Maandelijks archief: september 2014

Lijdt de cultuursector aan verlatingsangst?

Nu zowat elke hond uit de cultuursector zijn beklag heeft gedaan over het terugschroeven van de subsidies (doorheen het woord “beenhouwersmes” drijft zelfs een nostalgie boven naar de zo verguisde Joke Schauvliege met haar kaasschaaf), wordt het tijd om de cultuurfilosofische beschouwingen te scheiden van het banale corporatisme. Want ja, natuurlijk sneuvelen er jobs en is het niet prettig om de programmaboekjes of catalogi zwart-wit te moeten drukken op goedkoop kringlooppapier in plaats van op vierkleurendruk/hoogglans. En zeker, de prijs van een theaterticket zal moeten opgetrokken worden. Om een of andere reden denk ik dat de doelgroep daar niet echt wakker van ligt.

SMAKEr wordt echter, zoals in de tijd van Schauvliege trouwens, ook aan chantage en omfloerste dreigretoriek gedaan. Vlaanderen zou met name, door het terugschroeven van de cultuurtoelagen, verzuren en ten prooi vallen aan de barbarij. Het heet dat kunst een onmisbare sociale functie heeft en mensen verbindt, en dat het opdrogen van de subsidiestroom, of zelfs maar een budgettaire krimp, heel het sociale weefsel zou teniet doen. Is dat wel zo? Slaat de verzuring toe als Ballets C de la B 7% moeten inleveren? Gaan de Vlamingen aan het boeken verbranden slaan als het literatuurcentrum Behoud de Begeerte het met 7% minder moet stellen?

Sta me toe dit soort Cassandravoorspellingen met de nodige korrels zout op te vatten. De werkzekerheid van acteurs is één zaak, de sociale functie van kunst een ander. Temeer omdat hedendaagse kunst helemaal niet “sociaal” is, maar eerder asociaal, hysterisch-choquant en Publiksbeschimpfend.

Vreemder nog is de waarschuwing van Ivo Van Hove, directeur van de Toneelgroep Amsterdam: “Zonder kunst verarmt een samenleving, die met haar rare en irrationele krachten vaak niet goed weet waar naartoe” ((DS, 26/9). Hola, dient kunst dan om rare kwasten van een bezigheidtherapie te voorzien, zodat ze geen erger onheil aanrichten? Dat is een vreemde pathologisering van de sector. In die optiek had men Adolf Hitler beslist moeten toelaten tot de Weense kunstacademie, dat had een wereldoorlog gescheeld. En hebben we ook veel te danken aan het Vlaamse toneelwezen, dat (de volgens een recent boek knotsgekke) Julien Schoenaerts deskundig opving en zijn ding liet doen zodat hij geen huizen plat brandde. Of is kunst toch gewoon een nuttige uitlaatklep voor al wie het voelt kriebelen? Dan zitten we toch wel gevaarlijk dicht bij de linkse hobby’s waar Geert Wilders het er over had.

Subsidieverslaving

Er zit dus nogal wat ruis op de pleidooien pro domo van de cultuurinstellingen . De kern van het probleem, namelijk hun financiële kwetsbaarheid, zit hem in de verambtelijking van de sector. Het feit dat ze zich als een “sector” gedraagt en in zekere zin de kwaal van elke bureaucratie vertoont, namelijk dat ze haar eigen bestaansreden is geworden. 99% van het budget is personeelskost, zo zegt Tom Bonte, directeur van de Beursschouwburg. Daarin zit zijn eigen wedde, die van het artistiek personeel, maar ook heel de technische staf en administratie. Bevlogen artiesten, maar daarnaast ook een hele hoop mensen die gewoon hun job van 9 tot 5 doen en aan hun pensioen denken. Het kunstencentrum is een klein ministerie geworden, met een eigen interne dynamiek, promotiestelsel, boekhoudkundige back-office, verwevenheid met de politieke administraties, en zelfs met een eigen privé-taal die voor iemand buiten de sector abrakadabra is. Probeer anders eens Courant te lezen, het driemaandelijks magazine van het Vlaams Theater Instituut. Als gevormd filosoof krijg ik na vijf minuten hoofdpijn.

Uiteindelijk gebeurt het fatale waar elke kunstenaar van gruwt: het staatsraison kruipt in zijn kleren, als een geur die niet meer af te wassen valt.

Het instituut primeert dus op de creativiteit. Het leeuwenaandeel van de middelen gaat naar kunstencentra, toneelhuizen, grote organisaties, en maar zelden naar creatievelingen zelf. Al deze instituten hebben mensen in dienst die politiek lobbyen en subsidiedossiers voorbereiden, want de slag om de centen is hard, en wat de ene niet krijgt gaat naar de andere.

