Maandelijks archief: februari 2013

Politieke correctheid en taalepuratie: het mysterie van de verdwenen allochtoon

Tot een van de bloedigste regimes sinds de tweede wereldoorlog kan dat van de Rode Khmer gerekend worden, de militaire tak van de Communistische Partij van Democratisch Kampuchea (nu Cambodja). Hun bezieler en leider, Pol Pot, had het plan opgevat om de stedelijke beschaving, en eigenlijk de beschaving tout court, af te schaffen via massale deportaties naar het platteland. Men schat dat tussen 1975 en 1979 2 à 3 miljoen Cambodjanen (op een totaal van 7 miljoen) zijn omgekomen.

Behalve in wreedheid overtrof Pol Pot zijn leermeesters Stalin en Mao ook inzake de totale beslaglegging op het sociale verkeer en het privé-leven. Slapen, ontlasting, eten en drinken: het moest allemaal collectief gebeuren. Alles wat naar cultuur, expressie en individualiteit verwees, werd verboden, op straffe van executie: eigendom (uiteraard), naast kleding en uiting van persoonlijke smaak (iedereen liep in het zwart), boeken (behalve dan de reguliere communistische literatuur), het dragen van een bril (te intellectueel!), kennis van een vreemde taal (gevaar voor imperialistische smetten), maar ook vriendschappen en familiale banden die konden leiden tot groepsvorming buiten de cellulaire staatsstructuur. Allemaal fout, weg ermee.

Opmerkelijk is ook het belang dat de Khmers in hun ijver hechtten aan een juist taalgebruik. Daartoe moest er grote schoonmaak gehouden worden, niet alleen in de politieke terminologie. Woorden als vader of moeder waren taboe wegens niet conform de communistische gemeenschapszin, naast een hele resem andere vervuilde woorden uit de omgangstaal. Deze opkuis vereenvoudigde het leven aanzienlijk, en zou leiden tot de ideale maatschappij, zo meenden de Khmers oprecht: hun insteek was, hoe schandalig we dat nu ook vinden, idealistisch, op het maakbaarheidsprincipe gebaseerd, en, tja, in die zin zelfs politiek-correct.

Uiteindelijk werden de Khmers verjaagd door de Vietnamezen, die hen ook eerst in het zadel hadden geholpen. Waarna de indoctrinatie gewoon doorging. Tot daar de recente geschiedenis.

Newspeak

animalfarmDe verhouding tussen politieke macht en taalcontrole was het stokpaardje van de Engelse schrijver-filosoof George Orwell. Al in 1945 publiceerde hij zijn legendarisch geworden Animal Farm, een grotesk-satirische allegorie over een boerderij waar de varkens het hebben overgenomen en een welzijnsstaat creëerden volgens hoger beschreven Stalinistische principes. Maar de wreedheid is nagenoeg afwezig: de propaganda en de indoctrinatie hebben de vrijheidsberoving en de fysieke liquidatie grotendeels overbodig gemaakt. Iedereen is gelukkig omdat… het woord ongeluk gewoon is afgeschaft, meer moet dat niet zijn!

Orwell had vooral de Stalin-dictatuur voor ogen –in die zin was hij zelfs een pleitbezorger van de Koude Oorlog-, maar de eigenlijke visionaire dimensie van zijn distopische roman reikte verder: hij zag al de “perfecte democratie” opdoemen, waar macht en controle over het discours, in al zijn aspecten, samenvalt. Daartoe is dus geen dictatuur nodig, integendeel: hoe groter het gepalaver, hoe groter de verwarring, des te beter voor het systeem.

De moderne macht is niet meer repressief, ze grijpt in op het niveau van de taal, de betekenissen, de tekst. Ze organiseert de democratie en de publieke opinie op zo’n manier, dat de free speech alleen nog een variatie is op de legitieme thema’s, in een vast verbaal stramien.  Alles wat daar buiten valt, wordt gekwalificeerd als ongeoorloofd, nefast, grof, extreem.

Het systeem dat vandaag spreekwoordelijk als “Orwelliaans” wordt gekarakteriseerd, drijft daarom voornamelijk op taalmanipulatie en massapsychologie, met de communicatiewetenschap als sleuteldiscipline. Zowel de simplifiërende on-liner als het omgekeerde, de quasi-onbegrijpelijke woordenbrij, behoren tot het retorisch arsenaal van de macht.

De moderne macht is niet meer repressief, ze grijpt in op het niveau van de taal, de betekenissen, de tekst.

