Maandelijks archief: oktober 2011

Boek.0: pleidooi voor ontlettering

Met het vallen van de blaren schuiven belezen Vlamingen weer in dichte drommen naar Antwerp Expo om nog slimmer, nog meer belezen te worden, en een glimp op te vangen van hun schrijvende halfgoden die zich voor één keer tussen de meute begeven. Hoewel er overal ter wereld boekenbeurzen plaatsvinden –denk aan de fameuze beurs van Peking, waar ons aller David Van Reybrouck zo opgetogen over was ondanks het toegangsverbod voor dissidente schrijvers-, zie ik die Antwerpse beurs toch als een typisch Vlaams kuddefenomeen, een teken van volgzaamheid en conformisme. De Vlaming leest, niet om zich te laten verrassen of te ontdekken, laat staan om zich boos te maken, maar omdat lezen nu eenmaal tot zijn gehoorzaamheidscultuur behoort. Nauwgezet volgt hij de aanbevelingen van de boekenbijlagen in De Standaard, De Morgen en Knack, die zich zelf dan weer laten inspireren door de oekazen van de literatuurprijs-jury’s. Het hangt allemaal perfect samen, de literatuur volgt de markt en vice-versa. Wie schrijft die blijft, maar wie leest, kan meespreken en hoort erbij. En daar gaat het om. Samen-horigheid, lectuur als groepsgebed.

Vlaamse kermis

De boekenbeurs dus. Alles wel beschouwd grijpt hier de jaarlijkse apotheose plaats van het cultuurindustrieel establishment, gepatroneerd door boek.be, de vereniging van Vlaamse uitgevers en boekhandels. Boek.be is een commerciële belangengroep met een behoudsgezinde missie die onder veel ambiance en geschetter wordt gecamoufleerd.  De boekenbeurs is geen plaats voor contestatie, zelfs niet voor controverse. Het is een Vlaamse kermis waarover een parfum van politiek-correcte weldenkendheid en intellectualistische pronkzucht hangt (de verdomd interessante lezingen en debatten, de signeersessies,…), maar ook van commerce en consumentisme. Men hoort de letteren knetteren en de kassa rinkelen, en dat alles in de grootst mogelijke harmonie. In deze cultuurbraderij wordt het huwelijk gecelebreerd van de Roman (met hoofdletter) en het kookboek, hoogcultuur en hobbyisme, onder het motto: “papier is papier”.

Hoe dichterbij het einde, des te scheller klinken de megafoons in deze hoogmis van de papierindustrie.

De wankele positie van het boek, als object en medium, maakt a fortiori ook de boekenbeurs tot een zinledig, repetitief en hysterisch spektakel. Onderhuids en off the record weet natuurlijk iedereen dat de dagen van het boek geteld zijn. Maar laat die ondergangsstemming nu net de fleurigheid van het feest uitmaken, doorspekt met ronkende zegebulletins en recordjacht: elk jaar meer bezoekers, meer standjes, meer schrijvers, meer leut. Hoe dichterbij het einde, des te scheller klinken de megafoons in deze hoogmis van de papierindustrie. Alles herhaalt zich in meer van hetzelfde: de schrijvers, de uitgevers, de distributie, de beurs, de media, het publiek.

Oude goden

Natuurlijk hebben Brusselmans en Lanoye weer elk hun roman klaar: ze ovuleren op het gepaste moment, opgepept als ze zijn met het hormonenpreparaat dat hen door hun uitgevers-soigneurs werd bezorgd. Ooit werden ze “de jonge goden” genoemd. Nu tsjokken ze, met een pak incontinentieluiers onder de arm, naar hun signeerstandje om aldaar de honneurs waar te nemen van een verlepte Vlaamse literatuur die na Claus eigenlijk niets meer te betekenen had. Herman kijkt met glazige oogjes naar de schoolmeisjes die rond hem cirkelen, Tom doet hetzelfde met de knaapjes. Meer dan twee van zulke goden heeft deze planeet niet nodig. Tegelijk loert Brusselmans met onverholen chagrijn naar de afdeling kookboeken van de naastliggende stand, Lanoye heeft als schrijver zijn toevlucht gezocht tot het laatste redmiddel als niets meer lukt: over zichzelf schrijven, de zogenaamde autobiografische roman. Moeder!