Deze verambtelijking werkt als een sluipend gif en leidt tot de subsidieverslaving waar we vandaag tegen aan kijken. Heel typisch lijkt me het traject van Benjamin Verdonck, iemand die ik al geruime tijd volg. Ooit begon hij als straatperformer die met allerlei bizarre maskerades mensen op het verkeerde been zette. Hij flirtte met de grens van het legale en werd af en toe wel eens bekeurd door een overijverige agent. Waarschijnlijk heeft zijn vrouw hem gezegd dat hij toch beter eens een echte job moest zoeken, en dat gebeurde ook: vandaag staat Benjamin Verdonck op de loonlijst van het Antwerpse Toneelhuis. Tot zover de lastige luis in de pels van het systeem.

Establishmentcultuur

hobby'sMisschien zegt u “Ach, zolang de man zijn ding maar kan doen”. Neen, er is een verschil: een kunstenaar die ambtenaar wordt, verinnerlijkt een stuk van de ambtelijke logica en “draait mee” in een systeem waar hij eigenlijk biologisch gezien afstand van zou moeten nemen. De grote kunstencentra zuigen creativiteit op en dwingen haar in een boekhoudkundig stramien, weliswaar ferm gelardeerd met cultuurfilosofische toeters en bellen. Hun materialistische logica is in wezen dezelfde als die van de minister aan wie ze die logica verwijten. Een gesubsidieerd toneelgezelschap speelt theater niet vanuit dezelfde inspiratie als een gezelschap van vrijbuiters, dat is uiteindelijk mijn stelling. De overheid legt voorwaarden op, vormvereisten, rendabiliteitscriteria. Het gezelschap wordt een parastatale cultuurfabriek, gevolgd door een krans van gesubsidieerde tijdschriftjes, volgeschreven door mensen die tot hetzelfde bobomilieu behoren. Uiteindelijk gebeurt het fatale waar elke kunstenaar van gruwt: het staatsraison kruipt in zijn kleren, als een geur die niet meer af te wassen valt. Het feit dat de meesten van hen dat ook wel beseffen, zorgt voor een enorm ressentiment dat net bovenkomt wanneer er met de zogenaamde hakbijl gezwaaid wordt.

De sector lijdt dus aan verlatingsangst. Een gevoel van afhankelijkheid, dat weggerationaliseerd wordt met irrationele uitspraken, zoals die van de sociale functie van kunst, en haar status van behoeder van de democratie. Dat is natuurlijk onzin: mensen haten artistiekerige Kunst met hoofdletter. Ondervraag honderd voorbijgangers op straat wat ze van cultuur denken, en u zult antwoorden krijgen die sterk aan Geert Wilders doen denken. Ze associëren hoogcultuur met het establishment, en hebben niet eens ongelijk. Het hermetisme van het moderne theater lijkt als een monoloog van de macht zelf. Cultuur wordt door de modale burger politiek geduid, en terecht: kunst die leeft van de staat, is staatskunst, het is zo simpel als dat.

Het socio-culturele alibi

Maar ondertussen roert de sector zich en luidt ze de brandklok. De verontwaardiging is aandoenlijk. En zo ontstonden weerom de onvermijdelijke comités tegen de barbarisering van Vlaanderen, ook een periodiek verschijnsel. Het bekendste momenteel noemt zich “Hart boven Hard”, een domeinoverschrijdend burgerinitiatief dat mensen verenigt die zich zorgen maken over het geplande beleid van de Vlaamse en federale regering (…) en dat zich verzet zich tegen een al te economische kijk op onze samenleving en verdedigt gelijkheid, solidariteit en zuurstof voor mensen.”

Wie hier enige verwantschap bespeurt met initiatieven zoals “Niet in onze naam”, de feestelijke campagne van de cultuursector tegen rechts Vlaanderen, met een ladderzatte Arno in de glansrol, zit er niet ver naast. Daarmee wordt het subsidiedebat partijpolitiek gespeeld (de N-VA is uiteraard de grote boeman) en krijgen we de heruitgave van de cultuurstrijd tussen linkse bobo’s en rechtse Wilders-klonen. Jean-Pierre Rondas merkte in De Morgen terecht op dat deze “beweging” vooral een georchestreerde campagne is van de klassieke zuilen en hun satelieten, met name vooral de vakbonden en grote ziekenfondsen

Maar tegelijk duikt in deze geëxalteerde campagnetaal weer de drogreden op, die beweert dat cultuur en welzijn één materie vormen. Daartoe worden welbewust twee sectoren vermengd die in se van elkaar los staan: de eigenlijke kunstenwereld en de zogenaamde socio-culturele sector, waartoe het welzijnswerk, de jeugdhuizen, het verenigingsleven, etc. behoort.

