Maandelijks archief: januari 2014

“Two Tars”: de vrolijke rit naar het autokerkhof

salonZopas sloot het Brusselse Autosalon zijn deuren, de tweejaarlijkse FEBIAC-hoogmis vol glimmende bolides en schaars geklede dames die mannen ter plekke soms tot masturbatie aanzetten (met eigen ogen gezien tijdens de nocturne, vrijdag). Afgezien van dit laatste ben ik politiek en moreel tegen de auto. Hij vervuilt, rijdt op een egoïstisch-Narcistisch chassis, en doet het slechtste in de mens naar boven komen. Als voetganger en fietser vervloek ik dit chroomstalen universum.

Maar zet mij achter het stuur, en ik transformeer onmiddellijk tot wegpiraat en verkeersgek. Het omdraaien van de contactsleutel is voldoende om de hersenklik te maken. De auto is, samen met de computer, een van de weinige machines die écht tot onmiddellijke gedragsverandering aanleiding geeft. Of misschien wel een persoonsverandering. Hoe kan dat? Wat is er aan dat gestroomlijnd karos dat het alle mannen, zelfs de grootste klunzen, zo stuurvaardig, zo koelbloedig, zo assertief,… zo moorddadig maakt? Alleen de antropologie, moeder van alle wetenschappen, kan die bipolariteit verklaren.

Jagers in de vlakte

Volgens een algemeen aanvaarde hyrallypothese ruilden de hominiden zo’n 3 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika de jungle voor de savanne, een open landschap met hier en daar bosjes en struiken. Ze werden tweevoeters en ontwikkelden jachtstrategieën, mede dankzij de ontwikkeling van de neocortex (de hersenschors, verantwoordelijk voor taal en abstract denken). De rondtrekkende stam wees patrouilles aan van vier mannen die het terrein moesten verkennen op zoek naar beschutting en prooi. Vier bleek het ideale getal: één leider die vooraf ging, twee links en rechts, en eentje dat vooral achteruit moest kijken voor eventuele gevaren in de rug. Vier is ook psychologisch een goed, rustgevend aantal met minimale kansen op conflicten (in tegenstelling tot bv. drie). We vinden dat groepsgetal tot vandaag in allerlei contexten zoals het strijkkwartet, de popband, het kaartspel en… uiteraard de auto met zijn vier zitplaatsen. Al de rest is ballast.

Uiteraard maak ik hier een enorme sprong. Er is nog de verschijning van de ruiter, de uitvinding van het wiel, de kar, de strijdwagen, de koets, de ontploffingsmotor, en de assemblageband voor massaproductie, bedacht door Henry Ford. Er is het oprijzende verkeersnetwerk, de wegcode, er zijn de files. Maar in essentie is de auto de industriële omzetting van die gewapende patrouille in de grasvlakte. De rallywedstrijden en de 4×4-rage herinneren er nog aan: hier heerst het recht van de sterkste. Dit is het universum van de nomadische jager, die het kleinwild (voetgangers en fietsers) wegmaait, maar die zelf belaagd wordt door de mastodonten (vrachtwagens).

Agressie is inherent aan het verkeer. Het is geen uitzondering, het is de regel. Al honderd jaar terroriseert de auto, als modern relict van de prehistorische jager/nomade, het wegennet.

Overigens jagen de zogenaamde zwakke weggebruikers ook elkaar op. De cyclotoeristen terroriseren de gewone fietsers, die op hun beurt de voetgangers de berm inrijden. De voetgangers zijn de absolute underdog: zij dienen, zoals het woord het zegt, zich uit de voeten te maken. Moto’s hebben dan weer de signatuur van reuze-insecten. Tenslotte zijn er nog de aaseters: politie, ambulances, hulpdiensten.

In deze voedselketen spelen vrouwen geen enkele actieve rol, tenzij als decoratie, prikkel om de testosteronproductie te stimuleren, of om het zweet van de jager te betten. De nadrukkelijke aanwezigheid van vrouwelijk schoon op de motorkap is dan ook antropologisch geheel verantwoord. De pit babes om en rond formule-1-wedstrijden beloven seks en bereiden de man voor op de strijd. Voor nog meer ambiance, beluister Wagners Walkürenritt.

De file als burgeroorlog

TwotarsVerkeersagressie is dus helemaal geen abnormaal, pervers verschijnsel maar de essentie van het ding, met de automobiel als absolute trigger. Hoe strenger de wegcode, des te meer domineert de anarchie. Een oerwoud van gebods- en verbodstekens nodigt alleen maar uit tot ontwijken en anticiperen. Sensibiliseringscampagnes rond veilig verkeer hebben nauwelijks succes.

Door de ontwikkeling van die auto tot massaproduct en de exponentiële toename van de verkeersdrukte deed zich echter hetzelfde probleem voor als bij de bevolkingstoename op deze planeet: iedereen liep (of beter: reed) iedereen in de weg, dus werd het drummen.