Van bijbel tot kookboek

De kookboeken dus. Critici en literatuurfreaks doen er honend over, maar ze zijn dé sterkhouders van het ineen stuikend boekenvak. Het hobbyboek vormt de laatste fase van een literair verdampingsproces dat we alleen maar kunnen toejuichen: alles eindigt in de keuken of in de garage. Na het kookboek komt er niets meer. Hopelijk. De 21ste eeuw zal de geschiedenis ingaan als de eeuw waarin de tekst zich definitief van het papier losmaakte, om vrijer te gaan zweven, los van de hiërarchie auteur/lezer en de dwang van de inhoudsopgave.

Men zou het kookboek een absolute karikatuur van de bijbel kunnen noemen: de tien geboden zijn recepten geworden. Vergeten we niet dat de boekdrukkunst een kleine 600 jaar geleden is uitgevonden om bijbels te kunnen drukken,- dus om het ware geloof te propageren en om voor te schrijven wat ons te doen staat. Geboden en verboden.

Men zou het kookboek een absolute karikatuur van de bijbel kunnen noemen: de tien geboden zijn recepten geworden.

Nooit heeft het boek zich van die oorsprong kunnen ontdoen: de gedrukte tekst is in se prescriptief, elk boek is, ongeacht de inhoud, een handboek voor de lezer én een inprentingsmachine. Het laat zich niet zomaar doorbladeren,- het bevat integendeel instructies, een gebruiksaanwijzing die ons moet beletten om de tekst te mislezen. Met de bijbel als absoluut model, pretendeert het boek ons leven een richting te geven, te beleren, al was het maar over de manier om een soufflé te maken, en dat vergt een lecturale onderwerping, een lees-discipline die ons vanaf het eerste studiejaar wordt ingelepeld.

Ontlettering

Ook de roman, de seculiere tegenhanger van het bijbelmodel, ontsnapt niet aan die manipulatieve missie. Integendeel, de zogenaamde fictie dompelt ons in een verhaal dat het onze niet is, maar waarvan de compositie ons, meer nog dan het essay of het manifest, verleidt en dwingt om ons te identificeren (of net niet) met een personage. Het verhaal zou daardoor een metaforisch verklede waarheid bezitten. Daarom zat diezelfde bijbel ook boordevol verhalen: de auteurs wisten wat ze deden.

Het verhaal blijkt nu echter een leugen, en weerspiegelt slechts de leugenachtigheid die ons sociaal en politiek omgeeft: van Irak tot Dexia, overal worden ons leugens opgedist, “nuttige fictie”, die slechts veel later aan het licht komt, met dank aan gekken als Julian Assange.

Boeken zijn puur ballast, ze vergiftigen ons bestaan, ze verzoenen ons met de fabulatie. De schrijver is God, maar die had Nietzsche al dood verklaard, dus moet het eerder om een mummie gaan, een lastig spook. Lezen wordt dan, letterlijk, een dwaling.

Terecht gaan we onmiddellijk naar de laatste pagina, om vast te stellen dat de schrijver ons heel de tijd fijntjes bij de neus genomen heeft…

De opstand van de lezer, ontlettering genoemd, ligt nu in het verschiet. De ontsluiering haalt heel de romaneske tijdslijn overhoop. Terecht gaan we onmiddellijk naar de laatste pagina, om vast te stellen dat de schrijver ons heel de tijd fijntjes bij de neus genomen heeft,- tijd die we beter hadden besteed aan interessante dingen zoals een risotto maken (zonder Jeroen Meus), een stevig potje seks (zonder Goedele Liekens), op reis gaan (zonder Michiel Hendryckx), kortom: ons eigen verhaal maken, het enige dat echt telt.