De kunstensector vermomt zich en trekt mee op in deze processie, in de hoop om mee als “weefselreddende” actor te worden herkend. Dat is uiteraard perfide. De argumenten om jeugdwerking, onderwijs, verenigingsleven wél te blijven subsidiëren zijn veel sterker dan deze om kunst te blijven betoelagen. In die zin krijgt Sven Gatz de bevoegdheden jeugd en cultuur naar zich toegeschoven, als gold het één pakket,- terwijl, laat ons eerlijk zijn, de werkingstoelagen voor een lagere school veel meer bijdragen tot dat fameuze sociale weefsel en de volksopvoeding, dan subsidies aan de Brusselse Beursschouwburg, waar vooral de welbekende en altijd dezelfde Dansaert-Vlamingen elkaar rendez-vous geven.

Commedia dell’arte

CommediaTot slot: wat is het alternatief voor de gesubsidieerde “sectoriële” cultuur? Het antwoord is duidelijk: de sector moet zich uit zijn comfortzone loswrikken en cultuur opnieuw ontdekken als een systeem-onafhankelijk en zelfs tamelijk subversief schaduwbedrijf.

In een vlaag van helderziendheid formuleert cultuursocioloog Pascal Gielen in De Standaard het alternatief dat ik al jaren naar voor breng: de sector moet zich “ontsectoriseren”, en radicaal voor autonomie gaan: ‘Misschien moet de culturele sector eens nadenken hoe hij zich los van de overheid en de markt kan reorganiseren. Ik noem dat de exodus uit de samenleving. Je maakt je losser van de politieke en financiële systemen en probeert je autonomer te organiseren. (DS, 26/9/14).

Deze “exodus” (wat een dramatische term!) komt er gewoon op neer dat kunstenaars, maar ook schrijvers en intellectuelen, een nieuwe vorm van amateurisme ontdekken, overlevingsstrategieën waarbij de materiële kostwinning wordt losgekoppeld van de creatieve processen. Neem gewoon een job aan zoals iedereen, en ont-weef in de vrije tijd zoals Penelope. Op die manier wordt kunst ook terug “straatkunst”, Commedia dell’arte of misschien zelfs Arte Povera, zonder franjes en glanspapier, maar met een ijzersterke middelpuntvliedende impuls. De kunst van de existentiële verwondering, het vreemd zijn, het anders zijn, het vrijbuiterschap. Het pop-up-concert en de straatperformance worden de nieuwe modellen, de institutionele architectuur mag verdwijnen.

De grond van de zaak is, dat de overheid cultuur definitief uit handen geeft, en daarmee eigenlijk een belangrijke impuls geeft tot opwaardering van de democratie,

We vinden die parallelle cultuur vandaag ook terug op internet en de blogosfeer, spontane opwellingen van creativiteit die niet allemaal tot geniale producten of inzichten leiden, maar dus, euh…, wel echt tekenen zijn van weefselregeneratie.

Deze catacombencultuur staat zelfs afzijds van de klassieke economische alternatieven zoals sponsoring (vanuit de privé-sector) en crowdfunding (financiering door het publiek zelf), hoewel de laatste toch hand in hand kan gaan met een verzelfstandiging. De grond van de zaak is, hoe-dan-ook, dat de overheid cultuur definitief uit handen geeft, en daarmee eigenlijk een belangrijke impuls geeft tot opwaardering van de democratie, gezien de dwarsliggers niet meer betaald worden door hetgeen waar ze zouden moeten dwars op liggen.

Het is daarbij heel vreemd dat links (met name vooral Groen!) fulmineert tegen het vieren van de teugels. Want strikt genomen zou een strenge bevoogding van de sector een “rechtse” aangelegenheid moeten zijn. In totalitaire regimes is er voor een autonome cultuurbeleving geen plaats. Bij de nazi’s viel ze met propaganda zelfs onder één departement, namelijk dat van de legendarische Joseph Goebbels, de man van de onvergetelijke quote “Als ik het woord cultuur hoor, trek ik al mijn revolver”.

Als cultuur zich uit het systeem (maar niet uit de maatschappij) terugtrekt, betekent dat toch een winst voor de democratie en de kritische massa? En zal deze “exodus” ook niet enorm veel kaf van het koren scheiden, het echte, hardnekkige talent filteren uit de geposeerdheid en het modieus Narcisme waar het publiek zich zo aan ergert?