Het verdwijnen van de open ruimte, de totale verstedelijking en het dichtslibbende verkeer veranderen compleet onze horizon. Men ziet nooit verder dan de voor- en achterligger. Snelheid bestaat alleen nog in F1-wedstrijden, films, reclamespots en games, ze is virtueel geworden. In werkelijkheid overheerst de traagte, het wachten, het bumperen, en het daarmee verbonden walggevoel.

Dikwijls staat alles compleet stil, getoeter alom, in de wegberm ontstaan opstootjes. Men doodt elkaar, letterlijk, voor een parkeerplaats of om een plek op te schuiven in de file.

Zo gaat het dynamische geweld van het snelverkeer over in het statische, stilstaande geweld van de file. In de onvoorstelbaar grappig/baldadige slapstick “Two Tars” (1928) tonen de zeebonken-op-verlof Stan Laurel en Oliver Hardy hoe ze twee deernes aan de haak slaan (pit babes dus, belangrijk voor de testosteronaanmaak), vervolgens tijdens een joy ride in een file terechtkomen, die tenslotte eindigt in een imbroglio waarbij iedereen elkaars auto sloopt. Meesterlijke profetie.

Op die manier klapt het oude jachtritueel in elkaar tot een kannibalistische oorlog-van-allen-tegen-allen. Al decennia piekeren verkeersdeskundigen zich suf over de vraag hoe ze dit in goede banen kunnen leiden, tevergeefs: de overheid, die zogezegd het geweldmonopolie heeft, staat machteloos tegenover deze burgeroorlog van het stilstaand verkeer. Zolang er beweging was, was er hoop. De stilstand echter, daar worden de jagers van weleer pas echt baldadig. Hier produceert het testosteron geen roes meer, maar slechte stress, onlust en walg, die elk moment kunnen overslaan in een jeu de massacre. Tijd voor het derde en laatste bedrijf in deze slapstick:

Het openbaar vervoer

Inderdaad, hoe lost die hopenbaarvervoerilarische file in “Two tars” zich eigenlijk op? Heel merkwaardig: nadat de arm der wet eindelijk is gearriveerd, ontstaat een wilde achtervolging op het olijke duo en rijdt de sliert auto’s, of wat ervan overblijft, pardoes een spoorwegtunnel in. Als een deus-ex-machina komt nu vanuit de tunnel een stoomlocomotief aangestormd die het zootje demobiliseert en opruimt. Einde goed al goed.

Bijna honderd jaar geleden wisten de schrijvers van deze plot haarfijn waar het rijk van de auto eindigt: daar waar de spoorwegen het overnemen. De overheid keert terug, en hoe. Het zijn net de files die een ijzersterk politiek argument aanleverden om het privévervoer op te doeken. De auto heeft zijn houdbaarheidsdatum overschreden, punt gedaan. Vergeet het argument van de CO2-uitstoot en het fijn stof: ook de perfect schone auto is geen lang leven meer beschoren. De postmoderne bureaucratie duldt geen individuele trajecten meer en wil deze herverpakken tot grotere, collectieve trajecten die finaal ook onze individuele horizonten moet bundelen. Zeg maar: ons leven eenvormiger maken.

Het openbaar vervoer is veredeld veetransport. Het is een eindeloze oefening in het wachten. In die gelatenheid ligt zowaar het kleine geluk van de reizigerskudde…

Niet dat daarmee de vrede gewaarborgd is of het geluk vergroot, maar het verhoogt enorm de impact van het systeem op het individu, waardoor de individuele stress en de daarmee verbonden hormonenproductie totaal stilvalt. Er is een vast netwerk, een uniforme uurregeling, een centrale dispatching, en vooral: je zit naast een wildvreemde waarvan je vermoedt dat hij je niet gaat opeten. Dat schept zowaar een wederzijdse band.

Onvermijdelijk roept dit associaties op met deportaties en het vervoer van slachtvee. Terecht: de kudde op weg naar het abattoir is het verzwegen prototype van de nieuwe collectieve mobiliteit. Eindeloos kan de bureaucratie nu malen, oponthoud creëren, sporen wisselen of trajecten wijzigen. Het openbaar vervoer is een eindeloze oefening in het wachten. In die gelatenheid ligt zowaar het kleine geluk van de reiziger. In België rijdt haast nooit een trein op tijd, en dat is psychologisch van belang: ook varkens hebben tijdens hun laatste reis geen flauw benul wanneer ze zullen aankomen. En willen dat ook niet weten.

meisjesO ja, Hoe loopt het nu af met die twee meiden, in het begin van het filmpje door Stan en Oliver opgepikt? Wel, vreemd genoeg laten de scenaristen hen achter in de wegberm, ze zijn niet meer nodig in het verhaal. Hierdoor verlaten ze zonder kleerscheuren de file-oorlog (waarin ze toch nooit meer waren dan supporters), maar ontsnappen ze ook aan de apocalyptische finale waarbij de locomotief het complete autopark opveegt en de mannen ter deportatie opvordert.