Fahrenheit 451

Zei ik “de opstand van de lezer”? Er zijn verschillende strategieën om de gevaarlijke absurditeit van het boek te neutraliseren. Men kan bijvoorbeeld het boek ongelezen in de kast plaatsen,- dat komt meer voor dan zogenaamde lezers willen toegeven. Het wordt dan een rug, een decoratief element.

Daarnaast zijn er allerlei middelen die het boek op een of andere manier ontwaarden: de ramsj, de uitverkoop, de versnipperaar, het boek als pletmiddel voor een verzameling gedroogde bladeren, of als vliegenmepper. De ecologische kritiek is een belangrijke hefboom: de papierindustrie (waarvan het boekenvak maar een tak is) is een ontbosser, en bos hebben we nodig. Niet alleen om te ademen, maar ook en vooral om de vlakte te vermijden en te kunnen verdwijnen. Een boom is in die zin het perfecte boek: ongelezen, tekstloos, puur organisme.

Bijbels en korans het eerst in de fik, later ook de romans en de dichtbundels, en als laatste, euh.., waarom niet, ook de kookboeken.

Het boek (etymologisch van “beuk” afgeleid) is onnatuurlijk en natuurvijandig, zoals cultuur tout-court. In die zin zou men de distopische en herhaaldelijk verfilmde roman van Ray Bradbury  “Fahrenheit 451”, over een toekomstige samenleving waar boeken verbrand worden, kunnen ont-lezen tot een utopie. De boekenverbranding, vandaag nog gezien als hét symbool van barbarij, kan even goed een ritueel worden in een zoektocht naar nieuwe authenticiteit en autonomie. Bijbels en korans het eerst in de fik, later ook de romans en de dichtbundels, en als laatste, euh…, waarom niet, ook de kookboeken.

Dom blondje

Op een legendarisch geworden foto ziet men Marilyn Monroe, absoluut prototype van het domme blondje, op een bankje James Joyce “lezen”. Maar men ziet zo dat ze alleen naar de letters kijkt, mogelijk houdt ze het boek zelfs omgekeerd vast. Die dislexie opent mogelijkheden, misschien was Marylin wel veel slimmer maar ook veel onaangepaster dan wij allemaal samen. De zogezegde verloedering van de taal bij de jeugd, via het chatten en SMS-en, zou men als een spontane deconstructie kunnen opvatten van een literair kolonisatieproject dat ergens bij Gutenberg begon. De “domheid” is niet dom, ze is vooral een weigering om de tekst te accepteren zoals hij er staat. Men kan verontwaardigd zijn over van alles en nog wat, maar in laatste instantie moet de taal heruit gevonden worden, en dient de tekst “ontlezen”. Onbegrip, vervorming, analfabetisme, dislexie, dialect, allerlei niet-reguliere idiomen, taalfouten: ontlettering is tegelijk zich uitschrijven,- uit de monotheïstische bijbelcultuur die ons nog steeds domineert.

De “domheid” is niet dom, ze is vooral een weigering om de tekst te accepteren zoals hij er staat.

Het internet is een nuttig middel (maar meer ook niet) om dat tweevoudig proces van het ontlezen en het uitschrijven te faciliteren. Alleen het dagboek zou deze boekenverbranding kunnen overleven, als een neerslag van het persoonlijk geheugen, waar geen lezer zaken mee heeft, tenzij, op zeldzame “uitgelezen momenten”, een zielsverwant, en daar is geen boekdrukkunst of boekenbeurs voor nodig.

Met de verdwijning van het boek, als collectief fetisj en cultuurobject, verdwijnt ook de klassieke school (schola, scholastiek: ook die is theologisch), en wenkt een nieuw bestaan van de buitenstaander, dilletant, analfabeet, dagboekschrijver, zondagsschilder, dienstweigeraar, maker van onbestaande kunstwerken, reiziger, grensbewoner. Dit gaat over nieuwe naaktheid, naïviteit en levenslang beginnen. Domweg.