Het ingrijpen in de woordenschat is daarvan een essentieel aspect: termen worden gedumpt, andere worden uitgevonden. De nieuwe termen zijn nooit helder of éénduidig,- ze zijn veeleer wollig en mistig, om de contradicties van het systeem zelf toe te dekken. In een weinig bekend essay van 1946, getiteld “Politics an the English Language”, doet George Orwell die newspeak haarfijn uit de doeken. Macht berust op verwarring en ondoorzichtigheid, en daartoe moeten er verbale mistgordijnen geschapen worden. Dat gebeurt op alle niveau’s. We kennen allemaal het fenomeen van de informaticatechneut die u om de oren slaat met vakjargon, en zo zijn autoriteit bevestigt: het is jammer genoeg schering en inslag.

Zowel systemen als individuen ontlenen hun autoriteit aan een complex taalgebruik, een groteske overdaad aan woorden, frasen, alinea’s en voetnoten, die op de duur alleen nog naar elkaar verwijzen. Het euvel komt voor bij wetenschappers, technici, kunstenaars, en zeker ook politici. Er ontstaan dan kasten van specialisten die elkaar afschermen via een jargon dat zogezegd noodzakelijk is om ingewikkelde knopen te ontwarren, terwijl ze de knopen juist nog dikker maken. (→ meer hierover: “Eilanden van gezond verstand”).

Op het politieke vlak wordt de verloren gegane legitimiteit (“wie gelooft die mensen nog?”) ruimschoots gecompenseerd door de professionele inbreng van spindoctors en communicatiestrategen allerhande. Woorden worden gecreëerd, gecombineerd, gedumpt, helemaal conform hun inwerking op de publieke opinie. Met de media uiteraard als noodzakelijke sluis, en het academisch-cultureel establishment als aangever.

Allo-wat?

TermontIk moest dan ook voortdurend aan Orwell denken, toen steden zoals Amsterdam en Gent aankondigden dat ze het woord “allochtoon” zouden schrappen.

Het woord werd ons ooit opgedrongen als hallucinant staaltje newspeak (omdat men niet over vreemdelingen, migranten of mensen-van-buitenlandse-origine mocht spreken), en nu wordt het dus door diezelfde taalpolitie weer afgevoerd. Verre van dit met het Rode Khmer-regime te willen vergelijken, stelt men toch vast dat hier een gelijkaardig politiek-correct voluntarisme aan het werk is: het idee dat problemen zich oplossen door de taal te fatsoeneren. Terwijl het net andersom is: de taal is een weerspiegeling van de sociale realiteit, die niet homogeen is, maar heterogeen en conflictueus.

De ontkenningsstrategie die erachter schuilt is perfide en lachwekkend tegelijk. Ooit stelde Steve Stevaert, nu actief als havenbaas in Vietnam, voor om de term “Vlaams Belang” niet meer uit te spreken, en enkel nog de afkorting “VB” te gebruiken (wat dan evengoed op “Vuile Bruinzakken” of “Vunzige Bastaards” kon slaan, kies zelf maar). Daarmee zou het probleem volgens hem wel van de baan geraken. Het was ook de tijd dat de zo slimme professor Etienne Vermeersch in de media elke vraag over die verboden partij beantwoordde met een lakoniek “Wie?”, in dezelfde optimistische veronderstelling dat het probleem zo zichzelf zou oplossen.

In het kader van een permanente goed-nieuws-show wordt de realiteit geregisseerd en verbaal uitgefilterd,- iets waar de media overigens voluit aan meedoen.

Dit taalkundig proberen te overrulen van de realiteit is typerend voor een maakbaarheidsideologie die au fond niet geïnteresseerd is in het werkelijke maatschappelijke spanningsveld: in het kader van een permanente goed-nieuws-show wordt de realiteit geregisseerd en uitgefilterd,- iets waar de media overigens voluit aan meedoen. De quasi-ethische omlijsting van het woordverbod (“onzuiver taalgebruik” wordt meteen ook “immoreel taalgebruik”) is kenmerkend voor een bovenbouw die wanhopig op zoek is naar legitimatie: Gent en Amsterdam, redders van het correcte Nederlands, en hoeders van de beschaving!

Op zich totaal betekenisloos geworden stoplappen als “racistisch” en “(on-) democratisch” fungeren als sleutelwoorden in deze epuratie, die ver voorbij de strikt politieke sfeer gaat. De manier bv. hoe kreupelen, steeds vanuit de bemoeizucht van de sociale sector, invaliden werden, dan gehandicapten, daarna mindervaliden, nog later andersvaliden, om voorlopig te eindigen als personen-met-een-beperking,- is tekenend voor de fascinatie van de socio-politieke sector voor labelling en semantische inkapseling.

