Maandelijks archief: mei 2012

Melencolia

Intro: de kunstenaar en zijn brein

Onlangs openbaarde kunstenaar Jan Fabre dat we na zijn dood zijn brein kunnen bewonderen, als middelpunt van een postume installatie. “Ik kijk ook graag naar mijn hersenen. In scans en in sculpturen”,- aldus de cultartiest.

Grappig en pathetisch tegelijk: een hoofdarbeider die onder de schedelpan gaat kijken, om te zien waar al dat moois vandaan komt. Niets kan schoner zijn, dan dat wat schoonheid produceert. Toch vermoed ik achter deze extreme uiting van ijdelheid een vorm van perplexiteit: hoe hebben die hersenen dat klaargespeeld? De gearriveerde meester-kunstenaar beseft plots dat hij nooit dat zal beheersen wat hem tot de creatie dreef.

Gevoelens van ontzag, (zelf)liefde, maar misschien ook van (zelf)haat en afkeer komen boven in deze confrontatie. Dat wat men doorgaans inspiratie noemt (letterlijk: “de geest die binnentreedt”, zoals in het Pinksterwonder), blijkt nu wat gesuis van neuronen in een gesloten circuit. Met het kunstwerk als onbeheersbaar, flatulair neveneffect.  Ik herken Fabre’s perplexiteit overigens compleet: ook als schrijver beheers ik de machine die schrijft geenszins, ik ben maar de hand van de andere die zich ergens diep in een fysiologisch labyrinth ophoudt. Elk inzicht in dat brein faalt bij voorbaat, hoe hard de neurologie ook haar best doet.

Eerder al werden de hersenen van Einstein in een bokaal met formol gestopt, in de ijdele hoop dat de wetenschap het orgaan achter de relativiteitstheorie in kaart zou kunnen brengen, en aldus die theorie zelf zou kunnen voorbijsteken.  Niet dus: een blubberige massa is het, meer niet. De hersenen van de Engelse dichter Byron vielen bij de autopsie zelfs uiteen als een rotte biefstuk, doordrenkt van alcohol. Het moet een verschrikkelijk zicht geweest zijn, vooral voor literatuurwetenschappers: poëzie die ontstaat uit pure organische ontbinding. Of zit er toch nog iets onder en achter die nevel?

Wat heeft het brein voor ons te verbergen? Of wat houdt het in petto?

Lees het complete essay

Advertenties

Kijken mag, aankomen niet.

Hoe ook “strandkunst” museale pretenties krijgt 

Zopas kloeg Jan Moeyaert, intendant van Beaufort, een openluchtexpositie van hedendaagse kunst langsheen onze kust, dat onverlaten weer een van de kunstwerken hebben beschadigd. Dit keer werd een aftands bestelbusje op het strand van Blankenberge, getiteld Many dreams, onder handen genomen en van het opschrift “Beau Con” voorzien. De actie werd opgeëist door een ondergronds gezelschap, genaamd De Blankenbergse Mal Contenten.

De intendant en de lokale cultuurschepen kunnen er niet mee lachen, de consternatie in artistieke kringen is groot. Terwijl ik het, met permissie, best een geslaagde grap vind. Hier mag dus wat tegengas gegeven worden, want misschien is dat zogezegde vandalisme óók wel kunst, en zelfs een verlenging/uitbreiding/verrijking van het initiële kunstwerk. Zeg nu zelf: als een “kunstenaar” een autowrak op het strand mag achterlaten, waarom zouden wij het dan niet van een eigen merkteken mogen voorzien? Is dat niet het beste bewijs dat cultuur “leeft”? Denk aan de talloze inscripties op monumenten en historische sites van het genre “Ronny was hier – 1972” of “Jonny Marina”. Graffiti en inscripties zijn minstens zo oud als de kunst zelf, en vertellen ons misschien wel een zinniger verhaal dan de stenen waarop ze werden aangebracht.

Zandkastelen

Al een hele tijd verzamel ik gegevens over zogezegd kunstvandalisme. Bekende meesterwerken moeten achter glas beschermd worden, omdat ze regelmatig met zuur worden bespoten of zelfs met een mes doorkerfd. De zeden verzachten? Kunst wekt blijkbaar agressie op. Maar tegelijk komen er ook boodschappen door. Ooit ging ene Mario Roymans, beter bekend als Tijl van Limburg, aan de haal met De Liefdesbrief van Vermeer. Het losgeld, 200 miljoen Belgische franken, was bestemd voor de vluchtelingen in het toenmalige Oost-Pakistan (we spreken over 1971). Tijl liep echter snel tegen de lamp en de vluchtelingen konden naar hun noodhulp fluiten.