Achteraf zouden we die deernen kunnen zien als demonische strijdmaagden die het allemaal in gang hebben gestoken en de vuurtjes aanpoken. Walküren uit de Belle Epoque als het ware. Maar ook dat is een mannelijke fixatie. Misschien is de ultieme moraal gewoon dat heel dat mobiliteitsgedoe tot de waan van deze wereld behoort. En dat het best prettig toeven is in de berm of aan de zijkant. Of gewoon thuisblijven: dat we daar nooit hebben aan gedacht.

Advertenties

“Ze zijn onder ons…”: over het nut en vermaak van complottheorieën

Nu heel het intellectueel debat in de Lage Landen in beslag genomen is door het nieuwe boek van Kristien Hemmerechts en de aanstelling van de Belgische Dichter des Vaderlands, is het misschien tijd om deze kwesties te herleiden tot wat ze zijn, namelijk niets, en het even over alles te hebben.

Alles? Kan dat dan? Welja, op voorwaarde dat men de realiteit, althans zoals ze zich voordoet, even kan loslaten, om haar opnieuw te vatten in één grote, persoonlijke ideële constructie. Een compositie van de wereld, met dank aan Harry Mülisch, waarin alle stukjes van de puzzel perfect in elkaar passen, maar die van de lezer haast een even grote verbeelding en inleving vraagt als van de bedenker zelf.

Goddelijke deeltjes

CERNOppervlakkig lijkt dat op paranoia, een waan-weten. Want wat is het wereldbeeld van een enkeling waard? De Nederlandse filoloog Matthijs van Boxsel heeft er zijn levenswerk van gemaakt om het fenomeen in kaart te brengen en te inventariseren. Zijn driedelige “Encyclopedie van de Domheid”  toont ons een weids overzicht van mislukte profeten en bedenkers van buitenissige theorieën zoals, om er maar één te noemen, de Belgische officier Nicola-Remy Brück (1818-1870) die via de schommelingen in het aardmagnetisme heel de wereldgeschiedenis kon verklaren én voorspellen. Jammer genoeg past die theorie tot op vandaag in geen enkel gangbaar wetenschappelijk stramien, waardoor van Boxsel hem bij de morosofen rangschikt: roemloze en achteraf bekeken belachelijke believers en propagandisten van een onacceptabel denkconstruct.

Je komt ze overal tegen, meestal alleen, ze klampen iedereen aan, stellen eindeloze vragen op lezingen, leuren met zelfgemaakte foldertjes. Vandaag beijvert het genootschap SKEPP (“Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale”, een hele mond vol) zich nog altijd om dit soort mensen aan de schandpaal te spijkeren alsof het criminelen zijn.

Gelukkig bezit van Boxsel voldoende gevoel voor ironie om ook zichzelf in het rijtje van de mislukte genieën een plaats te geven. Het grote probleem is immers dat de grens tussen het genie en de nar, -de succesrijke theorie die heel de wetenschap overhoop gooit, en het godvergeten bedenksel van de morosoof,- flinterdun is. Temeer omdat alle wetenschappelijke paradigma’s een houdbaarheidsdatum hebben. De gravitatietheorie van Newton, de relativiteitstheorie van Einstein en de evolutietheorie van Darwin doen het nog altijd heel goed,- al zijn ze toch ook maar ontstaan in het hoofd van een fantast. Maar de psychoanalyse van Siegmund Freud, honderd jaar lang als ijzersterk beschouwd, ligt nu onder vuur en wordt door sommige academische kringen (in hoge mate gelinkt aan bovenstaande vereniging) afgebrand als charlataneske prietpraat. Idem dito voor neo-Freudianen zoals Jacques Lacan.

Als het zo verder gaat komt Freud binnen twintig jaar ook in het lijstje van de morosofen. Maar wie zegt dat Darwin en Einstein niet ooit hetzelfde lot is beschoren? Vandaag geloven minder mensen in de evolutietheorie dan pakweg een halve eeuw geleden. De opgang van het creationisme (geloof in de schepping) of het intelligent design (de evolutie als goddelijk bouwplan) heeft misschien minder te maken met een terugkeer naar de middeleeuwen, dan wel met de fatale uitfloddering van een theoretisch systeem.

Ik ben dus zo vrij ze allemaal gelijk te stellen, de grote systemen, en ze onder de complottheorieën te rangschikken. Elke “grote” theorie die het heelal probeert te begrijpen is paranoïde. En dat woord gebruik ik niet eens in een negatieve zin.