We denken ook aan de systematische kruistocht van de reguliere media die afgeven op het “racistische”, “vunzige”, “barbaarse” taalgebruik op het internet, en de filters die worden toegepast op de eigen publieksfora.  Op die manier proberen de elites taalkundig greep te krijgen op de massa, via een progressief-ethisch alibi, met zelfs esthetische parfums van “goede smaak”. De missionarishouding dus. Het is nog maar een kwestie van tijd, voor ze bij de UNESCO er achter komen wat de term “voil Janet” precies betekent, en dan krijgt het Aalsters carnaval zijn genadeslag…

Tentensletje

vuilzakConclusie? De overheid moet zich niet moeien met taalkundige epuratie. Als ze de treinen op tijd laat rijden en sneeuw ruimt ben ik al heel tevreden. Taal is iets levend, en baart constant nieuw materiaal dat van onderuit ontstaat, als vulkanische lava. Elk jaar neemt de Dikke Van Dale zo’n 1500 woorden op die tot de omgangstaal zijn gaan behoren. Het zijn woorden die soms door individuen worden verzonnen, schrijvers of journalisten, maar dikwijls ook uit de volksverbeelding zelf voortkomen. Vooral de jeugd- en jongerentaal is een vruchtbare bron, denk aan het tentensletje van de editie 2010.

In essentie loopt het woordenboek dus steeds de feiten achterna. Dat kan ook niet anders: de officiële taal, het AN, is maar een schaduw van de levende taal. Maar de Orwelliaanse krachten in het bestel willen op de feiten vooroplopen en de maatschappij kneden via het plichtlexicon, het Groene of het Rode boekje, het geadministreerde discours.

Toen een brave academische borst recent meende dat het woord “makak” moest geschrapt worden, wees Peter de Roover er fijntjes op dat dit woord vrijwel enkel nog gebruikt wordt… als scheldwoord door Marokkaanse allochtonen onderling. Ook het woord “neger” is in onbruik geraakt, niet bij decreet maar spontaan. Het woord boerka maakt in de volksmond dan weer opgang als vuilzak voor gemengd huishoudelijk afval. De etymologie is dikwijls complex en verrassend, het gebruik onorthodox. Zo is het woord “bougnoul” van oorsprong een Arabische term die… “neger” betekent.  Verbieden dan maar?

De enige autonomie die mensen nog rest, en waar ze fanatiek aan moeten houden, is de vrijheid om hun woorden te kiezen, vanuit de onderbuik, niet alleen vanuit het hoofd.

Het verzet tegen de standaard- en plichttaal is fundamenteel, en gelukkig springlevend. Om die reden maak ik me, zoals de lezer al heeft kunnen vaststellen, ook niet al te druk over de spellingregels, uitgedokterd door een clubje taalgeleerden ergens in den Haag. Nog veel minder maak ik me bezorgd over de door puristen zo gehate chat- en SMS-taal, of andere idiomen en tussentalen. Integendeel, ze vormen een vitaal tegengewicht voor de opgelegde new speak, de bureaucratische sluiers en het abrakadabra van de systeemtechnici.

Deze stille –en soms luidruchtige- strijd tussen spontane idiomen en cultuurtaal is, is veel belangrijker dan de immer verwaterende politieke tegenstelling. Het is dé nieuwe conflictzone van de postmoderne democratie, waar alles draait rond retoriek, taalspelen, demagogie en massamanipulatie.

De enige autonomie die mensen nog rest, en waar ze fanatiek aan moeten houden, is de vrijheid om hun woorden te kiezen, vanuit de onderbuik, niet alleen vanuit het hoofd. En er desnoods nieuwe te verzinnen als het vocabularium niet volstaat.

De schutting- en straattaal, samen met het kernproza dat op het internet floreert, is geen verbale restfractie maar vormt, integendeel, de stamcellen van het spraakweefsel. In ons geval het Nederlands. Als containerbegrip, niet als standaard. De vitale kern van een taal bestaat uit schimpscheuten en krachttermen, niet uit blabla.

Daar kan de Gentse burgemeester Termont, goede leerling van Stevaert, niets aan veranderen. Gelukkig maar, dedju.

Advertenties

Brueghel afgestoft: UNESCO wil erfgoed met fatsoen

AalstSinds drie jaar behoort het Aalsters Carnaval tot het Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid, en dat zullen ze geweten hebben: Vastenavond mag vrolijk zijn, maar moet zich houden aan de regels van de politieke correctheid, vastgelegd door de internationale smaak- en zedenpolitie. Want dat was men even vergeten: met het UNESCO-label eigent die instelling zich ook het recht toe om voor schoonmoeder te spelen.

Misschien tijd om die UNESCO-bureaucratie, en, algemener nog, zin en onzin van dat “werelderfgoed” zelf eens in vraag te stellen.