Meer over ontlettering:

Het boek, de bomen en het bos

Epi-fanie

Advertenties

Beyoncé danst Rosas, so what?

Pleidooi voor méér artistieke en intellectuele copycats

Groot alarm: een Amerikaanse popzangeres die alleen onder de voornaam Beyoncé bekend is (terwijl ze voluit Beyoncé Giselle Knowles heet), heeft danspassen “gepikt” van Anne Teresa De Keersmaeker en in een videoclip verwerkt, zonder iets te vragen. De reactie van de bekendste Vlaamse (of moet ik in haar geval zeggen: Belgische) choreografe is dubbelzinnig. Enerzijds voelt ze zich vereerd en lijkt dit een teken van erkenning. Anderzijds laat ze Beyoncé weten dat “er protocols bestaan, en dat zulke handelingen gevolgen hebben”. Meisje is dus stout geweest, meisje moet in de hoek en zal de rekening gepresenteerd krijgen.

Zonder twijfel is Anne Teresa De Keersmaeker een mijlpaal in de geschiedenis van de moderne dans, daarover gaat de discussie niet. Wel bemerk ik een latent superioriteitsgevoel van de “hoogcultuur” t.o.v. de  “populaire cultuur”. De eerste manifesteert zich als experimenteel, vernieuwend, origineel, doordacht, intensief, diepzinnig. Van daaruit wordt de tweede geëtiketteerd als “mainstream”, inspiratieloos, entertainend, oppervlakkig, commercieel.

Establishment

Een groot deel van De Keersmaeker’s discours omtrent Beyoncé’s zogenaamde misstap draait rond dat moreel-intellectueel superioriteitsgevoel. Er is een “onbaatzuchtige” kunst die creëert en met de diepere levensinhouden omgaat, en er is een lucratieve amusementsindustrie die maar wat aanmoddert. Op een dansvoorstelling van Rosas werken onze hersenen op volle toeren en stokt onze keel, een clip van Beyoncé is slechts oppervlakkig volksvermaak. De grote choreografe schudt meewarig het hoofd en constateert vervolgens het grote gelijk van de avant-garde: “Now that I see Beyoncé dancing it, I find it pleasant but I don’t see any edge to it. It’s seductive in an entertaining consumerist way”. Terwijl de kunst van De Keersmaeker, met alle respect, zich tot een elite richt met een hoog zelfknuffelgehalte,- mensen die nu eenmaal Rosas nodig hebben om in interessante gesprekken te tonen hoe gecultiveerd ze wel zijn.

Ik zou daarbij ook het lelijke woord “establishment” kunnen gebruiken, maar ik zal me beperken tot de vaststelling dat het zogenaamde materialisme en de diva-allures van Beyoncé Knowles wortelen in de sociale ambities van een Texaans, cultuurloos low middle class gezin, terwijl barones Anne Teresa De Keersmaeker binnen de cocon van het Vlaams-Belgische subsidiecircuit is groot geworden. Haar uitgangspunt is, dat de overheid Cultuur met een grote C financieel moet in leven houden omdat de samenleving anders mentaal verkommert, terwijl Beyoncé gewoon op de markt is gaan staan en naast zichzelf ook nog parfums verkoopt. Ik stel gewoon de clash tussen twee werelden vast.

SABAM

Binnen dat cultureel establishment was er groot begrip voor de houding van De Keersmaeker, al klonk het hier en daar ook wel dat dit ontmaskerde plagiaat een mooie publiciteit oplevert. Wat ik in de discussie mis, is de cultuurfilosofische pointe: wat betekent “plagiaat” nu eigenlijk, en bestaat er zoiets als “intellectueel eigendom”?