Geef toe: bijvoorbeeld de theorie van het Higgs-boson of Brout-Englert-Higgs-deeltje, dat alomtegenwoordig zou zijn in het universum, en waardoor alle deeltjes massa krijgen, is een grotesk hersenspinsel zoals heel de kwantumfysica. De natuurkunde van de elementaire deeltjes is soms meer poëzie dan wetenschap in de strikte zin. De bijnaam “goddelijk deeltje” is dan ook niet helemaal onterecht: het is zeer waarschijnlijk dat de reusachtige deeltjesversnellers zoals de Large Hadron Collider van het CERN in Genève ooit als tempels van een uitgestorven religie zullen geboekstaafd staan, eerder dan als laboratoria.

Laat dus maar duizend bloemen bloeien, alles is mogelijk en niets is zeker. Deze horizontale visie op kennis en geloof wil ik nu nog verbreden door er mijn eigen complottheorie aan toe te voegen. Nieuw materiaal voor van Boxsel.

Tijdreizigers

circusJuist in verband met dat mysterieuze Higgs-boson werd links en rechts al eens het vermoeden geopperd dat de echte empirische bevestiging ervan wel lang op zich laat wachten. Wil het ultieme deeltje wel ontdekt worden? En wie of wat houdt dit tegen? En waarom stapelen de pannes in die deeltjesversnellers, toch niet gemaakt van papier maché, zich op en wordt dé ontdekking alsmaar weer uitgesteld?

Verder bordurend op deze achterdocht zou men zich een toekomst kunnen voorstellen waarin de techniek van het tijdreizen mogelijk wordt. Dat zal niet gebeuren met de wetenschap van holbewoners als Newton of Einstein maar dankzij die van nog veel grotere fantasten. Natuurkundig, logisch, en zelfs ontologisch opent dit idee alleszins een enorme doos van Pandora: stel dat de aardbewoner van de toekomst kan terugkeren naar het verleden, zou hij dan ook niet ingrijpen in dat verleden, om zijn existentie te optimaliseren? Bijvoorbeeld om de ontdekking van dat Higgs-boson uit te stellen. Of om zich de juiste voorouders te selecteren die hem een IQ van 180 opleveren en een penis van 25 cm. Maar natuurlijk ook, en vooral, om de wereldgemeenschap van de toekomst uit te tekenen.  Als dat klopt, dan zou ons heden een constructie zijn van de toekomst, en lopen er hier specimen rond die via bepaalde ingrepen, voor ons onverklaarbaar maar voor hen evident, de geschiedenis bijsturen.

Het is het maakbaarheidsgegeven op zijn kop: wij hebben helemaal niets in de pap te brokken, en zijn zelfs niet gedetermineerd door het verleden, maar door diegenen die na ons komen. De tijdreizigers dus.

Nu kan het complotdenken pas goed op gang komen: waar zitten ze? Hoe zien ze eruit? Wat doen ze exact?  Allemaal domme vragen natuurlijk. Ze zijn overal, ze zien eruit als wij en doen net hetzelfde, maar dan met een geheime agenda, dat maakt het zo spannend. U en ik kunnen het zijn, of Homer Simpson. Mogelijk maken ze ook wel eens een fout en creëren ze een paradox. Zo zou op de achtergrond van de film “The Circus” van Charles Chaplin uit 1928 een persoon met een… GSM te zien zijn (z. foto). Een onachtzame chrononaut die per ongeluk door het beeld loopt?

Af en toe wordt er geopperd dat de chrononauten zich als een groep of een volk doorheen deze tijd bewegen en zo hun futuristische agenda afwerken. De Joden bijvoorbeeld (beschouwen zich sowieso als een aparte soort), of de Hongaren (vanwege hun taal die geen enkele gelijkenis vertoont met enige andere). Kan zijn.

Plausibeler lijkt me dat de tijdreizigers zich gedeisd houden en in verspreide slagorde opereren, ze zitten niet aan de knopjes of de hefbomen, ze veroorzaken zelf niet al die rampen, zo slim zijn ze wel,- ze geven veeleer de minimale en juiste impuls om kettingreacties teweeg te brengen die naar het juiste doel leiden. Wie hier de schaduw van God ontwaart, zit er niet ver naast: misschien zijn alle religieuze ervaringen en geloof in een oppermacht wel te herleiden tot deze über-complottheorie over het Intelligent Design 2.0. Niet de schepping is de crux, wel het moment waarop het posthumane wezen van een verre toekomst die geniale theorie bedenkt die hem toelaat in het verleden in te grijpen.