Disneyficatie

toerismeDe indrukwekkende erfgoedlijst is ongetwijfeld door nobele bedoelingen geïnspireerd: wie zou nu het carnaval van Aalst of Binche, of de binnenstad van Florence willen missen. We hebben nood aan bakens, rituelen, herkenningspunten, al was het maar om ergens over te kunnen praten. Toch overvalt me een gevoel van ondraaglijke lichtheid, als ik die immer aanzwellende lijst overloop.

De erfgoedlijst lijkt namelijk steeds meer op een toeristische cataloog, waaruit we vrijblijvend een bestemming kunnen plukken, zoals we een paar sokken of een GSM uitkiezen. Ze nodigt ons uit om deze planeet te herkoloniseren, alles is van ons, zonder dat we met de plek of het ding verder enige relatie hebben. De Voil Janetten maken geen locale volkscultuur meer uit, vol tamelijk subversieve of zelfs obscene rituelen. Neen, ze zijn dankzij de UNESCO mondiale folklore geworden, geformoliseerd en ontdaan van elke subversieve inhoud.

Dat heeft gevolgen voor de beleving van cultuur. Ze is niet langer een stoorzender, een bron van onrust, een spelbederver, of iets dat afstand neemt van het geheel,- ze is gewoon één afdeling van de grote hypermarkt, ergens nabij de kassa, waar de files ontstaan en men tijdens het wachten nog dingen meegraait die men eigenlijk niet nodig heeft.

Door een losgeslagen Vlaams Brueghel-tafereel –een vulgaire, schunnige dronkemansstoet- te verheffen tot werelderfgoed, is de UNESCO tegen haar eigen grenzen aangelopen. Cultuur’ – met grote C- laat zich inlijsten, maar niet de energie die er onder door stroomt.       

Zo leidt de inventarisering en canonisering van het werelderfgoed op een bizarre manier tot banalisering en “Gleichschaltung”: alles is zichtbaar, maar niets beklijft; alles en iedereen is verschillend, maar niets of niemand uniek. We vinden onszelf ‘cosmopolitisch’, -wereldburgers-, nooit was de planeet zo klein, maar het aantal plekken dat echte verwondering teweeg brengt, daalt zienderogen. In de plaats van de ontdekking en de verwondering, komen de overrompeling, de sensatie, en de kick. Men spreekt in dat opzicht van Disneyficatie: de inrichting van deze planeet tot attractiepark. En daar lopen onvermijdelijk parkwachters rond die waken over de goede zeden.

Uiteindelijk verdwijnt ook elk gevoel van ‘ergens anders’ te zijn, of het verlangen om in een andere rol te kruipen, als vreemdeling een gebied te betreden: we zijn overal en nergens thuis.  Het aanbod is zo duizelingwekkend en biedt ons zoveel keuze, dat we er zelfs niet aan denken om de stekker uit te trekken en ons te bezinnen. Het kiezen en shoppen wordt een tic, voor sommigen zelfs een verslaving. De homo zapiens is een feit.

Eigenlijk bevordert de UNESCO zo het toerisme van de platgetreden paden.  Ze deelt labels uit, zorgt voor restauratie en toegankelijkheid, en universaliseert dingen die voorheen particulier en onherbergzaam waren.  Het reizen als “vreemdgaan” wordt daardoor steeds moeilijker. Ze bestaan nog, die onontgonnen plekken, maar alleen al dat woord “onontgonnen” wijst op een fatale koloniseringswoede die ons allen in de greep heeft.

Uitschrijven graag

De Romeinse toeristenhaat is berucht.

De Romeinse toeristenhaat is berucht.

Dé Belgische toplocatie voor het internationale toerisme is de Brugse binnenstad, nog zo’n stuk werelderfgoed. Het is een spookstad, er woont haast niemand meer. Net daarom ontstaan er acties van burgerlijk verzet tegen de Disneyficatie. Zo’n 15% van de bewoners gebruikt zelfs uitdrukkelijk de termen ‘leger’ en ‘invasie’, om aan te geven hoezeer de toerist gehaat wordt, die toch een bron van economische welstand is. De ‘gouden driehoek’ in het zuidwesten is een voor de stedelingen te mijden plek, een stuk grondgebied dat om strategische reden lijkt te zijn opgegeven. Geen Bruggeling waagt er zich nog.Het fenomeen van het toerisme als ‘stille oorlog’ tussen bewoners en bezoekers heeft zich wereldwijd uitgezaaid: de toerist wordt beschouwd als een bezetter, daarom wordt hij verwend én beetgenomen. Allerlei ondergrondse verweerstrategieën worden door de autochtonen toegepast.