Dat verhaal is interessant, omdat het op een conflict wijst tussen het op zichzelf draaiende wereldje van de Cultuur-met-grote-C –inclusief de markt die daaraan vast hangt- en de blote menselijke realiteit. Kunst idealiseert, vervreemdt, isoleert. Kunst gaat, ook in 2012 en ondanks inspanningen van tegendraadse artiesten zoals Benjamin Verdonck, nog altijd over beschermde, “onaanraakbare” objecten, gemaakt door geprivilegieerde individuen, en uitgestald in een exclusieve omgeving.

Zeker als die omgeving een strand is, dé publieke ruimte bij uitstek, is dat tamelijk absurd. Bovendien lopen er talloze kunstenaars op het strand, hoofdzakelijk heel jonge. Ze maken forten, bouwen zandkastelen, die bij vloed weer verdwijnen, of eventueel worden gerecupereerd indien de oorspronkelijke makers het voor bekeken hielden. Niemand eist hier continue eigendomsrechten op, niets is blijvend. Het strand is van iedereen en het zand rijzelt ongrijpbaar tussen onze handen. U kunt er vrijuit een plaats kiezen om te zonnen, maar eens u het strand verlaat is die plaats weer vrij. Afgezien van een paar verfoeilijke privaat-uitbatingen (cabines, verhuur van strandmeubilair, etc) is dit de meest vrije, onthechte plek op deze planeet die voor de rest helemaal is geconfisceerd. Een droomplek voor libertariërs, vrijdenkers en anarchisten.

Overlast

Ik neem het dus bij deze op voor de Blankenbergse Mal Contenten. Ik vind het zelfs ronduit domme kunst die vraagt om een publiek protest: een wrak op het strand achterlaten en daar een denkbeeldige prikkeldraadversperring rond plaatsen. Geen wonder dat het meer nuchtere deel van de mensheid zich van dit soort Cultuur met grote C afkeert. Geen zinnig mens accepteert deze ongelijkheid nog: terwijl de modale burger zich naar steeds absurdere reglementen inzake “overlast” moet schikken (de vuilzakken rechts plaatsen en vóór 7h, niet op de tram eten of drinken, de vogelkensdans in het park niét fluiten wegens beschermd werk, geen vuurtje stoken in de tuin wegens slecht voor het milieu, enz.), mag de kunstenaar alles. Als wij iets achterlaten op straat of strand is het sluikstorten, maar als Jan Moeyaert het Kunst vindt, dan is het opeens beschermd erfgoed. Als Louis-Paul Boon vieze prentjes van jonge meisjes verzamelt, dan noemt men dat een feminatheek. Als een gewoon iemand dat doet, dat is het strafbaar bezit van kinderporno. Enzovoort enzovoort.

Heel de publieke ruimte zit vol met verbodstekens. En vergeten we vooral hét moment niet waarop Jan Modaal minstens éénmaal in zijn leven zijn creativiteit botviert: het bouwen van een huis, waarbij hij letterlijk te pletter loopt tegen de voorschriften en verboden. Zo gek als de kunstenaars van Beaufort het mogen bedenken, zo rigide beknotten de principes van Ruimtelijke Ordening onze fantasie.

Beeldenstorm

Deze wraakroepende ongelijkheid plaatst kunst waar ze altijd heeft thuis gehoord, namelijk aan de zijde van de macht en het establishment. Cultuur wordt gesubsidieerd, niet om het volk op te voeden, maar om de ongelijkheid in stand te houden. De vrijheid van de kunstenaar impliceert de on-vrijheid van de toeschouwer. De onderliggende symboliek van “Many dreams” is pervers: het maakt uitgerekend de bus, waar wij onze boterhammen niet eens mogen opeten, tot een sacraal object, gewijd aan de artistieke vrijheid. Kijken mag, aankomen niet. Terwijl het in se toch ook maar een zandkasteel is.

Het zogenaamde populisme van Geert Wilders, die inhakt op de gesubsidieerde “linkse hobby’s”, vertolkt wel degelijk een brede onderstroom met interessante cultuurfilosofische implicaties. Men herkent de kunstenaar eindelijk als een exponent van de politieke macht, waardoor het kunstwerk elke morele legitimiteit verliest. Het wordt, in de diepste zin, gratuit en overbodig. Het vraagt dus om sloganeske inscripties en drieletterwoorden.

Ik denk dat de 21ste eeuw de eeuw van de woede wordt: de vrijheid die enkel aan de artistieke en intellectuele elite gegund werd, wordt nu opgeëist, terecht, door de toeschouwers, de naamlozen, de figuranten. Het is wachten op een nieuwe Occupy-beweging die de musea bezet en de kunstroof laat uitdijen tot een culturele revolutie. Een nieuwe beeldenstorm, zoals we ze in de 16de eeuw in onze contreien hebben gekend. Beroepskunst heeft afgedaan, we gaan (opnieuw) naar een tijdperk van de autodidact. Omdat iedereen kunstenaar is. En diegenen die het niet beseffen, nog het meest van al.

Johan Sanctorum