Technisch zal die achterwaartse schepping niet rimpelloos verlopen, en allicht zijn nogal wat catastrofes te wijten aan kinderziektes van het systeem, foute berekeningen en zo. De op til zijnde klimaatcatastrofe zal tot een drastische uitdunning van de wereldbevolking leiden, wat allicht ook ingeschreven stond in de toekomstagenda, zij het als weinig elegante ingreep. Maar hoe verder de toekomst reikt, des te geperfectioneerder wordt het terugkeren in de tijd en de daarbij behorende manipulaties. En des te geringer, des te subtieler worden de ingrepen, tot in de kleinste details. In het jaar x zal de techniek compleet op punt staan, en zijn de reizigers van dat tijdstip perfect in staat om hun eigen heden te construeren. Alles wordt dus wel degelijk beter, er zullen steeds minder conflicten optreden tussen heden en toekomst. Zouden de optimisten dan toch gelijk hebben?

War game

De geschiedenis wordt dus meer en meer een draaiboek, vastgelegd vanuit de toekomst, door zij SFdie de wetenschap daartoe monopoliseerden. Welke status levert ons, aardbewoners, dat op, anno 2014? Inderdaad, die van dummy’s. We zijn slechts figuranten in een verhaal dat al geschreven is maar waarvan slechts een handvol protagonisten de afloop kent. Zij zijn ook de regisseurs. Wij doen gewoon wat moet gedaan worden, en acteren als in een cybergame. Ten opzichte van de toekomst bewegen wij ons in een virtuele realiteit, een “second world” die maar een speel- en oefenplaats is om de echte te creëren. De echte wereld is in wording, naarmate de geschiedenis oplost, dat wist G.W.F Hegel al, dé complottheoreticus van de Westerse filosofie.

Maar het wordt nog boeiender. Want als verschillende tijdzones uit de toekomst zich met ons leven en onze realiteit gaan bemoeien, dan zijn conflicten tussen deze chrononauten zeer waarschijnlijk: mogelijk hebben verschillende toekomstgeneraties een verschillend concept van hun ideale werkelijkheid, in de eerste plaats door het verschil in kennis en technologisch peil zelf.

Het zou dus best kunnen dat een commando tijdreizigers uit 3020 en een ander uit 4035 het hier bij ons komen uitvechten. Het wordt nog lachen. Daardoor zitten wij, hedelingen, niet alleen in een virtuele realiteit, maar ook in een virtuele oorlog, een war game tussen tijdmigranten uit zones  x, y en z. Mogelijk loopt dat af en toe uit de hand, en waren W.O. I en II chrononautische confrontaties. Binnen dat virtueel kader kunnen wij nooit meer zijn dan figuren die een digitale spelruimte stofferen. Het maximum dat we kunnen bereiken, is inzicht en bewustzijn, zo algemeen, omvattend en radicaal mogelijk, in dat waar we geen vat op hebben en dat we niet kunnen verifiëren, tenzij als bug, een lichte storing, een flikkering in het scherm.

Ziedaar het nut van complottheorieën: ze proberen, in tegenstelling tot hun reputatie, realiteiten te benaderen en te omschrijven waar de meesten onder ons zelfs niet durven aan denken.

Filosofen zijn de perfecte complotdenkers, net omdat hun gedachtenexperimenten niet eens hoeven gecheckt te worden door deeltjesversnellers of ander tuig. Meta-fysica dus, in de eigenlijke zin van het woord. Anderen zullen het onzin noemen, en daar hebben ze binnen hun systeem ook weer geen ongelijk in.

U begrijpt dat ik dan ook niet meer wakker lig van de benoeming van de Belgische DichterWally des Vaderlands. Alleen het heel-al is van betekenis. Weerom is het eigenlijk de humor die dit alles draaglijk en zelfs amusant maakt. Ik citeer hier het onvergetelijke refrein van Captain Eddy Wally in het absurde SF-feuilleton Lava:

In het heelal is ’t alle dagen carnaval,
in het heelal is ’t alle dagen bal.
In het heelal is ’t alle dagen carnaval,
en het heelal is overal!

Optimisme als mannelijke hysterie

wallstreet

Wall Street, 1922

Koop aandelen! Haal dat spaarvarken boven, verdomme! Consumeer, laat het geld rollen! Niemand heeft er zin in, want het ergste moet nog komen, zo voelen we aan onze dikke teen. Het straffe is dat de economen dat zelf ook weten: ze denken namelijk zonder uitzondering allemaal in curves, op en neerwaartse bewegingen. En het gaat dus nog altijd fameus bergaf in de wereldeconomie, hou u vast aan uw bretellen.