In Venetië bv. hebben alle inwoners doodeenvoudig de stad verlaten. U kan haar wel bezoeken, er duur en slecht eten, door de gondeliers afgetroggeld worden, maar Venetianen krijgt U niet te zien: die bestaan namelijk niet, de stad is een louter decor en consumptiepark, één grote hinderlaag voor Uw portefeuille, met dank aan de UNESCO.

Romeinen zijn er in Rome nog wel, maar ze vermijden elk oogcontact met vreemdelingen en antwoorden niet als U de weg vraagt. Integendeel, is het bedotten van toeristen er een sport, zeg maar een wraakoefening voor de invasie. De Romein verwaarloost daarbij ook opzettelijk het eigen patrimonium en laat zijn hond plassen tegen de antieke zuilen, om aan te geven dat dit Disneyland zijn stad niet is, maar die van iets of iemand anders. Er lijken zo in toeristische toplocaties twee steden op onzichtbare wijze door elkaar te lopen of naast elkaar te bestaan,- het ‘bezet gebied’, als erfgoed,  en de ‘vrijstad’ der autochtonen, waar toeristen niet komen of niet gewenst zijn. Ironisch genoeg zijn het net die onontgonnen plekken die door de reisbureau’s als nieuwe attractie worden gepromoot: de oorlog gaat door.

Wat Aalst nu moet doen, is zich uitschrijven uit die erfgoedlijst, door te volharden in de boosheid. Zelfs bij restaurants is het een nieuwe trend: Michelin de deur wijzen.

De meest drastische actie tegen de postmoderne Disney-ideologie was wellicht de dynamittering van de Boeddhabeelden door de Taliban in Bamyian/Afghanistan (2001, afb.). Een golf van afgrijzen liep door de weldenkende wereldburgerij.  De commentaar van de UNESCO vertoonde toen enige gelijkenis met de recente reprimande naar het Aalsters Carnaval: ‘De Taliban hebben een misdaad tegen de cultuur begaan’ . Terwijl men toch zou kunnen stellen dat het ten eerste hun erfgoed is, en dat ten tweede niets onvergankelijk is, zelfs de Mona Lisa of de Akropolis niet, en de Toren van Pisa nog veel minder.

P. Brueghel de Jonge: Boerenbruiloft

P. Brueghel de Jonge: Boerenbruiloft

De Aalsterse dorpspotentaten hadden dus ongelijk in hun UNESCO-euforie: voor levende cultuur is het “werelderfgoed” een begraafplaats. Wat het Carnaval nu moet doen, is zich uitschrijven uit die erfgoedlijst, door te volharden in de boosheid. Mogelijk een signaal voor andere, door het wereldtoerisme gekoloniseerde plekken. Want de nieuwe behoefte aan particulariteit zal allicht toenemen: mensen, groepen, rituelen, tradities die uitdrukkelijk niét in de cataloog willen staan. Zelfs bij restaurants is het een nieuwe trend: Michelin de deur wijzen. Voor de UNESCO en alle sterrenuitreikers een inconveniente ontwikkeling. Voor de media al evenzeer: zij leven van toegankelijkheid, labeling en uitwisselbaarheid.

Het verhogen van drempels, codes en toegangsprotocols is het antwoord op de globalisering en de vervlakking: in essentie is het feest een esoterisch gebeuren waaraan een inwijding vooraf gaat. Openbare feesten zijn waardeloos. Ik heb goede vrienden in Aalst, en al vijf jaar wacht ik op een uitnodiging tegen Carnavalstijd, want als toerist wil ik niet gaan. Telkens is de teleurstelling groot, maar wordt de begeerte sterker. En dat is goed, want dikwijls is de begeerte intenser dan de vervulling.

Door een losgeslagen Vlaams Brueghel-tafereel –een vulgaire, schunnige dronkemansstoet- te verheffen tot werelderfgoed, is de UNESCO tegen haar eigen grenzen aangelopen. Cultuur, met grote C, kan men wel inlijsten, maar niet de donkere energieën, de onderstroom waaraan ze zich laaft. Laat dat maar eens een aanknopingspunt zijn voor een identiteitsdebat.

I like/dislike Facebook

Een libertarische kijk op de “sociale netwerken”

Zopas raakte bekend dat Facebook in maart een nieuwe “app” (toepassing) lanceert waarmeeZuckerberg gebruikers kunnen zien waar hun vrienden zich bevinden. Facebookbaas Mark Zuckerberg heeft er geen dubbelzinnigheid over laten bestaan waar het hem om te doen is: de reclame-inkomsten verhogen. Want wie de illusie nog mocht koesteren dat dit een filantropische onderneming is: het gaat uiteraard puur om harde dollars.