In België waakt hoofdzakelijk de auteursvereniging SABAM over de “rechten” van de kunstenaar. Afgezien van de gerechtelijke dossiers die tegen deze vereniging lopen wegens financieel gesjoemel, en het feit dat ze een pyramidale ledenstructuur kent (waar alleen de top geld terug krijgt, en de onderlaag vooral bijdraagt), is er al jarenlang kritiek omwille van de repressieve stijl en de nultolerantie die ze hanteert jegens bijvoorbeeld muziekliefhebbers die eens een blaadje muziekpapier copiëren. Ook de gretigheid waarmee ze in alle delen van het publieke én privé-domein ingrijpt om “billijke vergoedingen te innen” (zoals voor een radio die in de werkplaats van een garagist galmt, of de heffing op blanco-CD’s waarop u waarschijnlijk toch “beschermd werk” gaat branden) wekt veel kwaad bloed.

Fundamenteel echter is SABAM een dinosauriër, een levend fossiel in een wereld waar ideeën, beelden, teksten steeds sneller circuleren. “Intellectueel eigendom” is in onze cultuurgeschiedenis altijd al iets problematisch geweest. Originaliteit is in se een belachelijk fetisj. Hoeveel keer is het thema van Don Juan vanaf de renaissance tot heden overgenomen en doorgegeven, zonder copyrightperikelen? Moet een onderzoeker de nazaten van Einstein toestemming vragen om de relativiteitstheorie te mogen gebruiken?

In de 21ste eeuw is het begrip “auteursrecht” gewoonweg onhoudbaar, omdat ten eerste de massaculturele participatie een feit is, vooral dankzij het internet, en omdat de technologie zich buitengewoon leent tot copiëren, verveelvoudigen, maar ook spiegelen en vervormen. De schemerzone tussen copie, plagiaat, referentie, citaat en bewerking wordt steeds breder. Zelfs een “plagiërende” student met een thesis vol copy-pasts is iemand die ideeën doorgeeft en aan cultuurspreiding doet. Waarom hem buizen?

Intertekst

Vandaag leven we in een bad, door filosofen “intertekst” genoemd, waarvan slechts het schuim aan de oppervlakte zichtbaar is als cultuur. Vanonder stroomt alles door elkaar, waardoor er telkens nieuw schuim ontstaat. Ideeën moeten kunnen bewegen om gerecycleerd te worden. Het vermogen tot imiteren, absorberen, copiëren, parafraseren, permuteren,… is zelfs een maat voor de mentale fitheid van een samenleving. Beschermde ideeën zijn dode ideeën. De toekomst is aan de dilettant en eclecticus, iemand die weet te shoppen en te zappen, het bestaande combineert en synthetiseert. We hebben de mond vol over horizontale communicatie, de kennismaatschappij en de netwerkcultuur, maar dan moeten we niet flauw doen over het uitwisselen en doorgeven van wat de moeite waard is.

Goede ideeën verdienen om overgenomen te worden. Of om het met Anne Teresa te zeggen: Beyoncé heeft een goede smaak, chapeau. De Keersmaeker zou dan toch ook moeten erkennen dat ideeën die zelf ergens anders vandaan komen, niet kunnen ontvreemd worden. Als een auteur een roman schrijft, “zijn” roman, dan resoneert heel de wereldliteratuur daarin mee (ik hoop het voor hem), maar ook de boodschappenlijstjes van zijn vrouw en de teksten van La Esterella. We zijn maar deeltijdse, fragmentaire wervels van een enorme chemie. Het is de grote verdienste van de popcultuur dat ze die intertekst ten volle erkent en beleeft, ook al zit ook zij uiteraard in de greep van het auteursrechtenspook, de managers, productiehuizen en CD-labels.

Respect dus voor grote vernieuwers en hun vermoeienissen, maar evenzeer voor pikkedieven als Beyoncé, die moeiteloos rythm & blues, hiphop, soul, Brigitte Bardot, Andy Warhol, Rwigyy, Diana Ross en… Anne Teresa De Keersmaeker in elkaar klutst. Ik pleit dus voor meer copycat, én natuurlijk ook voor speurzin die de draadjes ontrafelt en stamlijnen traceert. Dat is gewoon een opgave voor de betere journalistiek. Zoals het geld moet rollen in de economie, moeten ideeën van eigenaar kunnen veranderen in de culturele wereld,- dat is een bewijs dat het goed gaat. Beyoncé Knowles brengt dus goed nieuws, ze is een spons die het goed kan uitleggen, en ze heeft mijn volle sympathie.