Als vader van dat cyclisch denken geldt de Russische econoom Nikolai Kondratieff (1892-1938), adviseur van Lenin maar uiteindelijk in opdracht van Stalin gefusiljeerd. Niet geheel ten onrechte overigens: Kondratieff stond als pragmatische communist een voorzichtige invoering van het kapitalisme voor, net omdat het cyclisch in elkaar zit onder het motto “na regen komt zonneschijn”. Veel makkelijker dan alsmaar die vijfjarenplannen te fabriceren die toch nooit wat worden. En het geeft de armoezaaier een perspectief. Wie vandaag met 900 Euro per maand moet rondkomen, gelieve geduld te hebben en het leven van de zonnige kant te bekijken: beterschap is op komst, op voorwaarde dat je er écht in gelooft. Snel uitgeven dus, die 900 Euro, en dan maar pinnen op de poef.

De winter tegemoet

curve   Grosso modo duurt één cyclus bij Kondratieff 50 jaar, waarbij telkens een technologisch innovatieve sector heel de zaak trekt. Zo zitten wij midden in de 5de cyclus, het informatietijdperk, in gang geschoten rond 1980, in 2008 (net voor de bankencrisis) op zijn toppunt, en nu dalwaarts gaande, ergens 2030 tegemoet. Dan is zowat iedereen platzak behalve dat ene percent superrijken. Milieu-doemdenkers gaan ervan uit dat we tegen dan ook allemaal stikken in het fijn stof en dat er sowieso geen vervolg meer aan dit verhaal komt, maar zij kennen niets van economie.

Kondratieff verdeelde zijn cyclussen nog eens in vier perioden die hij aanduidde met de seizoensnamen. De lente zag hij als opbouwfase, de zomer als consolidatiefase, de herfst als plateau- of stabilisatiefase en tot slot de winter als liquidatie of afbraakfase. Wij zitten, anno 2014, dus in volle herfst.

Deze verwijzing naar de landbouw en de natuur is psychologisch knap bekeken: het neutraliseert de doemdenkers (zie hoger), en het maakt de economie tot een zelfregulerend mechanisme, zoals de natuur, waar een slimmerik zijn voordeel mee kan doen, terwijl de sukkels mogen wachten op de lente die toch komt. Zij het binnen twintig jaar.

De kapitalistische economie is een manisch-depressieve fantasmagorie die alles en iedereen opzuigt. Ze heeft alle kenmerken van een epidemische verslaving…

Er is bovendien iets gek aan die curve: hij bestaat omdat economen, financiële experts en uiteindelijk heel het systeem er zich ook naar gedragen. Een geval van self-fullfilling prophecy dus, of noemen we het gewoon moderne religie. Het is als een scheve toren die onvermijdelijk na een tijd omvalt als je hem maar hoog genoeg maakt. De meesten komen onder het puin terecht, alleen de ingewijden en de zieners maken zich op tijd uit de voeten. Waarna het spel herbegint.

Zo blijkt Kondratieff niet alleen de geestelijke vader van de economische curve, maar ook een zielenknijper die ons met crisissen moet verzoenen en de pechvogels onder ons aanspoort tot… optimisme. “Crisissen zijn uitdagingen”, en meer van dat soort peptalk: het stamt uit het constructivistische Rusland van de jaren ’20.

De zwarte tulp

beursWie de binnenkant van een beursgebouw al eens heeft gezien, krijgt een idee van de hysterie die het systeem draaiend houdt: nu eens euforisch, dan weer disforisch, creëert ze waarde of verlies, zonder ook maar één ogenblik uit de mallemolen te stappen. Het heeft alle kenmerken van een epidemische verslaving. De kapitalistische economie is een manisch-depressieve fantasmagorie die alles en iedereen opzuigt. Er ontstaat tussen New-York, Frankfurt en Tokio een parallelle wereld van de waan waaraan niemand nog ontsnapt.

De beurs is tegelijk tempel, theater, markt en casino. Ze is deterministisch, voluntaristisch en aleatorisch tegelijk. Er zijn wetmatigheden (de curves!), duizenden analisten zwermen rond (die zich overigens steeds weer misrekenen), terwijl tegelijk het anarchisme van de vrije markt heerst en, vooral, de begeerte om rijkdom zichzelf te laten vermeerderen. Ingebeelde rijkdom grotendeels, want de transacties laten nauwelijks nog toe dat er ook echt geconsumeerd wordt.

Binnen dat universum is werkelijk alles mogelijk. Het ingebeelde wordt waar, het waardeloze wordt rijkdom, en het gekke is: de kunst is om mee te gaan met de waan. De reële, “natuurlijke” waarde van de dingen wordt vervangen door hun speculatieve waarde, gebaseerd op het gerucht en imitatiegedrag (opeens wil iedereen hetzelfde), leidend tot een hausse, onvermijdelijk gevolgd door een baisse.

Hét klassieke voorbeeld is de tulpengekte uit het Holland van de 17de eeuw. Kort na 1600 begonnen de prijzen van tulpenbollen in de lage landen te stijgen, omdat een paar Franse dames zo’n tulp in hun decolleté droegen (Cherchez la femme!). In 1637 werd in Amsterdam één zwarte tulp geveild voor 6000 gulden, toen de prijs van een sjiek herenhuis in het stadscentrum. Een paar maanden later was ze niets meer waard en stortte de markt in, met een paar winnaars en vooral veel verliezers. Die zich een paar maanden later op een nieuwe rage stortten.