Meteen wordt weer duidelijk welke ruiloperatie aan de zgn. sociale media ten grondslag ligt: wij kunnen gratis communiceren en virtuele netwerkjes opbouwen, zij verkopen reclameruimte en cashen. De omvang van het systeem is zijn kracht: momentaal al ruim een miljard gebruikers wereldwijd.

De digitale republiek

facebookUiteindelijk doet het netwerk zelfs veel meer dan internetcommunicatie aanbieden: het herorganiseert de geglobaliseerde samenleving tot een super-community die de oude socio-politieke gemeenschappen opslorpt, inclusief heel het machtsapparaat dat hen superviseert.

Vergeet de klassieke Big Brother, de politiecomputer (die in België trouwens verschrikkelijk sputtert), de staatsveiligheid en de camera’s op straat: het consortium van Google, Facebook Google, en weet ik nog wie meer, dat aan de einder opdoemt, regelt vanuit een commerciële logica een planetaire federatie waar iedereen met iedereen verbonden is volgens het fameuze zes-stappen-model. Overeenkomstig de theorie van Carneiro, dat we sociaal maar tot honderd kunnen tellen, bevat een gemiddelde FB-vriendenkring inderdaad zo’n 100 “vrienden”. Maar elke kring is met andere kringen verbonden, het is haast niet mogelijk om er een geïsoleerd intranet op na te houden. Grotere groepen en like-pagina’s smeren de doorloop en geven het systeem zijn virale kracht.

De nieuwe wereldorde is dus een digitale republiek, waarop je vanuit pc, I-pad en I-phone inlogt. Alle menselijke activiteiten, geaardheden, interessesferen en subculturen vinden een plek. Doch meteen wordt ook heel ons doen-en-laten in real time in kaart gebracht, zie de nieuwe locatie-app waarvan sprake. De impact op het zogenaamde privé-leven (wat we zelf met veel overgave prijs geven) is maar het begin: finaal kunnen alle samenlevingsproblemen, die vroeger via overheidsbemiddeling en het justitie-apparaat hun beslag moesten krijgen, nu via FB beslecht worden. Denk aan het gefotografeerde pestgedrag, de straatagressie en de daaropvolgende wraakpagina’s: de nieuwe justitie is een cybergestuurde volksjustitie.

Het aloude “sociaal contract” is hopeloos achterhaald. De nieuwe wereldorde is een digitale republiek, waarop je vanuit pc, I-pad en I-phone inlogt.

Men kan daar flauw over doen of niet, maar de onmacht van de politieke klasse en het fundamenteel sluimerend onbehagen omtrent de falende rechtstaat, hebben het alternatief wel in het leven geroepen.  Het aloude sociaal contract, door de 18de eeuwse Verlichtingsfilosofen Thomas Hobbes, John Locke en Jean-Jacques Rousseau gepropageerd, waarbij de burgerrepubliek werd voorgesteld als het resultaat van een vrijwillige machtsoverdracht in ruil voor zekerheid en orde, is hopeloos achterhaald. Politici spartelen wanhopig om het oude model van de burgerlijke democratie nieuw leven in te blazen en zo hun eigen status te vrijwaren, maar tevergeefs: de nieuwe soeverein heet Mark Zuckerberg, beheerder van de vind-ik-leuk-democratie, en gesteund door complementaire roddellijnen als Twitter.

Zelfs de media lopen deze (r)evolutie achterna: in bepaalde TV-programma’s duikt nu ook Facebook op –in feite een concurrent-, terwijl kranten steeds meer de mosterd op Twitter gaan halen. Vergeet dus ook de Vijfde Macht en de zogenaamde mediadictatuur: binnen 10 jaar is een krant of een TV-zender weinig meer dan een Facebookpagina. Idem dito overigens voor politieke partijen of vakbonden.

Spinnen in het netwerk

DislikeEdoch, het sociaal contract 2.0, eigen aan de digitale republiek, wordt ondertussen wel geëxploiteerd door een beursgenoteerde privé-onderneming, en dat veroorzaakt in onze linkerhartklep enige jaloezie: waarom zouden wij Mark Zuckerberg en zijn aandeelhouders nog rijker maken?  Het op zo’n 17 miljard dollar geschatte persoonlijk vermogen van deze klein begonnen entrepreneur met het gezicht van een autoverkoper, herleidt de term “sociaal medium” tot zijn echte dimensie van geldmachine. Vermits echter ook de klassieke politiek door belangengroepen (en soms echte private lobby’s) wordt gedomineerd, is dat eigenlijk nauwelijks nog een argument. Vrijwel heel de Europese besluitvorming is bijvoorbeeld gestuurd door lobbygroepen.