Johan Sanctorum

“Epilogue”: passieverhaal, of sterfscène op zijn Pfaff’s ?

Over mediatisering, esthetisering, en voyeurisme

Het is heel moeilijk om niét met een krop in de keel naar de film “Epilogue” te kijken, waarin de 50-jarige en zwaar aan kanker lijdende Neel Couwels thuis afscheid neemt van haar familie, om dan het finale spuitje toegediend te krijgen.

De vrouw wou blijkbaar aan haar vrijwillig levenseinde een publieke dimensie geven en haar laatste zes maanden in een bioscoopfilm gieten, “om te laten zien dat sterven thuis ook kan”, lees ik in de krant. Voer voor het Grote Euthanasiedebat,  wie ben ik om de beslissing van Neel te bediscussiëren. Met de regisseur Manno Lanssens wil ik anderzijds wel eens een boom opzetten over beeldcultuur, openbaarheid, sensatie en voyeurisme, in het bijzonder wat de meest intieme momenten van een mensenleven aangaat.

Ik weet wel dat het allemaal met toestemming van de betrokkenen gebeurt: ouders die hun baby’s onder de TV-spots ter wereld laten komen, koppels die filmpjes van hun seksuele esbattementen op het internet plaatsen, Hot Marijke op kanaal 2, Komen Eten (lekker gluren in de living), Expeditie Robinson, enzoverder. Onmiskenbaar is er in de spektakelmaatschappij een gretigheid om te kijken, én om bekeken te worden, zich in te schrijven in een klein verhaal, daar waar men beweert dat alle “grote verhalen” dood zijn: we heten allemaal een beetje Pfaff.

De ultieme verantwoordelijkheid is niet die van de beeldenmaker maar van de toeschouwer. Met welk recht dringen wij als wildvreemden binnen in het huis waar een vrouw sterft?

Maar bij de sterfscène van Neel is er toch wel meer aan de hand. Net heel de wollige woordwolk rond emotie, respect, intimiteit (!), enz. lijkt me een alibi van de makers om de grenzen van het voyeurisme te verleggen. Vergeten we dan niet dat het om een artistiek én commercieel project gaat, en dat de film ook al op een prestigieus festival werd gepresenteerd.

Op een of andere manier grijpt hier dus een soort artistiek vampirisme plaats, vanwege de kunstenaar naar het onderwerp. De bedoeling is zeer ambigu. Sensibiliserend, jawel, maar ook gericht op emo-effect. Is het onbehoorlijk om te stellen dat deze euthanasiefilm tot de nieuwe sentimentcultuur moet gerekend worden, die, zoals de opera’s van Puccini van weleer, aan onze traanklieren trekt? De grote sterfscènes op het theater zijn evenwel slechts kleinbier, vergeleken bij deze reality-TV. Het is echt, authentiek, maar tegelijk in scène gezet en gemanipuleerd, daarna ook nog eens verknipt en gemonteerd tot, nu ja, een volwaardig cinemaproduct.

Lanssens mag wel zeggen dat het allemaal heel respectvol gebeurde, maar ik probeer me de situatie voor te stellen van een huis vol kabels en technische toestanden die nu eenmaal bij het maken van een film horen, waar op de set dan iemand ligt te sterven in het bijzijn van de kinderen. Het zegt toch iets over de brutaliteit van onze moderne beeldcultuur, waarin de graatmagere Neel Couwels als ultieme diva helemaal opging, maar waar haar kinderen, zo lees ik toch, grote reserves bij hadden.