De zwarte tulp, is er een sterker symbool denkbaar van de ontaarding? Het maakt de waan tot drijvende motor van een proces waarin mensen, ook complete leken, denken dat ze via de beurs slapend rijk gaan worden, bubbels zich steeds weer vullen, tot ze uiteenspatten, iedereen kniezend afdruipt, om tenslotte weer recht te krabbelen en te herbeginnen. Gadgets, kunst, antiek, goud, onroerend goed, luxewaren, maar ook grondstoffen en levensnoodzakelijke producten zoals rijst, olie, suiker volgen deze speculatieve cyclus.

Kraft durch Freude

Het optimisme functioneert in heel dat verhaal als een emotionele zweep, een drug die de EwigeVerhofstadt Wiederkehr des Gleichen veroorzaakt, zoals een gokverslaafde ook steeds weer herbegint. De euforie, nodig om een hausse te creëren, is gebaseerd op een bewustzijnsvernauwing die men als typisch mannelijk moet zien, het adrenalinemoment van de jager tegenover zijn prooi. Anderzijds is elke tegenslag een aansporing om te herbeginnen. Finaal maakt dit optimisme zich los van elke realiteit. Het gebral dat de toekomst aan ons is, en dat het steeds beter wordt, is noodzakelijk om de eigen angst te onderdrukken. Alle negatieve signalen worden genegeerd, positieve worden uitvergroot: het optimisme is de sociaal meest aanvaardbare vorm van domheid. Het maakt de kern uit van vele politieke demagogie, maar ook van allerlei feel good– en gelukstherapieën, die mensen wijs maken dat alles beter wordt, “als je er maar in gelooft”.

Het ordewoord om het optimisme blindelings te promoten behoort tot de kern van het Westerse kapitalisme en het vooruitgangsdenken.

De burgermanifesten van Guy Verhofstadt, geschreven tussen 1989 en 2006, vertolken weergaloos deze vorm van zelfhypnose. Niet toevallig doken ze op in de “lente” van de economische curve. Verhofstadt’s lofzang aan de techniek, het industrieel apparaat en de vooruitgang liegt er niet om: het verstand op nul en de blik op oneindig, is de boodschap. In wezen is dit een restant van de vroeg-20ste eeuwse macho-lyriek, beoefend door die andere manifestenschrijver, Filippo Tommaso Marinetti, peetvader van het artistieke futurisme en huisvriend van Benito Mussolini.

“Kraft durch Freude”, heette dat in de nazipropaganda. Vandaag vinden we die verplichte hoera-stemming terug in allerlei TV-formats (lachsalvo’s om de halve minuut), de strijd tegen de verzuring en ‘de morele plicht om positief te denken’, nog zo’n Verhofstadt-mantra, geïnspireerd op het bekende devies van de filosoof Karl Popper (1902-1994) “Optimism as a moral duty”. U moét meegaan in de euforie, anders stokt de waarde van het aandeel. Want daarop wordt de conjunctuur beoordeeld: niet op het goede leven of het geluk dat wordt geproduceerd, maar de waarde van de aandelen, uitgedrukt in de beursindex.

Optimisme werkt altijd. In goede tijden leeft men naar de hausse toe, in slechte tijden van de baisse weg. Enig negationisme omtrent crisis en armoede is gewenst (Geert Roelens, topman van de Beaulieu-groep: “Ik wil het woord ‘crisis’ niet meer horen!”) Zo blijkt die goede Karl Popper, de peetvader van het moderne liberalisme, een vermomde Kondratieff-adept, met alle manische trekjes vandien. Door het optimisme als een “plicht” op te vatten, wordt de beurs, als psychotisch mechanisme, als het ware moreel gefundeerd. Tijd om uit die carroussel van de mannelijke waan (want dat is het) te stappen.

4. Oikos, of de moeder van de porseleinenwinkel

Lagrange

Hestia gegijzeld? (Christine Lagarde, topvrouw van het IMF)

Het ordewoord om het optimisme te promoten behoort tot de kern van het Westerse kapitalisme en het vooruitgangsdenken. Heel de cultuur van de waan volgt in haar zog, zowel de beurs, de media-industrie, de consumptiemarkt als de bloeiende sector van de mental coaching, allerlei goeroes en therapeuten die ons via tegelwijsheden de eeuwige glimlach verkopen onder het motto “Always look on the bright side of life”. Graag citeren ze ook filosofen, vooral Nietzsche met zijn Uebermenschfantasie en zijn Zarathustra-gedaas.