Maak er eindelijk eens een gedacht van, waarde kunstenaars én wereldverbeteraars. Het beste cultuurministerie is misschien helemaal géén cultuurministerie. Verras ons, durf te denken, durf te leven, durf alleen te gaan, knip eindelijk die navelstreng door. De toeschouwer zal er u misschien om belonen met het mooiste geschenk: zelf kunstenaar worden.

 

 

Advertenties

Zijn de dagen van “de media” geteld?

Telenet produceert een eigen tv-serie, te bekijken achter een betaalmuur. Leuk voor wie daar nog wil voor afdokken. Maar breder beschouwd is ook dit nieuws onder de categorie ‘het verloren gevecht om de kijker’. Ook het Vlaamse publiek wordt stilaan media-zat en zoekt meer autonomie, meer eigen wegen naar informatie en ontspanning. Het web wenkt.  Zenders én providers kunnen, ondanks strategische schaduwgevechten en min of meer creatieve pogingen om de eigen marktposities veilig te stellen, niet om het feit heen: het post-mediatijdperk nadert met rasse schreden.

Doet u het ook, uitgesteld kijken en reclame doorzappen? Dat mag niet van Christian Van Thillo, topman van het Belgisch-Nederlandse mediabedrijf De Persgroep, en o.m. mede-eigenaar van VTM en 2BE. Het doorspoelen van reclameblokken zou namelijk de kijkdichtheid van die blokken schaden en dus de daarmee verbonden inkomsten die dan weer programma’s (‘content’) financieren. There is no such thing as a free lunch, alles kost geld.

Dat is zeker een economische waarheid als een koe, en sindsdien wordt met alle mogelijke middelen getracht om dat ‘zapkijken’ te beteugelen. Tevergeefs: al wie nog niet ei-zo-na hersendood is, heeft lak aan die reclameblokken en zal creatieve middeltjes blijven verzinnen om ze niet te moeten ondergaan. In een krant heb je ook de vrijheid om de publiciteit te bestuderen of niet. Met veel overgave en huisvlijt scheid ik, bij het begin van het weekend, de zinnige krantenbijlagen van de pulp. Ook al vallen ze als één pakket mijn brievenbus binnen.

Newton versus Einstein

Zakenlui als mijnheer Van Thillo begrijpen wellicht niet dat het om veel meer gaat dan een discussie over doorspoelen. De tijd dat de televisie ons kon vertellen hoe en wanneer we wat mogen doen, is namelijk voorbij. De kwestie zit hem al in het simpele feit van de programmering zelf: wil ik nu naar het nieuws kijken, die serie volgen, die documentaire meepikken? Maar neen, de uurtabellen van VRT, VTM, Vier en aanverwanten zullen me worst wezen, ik neem het op en bekijk het wanneer ik er zin in heb. Zappen en doorspoelen (of terugspoelen) inbegrepen.

Dit verdwijnen van het zogenaamd ‘lineair kijken’ en de loskoppeling van het zendschema is een cultuurfilosofische kwestie: de postmoderne burger/mediaconsument volgt geen ‘grote klok’ meer maar organiseert zijn eigen tijd. Sinds Newton zijn model van het heelal ontwierp, zag men de tijd als één homogene tijd, lopend volgens één uurwerk waarop alles synchroon draaide. De klassieke zender volgde die totalitaire logica. Halfacht? Quiz! Acht uur? TV-journaal! Negen uur? Film! Elf uur? Kortnieuws, weerbericht, en dan het bed in!

Zo’n kadaverdiscipline lukt misschien nog in Noord-Korea, maar elders wil men minstens de vrije tijd privatiseren en zelf uitmaken wat en wanneer. Zelfs de arbeid wordt in toenemende mate ‘glijdend’ georganiseerd, niet-lineair, wat het fileprobleem alleen maar kan verkleinen. De media leven eigenlijk nog in dat newtoniaans universum, terwijl de kijker al lang vertoeft in dat van Einstein en de kwantummechanica.

En het Huis van Vertrouwen?

Termen uit televisieland doen vandaag prehistorisch aan. Er is de omroep (van in de tijd toen de belleman het nieuws van de dag op straat ‘omriep’), er zijn de zenders (die de goede boodschap ‘uitzenden’ via reusachtige antennes, de VRT-toren is er een overblijfsel van), en er is dus tele-visie, van de tijd toen de dieren nog spraken en afstand nog iets betekende.

