekking van dat Higgs-boson uit te stellen. Of om zich de juiste voorouders te selecteren die hem een IQ van 180 opleveren en een penis van 25 cm. Maar natuurlijk ook, en vooral, om de wereldgemeenschap van de toekomst uit te tekenen.  Als dat klopt, dan zou ons heden een constructie zijn van de toekomst, en lopen er hier specimen rond die via bepaalde ingrepen, voor ons onverklaarbaar maar voor hen evident, de geschiedenis bijsturen.

Het is het maakbaarheidsgegeven op zijn kop: wij hebben helemaal niets in de pap te brokken, en zijn zelfs niet gedetermineerd door het verleden, maar door diegenen die na ons komen. De tijdreizigers dus.

Nu kan het complotdenken pas goed op gang komen: waar zitten ze? Hoe zien ze eruit? Wat doen ze exact?  Allemaal domme vragen natuurlijk. Ze zijn overal, ze zien eruit als wij en doen net hetzelfde, maar dan met een geheime agenda, dat maakt het zo spannend. U en ik kunnen het zijn, of Homer Simpson. Mogelijk maken ze ook wel eens een fout en creëren ze een paradox. Zo zou op de achtergrond van de film “The Circus” van Charles Chaplin uit 1928 een persoon met een… GSM te zien zijn (z. foto). Een onachtzame chrononaut die per ongeluk door het beeld loopt?

Af en toe wordt er geopperd dat de chrononauten zich als een groep of een volk doorheen deze tijd bewegen en zo hun futuristische agenda afwerken. De Joden bijvoorbeeld (beschouwen zich sowieso als een aparte soort), of de Hongaren (vanwege hun taal die geen enkele gelijkenis vertoont met enige andere). Kan zijn.

Plausibeler lijkt me dat de tijdreizigers zich gedeisd houden en in verspreide slagorde opereren, ze zitten niet aan de knopjes of de hefbomen, ze veroorzaken zelf niet al die rampen, zo slim zijn ze wel,- ze geven veeleer de minimale en juiste impuls om kettingreacties teweeg te brengen die naar het juiste doel leiden. Wie hier de schaduw van God ontwaart, zit er niet ver naast: misschien zijn alle religieuze ervaringen en geloof in een oppermacht wel te herleiden tot deze über-complottheorie over het Intelligent Design 2.0. Niet de schepping is de crux, wel het moment waarop het posthumane wezen van een verre toekomst die geniale theorie bedenkt die hem toelaat in het verleden in te grijpen.

Technisch zal die achterwaartse schepping niet rimpelloos verlopen, en allicht zijn nogal wat catastrofes te wijten aan kinderziektes van het systeem, foute berekeningen en zo. De op til zijnde klimaatcatastrofe zal tot een drastische uitdunning van de wereldbevolking leiden, wat allicht ook ingeschreven stond in de toekomstagenda, zij het als weinig elegante ingreep. Maar hoe verder de toekomst reikt, des te geperfectioneerder wordt het terugkeren in de tijd en de daarbij behorende manipulaties. En des te geringer, des te subtieler worden de ingrepen, tot in de kleinste details. In het jaar x zal de techniek compleet op punt staan, en zijn de reizigers van dat tijdstip perfect in staat om hun eigen heden te construeren. Alles wordt dus wel degelijk beter, er zullen steeds minder conflicten optreden tussen heden en toekomst. Zouden de optimisten dan toch gelijk hebben?

War game

De geschiedenis wordt dus meer en meer een draaiboek, vastgelegd vanuit de toekomst, door zij SFdie de wetenschap daartoe monopoliseerden. Welke status levert ons, aardbewoners, dat op, anno 2014? Inderdaad, die van dummy’s. We zijn slechts figuranten in een verhaal dat al geschreven is maar waarvan slechts een handvol protagonisten de afloop kent. Zij zijn ook de regisseurs. Wij doen gewoon wat moet gedaan worden, en acteren als in een cybergame. Ten opzichte van de toekomst bewegen wij ons in een virtuele realiteit, een “second world” die maar een speel- en oefenplaats is om de echte te creëren. De echte wereld is in wording, naarmate de geschiedenis oplost, dat wist G.W.F Hegel al, dé complottheoreticus van de Westerse filosofie.

Maar het wordt nog boeiender. Want als verschillende tijdzones uit de toekomst zich met ons leven en onze realiteit gaan bemoeien, dan zijn conflicten tussen deze chrononauten zeer waarschijnlijk: mogelijk hebben verschillende toekomstgeneraties een verschillend concept van hun ideale werkelijkheid, in de eerste plaats door het verschil in kennis en technologisch peil zelf.

Het zou dus best kunnen dat een commando tijdreizigers uit 3020 en een ander uit 4035 het hier bij ons komen uitvechten. Het wordt nog lachen. Daardoor zitten wij, hedelingen, niet alleen in een virtuele realiteit, maar ook in een virtuele oorlog, een war game tussen tijdmigranten uit zones  x, y en z. Mogelijk loopt dat af en toe uit de hand, en waren W.O. I en II chrononautische confrontaties. Binnen dat virtueel kader kunnen wij nooit meer zijn dan figuren die een digitale spelruimte stofferen. Het maximum dat we kunnen bereiken, is inzicht en bewustzijn, zo algemeen, omvattend en radicaal mogelijk, in dat waar we geen vat op hebben en dat we niet kunnen verifiëren, tenzij als bug, een lichte storing, een flikkering in het scherm.

Ziedaar het nut van complottheorieën: ze proberen, in tegenstelling tot hun reputatie, realiteiten te benaderen en te omschrijven waar de meesten onder ons zelfs niet durven aan denken.

Filosofen zijn de perfecte complotdenkers, net omdat hun gedachtenexperimenten niet eens hoeven gecheckt te worden door deeltjesversnellers of ander tuig. Meta-fysica dus, in de eigenlijke zin van het woord. Anderen zullen het onzin noemen, en daar hebben ze binnen hun systeem ook weer geen ongelijk in.

U begrijpt dat ik dan ook niet meer wakker lig van de benoeming van de Belgische DichterWally des Vaderlands. Alleen het heel-al is van betekenis. Weerom is het eigenlijk de humor die dit alles draaglijk en zelfs amusant maakt. Ik citeer hier het onvergetelijke refrein van Captain Eddy Wally in het absurde SF-feuilleton Lava:

In het heelal is ’t alle dagen carnaval,
in het heelal is ’t alle dagen bal.
In het heelal is ’t alle dagen carnaval,
en het heelal is overal!