Het pessimisme wordt anderzijds beschouwd als iets toxisch, overeenkomstig de klassieke visie op de melancholie als zwart-galligheid. Maar misschien is heel die karikaturale kijk op de melancholie en de depressie wel zelf een neurotische poging om onze fysieke, mentale en sociale realiteit te verdoezelen.

Dat is alvast de stelling van de feministische biologe Barbara Ehrenreich. Ze kreeg zelf met die peptherapieën te maken, toen ze borstkanker kreeg en iedereen haar wilde laten geloven dat ze vooral steeds opgewekt moest zijn, blijven lachen, want dat was het begin van de genezing. Het werd haar zo gortig dat ze er een essay over schreef,Smile or Die: How Positive Thinking Fooled America And The World” (2010), waarin ze heel dat mannelijk-militaristisch vocabularium van het obligate optimisme in een bredere context stelt. Politiek, economisch, cultureel.

De enorme toevloed van feel-good-therapieën zijn volgens Ehrenreich het gevolg van het hyperindividualisme, het materialisme en het daarmee gepaard gaande inkrimpende collectieve verantwoordelijkheidsgevoel, het zorgend principe, dat men als pessimistisch moet beschouwen, voorzien op de worst case (“Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinenwinkel”).

De zuinige zorgzaamheid van moeder-de-vrouw Hestia is niet interessant voor de consumptiemaatschappij en dus ook niet voor de beurs.

Daarmee raakt ze iets aan dat fundamenteel tegenover de hysterie van de beurs staat: de no-nonsense-realiteit van de haard, door de Grieken de oikos genoemd, het huishouden, de zorg (voor het vuur) en de voorzienigheid, beheerd door de godin Hestia. De vrouw-aan-de-haard, jawel. Zij weigert de schuim van het optimisme en gaat voor een holistisch realisme, onze plaats in het grote geheel. Het idee dat men zijn borstkanker kan weglachen is vals, en staat tegenover het besef dat die borstkanker kadert in een breder verhaal van o.m. een falende milieuzorg, de economisch pletwals en het gebrek aan langetermijndenken.

Gezond conservatisme

Vrouwen blijken dus veel miHestiander last te hebben van die tulpenbollenstress, ook al ondergaan ze natuurlijk net zo goed de consumptiemaatschappij. Men voelt hier de tegenstelling tussen het mannelijke en het vrouwelijke universum: het woord “economie” komt van dat Griekse woord “oikos”, maar het is gekaapt, het is een nomos geworden, een wetenschap. Dus moet Hestia misschien wel op haar rechtmatige plek gerestaureerd worden. En uiteraard niet kosmetisch, op de manier zoals Christine Lagarde de IMF-club mag voorzitten, als een soort masquotte.

Barbara Ehrenreich pleit eigenlijk, als progressief-linkse publiciste, voor een gezond conservatisme, dat de curven van de waan opnieuw vervangt door de natuurlijke cycli, de echte seizoenen dus, niet de spookseizoenen van Kondratieff, en door de wetten van het gezond verstand.

Deze wetten vertellen ons bijvoorbeeld dat men in tijden van voorspoed moet sparen en in crisistijden elke cent drie keer moet omdraaien. Zuinigheid dus. De knip op de beurs. Precies het tegendeel van wat de economen ons aanbevelen. De zorgzaamheid van moeder-de-vrouw Hestia is niet interessant voor de consumptiemaatschappij en dus ook niet voor de beurs. Aan haar verdienen de beleggersfondsen niets. Ze kan de schaarste beheren, ze maakt geen schulden en laat het geld niet rollen, ook niet als ze het heeft. Ze kweekt zelf groenten in haar tuin, heeft geen VISA-kaart en stelt een weekmenu op waardoor de impulsaankopen tot een minimum wordt beperkt.

In 1668, dertig jaar na de tulpenbubbel, levert de Franse toneelschrijver Jean-Baptiste Poquelin, beter bekend als Molière, zijn karikatuur af van dat vrouwelijk voorzorgsprincipe en de zuinigheid, in de figuur van L’avare (“De vrek”). Mensen die het geld op hun spaarboekje laten staan zijn gierigaards die het spel niet willen meespelen. Ze kijken de kat uit de boom, blijven in hun eigen oikos en verzaken dé economie waaraan ze hun (toekomstige) rijkdom te danken hebben. Aan de schandpaal ermee.

Daarmee was de wereld klaar voor een nieuwe bubbel en voor de eerste industriële revolutie. Weg met de vrekken, laat het geld rollen. Faites vos jeux, lach, speel, verlies, en herbegin. We weten tot op vandaag, en in het vooruitzicht van een nieuwe bankencrisis, waar deze euforie ons heen leidt. De recente Wall-Street-demonstraties tonen hoe diep de afkeer zit. Allemaal niet goed voor de economie, dat gejank.