“Persfoto van het jaar”

Laten we dan ook maar alle morele premissen rond dit spektakel achterwege laten en de echte drijfveren erkennen: Neel was een met-zwarte humor-begaafde actrice en een beetje exhibitionistisch –haar kinderen moesten eraan wennen, je respecteert nu eenmaal de laatste wens van je moeder-, en Manno Lanssens is anderzijds een ambitieuze artiest die zijn acteurs weet uit te kiezen. Die collusie maakt, en nu ben ik heel oneerbiedig, het Pfaff-gehalte uit van de sterfreportage. Ook de dood van bompa Pfaff kreeg een enorme amplitude, zij het dat de man gewoon ’s avonds was ingeslapen en niet meer wakker werd, slechte timing dus, pech voor VTM.

Nogmaals: let op de visuele gelijkenis tussen de slotbeelden van “Epilogue” en de grote sterfscènes op het operatoneel, én de geschilderde iconen van het lijden bij bv. de Vlaamse primitieven (ik denk aan “De dood van Maria” van Hugo van der Goes, ca. 1480, zie afbeelding hiernaast).  Dit is hoogwaardige cinema. Het perspectief verschuift genadeloos van de intimiteit naar het publiek spektakel en wordt zelfs een cultuurhistorisch citaat. Dat de camera altijd een beetje liegt, ondervond overigens ook dochter Sanne, toen ze de film bekeek en zei dat ze geschrokken was:  “Toen pas heb ik goed gezien hoe mama gestorven is. Want in het echt hield ik haar in mijn armen. Dat is een ander perspectief.”  Neen Sanne, volgens mij is alleen jouw standpunt het ware, en is de camera –wij allen dus- de indringer en vervalser.

Dit lijkt me iets voor de betere pedagogie: kinderen het besef bijbrengen dat toekijken niet onschuldig is, en dat beelden kunnen versluieren of liegen.

Iets zegt me dat ik hier afstand moet houden. De publieke dood van Neel staat op hetzelfde niveau als een koppel dat het en plein public doet. Ook al was het haar beslissing, ik doe niet mee en sluit het venster. De ultieme verantwoordelijkheid is niet die van de beeldenmaker maar van de toeschouwer. Met welk recht dringen wij als wildvreemden binnen in het huis waar een vrouw sterft? Men zou die schroom kunnen uitbreiden naar andere voorbeelden van een perverse beeldcultuur.

De foto bijvoorbeeld, zie hiernaast,van een Columbiaans meisje dat langzaam in een modderstroom verdrinkt (Frank Fournier, persfoto van het jaar, 1985). Zij is geen actrice, maar de fotograaf is wel een kunstenaar die met zo’n beeld in de prijzen valt. Waardoor zij gepromoveerd wordt tot fotomodel en figurante, luttele momenten voor ze definitief die put in verdwijnt. Over een dubbele pagina (centerfold) laten glossy bladen het resultaat zien, ter grootte van een schilderij: het schone en het verschrikkelijke, in één snapshot gevangen. Het is alsof ze terug kijkt naar ons, en zegt: “wat valt er te zien?” In die zin weiger ik de foto, niet uit onverschilligheid, maar net uit respect. Of de foto van een vrouw in Somalië die haar stervend kind in de armen houdt. De catastrofe die zich in die landen afspeelt is een politiek probleem van de eerste orde, maar trekt ook een zwerm muskieten aan die voorbij elk schaamtegevoel het menselijk leed pornificeren en ons meezuigen in een voyeuristisch perspectief dat eerder sentiment dan opstandigheid creëert.

Misschien zijn er wel naievelingen die de totale zichtbaarheid van alles voor iedereen als de apotheose van de communicatiemaatschappij beschouwen. Dit lijkt me dus iets voor de betere pedagogie: kinderen het besef bijbrengen dat toekijken niet onschuldig is, en dat beelden kunnen versluieren of liegen. We moeten ze kunnen weigeren als we vinden dat er een grens overschreden wordt. Hoe sterker en dwingender het beeld, des te moeilijker wordt het om doorheen de oppervlakte te breken en achter het beeld te kijken: wie, wat, waarom. Epilogue: het verhaal achter het verhaal is dikwijls interessanter.

Johan Sanctorum