Het is dus inderdaad de vraag, of we niet beter af zijn met de digitale republiek van Mark Zuckerberg, die ronduit voor de poen gaat, dan met de hypocrisie van het politieke Machiavellisme, en zijn ontelbare grote en kleine Borgia’s.

De pineut zijn we altijd, maar laat de façade van ideologie en moraal maar achterwege. Als we toch onze autonomie moeten inleveren, dan liever aan een verkoper dan aan een tiran, al is het er een van fluweel. Bovendien blijft ook, en misschien vooral in die digitale republiek, de antropologische constante overeind, die zegt dat mensen de neiging hebben om zich los te weken uit grote structuren, en dat groepen op natuurlijke wijze uiteenvallen in groupuscules (van maximum 100 eenheden). En dat is het echte gevaar voor megaplatformen als Facebook: men zou het kunnen gebruiken als middel om contacten te leggen, om daarna “privé” te gaan in een ander, kleiner netwerk. Zelf doe ik dat trouwens consequent: interessante nieuwe connecties tracht ik onder te brengen in een eigen netwerkje, hoofdzakelijk opererend via e-mail en een webplatform/blog.

Als we toch onze autonomie moeten inleveren, dan liever aan een verkoper dan aan een tiran, ook al is het er een van fluweel.

Zuckerberg en C° zijn zich daar terdege van bewust: de mogelijkheid om e-mailadressen van FB-gebruikers te exporteren is drastisch beperkt, iedereen krijgt sowieso een facebook-email toegewezen. De lichte onrust van de soeverein is begrijpelijk: de reclametarieven kunnen enkel op peil blijven, als het netwerk homogeen en mega-monopolistisch blijft. Elk parasitisme en/of lekkage tast het businessmodel van het systeem aan: je moet het spel correct meespelen.

Vergelijk het ook met de kruistocht van Christian Van Thillo, grote baas van De Persgroep, tegen het skippen van reclameblokken tijdens uitgesteld TV-kijken. Ik beoefen dat doorspoelen met de grootste vreugde, maar de adverteerders vinden dat uiteraard niet leuk. Het is dan ook kwestie van tijd voor daar een technische oplossing voor gevonden wordt, en dan zullen wij weerom onze creativiteit aanwenden om die te omzeilen.

Kijk, dat vind ik nu het meest positieve aan het digitaal tijdperk: zoals de aloude politieke macht ons aanzette tot creatieve subversiviteit (van flitspaaldetectie over foutgevulde vuilzakken tot belastingontduiken), zo zal de kersverse cyberrepubliek altijd verstoord worden door middelpuntvliedend gepruts en gemorrel. Het hoeft niet eens om hacken en cyberterreur te gaan, al kan ik smakelijk lachen als het informaticasysteem van het Pentagon wordt gekraakt. Evenmin vormen de pogingen om “witte vlekken” te creëren (locaties, bezigheden en groepjes zie zich willen ont-digitaliseren, meestal iets voor ouwe hippies) nog een uitdaging. Neen, we moeten Mark Zuckerberg dankbaar zijn voor zijn uitvinding, want het is een nieuwe Gordiaanse knoop die moet ontward worden, wat veel vermaak en opwinding kan geven, maar wat ook ons verstand aanscherpt.

Overigens sanctioneert Facebook veelvuldig “ongeoorloofd gedrag”, schrapt willekeurig profielen, verbant mensen uit het netwerk, of ontneemt hen tijdelijk de mogelijkheid om te “frienden”: de soeverein treedt echt soeverein op, zonder enig recht op beroep. Met het medium omgaan vergt dus echt wel inzicht en intelligentie,- iets wat wij gaandeweg verleerd hebben dankzij de repressieve tolerantie, eigen aan de democratie en de rechtstaat.

Overeenkomstig het gezegde van Diogenes “De weg naar buiten gaat langs binnen”,  is een spel van kat-en-muis met de nieuwe soeverein dus aangewezen. De zwakke plekken van het netwerk benutten, omleidingen en shortcuts leggen, de uitgestrektheid van het systeem misbruiken. Zelfs het hacken van heel de FB-server of het infiltreren van het Facebook-bedrijf is niet uitgesloten. De film “The Social Netwerk” (2010) behandelt o.m. de interne kwetsbaarheid van zo’n commercieel-technisch megaproject, en de mogelijkheid om het te kapen.

De omvang van het netwerk is zijn macht en zijn zwakte: richt bijvoorbeeld een anti-Facebookpagina op, en kijk eens hoe lang het duurt voor de beheerders het door hebben.