De chronische discussie in Vlaanderen rond zin en onzin van de ‘openbare omroep’ is al evenzeer archaïsch. Want openbaar of niet, elk medium wordt in snel tempo onherroepelijk door het www. Geabsorbeerd, om een webstek te zijn tussen de miljoenen andere. Neem nu de redactie.be, het platform van de VRT-nieuwsdienst. Uitstekend gedocumenteerd, goede opmaak, druk bezocht. In feite vervangt het gaandeweg de uitzendingen zelf, er zal snel een moment komen dat de webstek meer bezoekers genereert dan het journaal kijkers. Maar dat betekent ook dat die webstek, hoe kwalitatief ook, opgenomen wordt in de horizontale architectuur van het internet, tussen uw en mijn blog dus. Ze wordt een nieuwssite onder de nieuwssites. Elke blogger met een videozone is overigens de facto een internetzender, en ik ken wel 200 Vlaamse bloggers die meer te vertellen hebben dan het vaste kransje ‘opiniemakers’ dat de kolommen van dag- en weekbladpers bevolkt.

De bestaande ‘openbare omroep’ zal zijn rol moeten spelen binnen deze blogosfeer en er ook mee in interactie treden. Dat is democratisch een goede zaak: elke burger/blogger wordt gelinkt aan VL3.0, zoals ik de publieke omroep zou herdopen. De nieuwe democratie zal digitaal zijn, of ze zal niet zijn. Uiteraard mag dat publiek nieuwsplatform best wat geld kosten, want reportages maak je niet gratis, maar heel de journalistieke bureaucratie mag dan wel opstappen, samen met de steeds weerkerende vraag naar de politieke signatuur ervan (de VRT als ‘rode burcht’, die nu naar zwartgeel zou opschuiven).

En neen, we hebben dan geen mediaminister meer nodig, minder werk voor Sven Gatz. Wel mag een Europese regulator/ombudsman de echte grote mannen, Google, Facebook en aanverwanten, in het oog houden en zo nodig op het matje roepen. Meer moet dat niet zijn.

Creatieve autonomie

En dan is er Netflix, het uit de VS overgewaaide streamingbedrijf dat vanaf vandaag ook in Vlaanderen via het internet films en series aanbiedt die u om het even wanneer kan bekijken, mits een abonnement uiteraard. Daarop wou Telenet inspelen met zijn eigen serie-op-aanvraag. Doemscenario’s rond zombificatie duiken op: men zou verslaafd geraken en alle 15 afleveringen van een serie achter elkaar willen bekijken.

Eerlijk gezegd denk ik dat dit nogal zal meevallen. Men onderschat het feit dat mensen ook wel graag zelf de hand aan de camera (nu meestal het mobieltje) willen slaan. Tieners kijken nog nauwelijks naar geprefabriceerd materiaal, niet op televisie, maar eigenlijk ook nauwelijks via het web. Het youtube-kanaal is hun medium, de schier oneindige internetvideotheek waar iedereen alles kan uploaden en downloaden. Dat kan tot vervlakking leiden en jawel, extreem geweld en porno zijn binnen handbereik, maar het levert ook nieuwe, creatieve  autonomie op.

Zopas het eerste filmpje van mijn 11-jarige zoon gezien. Met een onooglijk amateurcameraatje gedraaid, iets over nachtdieren in de tuin. Het staat op youtube voor de vrienden, maar speciaal voor zijn prehistorische ouders liet hij het ook eens afspelen op het TV-scherm, met een paar extra kabels. Opeens besefte ik dat Sir David Frederick Attenborough mocht inpakken. Zijn natuurdocumentaires zijn technisch veel beter, maar dit was huisgemaakt en gaat een eigen leven leiden binnen een alternatief netwerk, tot het, wie weet, via de fameuze ‘six degrees of separation’ ook VL3.0 binnensluipt.

Iedereen cineast, scenarist, producer. Digitaal uitgeven mag best een vak op school worden. Media zijn, zoals het woord het zegt, doorgeefmiddelen, en die hebben we niet meer nodig. Ik weet niet wat de zogenaamde audiovisuele sector daar tegenover nog kan plaatsen, maar ik heb het gevoel dat dit zelfs kan leiden tot een nuttige ont-mediatisering en de terugkeer naar een eigen, ‘biologische klok’. Want die hebben we toch ook nog allemaal.

Op wereldschaal zes miljard klokken, zes miljard stemmen. Het post-media-tijdperk komt eraan, ook in Vlaanderen. Waar uitgesteld kijken toe kan leiden.