De mogelijkheid om als foute spinnen in het netwerk opereren, net onder de lijn van de zichtbaarheid, is iets wat we nog volop moeten leren. Via, jawel, FB-kringen.

Post-civiele ironie

Corry

Corry met haar hondje op FB

Tot slot nog iets over “privacy”.  Van Dale omschrijft dit als “persoonlijke vrijheid, het ongehinderd, alleen, in eigen kring of met een partner ergens kunnen vertoeven; gelegenheid om zich af te zonderen, om storende invloeden van de buitenwereld te ontgaan, een toestand waarin een mens er zeker van is dat zonder zijn toestemming zo weinig mogelijk andere mensen zich op zijn terrein zullen begeven.”  Het VN-verdrag over politieke grondrechten, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de respectievelijke grondwetten,… alle schermen ze met dat begrip privacy en “bescherming van de persoonlijke levenssfeer”. Vooral juist de nieuwe internetplatformen zoals Facebook en Google worden geviseerd, als “privacy-bedreigend”.Dat klopt uiteraard: uw persoonlijke voorkeuren zijn van groot belang om gerichte publiciteit te kunnen verkopen, of dacht u dat die Viagra-reklame in uw mailbox daar per toeval terecht komt. Maar is de politieke overheid niet slecht geplaatst om dat aan de kaak te stellen? De staat moeit zich met alles, ook de privé-sfeer, en altijd met het algemeen belang als kapstok. Van het proces-verbaal voor vuurtje stoken in de tuin, over huisuitdrijvingen door deurwaarders, telefoontap, tot de Patriot Act (die de Amerikaanse overheid inzagerecht in privé-gegevens verleent, in het kader van de terreurbestrijding): het binnendringen van de privé-sfeer gebeurt doorlopend en is keurig in wetteksten gegoten.

Historisch gezien is politieke macht namelijk, al van het ontstaan van de eerste agrarische nederzettingen, altijd een inperking van die zogenaamde privésfeer geweest. Men laat u hobby’s beoefenen, koken, TV-kijken en neuken, zolang het de continuïteit van de macht niet aantast. Overschrijdt u die grens, dan is het plots uit met de privacy en kan u in iets terecht komen waar per definitie geen enkele privacy heerst: de gevangenis. Uiteindelijk was zelfs heel dat sociaal contract van de Verlichtingsfilosofen maar een alibi om moderne macht te legitimeren. We zijn als individu niet vrij, nooit geweest, en zullen het in het civiel universum ook nooit worden.

“Privacy”? Het feit dat Mark Zuckerberg en heel de planeet mag weten hoe dikwijls we per dag naar het toilet gaan, is in feite een enorme kaakslag voor elk politiek regime. 

In dat opzicht lijkt me de pogingen van het politiek systeem om de sociale media te reguleren via het privacy-argument (“bescherming van de persoonlijke levenssfeer”) veeleer een laatste stuiptrekking. De politiek weet dat het gedaan is, en schiet nog even in paniek op het nieuwe netwerk dat haar overbodig maakt. De digitale wereldrepubliek dus.

Het feit dat Jan en alleman ongevraagd al zijn familiekiekjes op Facebook gooit, of van uur tot uur over zijn en laten bericht, weerlegt de stelling dat het sociaal medium de privacy aantast. We doen het namelijk zelf. De reden van dat exhibitionisme is complex, maar wellicht heeft het veel met een soort post-civiele ironie te maken: de ontgoocheling van de burger over de staat, en het massaal dumpen van private gegevens in een nieuwe constellatie die, bevrijd van alle ideologisch gezwam, in de gedereguleerde wereldmarkt opereert.

Het feit dat Mark Zuckerberg en heel de planeet mag weten hoe dikwijls we per dag naar het toilet gaan, is in feite een enorme kaakslag voor elk politiek regime.  Het is een enorm fuck-gebaar. Jazeker, de fiscale inspectie houdt uw Facebookprofiel in de gaten, op zoek naar sporen van ontduiking. Vakantiekiekjes die wijzen op zwart geld, bijvoorbeeld. Maar het gevaar is veel reëler dat de man in kwestie via datzelfde Facebook wordt ontmaskerd en met pek en veren door de cybercommunity wordt achternagezeten.

Dat eindspel, beste vrienden, maken we vandaag mee van op de eerste rij: de strijd tussen oude en nieuwe macht, én de opkomende tendensen binnen die nieuwe constellatie van enkelingen en groepen om het systeem te slim af te zijn. I like/dislike Facebook, ik zeg het in het Engels opdat Mark het zou verstaan. Wat erachter zit, weten u en ik.

Johan Sanctorum